Posts Tagged ‘Yves T’Sjoen’

Yves T’sjoen. op weg na gû (variant op kû)

Monday, September 16th, 2019

op weg na gû (variant op kû)

(een gelegenheidsfragment memorabilia)

Yves T’Sjoen

Ik herinner mij het voorval alsof het de dag van gisteren was. Aan de Universiteit Gent doceer ik intussen enkele jaren een introductiecursus, een soort panorama, van de Afrikaanse letteren. Naast de studenten Talen en Culturen (Afrikanistiek) krijgen de neerlandici in de bacheloropleiding de kans zich te verdiepen in de Afrikaanse taal- en letterkunde en ze worden verondersteld aan Afrikaanse taalverwerving te doen. Ieder academiejaar wordt aandacht besteed aan de politieke en maatschappelijke geschiedenis van Zuid-Afrika, historische ontwikkelingen van het Afrikaans, cultuur en literatuur. Met behulp van de taalverwerving moeten studenten in staat zijn een Afrikaanstalig boek te lezen. Zij schrijven daarover een persoonlijk leesverslag.

In mijn cursus is uitgebreid aandacht voor de Sestigers. Naast een profielschets van de groep die begin jaren zestig een nieuwe impuls gaf aan de Afrikaanse literatuur, belicht ik enkele canonieke figuren, onder wie Breyten Breytenbach, André Brink, Etienne Leroux, Jan Rabie en Adam Small. Op 3 december 2014 was ik in de collegereeks toegekomen aan het hoofdstuk over Sestig. Het was een uitzonderlijke dag. Niet omdat ik buitenzinnig geïnspireerd was of de studenten liet delen in een zeldzame epifanie. Het was omdat die avond in de Aula de plechtigheid plaatsvond waarnaar de universitaire gemeenschap al zo lang uitkeek: de uitreiking van de eredoctorstitel aan Breyten Breytenbach. Ik weet nog precies welk boek in de besprekingsfase in aanwezigheid van mijn decaan aan de toenmalige rector is overhandigd: End Paper (in Nederlandse vertaling: De andere kant van de vrijheid) van Breytenbach. Het hybride boek, aangeduid als “Essays en werkboek”, neem ik sindsdien geregeld mee om verder te grasduinen, mij te laten inspireren, gedachten van Breytenbach met anderen te delen. De rector heeft het verzoek ruimhartig gehonoreerd zodat de lange voorbereiding van het feestelijke moment van start kon gaan. De ceremonie had plaats aan de vooravond van het colloquium “die taal se stiltes”, naar een gedicht van Breytenbach, de start van een reeks met symposia, schrijversoptredens en workshops. Sindsdien heeft in Gent elk jaar in oktober een conferentie plaats van het Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika.

Met Breyten was vooraf een afspraak gemaakt. In de vooravond zou ik hem ophalen in het hotel en met de taxi naar de Aula brengen. Ik veronderstel dat wij elkaar nog niet eerder hadden ontmoet. Toen ik in het auditorium voor de studenten sprak over Sestig, de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika en eindelijk enkele gedichten van Breytenbach voorlas, gebeurde iets bijzonders. Ik had er niet bij stilgestaan dat de schrijver al in de vroege namiddag in de stad was – we hadden immers onze afspraak. Het ging boven mijn veronderstelling dat de schrijver op de campus aanwezig zou zijn, in dat labyrint van leszalen en auditoria. Je moet immers al goed wegwijs zijn om de leslokalen te vinden. Net toen ik over Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf uitweidde, de bundel die bij Meulenhoff (Amsterdam) verscheen en het Nederlandse debuut van Breytenbach is, ging de deur van het statige auditorium in de Rozier open. Het was een openbaring, in de meest fysieke zin van wat een openbaring kan zijn. De schrijver Breyten Breytenbach trad binnen en ging discreet tussen de studenten plaatsnemen. De aanwezigen waren zich niet bewust van dat bijzondere moment. Ik onderbrak mijn verhaal, perplex en nog helemaal verrast door de blijde intrede. Ik heette Breyten Breytenbach van harte welkom, en liet de studenten verstaan dat zij getuige waren van een even bizar als spectaculair ogenblik, iets onvergetelijks. De schrijver, over wie ik met gloed college stond te geven, was in levenden lijve aanwezig in het leslokaal. Het was mij niet eerder gebeurd en het zal ook nooit meer gebeuren. Het voorwerp van de uiteenzetting, de auteur van die prachtige gedichten, de man met een levensverhaal als een spannende roman, was deelgenoot van een universitair college waarin de intussen bedeesde docent over diens werk sprak. Natuurlijk had ik Breyten moeten vragen enkele gedichten te lezen, en om evidente redenen had ik hem het woord moeten verlenen. Het zijn gedachten achteraf. Voor een optreden was de schrijver niet langsgekomen. Na een poosje stond hij in alle discretie weer op en verliet met de zachte tred waarmee hij het auditorium had betreden de intussen gewijde ruimte. Het was in dat auditorium, zoals Paul Snoek dichtte, “een beetje bijna heilig zijn”.

