Posts Tagged ‘Tonnus Oosterhoff’

Janita Monna. ‘Verdraaid, zo is het’

Tuesday, January 31st, 2012

 

Bij P.C. Hooftprijs voor Tonnus Oosterhoff

Tonnus Oosterhoff

Tonnus Oosterhoff

‘Ja, zo is het! Zo is het nou precies!’ Zo omschreef Tonnus Oosterhoff ooit aan collega-dichter Rutger Kopland het gevoel dat een goed gedicht opriep: een kort en fel moment waarbij je even denkt een ‘blik te werpen op iets heel waars en zinvols’. Een gevoel dat overigens evengoed opgeroepen kan worden door een zin van Tsjechov als door een onhandig geschreven berichtje uit een buurtkrantje.

Het ‘zo is het’-gevoel is ook de leidraad in zijn eigen werk. Er ligt geen idee klaar dat uitgewerkt moet worden, of een anekdote die gevangen dient in woorden: zijn gedichten zijn collages, opgebouwd uit overal vandaan geplukte taalfragmenten – flarden dialoog, nieuwsberichten, gedachten, radio- en televisiefragmenten, taalgrapjes, hersenspinsels, zó in stelling gebracht dat het als geheel werkt. Onlangs verscheen zijn zesde dichtbundel, Leegte lacht. Alleen al die onheilspellende titel is een typische Oosterhoff-regel: een perfect gevonden citaat, afkomstig uit een artikel in Trouw waarin politici, onder wie René Leegte, reageren op de kernramp in Japan.

‘Kunnen ook vrachtwagens die op transport zijn met radioactief afval heftige overstromingen aan? Leegte lacht: “Dat wordt een beetje sciencefiction.”‘

Leegte lacht is ‘pas’ zijn zesde dichtbundel. Hij debuteerde weliswaar twintig jaar geleden, maar het lijkt weleens of hij elke bundel opnieuw een beetje debuteert, want in het stapeltje Oosterhoff is iedere bundel een vernieuwing ten opzichte van de voorgaande. Hij is geen dichter die op zijn lauweren rust, al ontving hij vrijwel iedere prijs die er voor poëzie te krijgen is, van Buddingh’ tot VSB. Hij dwingt zich er ook toe: ‘Gedichten mogen van mij niet te veel op elkaar lijken; de tweede keer geloof ik mijzelf niet meer.’

Toch is aan de grondtoon uit Boerentijger, zijn eerste bundel uit 1990, weinig veranderd. Die toon bestaat, om met woorden uit zijn laatste bundel te spreken, uit een mengeling van ‘verlegenheid’ en ‘galligheid’. Daarbij een uitzonderlijk gevoel voor humor en een bijzonder sterk afgestelde sensor voor eigenlijk iedere vorm van taalgebruik: in het openingsgedicht wordt de dichter als een luipaard dat luistert naar de ‘radiowind’. De dichter als zendmast die wat hij opvangt, vervormt en hervormt en weer uitzendt. In dit debuut is al voelbaar hoe Oosterhoff die opgevangen woorden onder spanning weet te zetten. Een eenduidige betekenis valt er niet op te plakken, maar af en toe sijpelt iets door waarvan je kunt zeggen: Verdraaid, zo is het. Dan is het of je een ‘seinvlag’ ziet, zoals in het gedicht ‘Fontanel’:

 

Over de mond zit een vel

waarachter een dagritme bonkt.

Moeders zeepzachte handen

trillen van liefde en angst.

 

De lichtende draden van liefde

en feller de draden van angst

zijn in het denkvocht gespannen

tot het kind er seinvlaggen aan hangt.’

 

In dit korte gedicht zit meteen dat precaire en onbehaaglijke dat veel gedichten van Oosterhoff hebben. Zijn fascinatie voor het lichaam (met zijn afwijkingen en ziektes), en met name zijn fascinatie voor de hersenen en voor de plaats en de wijze waarop taal ontstaat, zijn hier bijvoorbeeld te zien in het vel als fontanel over de mond.

Het evenwicht dat hij schept is breekbaar, zoals de moeder met de zeepzachte handen het kind elk moment kan laten glippen. Het is compassie die kan omslaan in een luguber tegendeel, in een grimmige situatie. Wat niet wegneemt dat je eindeloos veel (pijnlijk) geestige regels uit zijn werk kunt citeren:

‘Naar mijn mening moet iedereen vanaf heden/ op slechtverwarmde huurkamers bivakkeren/ met betimmering foeilelijk.’

‘Er ligt een dode chinees, ogen/ half open, te ademen in mijn bed,/ zijn oren hebben nog het driehoekige/ van de tekentafel.’

