Posts Tagged ‘Willem Roggeman gedichte’

Willem M. Roggeman. Twee gedichten

Monday, November 20th, 2017

Willem M. Roggeman

AFVAL VAN TAAL

Het oude huis kent zijn adres niet meer.
Met onsterfelijke ogen ziet het huisdier
hoe de dagen hier ruisend voorbijglijden.
Het najaar ligt al opgeslagen in de tijd.

Een namaakwerkelijkheid ontspint zich.
Een schim vervoegt zich bij de bewoners
en veegt het cement van hun voegwoorden.
Het leven wordt voortaan anders genoemd.

En de dichter, hij ontdooit een versregel
en verraadt hem dan, nog ongeschreven.
Maar zijn beeldspraak werkt bevruchtend,
zijn metaforen smelten in de volksmond

en de rijmwoorden worden heimelijk bewaard
in de stille verlichte kelders van de dichtkunst
waar zij na vele jaren uit elkaar zullen vallen,
niet meer te spellen, niets dan afval van taal.

***

 

Willem M. Roggeman

VARIATIES OP EEN VERS VAN M. VASALIS

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
zo zag ik allen om mij heen verouderen.
De tijd raakte hierbij telkens de tel kwijt
en bespaarde mij aldus iedere aftakeling.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Zoals Villon schreef ik aan een gedicht
over sneeuw van vroeger die verdween
en hoe elk landschap steeds veranderde.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
langzamer dan mijn rusteloze schaduw
die onophoudend rondom mij draaide
terwijl de zon heel snel op en neer ging.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Seizoenen duurden langer dan een jaar,
je zoenen smaakten naar de maneschijn
die de kinderen pijnloos liet opschieten.

Ik droomde, dat ik langzaam leefde…
Een langgerekt bestaan wou ik verzinnen.
Maar ook al schrijf ik voor de eeuwigheid,
tijd verteert het weefsel van mijn woorden.

Willem Roggeman. Het einde van de avant-garde

Monday, September 12th, 2016

Het einde van de avant-garde

 

Deze morgen was je Cabaret Voltaire in Zürich
toen een baby plots zijn eerste groet stamelde:
Jij, jouw, jou jouw, ik jouw, jij mij, —wij?

Op het middaguur verscheen een blauwe ruiter.

In Amsterdam werd je het terras van Café Eylders
terwijl de julizon op het Leidse Plein uiteenspatte:
Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur

En vanavond ben je het atelier in Bergen aan Zee
waar Lucebert zijn losbollige verbeelding losliet:
scheert met de pes de pana de nieketan

Daarna begint de reis naar het einde van de nacht.

Je blijft altijd het grote zwarte vierkant
in het bekende schilderij van Malevitsj.

Soms ben je het donkerrood van Rothko.
Een naakte verschijning bij het middagmaal
in de kelderwoning van William Burroughs.

Nooit ben je een hoofdletter geworden
in de 73 gedichten van e.e.cummings.

Je zette de laatste voetstap van Giacometti.
Je bent de revolver in de hand van Majakofski.

Dit uitdovend tijdperk eindigt met een niesbui
en je rijmt voortaan voorzichtig als een sonnet.
Je woorden worden doorzichtig, voorspelbaar.
Een veeg teken. De taal wordt nu totaal egaal.

 

 

*Dit gedicht bevat drie citaten uit klankgedichten van drie avant-gardedichters. De derde regel is de Nederlandse vertaling van de Duitse regel “Du, Deiner, Dich Dir, ich Dir, Du mir,—wir?” uit het gedicht “An Anna Blume” van Kurt Schwitters (1887-1948), de zevende regel komt uit het gedicht “Oote” van Jan Hanlo (1912-1969) en regel tien komt uit het gedicht “hu we wie” van Lucebert (1924-1994).

© Willem Roggeman / 2016