Deze anekdote draag ik sindsdien mee als een levende warme herinnering. Het blijft ongelooflijk dat de eminente schrijver, niet vertrouwd met het grondplan van de universitaire gebouwen, mijn collegezaal überhaupt heeft gevonden. Dat hij op het tijdstip van dat college, op het moment dat Sestig aan bod kwam, is komen opdagen. Dat hij op zoek is gegaan. Ik spreek met studenten wel eens over het oeuvre van levende schrijvers, maar ze komen niet onaangekondigd langs – laat staan uit Parijs – wanneer het hoorcollege plaatsheeft waarin hun werk ter sprake komt.

Die avond in de Aula, wanneer Adriaan van Dis zo schitterend sprak en Laurens van Krevelen gedichten las, heeft voor mij een bijzondere betekenis. Niet uitsluitend omdat Breyten Breytenbach aan mijn alma mater de titel van doctor honoris causa ontving, of omdat hij na een indrukwekkend dankwoord intussen gekoesterde beschilderde “klippe”, met een ongelooflijke symboolwaarde, aan de rector en mij overhandigde. Wat niemand in de Aula wist, behalve de bevoorrechte studenten Afrikaans, was die vreemde ontmoeting enkele uren eerder.

Nog steeds kan de audiovisuele opname worden geraadpleegd van de plechtige avond. De foto’s dateren van die avond in december. De informele en niet geplande ontmoeting van Breytenbach met de Gentse studenten is evenwel niet vastgelegd. Voor mij blijft dit een herinnering waaraan ik mij verwarm, zoals die handdruk van Mandela in Kaapstad in 1996. Ik weet zeker dat de studenten, intussen gediplomeerd en vijf jaar met andere besognes in de weer, zich dat heuglijke moment herinneren. Tegelijk is het tekenend voor Breytenbach dat hij de moeite deed mijn dag te verblijden, op zoek is gegaan en in mijn les verdwaalde. Een dag van schoonheid. Het tekent de mens achter de bevlogen en productieve kunstenaar, de warmte en de vriendschappelijkheid. Ik voelde toen, verscholen achter het katheder, menselijke warmte. Er is daar en toen een vriendschap ontkiemd waarvoor ik alle goden en engelen, niet alleen de decaan en de rector, nog elke dag prijs. Woordvogel was neergestreken in Gent en sindsdien is hij nooit meer weggevlogen.

De opname van de ceremoniële plechtigheid in de Aula van de Universiteit Gent kan hier worden bekeken: https://www.youtube.com/watch?v=x70_9_OAkII&feature=youtu.be&list=PLQ3LcTBBJ4VNgNzHQgxcVcsuL3o7Scjey

Yves T’Sjoen. Montreal in Bloemfontein

Sunday, July 7th, 2019

Montreal in Bloemfontein

Charl-Pierre Naudé refereert in een reactie op Versindaba aan een heel bijzonder moment tijdens het Bloemfonteinse kunstenfeest van de afgelopen week. “What can Lit do? Canadian Writers talk”.

