Posts Tagged ‘Verbijsterend Heelal’

Luuk Gruwez. Verbijsterend heelal

Thursday, May 2nd, 2013

 

Deze recensie verscheen eerder in ‘De Standaard der Letteren’.

Luuk Gruwez. VERBIJSTEREND HEELAL

De auteur: zo langzamerhand een van de prominentste Nederlandse dichteressen.

Het boek: dichtbundel van iemand die zich voortdurend beraadt op haar positie in het haar omringende heelal en daar soms bang van wordt.

ONS OORDEEL: prachtig gecomponeerde bundel.

De recentste bundel van Maria Barnas vertoont een cyclische structuur. Hij begint met een gedicht over de oerknal. ‘Het heelal slaat de vleugels uit,’ heet het daar. En het eindigt met het ultrakorte gedicht ‘Oeverloos’: ‘De o van dood.’ Het is alsof in de dood alles weer heel wordt, alsof daar de perfect ronde en eindeloze staat van oeverloosheid wordt bereikt. Het heelal dat sinds de oerknal aan het uitwaaieren was geslagen en in fragmenten uit elkaar was gevallen, krijgt er als het ware zijn heelheid en zijn eenheid terug. Helaas enkel voor de duur van deze bundel.  Op de kaft staat, zwart tegen een witte achtergrond, een zwerm vogels afgebeeld. Die doen mij vanwege de dreiging die van ze uitgaat heel erg aan de ‘The Birds’ van Alfred Hitchcock denken. En inderdaad, in het eerste gedicht kun je met wat goede wil een bevestiging hiervan lezen: ‘Angst is een zwerm die rust in een boom.’

Het lijkt alsof Maria Barnas moeizaam overweg kan met het almaar meer gefragmenteerde heelal dat ons omringt. Zij schetst een werkelijkheid die ter wille van haar versplintering angstaanjagend is en gaat op zoek naar een herstel van de eenheid. Het bladzijdelange tweede gedicht van de bundel draagt als titel ‘Waar men bang voor is’. En dan volgt een vrijwel eindeloze opsomming van datgene waarvoor men zoal bang kan zijn: zowel voor huidziekten als voor orkanen, voor seks als voor flauwvallen, voor de paus als voor Rusland, voor de eeuwigheid als – ja, het staat er – voor ‘alles’. Angst, soms ontaardend in paniek, is de dominante in deze bundel van Barnas. Zo groot is hij dat de dichter de suggestie wekt te willen verdwijnen. Daarvan getuigt ‘Gesloten hoofd’, een gedicht opgedragen aan de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker, die zich heeft gesuïcideerd en waarin twee andere door zelfmoord omgekomen dichters ten tonele worden gevoerd: Sylvia Plath en Anne Sexton. Een ander gedicht brengt het getuigenverslag van de verdrinking van een vrouw. Dat ontlokt Barnas deze bedenking: ‘Ik aarzel aan het water zoals wandelaars / die aan het water staan. We aarzelen niettemin.’ En in de beschrijving van haar ouderlijke huis in Schoorl, waar zij niet langer in kan omdat er inmiddels andere mensen wonen, heeft zij het over de wens ‘om elke dag iets trager / uit het zicht te verliezen en ronduit in te verdwijnen.’

Zoals zoveel dichters die hun identiteit zoeken in de diaspora van plaatsen waar zij korte of lange tijd hebben verbleven, vergeefs op zoek naar iets als een absoluut onderkomen, focust ook zij zich op de plekken van haar bestaan. En dat is niet enkel Schoorl. Maar net zo goed Parijs of Amsterdam of Istanbul of Rome. Of Berlijn, de stad waar zij thans woont. Zij is overal op zoek naar een plaats waarvan zij kan zeggen dat zij er thuis is. Of dat helemaal lukt, is de vraag. ‘Ik ben hier thuis op een manier,’ klinkt het ergens met enige reserve. Eén plek op IJsland, vlak bij de ondergesneeuwde top van de Vatnajökull, confronteert haar weer met de essentie, met die hele kosmos waar zij zich geen raad mee weet: ‘Het is wit in mijn hoofd. Kan iemand me details geven? / Ik sta in het midden van een verbijsterd heelal.’ Die tot ontreddering leidende spanning tussen een individu en de hem omringende oneindigheid doet even aan een regel van Lucebert denken: ‘dit was ik en dat was het heelal.’ ‘De oeverloze tijd en ik’: om deze relatie gaat het hier namelijk van het eerste tot het laatste woord. Het is het benoemen van de dingen dat de dichter enige grip op het bestaan moet geven. Daarzonder regeert chaos. Tegelijk is het twijfelachtig of woorden die kunnen bedwingen.

Chaos: dat is ook de haast ontembare dagelijksheid, de tijd met al zijn trivialiteiten die je ten goede of ten kwade afleidt van de plechtstatige onbereikbare eeuwigheid en het meesterwerk dat zelfs ambieert een anderssoortig leven te zijn. Heel pregnant en met onvermijdelijke ironie verwoordt Maria Barnas haar dagindeling in het gedicht ‘De kinderen’: ‘Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen / neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden / mogen slaan met pannen en dieren / schoppen en deuren en niet op het kleed poepen / en er met een trein doorheen rijden (…).’ En verder: ‘Nog acht minuten voor een meesterwerk (…).’ Fnuikender dan hier is de clash tussen de realiteit en de literatuur nergens. De strijd tegen de tijd moet het afleggen tegen een paar futiele  besognes. ‘Jaja de oerknal,’ klinkt het nog ergens in het heelal, maar het is precies alsof alleen heel ondermaans en heel banaal op een kleed wordt gepoept. Maria Barnas heeft moeite met al die dagelijksheid. De goodwill waarmee zij het enthousiasme van haar kinderen voor iets als voetbal op televisie registreert, is matig. Maar ach, dat voetbal? Het zorgt soms voor extra time, voor verlengingen als enige min of meer aanvaardbaar alternatief voor de eeuwigheid.  

____________________

MARIA BARNAS

Jaja de oerknal

uitgeverij De Arbeiderspers, 48 blz., 18,95 euro

 

AANTAL STERREN:

****

 

DE KINDEREN

 

Nog dertien minuten

nee twaalf.

 

Ik had de hele dag om te werken

maar ik ging lezen en sorteren en kijken

hoe ik de dag het best kon indelen en nu

heb ik er nog maar elf.

 

Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen

neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden

mogen slaan met pannen en dieren

schoppen en deuren en niet op het kleed poepen

en er met een trein doorheen rijden

en niet je neus aan je broer afvegen

en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch eens

in je eigen bed en niet schreeuwen niet schreeuwen schreeuw niet zo!

 

Het hikken in mij

als de ochtend die ik

in schok schokken voorbij zie gaan.

 

Nog acht minuten voor een meesterwerk

of laat het een begin zijn.

 

Iets wat zo kan klinken.

Maria Barnas