Zijn Oosterhoffs eerste twee bundels in zekere zin traditioneel als het gaat om typografie, in (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum (1998) – ook díe titel ontleende hij aan een krantenartikel – maakt hij al meer gebruik van verschillende lettergrootten, kleur. Daarin staat ook het even poëticale als geestige en fantastische gedicht ‘Meneer met Pinksteren’. Het heeft een verrukkelijk plechtstatige toon die behoorlijk op de lachspieren werkt. Een fragment van de dichter Leopold lezend, overdenkt personage O:

‘O, denkt O, kon dit maar eigen maaksel zijn; het zou mijn werk net dat beetje extra geven dat het nu voorgoed moet missen.’

Valse bescheidenheid? Hoe dan ook is er in zijn bundels nauwelijks een zwakke schakel te vinden. In Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen (2003) zien we de dichter opnieuw aan het werk. Dwars door de gedrukte tekst, in de kantlijn staan handgeschreven kreten, verbeteringen, aanvullingen, soms in grote hanepoten – ‘Brul admiratie/ Lucebert gans de natie ‘ – soms zo kriebelig dat het bijna niet te lezen is.

Dat Oosterhoff de P.C. Hooftprijs krijgt, is meer dan terecht. Want hij geldt niet alleen op papier als grote vernieuwer, hij staat bovenal nog altijd eenzaam aan de (Nederlandse) top van de digitale poëzie.

Op zijn website www.tonnusoosterhoff.nl plaatst hij regelmatig nieuwe bewegende gedichten. Daarbij verschijnen en verdwijnen zinnen, woorden, fragmenten, krabbels op het scherm, in een strakke regie of misschien wel choreografie van de dichter. Het is een heel andere manier van poëzie lezen, want het is niet de lezer die het tempo bepaalt, maar de dichter. Tegelijk is het of het gedicht onder je ogen ontstaat, zoals in ‘Nachtkrabbels’, een recent gedicht op de site waarin handgeschreven tekst zich mengt met woorden in drukletter. Bij Oosterhoffs digitale poëzie worden ogen en hersenen steeds kort geprikkeld, haast nooit zie je het gedicht als geheel. Dat maakt dat je met ingehouden adem kijkt en luistert, zoals naar de prachtige ready-made die enkele jaren gelden op de site stond: ‘Wat moet ik ervan zeggen?’ Oosterhoff gebruikte hier de stem van de 100-jarige Theo Tukker uit een radiodocumentaire. Wat de oude man met bevende stem vertelt, verschijnt tegelijkertijd woord voor woord op het scherm: ‘Ik sta op en, ja, ja, ik ga bewerkstelligen wat ik heb gedaan enzovoorts, en ik denk nou, theo, dat moet je maar doen.’ De krakende oude man zegt eigenlijk niet zoveel en zegt zo eigenlijk alles.

Oosterhoff krijgt de P.C. Hooftprijs voor zijn poëzie, hij schrijft ook essays en verhalen. Van zijn werk, zelfs van de bewegende gedichten, bestaan ook Engelse vertalingen. En voor wie graag op de hoogte blijft van het werk van deze P.C. Hooft laureaat: je kunt je abonneren op zijn website. Nieuwe bewegende gedichten belanden dan zo, bij wijze van cadeau, in het postvak van je e-mail.

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

 

(Janita Monna)

Onderhoud met Alfred Schaffer

Monday, May 18th, 2009

Diversiteit in Nederlandstalige poësie

Alfred Schaffer in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Alfred Schaffer (1973) woon van 1996 tot begin 2005 in Kaapstad, waar hy sy doktersgraad behaal aan die Universiteit van Kaapstad by die Departement Afrikaans en Nederlands. Vir Beeld en Die Burger skryf hy rubrieke oor Nederlandse poësie en saam met Antjie Krog is hy samesteller van Nuwe Stemme 3. Hy debuteer in 2000, met sy digbundel Zijn opkomst in de voorstad, en sy sesde en voorlopig laaste bundel, Kooi, het in 2008 verskyn. Tans bly hy in Amsterdam, waar hy werk by die literêre uitgewery De Bezige Bij.

 

Alfred Schaffer

Alfred Schaffer

 

Alfred, vir ons hier in die ander halfrond lyk dit asof die Nederlandse digkuns een van die mees dinamiese digkunste in wêreldliteratuur is; nie net vanweë produksie nie, maar ook in terme van gehalte. Kan jy vir ons ’n idee gee van hoeveel digbundels (min of meer) per jaar by die gevestigde uitgewerye verskyn en wat die gemiddelde verkope per bundel is?