Gilbert Gibson

Op vrijdag 5 juli vond tijdens het Vrystaat Kunstefees een door de Canada Council for the Arts gefaciliteerd gesprek plaats met vier Canadese schrijfsters. De brochure kondigt aan dat “verskille in literatuur-strominge” aan bod komen. De Engelstalige jonge Canadezen reflecteerden in een orkestratie van moderator-dichter Gilbert Gibson over “hul uiteenlopende begrippe van ’n nasionale letterkundige tradisie, hoe hul eie skryfwerk en lewenservaringe oorvleuel of kapsies maak teen die dominante narratief van letterkundige verwagtinge”.

 De schrijversprotagonisten Paige Cooper, Kayla Czaga (dochter van een geëmigreerde Hongaarse vader), Klara du Plessis en Kim Fu wisselden van gedachten over tendensen in contemporaine Engelse literatuur van Canada en weidden uit over eigen werk (proza en poëzie). In het rustieke decor van de Kanselierskamer richtte het gesprek zich op het verdeelde taallandschap, de Franse en Engelse literaire scenes in het Noord-Amerikaanse land die nauwelijks of niet met elkaar interageren.

Klara du Plessis

De schrijvers erkenden volmondig dat tendensen in de francofone literatuur, in het anderstalige gebied, aan hun aandacht ontsnappen. Geen wisselwerking tussen de taalgebieden. Het is makkelijk pleiten voor meertaligheid, de praktijk in de realiteit duidt doorgaans op een ander fenomeen. De vaststelling tijdens het onderhoud strookt met de taal- en literatuurgebieden in België, wellicht het enige land ter wereld dat gescheiden is door een taalgrens en beschermd door taalwetten. Het culturele akkoord tussen Vlaanderen en Wallonië is van recente datum, lang nadat de Vlaamse gemeenschap soortgelijke samenwerkingsverbanden tot stand bracht met het dichter en verre buitenland. Talige diversiteit is in verschillende werelden een fata morgana en blijft dode letter. Dit is geen moraliserende veroordeling maar een observatie.

En toch. Ik ben gunstig gestemd. Het kunstenfestival is niet uitsluitend op Afrikaans gericht en moet veeleer als inclusief worden voorgesteld.  Het presenteert een internationaal gezelschap van dichters en prozaschrijvers. Het valt wellicht aan te bevelen in de toekomst ook de meertaligheid en de culturele diversiteit van Zuid-Afrika te laten zien: literaire auteurs die in andere inheemse talen hun pad banen in de literatuur. Met simultaanvertaling of in Engels als lingua franca moet een dergelijk gesprek mogelijk zijn. Deze optie zal een aanzienlijke dimensie toevoegen aan dit Zuid-Afrikaanse culturele en literaire feest.

Naast Nederlandstalige auteurs tekende zoals vorig jaar ook nu weer een delegatie uit Canada present in de Vrystaat. Deze organisatorische keuze getuigt van een open beleid met belangstelling voor dialogen tussen schrijvers en literaturen. Revelerend zijn Ekke van Klara du Plessis, een tweetalige bundel (Afrikaans en Engels), en Paige Coopers prozadebuut Zolitude, korte verhalen gedrenkt in sci-fi en fantasy. Ook de twee andere dichters Kim Fu en Kayla Czaga boeiden het publiek met hun soepele bespiegelingen over de stand van de Canadese (Engelse) literatuur. Er roert en broeit wat in de literaire scene.

