Edwin Fagel. Brief over eigenzinnigheid
Monday, August 9th, 2010Ha O.,
Uit ons telefoongesprek zojuist maak ik op dat ik in mijn vorige brief niet overal even helder ben geweest. In deze brief dus een toelichting.
Op Youtube staat een filmpje waarin singer/songwriter Elliott Smith zijn houding ten opzichte van het schrijven (van liedjes) uiteenzet. Hij zegt in dat filmpje twee interessante dingen. Het eerste is de opmerking dat hij niet zozeer is geïnteresseerd in melodieën, maar veel meer in vormen. Hij bedoelt daar (denk ik) opeenvolgende akkoorden mee, en uit het filmpje blijkt ook dat hij lang niet alle akkoorden en grepen bij naam kent. Met andere woorden: hij zoekt bij het schrijven van liedjes eenvoudigweg naar de klanken en de bewegingen van klanken die hem bevallen - en kennelijk visualiseert hij die in vormen, beelden. Dat vind ik interessant omdat veel beeldende kunstenaars, Kandinsky bijvoorbeeld, het tegenovergestelde proberen: zij proberen muziek weer te geven in hun beelden.
De tweede interessante opmerking sluit hierop aan. Dit soort kunstenaars waagt zich op onbekend terrein. Onbekend voor henzelf, in ieder geval. Daar heb je lef voor nodig. En een zekere eigenwijsheid. Elliott Smith zegt in het filmpje dat je bij het schrijven niet teveel moet letten op wat anderen ervan vinden. “You like it, don’t you? So there must be something good about it,” citeer ik hem uit het hoofd. Ik denk dat grote kunst alleen kan ontstaan als de kunstenaar uitgaat van zijn eigen smaak, zijn eigen ideeën – en die alleen. Er zullen in zijn tijd vast veel mensen zijn geweest die vonden dat Satie rare zweefmuziek maakte. Denk je eens in wat er zou zijn gebeurd als hij zich die kritiek had aangetrokken. Niets! Hij had misschien gangbare muziek geschreven, in overeenstemming met de mode van zijn tijd. En we zouden het nu niet meer over Satie hebben.
Je haalde op je kaartje Herman Gorter aan, dat vind ik ook een sterk voorbeeld. Bij het schrijven van Verzen, schreef hij eens aan een vriend, wachtte hij met schrijven tot hij de gedichten hoorde klinken. Pas dan begon hij te schrijven. En als hij ophield, was dat omdat hij ‘óp’ was. Het resultaat is een van de meest eigenzinnige en gewaagde bundels die ooit in het Nederlands zijn geschreven. Hij heeft het er in de tijd dat de bundel verscheen (1890) niet gemakkelijk mee gehad. De kritieken waren honend, en zijn leerlingen (hij was toen leraar) pestten hem bijvoorbeeld met de opmerking dat ze hun ‘pennige pen-pen’ op de grond hadden laten vallen. Maar hij bleef radicaal vertrouwen op zijn eigen smaken en voorkeuren, zijn eigen instinct, en precies dat maakt hem naar mijn mening tot een van de grootste dichters die ons land heeft gehad.
Dat bedoelde ik in mijn vorige brief met de waarde van polemiek. Grote kunst is altijd polemisch, omdat het anders is. En het is groot omdat het dat anders-zijn heeft moeten veroveren op de omgeving, op de heersende smaak, en zodoende die heersende smaak heeft veranderd. Maar die eigen smaak en die eigen opvattingen, daar word je niet mee geboren. Die moet je ontwikkelen. En je ontwikkelt je smaak alleen als je met veel kunst kennis maakt, erover nadenkt – en erover discussieert. Het gaat er m.i. in een goede polemiek niet primair om de tegenstander te overtuigen. Het gaat om het kennis maken met, en wegen van, argumenten.
Het zal je misschien gek voorkomen, mij een lans te horen breken voor eigenzinnigheid en polemiek. Je kent me, en je weet dus dat ik van mezelf niet erg polemisch ben - integendeel. Dat zie ik eerlijk gezegd ook als mijn grootste handicap, en daarom moet ik bovenstaand, dat voor anderen misschien een open deur is, mezelf voortdurend voorhouden om überhaupt iets op te kunnen schrijven.
Smaken en voorkeuren zijn (als het goed is) voortdurend aan ontwikkeling onderhevig. Dat gebeurt onder invloed van andere smaken en voorkeuren. Er zijn naar mijn idee ook veel dichters die juist teveel op hun eigen instinct vertrouwen; die hebben misschien wel talent, maar ze vergeten dat talent te ontwikkelen. Je moet volgens mij, als je ooit ‘grote’ poëzie wil schrijven, óók voortdurend je eigen smaken en voorkeuren ter discussie stellen. De vraag is dus eigenlijk: hoe kun je tegelijk onder alle omstandigheden op je eigen smaken en voorkeuren vertrouwen, als je ze ook voortdurend ter discussie stelt? Mijn voorlopige antwoord is: er moet een focus zijn. Voor Gorter was dat uiteindelijk het communisme, voor Elliott Smith was dat, stel ik me voor, het plezier in het maken van de ‘vormen’.
Maar het blijft een zoektocht, schrijven – en een worsteling, kan ik je vertellen. De ene keer vind je wat je zelf hebt geschreven prachtig, de andere keer is dezelfde tekst troep. Je kunt eigenlijk helemaal niet op je eigen oordeel vertrouwen. En al helemaal niet op het oordeel van een ander. Want je weet nooit of hij, als hij zegt dat iets ‘mooi’ is, hetzelfde bedoelt als wat jij met dat woord bedoelt. En toch heeft Elliott Smith gelijk. Als iets mooi is, wéét je het. Du Perron schreef eens: “Maar tenslotte zijn onze gevoelens wel het meest onfeilbare in ons, ontegenzeggelijk; het minst bepaalbare, het veranderlijkste en, als het er op aan komt, het zekerste.”
Hartelijks,
(Edwin Fagel)






