Posts Tagged ‘Yannick Dangre Nacht en navel recensie’

Recensie: Nacht en Navel (Yannick Dangre)

Wednesday, January 3rd, 2018

 

De naamlozen een naam geven

Recensie: Luuk Gruwez

‘Geef me jouw naam,’ zo luidt het slotvers van Nacht en navel, de derde bundel van Yannick Dangre. Met dat vers rondt de dichter een problematiek af die al vanaf ‘Naamloos’, zijn aanvangsgedicht, aan de orde is. Het toekennen van een naam aan de naamlozen is een hele bundel lang zijn drijfveer. Dangre heeft opvallend veel aandacht voor structuur. Tussen het eerste en het laatste gedicht (‘Lolita’) zitten vijf cycli van telkens zeven gedichten. Aan het eind wordt duidelijk wie het bindmiddel van deze poëzie is: de jonge geliefde die hij Lolita noemt. Het lijkt wel of de dichter pas door het verwerven van haar naam met haar kan versmelten, waarna er amper nog verschil tussen hem en zijn muze is. Een verademing misschien. Want op het vlak van de almaar spaak lopende liefde, gematerialiseerd in een mislukt huwelijk, is het in hoofdzaak kommer en kwel. Niet alleen in de liefde overigens. Het is uitgebreid nacht in deze verzen, op twee domeinen die een voortdurende kruisbestuiving met elkaar aangaan: dat van het persoonlijke en dat van het universele. Dangre refereert met zijn titel uiteraard aan ‘Nacht und Nebel’, het genadeloze strafpeloton dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in opdracht van Adolf Hitler werd opgericht om verzetsstrijders spoorloos te laten verdwijnen. Het is zijn ambitie schrijvenderwijs in te gaan tegen het verdwijnen en wel op twee fronten: dat van de begrensde binnenwereld rondom de eigen navel en dat van de hem omringende buitenwereld, zoals die in de media op hem afkomt. Het is een van de verdiensten van deze dichter dat hij in zijn bundel ook aandacht heeft voor de maatschappelijke realiteit buiten hem. Veel dichters wagen zich niet op dit heikele terrein vanwege het heersende besef dat nobel engagement zelden altijd tot goede poëzie leidt.

Dangre dicht fraai, maar niet altijd even geslaagd zijn de gedichten uit ‘Toi tu t’appelles Lolita’, de eerste cyclus. Daarin neigt hij soms tot een flauwe woordspeling. Bovendien ontsnapt hij een enkele keer niet aan een potsierlijk beeld, bijvoorbeeld wanneer hij het over ‘hinnikende tepels’ heeft. Soms klinkt hij iets te ronkerig. Maar de toon is gezet: liefde is geen kwestie van rozengeur; zij roept associaties met moord op. De geliefde, met haar hekel aan poëzie, blijkt onontvankelijk voor de woorden waarmee zij wordt bezongen. Waarna de dichter concludeert: ‘(…) schrijf nooit / een gedicht, want het woord is een doolhof  (…).’ De dichter en zijn lief zitten nog in zichzelf gevangen.

Dat wordt heel anders in ‘Moi je m’appelle’, de volgende cyclus: een portrettengalerij waarin mensen die de recente actualiteit hebben beheerst, worden opgevoerd. Zij hebben overduidelijk wél een naam. Velen van hen kunnen aan terreur en oorlogsgruwel worden gelinkt. Omran Daqneesh, bijvoorbeeld, het vijfjarige jongetje dat van onder het puin van zijn huis in Aleppo werd gehaald en wereldberoemd werd vanwege de blik op zijn met vuil en bloed besmeurd gezicht. Of Salah Abdeslam. Of Bashar Al-Assad, in een gedicht waarin hij kapot gaat aan wat men van hem vindt. Of François Hollande, de president van de angst. Aan het eind van de cyclus komt Allah zijn zegje doen. Hij is zijn terroristen behoorlijk beu, neemt het niet dat zoveel misdaden in zijn naam worden gepleegd, voelt zich verkeerd begrepen.

Het blijft nacht. A fortiori in de cyclus ‘Stairway to hell’, een allusie op ‘Stairway to heaven’ van Led Zeppelin. ‘Hoe kun je, vragen lezers mij wel eens / met hun beide voeten in de aarde / van aanslagen, inflatie en betogingen / tegen elke illusie,’ lezen wij. En Dangre wankelt in zijn dichterschap: ‘Soms denk ik zelfs dat ze gelijk hebben (…)’. Maar hij probeert in wat hij schrijft te ontsnappen aan navelstaarderij en aan de erotische dwingelandij van zijn amourettes. Tegen het zoveel imposantere wereldgebeuren, beseft hij, is zijn persoonlijke wedervaren niet opgewassen. Hij neemt zich voor wie op zich misschien onbeduidend is, zijn lezer, groter te maken door hem een andere richting te laten uitkijken dan die van zijn navel, maar blijft sceptisch: ‘(…) ieder mens vergooit zijn leven óf zijn talent.’ Schrijven en leven zijn niet altijd verzoenbaar.

Grote aandacht schenkt de dichter aan het ritueel. Net als in de andere cycli staan ook in ‘Settimana santa’ precies zeven gedichten, één voor elke dag van de Goede Week. De vastentijd loopt op zijn eind, maar zelfs op Stille Zaterdag is de verlossing waarvoor een dag als Pasen staat, nog niet meteen in zicht, al wordt de steen voor Jezus’ graf weggerold en blijkt dat leeg te zijn. God maakt zijn opwachting pas voorgoed in ‘Cidade de Deus’, de slotcyclus waarvan de titel (‘stad van God’) aan de ijzingwekkende Braziliaanse film van Fernando Meirelles en Kátia Lund is ontleend. God is een soort burgemeester van Jeruzalem, Washington D.C., Molenbeek, Parijs, e.a. Het gedicht dat ‘Aleppo’ heet, eindigt nogal defaitistisch met deze regel: ‘Je kunt niet wegkijken van jezelf.’ En in het gedicht over de aanrandingen, handtastelijkheden en diefstallen op oudejaarsnacht in Keulen, dist Dangre de schuldige geilheid op, waaraan ook hij niet ontkomt: ‘Elke oudejaarsavond nog krabbel ik stiekem overeind / uit de pek en veren van mijn geilheid. Dan blink ik / de schaamte op en veeg almaar trager de spons / over mijn lendenen.’ Nog maar eens wordt de problematiek van de wereld met die van de eigen navel verbonden.

_______________________

YANNICK DANGRE

Nacht en navel

De Bezige Bij, 62 blz., 17,99 euro.

Luuk Gruwez