Gescheiden door duizenden kilometers, op het verhoog van een Vrystaats kunstenfeest, kwam in verschillende gesprekken een dialoog tot stand tussen Canadese, Zuid-Afrikaanse en Nederlandstalige auteurs. Getalenteerde jonge schrijvers die het publiek inzicht verleenden in de wijze waarop zij met literatuur aan de slag gaan, de relevantie van literatuur in een maatschappelijke context, in het panorama van het literaire bedrijf op drie verschillende continenten. De transnationale en meertalige ontmoetingen geven blijk van een open vizier, van een doordacht programmatorisch beleid, van aandacht voor strekkingen die zich elders in de wereld manifesteren. Waar de schrijver zich ook bevindt, spelen vergelijkbare besognes, de worsteling met taal, de reflectie over mens en samenleving in literatuur.

Genreverschuiving, vooral de ontwikkeling van hybride genres, is een patroon dat in verschillende taal- en cultuurgebieden op de voorgrond treedt. Het internationale vertoog over jonge literaire producties, in Canada, Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika, kreeg een megafoon aangereikt op het Kunstefees. Het is dankzij de bemiddeling van de Zuid-Afrikaanse en Canadese debutant Klara du Plessis, auteur van de in Canada gepubliceerde dichtbundel Ekke, dat de Canadian Council betrokken is bij het culturele feest en schrijvers kon uitnodigen.

Dankzij de pertinente en bijwijlen ironische en speelse interventies van Gilbert Gibson loste het breed opgezette debat met de Canadese schrijfsters de verwachtingen in. Montreal kwam dichterbij in Bloemfontein. Corneli van den Berg, de ondernemende coördinator van het letterkundige programma, doet er goed aan de ingeslagen weg verder te bewandelen. Teksten en schrijvers zwemmen nu immers buiten het taalgebied waarin de literaire productie tot stand komt. Montreal, de titel van de Vlaamse schrijver Pol Hoste (een schitterend boek over diens residentieverblijf), is in Bloem nu ook een metafoor geworden voor de inspirerende productiviteit van transnationale schrijversontmoetingen. De volgende dagen lees ik in mijn schrijversresidentie in Pretoria de verzamelde boekuitgaven.

Yves T’Sjoen 2019

Breyten Breytenbach en Yves T’Sjoen. De moord op een dichter

Monday, July 30th, 2018

Tom Gouws

De moord op een dichter

Breyten Breytenbach en Yves T’Sjoen

Gepubliceerd in De Standaard, 30 juli 2018

Hoop vervliegt. De kleuren van de Zuid-Afrikaanse regenboognatie worden vaal. Anderhalf jaar geleden schreef Ignaas Devisch (http://idevisch.blogspot.com/2017/01/mijn-kerststukje-in-de-standaard-over.html, De Standaard, 3/1/2017) een indringend stuk over de gruwelijke moord op de schrijfster Winnie Rust. Zij is thuis door een zwarte tiener en een dertigjarige oom om het leven gebracht. Een van hen was geen onbekende. Voor sport en school ontving de jongeman van de familie Rust in Wellington geregeld geld en de nodige steun.

Enkele dagen geleden, op woensdag 25 juli, is in de buurt van Pretoria Tom Gouws (1961-2018) doodgeschoten. Vader van zes kinderen en landelijk een bekend dichter. Enkele jaren geleden ontving hij nog een gerenommeerde poëzieprijs. In Zuid-Afrika staat Gouws geboekstaafd als belangrijk literair auteur. Na thuiskomst verschansten zich volgens persberichten zeven jonge mannen in het huis. Nadat Tom Gouws’ echtgenote en ook de enige aanwezige zoon zijn gekneveld, is de schrijver in de borst geschoten. De indringers, van wie drie of vier gewapend waren, stalen een mobile telefoon en een laptop. De Afrikaanse literaire wereld is ontsteld. Het is de zoveelste moordpartij op blanke Afrikaners.