 

Die internasionale ekonomiese krisis ten spyt, lyk dit vir my asof daar nie juis minder digbundels verskyn in die Nederlandse taalgebied nie – ons praat nou van Nederland en België saam. Die Vlaamse digter en kritikus, Herman de Coninck, het in 1996 begin met die uitgee van die honderd beste gedigte van die lopende jaar. Die boek met die honderd beste gedigte van 2008 is saamgestel deur die digter en kritikus Rob Schouten. In sy voorwoord skryf hy dat daar in 2008 106 bundels by gevestigde uitgewers verskyn het, wat meer digbundels is as in 2007. Vir so ’n klein taalgebied is dit sekerlik baie gedigte vir een jaar. Die gemiddelde verkope is moeilik om vas te stel. Ek dink die meeste digters verkoop so om en by die tweehonderd, driehonderd boeke, dan is daar verskeie digters wat tussen seshonderd en ‘n duisend verkoop. Jy het natuurlik ook dié wat meer as tweeduisend of drieduisend verkoop, struktureel of insidenteel, maar hulle is tog skaars. Die gemiddelde lê, dink ek, iewers rondom vyfhonderd eksemplare. Gehalte is moeilik om vas te stel – hoe kan mens so iets meet? Smaak word bowendien kultureel bepaal. Sekerlik word daar mooi en baie poësie geskryf in Nederland, maar ons het nie regtig kandidate vir die Nobel-prys nie; veral nie na Hugo Claus se afsterwe verlede jaar nie. In Afrikaans is daar darem steeds Breytenbach en Antjie Krog. Tog dink ek dat ons hier ’n groot groep kwalitatief goeie digters het; onder elke tien digters tel ’n mens dalk sewe sterk digters. Maar dit bly alles maar growwe veralgemening; poësie is immers nie ’n sport waar ʼn mens hoef te kompeteer oor wie die beste is nie. 

 
 

 

In Suid-Afrika is daar jaarliks ’n beduidende hoeveelheid bundels wat nié by gevestigde uitgewers verskyn nie; dikwels met wisselende sukses. Bestaan daar dieselfde tendens in Nederland en hoe word hierdie bundels in die algemeen ontvang?

 

 

 

Daar is wel digbundels van digters wat nie by gevestigde uitgewers verskyn nie, maar jy sal hulle nie maklik vind in die deursnee boekwinkel nie. Meestal is die verspreiding maar deur websites en blogs, sowel as vriende en familie. So daar’s nie eintlik ’n ontvangs vir sulke boeke in terme van resensies of ander publikasies nie. Digters wat op die lang termyn in “eie beheer” uitgee, is eintlik per definisie nie baie interessant nie, sou ’n mens kon sê, anders sou hulle al ontdek gewees het deur gevestigde uitgewers – ek wed jou hulle het almal op ’n slag hul luck probeer by een. Ook sal jy sien dis dikwels mense wat veral digter wil wees, nie noodwendig wil dig nie. Dis poësie vol clichés en platgewalste emosies. As redakteur by De Bezige Bij sien ek sulke manuskripte elke week weer met die pos kom, die een nog slegter as die ander. Gaande oor hul eie werk, en begeleidende briewe (nogal in die derde persoon enkelvoud gestel, asof hulle reeds ’n flapteks skryf) waar jy lees dat hulle vriende en familie mal, mál was oor hulle skitterende gedigte. En wat jy dan vervolgens lees, is so onstellend sleg dat jy wonder of hulle ooit een gedig gelees het.

 

Ten einde ’n bepaalde digkuns dinamies uit te bou en lewenskragtig te hou, word besonderse inisiatiewe en projekte vereis. Kan jy dalk ’n paar van hierdie inisiatiewe noem wat die Nederlandse literatuur van ander – en meer spesifiek die Suid-Afrikaanse – onderskei?

 

Daar is genoeg aktiwiteite, sowel in Nederland as in Vlaandere. Party digters dink selfs daar is te veel; dat dit die poësie vervlak, aangesien dit bloot die entertainment element van die poësie belig, en die moeiliker en uitdagender soort verse en digter negeer. ʼn Mens kan dink aan die reeds genoemde boek wat elke jaar 100 gedigte uitlig van die afgelope jaar, ’n soort klein jaarlikse kanon. As só iets in Afrikaans uitgegee sou kon word, sou dit ’n groot stimulerende tradisie ook in die Afrikaanse poësie kon skep. Miskien ietwat minder as 100 gedigte, aangesien daar in Afrikaans nie so baie digbundels in ʼn bepaalde jaar verskyn nie. Dan was daar die aandag rondom die verkiesing van die “Dichter des Vaderlands”, met gepaardgaande tv-optredes en interviews met die benoemde digters. Voorts kry jy festivals en geleenthede soos Poetry International, de Week van de Poëzie, Gedichtendag, Koningsblauw en Saint Amour (beide in Vlaandere), de Nacht van de Poëzie, en jaarlikse geldpryse, soos die VSB Poëzieprijs (€ 25.000) en talle ander groot en kleiner pryse.