Ignaas Devisch sprak begin 2017 ondanks de moord nog hoop uit. Zwarte jongeren zullen opstaan op hun land te leiden. Niet alles wat in Zuid-Afrika geschiedt stemt tot zwartgalligheid. Er is rechtspraak, niet iedere moordenaar verdwijnt in de anonieme massa. Nu ik op nieuwssites elke dag lees over moordpartijen, rooftochten, gijzelnemingen en verkrachtingen op de plaas (veraf gelegen boerderij), ook in dorpjes niet zo ver van de stad, vrees ik de hoop stilaan te moeten opbergen. Het is bekend dat Zuid-Afrika het gewelddadigste land ter wereld is waar geen oorlog woedt. Zuid-Afrikaanse vrienden spreken al langer, nu sinds de moord op Tom Gouws met nadruk, over een onomkeerbare situatie. Oorlog tegen witte mensen. Ook vele zwarten en bruinmensen zijn slachtoffer voeg ik toe. Het land gaat naar de verdoemenis, zeggen zij. Zuid-Afrikanen die ik spreek, wit en ook bruin en zwart, zijn bang. Ze leven dagelijks in een beklemmende sfeer van angst. Iedereen is op zijn hoede, verschanst zich achter tralies. Indien kapitaalkrachtig genoeg worden alarminstallaties aangebracht. Het aantal privébewakingsdiensten neemt hand over hand toe. Mensen trachten zich zo goed mogelijk te beschermen tegen het gevaar dat achter elke hoek gluurt, zware criminaliteit die het land in een wurggreep heeft. De overheid is onmachtig. Het is niet meer beheersbaar.

Tom Gouws, auteur van vijf dichtbundels en toneelteksten, is ook in de Lage Landen bekend. Toen Gerrit Komrij in 1999 zijn bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten samenstelde, zijn drie gedichten van Gouws opgenomen. Hij was een graag geziene gast op poëzie- en kunstenfestivals. De doctor in de letterkunde schreef over Afrikaanse poëzie beklijvende bijdragen. Op 56-jarige leeftijd heeft een moordbende een bruusk einde gemaakt aan Gouws leven. Nochtans woonde hij met zijn gezin in een van die vele beveiligde compounds. Onderzoek moet uitwijzen hoe de moordenaars het pand konden betreden. De Afrikaanse letterkunde is na Winnie Rust in een nog diepere rouw verzonken. In een van de door Komrij gebloemleesde gedichten is sprake van “indringers [die] veilig buite” worden gehouden. Neen dus.

Met Ignaas Devisch hoop ik dat veel kinderen op Zuid-Afrikaanse scholen de poëzie van Tom Gouws mogen lezen. Laten we hopen dat zij niet alleen het tragische nieuws te weten komen, maar ook het dichterschap ontdekken. Dan is er nog hoop voor een complex land dat maar niet herstelt van die gruwelijke apartheidsperiode. Al vrees ik dat poëzie de wereld van Zuid-Afrika niet zal redden. Eens te meer geldt wat in een roman van de beminnelijke Winnie Rust staat: Dis ’n storie wat vertel moet word. Vandaag zijn er echter zoveel verhalen die moeten worden verteld dat niemand ze in Zuid-Afrika nog kan lezen. Laat staan er geloof aan hechten.

Yves T’Sjoen.

 

Ademen is langer leven

 

Zolang er lucht is in dit leven

wil ik vrolijk lachen in mijn longen

en krachtig langs mijn goede spieren

mijn keel met zoete zuurstof strelen.

 

Met volle teugen van de vreugde drinken

aan de bronnen van de adem openhartig.

Wat zacht is in de borst, is lavend

voor de dorst en lekker als gestilde honger.

 

Mijn longen zijn mijn beste vrienden,

ik heb ze lief, ik draag ze in mijn handen,

breekbaar als een koppel witte duiven.

 

Ik houd ze teder als de sneeuw en zuiver

in de weelde der genezing van dit leven,

ik bescherm ze als een moeder en een vader.

 

Paul Snoek, Welkom in mijn onderwereld (1978).

———————————————————

Versindaba voeg graag die volgende huldigingsgedigte aan Tom Gouws hierby. Indien jy ‘n gedig het om by te voeg, (of reeds in ‘n kommentaar ook wil wys,  stuur dit ook asseblief aan Versindaba:

 

Spiegel im spiegel

Nou kyk ons nog in ‘n dowwe spieël en sien ‘n raaiselagtige beeld,
maar eendag sal ons alles sien soos dit werklik is.
– 1 Kor. 13: 12

.