Daar is nog altyd baie literêre tydskrifte wat primêre werk publiseer en analiseer, al is die intekenare dikwels bitter min. Gevolglik verdwyn meer en meer tydskrifte, enersyds as gevolg van die kompetisie met die internet, en andersyds as gevolg van die afnemende belangstelling vir kuns en kultuur in die algemeen. En natuurlik is daar baie subsidies beskikbaar. Die NLPVF (Nederlands Literair Productie -en Vertalings Fonds) en Het Fonds voor de Letteren, wat geld gee vir projekte (vertalings, reise, besondere uitgawes), en skrywers en digters geld gee om ’n bepaalde bundel of roman te skryf, met bedrae tussen € 10.000 en € 60.000. Dan is daar natuurlik ook nog die Poetry Slams, op klein skaal in kafees en op groter skaal op festivals, en daar is groot literêre festivals deur die land waar poësie en letterkunde welkom is te midde van ander kuns-dissiplines (teater, musiek, beeldende kuns), soos De Wintertuin (Nijmegen), Crossing Border (Den Haag), Winternachten (ook Den Haag) en Geen Daden Maar Woorden (Rotterdam). Literatuur het nie meer so ’n groot plek in die Nederlandse onderwysstelsel soos 10 of 20 jaar gelede nie, so al hierdie inisiatiewe is ’n manier om aandag te vestig op poësie. Maar dikwels is dit veral spoken word wat mense aantreklik vind, gesigte en persoonlikhede; of dit egter die boekverkope bevorder, kan ons ernstig betwyfel.

Dit help juis ook nie wanneer koerante al hoe minder aandag aan poësie bestee nie; dis amper minagtend. Daar verskyn wel resensies op internet, maar die impak (status) en die gehalte van dié artikels is dikwels maar bedenklik.

 

Indien ’n mens kyk na die aantal Afrikaanse digters wat die afgelope jare genooi is na Poësie-feeste in Nederland, asook die toenemende teenwoordigheid van Afrikaanse poësie in vertaling, wil dit voorkom asof daar ’n groeiende belangstelling in Afrikaanse digkuns daar in die noorde bestaan. Is dit ’n korrekte afleiding en indien wel – wat sou jy sê is die rede(s) hiervoor?

 

Daar is steeds belangstelling in die  Afrikaanse poësie, ja. Veral Gert Vlok Nel en Antjie Krog is regtig populêr, soos ook Ingrid Jonker. Gert Vlok Nel (‘Beautiful in Beaufort-Wes’) en Jonker (‘Korreltjie niks is my dood’) het hier gewild geraak deur dokumentêre-films op tv wat die Nederlanders aangrypend gevind het. Daarna het hulle poësie begin verkoop. En Antjie maak opslae deur middel van haar optredes en voordrag. Die mense is gaande oor haar skitterende gedigte ook, en dit werk baie goed saam met haar persona op die verhoog, en haar gedurfde en intense lees. Sy verkoop seker meer gedigte as die meeste Nederlandse digters. So, die Afrikaanse poësie is goed verteenwoordig, met die name wat tel daar in Afrikaans – Breytenbach en Stockenström is ook al in Nederlands vertaal. En dan is daar die besonderse geval van Elisabeth Eybers, wat op ’n manier ook ’n bietjie ’n Nederlandse digter geword het. Andersom is daar ongelukkig min belangstelling vir wat hier in Nederland en Vlaandere aan die gebeur is. De Coninck en Gruwez is vertaal, ja, en selfs Stef Bos se ‘gedigte’ word uitgegee in Afrikaans, maar dit is nie eintlik die digters wat régtig tel nie, en daar is genoeg, soos: K. Michel, Tonnus Oosterhoff, Astrid Lampe, Leonard Nolens, Hans Verhagen, Miriam Van hee, Mustafa Stitou, Esther Jansma, Arjen Duinker, Eva Gerlach, Peter Verhelst, Menno Wigman, Nachoem Wijnberg, you name it. Dit is asof die Afrikaanse leser tog veral iets wil lees wat nie te uitdagend is nie; iets wat maar net lekker gevoelens verwoord. Dalk het dit ook te doen met die behoudende smaak van die Afrikaanse vertalers wat uit Nederlands na Afrikaans vertaal. Ek het dit byvoorbeeld weer besef toe ek in Berlyn met Antjie gesels en haar vertel het van Harry ter Balkt. Dis een van die grootste lewende digters in Nederland. Ek het toe later van sy werk vir haar gestuur en sy was gaande daaroor, heeltemal oorrompel, geskok, omdat sy dit nie geken het nie. Daar is baie belangriker en kragtiger Nederlandstalige poësie as wat nou in Afrikaans beskikbaar is.

 

Is dit moontlik vir jou om ’n paar opmerkings rakende ooreenkomste en verskille tussen die Afrikaanse en Nederlandse poësie te maak? Vir my wil dit byvoorbeeld voorkom asof daar tans in die Nederlandse digkuns ’n voorkeur is vir meer kriptiese, serebrale verse terwyl daar in die Afrikaanse digkuns die afgelope jare ’n sterk neiging tot vertelverse met ’n meer anekdotiese inslag is. Ek besef dat hierdie ’n gruwelike veralgemening is, maar dit is tog ’n wesenlike verskil, is dit nie?

 

Ek dink die grootste verskil met die Afrikaanse digkuns is dat daar maar net méér gehalte digters is, omdat daar in totaal méér digters is wat publiseer in Nederlands. Dis bloot ’n kwessie van kwantiteit. Ek dink ook die poëtiese diversiteit is groter in die Nederlandstalige poësie. Jy kry hier praatverse, of konseptuele anekdotiek (K. Michel, Tjitske Jansen, Mustafa Stitou) tot hardcore eksperimentele poësie, wat in Afrikaans selde verskyn of geskryf word. By ons is daar byvoorbeeld die gedigte van die Vlaamse digters Paul Bogaert en Dirk van Bastelaere, en in Nederland Tonnus Oosterhoff (www.tonnusoosterhoff.nl), of Astrid Lampe, Nachoem Wijnberg, Arjen Duinker en F. van Dixhoorn. 

 Alhoewel die eksperimentele gehalte in Nederland en Vlaandere self nie te opvallend is nie, is dit wel so dat die eksperiment baie meer hoofstroom is hier as in Afrikaans. Duinker, Wijnberg, Bastelaere, Lampe, Oosterhoff; ek ken nie eintlik soortgelyke digters wat prominent in Afrikaans aanwesig is nie, behalwe Breytenbach miskien. Aan die ander kant is die Afrikaanse poësie baie meer betrokke by sy omgewing, sowel die politieke as die natuur. Die Westerse individualisme is by baie Afrikaanse en Suid-Afrikaanse digters sterk vermeng met protes, politiek en algemene betrokkenheid. Jy sien dit ook by die Suid-Afrikaanse digkuns in die breë, met name soos Tatamkhulu Afrika, Gabeba Baderoon, Keorapetse Kgositsile of Rustum Kozain. Hulle is vertellers, nie digters wat nuwe taalkonsepte uitdokter nie. Digters soos Antjie Krog en Gert Vlok Nel – en nou byvoorbeeld Ronelda S. Kamfer weer, of selfs Charl Pierre Naudé, is regtig anders, ‘Afrika’ digters – dit is waarskynlik hoekom hulle so gewild is hier. Hulle beskryf nie net wêrelde wat ons nie in Europa ken nie, hulle is inderdaad die beliggaming daarvan. 

 

Ons vra om verskoning vir die feit dat die laaste gedeelte van Alfred Schaffer se antwoord hier bo, beginnende met “Alhoewel …”, met die aanvanklike plasing van die onderhoud nie die oordrag van dokument na webblad meegemaak het nie.

 

 

 

 

 

Gedig deur Alfred Schaffer

IMPASSE

Vertier in wissewasjes zoeken, zo blijft een mens overeind.

Toonladders oefenen. Eindeloos van iemand houden. Maar,

wat een afknapper is de mens, dweepziek, een slaaf van zijn

agenda, en zint hem iets niet, dan verbreekt hij de verbinding.

 

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik

me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste

bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,

iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

 

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast

neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem

naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

 

Mijn sleepdraad is geknapt, ik krijg me niet aan land gehesen.

Als straks het stadsgeluid bezinkt, zou ik met deze nachtkijker

meer moeten zien. Voor alle zekerheid. Maar meer is er niet.

 

(Uit: Kooi, De Bezige Bij, 2008)