Hoe futiel is dit nie – ʼn spieël
wat in ʼn ander reflekteer en selfsaam
die een aan die ander
wys –

ʼn man en sy gesin kom tuis
sewe rowers wag hulle in: drie met wapens
vier daarsonder
goedsmoeds en trompop
is nie woorde
van verdriet nie, want hulle
reflekteer
mekaar nie, maar verklaar tog

die man op die kombuisvloer in eie bloed
sy vrou op haar knieë langs hom, rewolwer teen die kop
vir ʼn selfoon
en ʼn skootrekenaar
terwyl buite die tralies
ʼn amperse volmaan hierdie raaisel
buig tot eendag van aangesig
tot aangesig

soos musiekstukke wat mekaar terugkaats
as treursang vir ʼn digter.
Maar in godsnaam, hoe futiel
is dit nie.

.

– In memoriam: Tom Gouws, 25.07.18

(c) Louis Esterhuizen / Julie 2018

 

.

 

Huldigingshaikoe aan Tom Gouws

Somer het gebreek,
blare hang leeg en stil –
hy verken verder.

 

© De Waal Venter / Julie 2018

 

. 

Verwond
(Vir Tom Gouws)

 

In die begin was die woord
en in Stigmata, die skrywes juis óók oor die dood.

In hierdie land moet jy leer om lig te loop
katvoet, rats,
die rot,
die roes,
die roof
te (probeer) ontduik,
grotbewoner word,
ten einde te oorleef.

Hier op God se kleinhoewe
bestaanboer jy met vers, brand jy jou kers,
in Afrika, vir Afrika.

Maar, lewensgevaarlik word die besit van:
Handsak.
Selfoon.
Skootrekenaar.

En Iewers in hierdie droewe land is die geheue
van jou skootrekenaar nou reeds skoongevee
gestroop van gedig, van vers, van woord.

En al wat bly, die koeêlwond en jou stil mond.

.

© Clinton V du Plessis. Julie 2018

.

 

gedig vir woorde

 

dis nie dat ek na julle wat woorde is soek

(sê wié van wanneer ?)

want ek weet julle lê eweneens

agter my bloed kom klop

aan die sinnelose hart wat al lank

‘n eggokamer van vlerkslae is

en jaag soms sillabes op in die donker

soos die ettering van ou swere

weer bloei

 

luister

moenie blindemol speel

moenie ophou voel-voel na omlyning

van die herinnerde gesig

in die donker bloed nie

 

ek sal hier wees soos altyd

(effens vervloek van ‘n té lang reis)

in die leë gedig

om verby genade die holtes oop te hou

en die fees van vlervoëls weer verbeel

vir julle huis toe kom

 

en indien dit dan moet wees

dat ons ons afwesighede aanneem

is dit ook goed

sweer ek hier met my hand op papier

 

kyk

in die skryflaai van raaisels

is die goëlaar se handkaart gebore

en weggebêre

(myne ? van wanneer af ?)

 

neem dit

sodat julle die beweging

na mag maak

om aan die skyn

van volbringing te raak

 

© Breyten Breytenbach. 2018

.

Bloedmaan

By die dood van  Tom Gouws

 

 

Miskien het die digter sy potloodsak

reeds oopgerits, op dié eenmalige sfeer

gewag om tot Teken te verwoord –

sterflinge, soos ons almal,

sal vir jare nog hierdie skouspel

in stories oorvertel –

Miskien sou hy juis daardie aand

vredig wou boeke vat

om aan dié godswonder, soos die gras

van die veld, nederig dank te bring

toe die duisternis hom (voortydig) oorval.

 

© Eunice Basson, 2018.

 

 

 

Yves T’sjoen. Wanneer muren verbrokkelen

Tuesday, January 23rd, 2018

 

Wanneer muren verbrokkelen en dansende ruimten worden. Een gelegenheidstoespraak

 

Maître Breyten, geachte toehoorders,

Laat ik vanuit het verre Gent, alwaar de centrale gast van vanmiddag sinds 2014 de academische titel van doctor honoris causa draagt, hier in cultuurcentrum De Nieuwe Liefde met de spreekwoordelijke deur in huis vallen. Zowel de schilderijen van Breyten Breytenbach met het prominente vogelmotief als het literaire werk met alle beeldassociaties thematiseren het zwerversbestaan, de outsider en de vagebond, beklemming, dood, verval. Maar evenzeer, in de bewoording die de kunstenaar hanteert, “het ochtendlicht, beweging, sociale kritiek, memorie, verbeelding, bewustzijn en geweten”. En natuurlijk de liefde, getuige de verzamelbundel Lady One met “99 liefdesgedigte” (2000). Boven alles construeert Breyten “de Middenwereld-identiteit”. De schrijver en schilder verzetten zich met pen en penseel tegen de conventies en de verstikkende burgerlijke middelmaat. Als reiziger in de imaginaire maar o zo levensnoodzakelijke Middenwereld leiden zijn personages een nomadisch bestaan en zij streven naar individuele ongebondenheid, een vrijheid van denken, spreken en handelen. Belangrijk in het omvangrijke oeuvre is de publicatie van The Middle World Quartet, vier hybride samengestelde bundels met sprankelende en prikkelende essays én poëzie, waarin de schrijver politiek en filosofisch, in teksten bezaaid met persoonlijke notities, gedichten en essayistische beschouwingen, zijn eigen Middenwereld creëert. In essays, zoals verzameld in Parool / Parole. Versamelde Toesprake / Collected Speeches (2015), heeft hij overigens meermaals uitgeweid over de Middenwereld.

Sta mij toe een gedicht te lezen, in een vertaling van Krijn Peter Hesselink, die als sleuteltekst kan worden beschouwd.

Dansen

Het wordt zwaar

deze aarde op te geven

(maar wie of wat gaat weg?)

de verschrikkelijke ruimten van onteigening

altijd voor jou alleen

die donkere heuvel daar

als een kom schemerlicht

met bomen die nog sporen van wind dragen

in knoop en wond en ademwonder

en hier een modderstroom

hellingen en vlakten

en zware begroeiing

elk lijden is afstand –

hoe kun je weten van mensen in de modder?

wat wordt doorleefd? wat wordt gezien, gehoord

of enkel gefantaseerd

en wat doet ertoe?

als muren verbrokkelen

en de ongebreidelde kreet

zich in je ontvouwt

een weergalmende, schemerige bezwering

van dansende ruimten –

een stilte van wind

Het gedicht is de openingstekst van de opstellenbundel Notes from the Middle-World, vertaald door Krijn Peter Hesselink als Berichten uit de Middenwereld, het derde deel van het tetralogie The Middle World Quartet. In de slotregels zit een artistiek-existentieel programma vervat: “muren verbrokkelen” en worden uiteindelijk “dansende ruimten”. Alleen met een eigenzinnige taal kunnen muren van onverschilligheid en starheid worden geslecht. Het woord dat niet zozeer beredeneerd maar vooral zintuiglijk doorleefd is – “de ongebreidelde kreet” in het gedicht – heeft de inspirerende kracht van “een weergalmende […] bezwering”. De dichter Breytenbach is niet alleen een reiziger in woord en gedachten. Hij is bovenal een danser en een “windvanger” – dat is ook de titel van een bloemlezing die hij puttend uit zijn imposante poëzieproductie samenstelde: Die windvanger / The Windcatcher (2007). Intussen is er dat andere boek De zingende hand (2017), met prachtige vertalingen door Laurens van Krevelen. Het zintuiglijke, zingende woord vermag veel op voorwaarde dat de spreker er geloof aan hecht, dat hij erin gelooft, indien de taal “doorleefd” is. Alleen dan kunnen muren verbrokkelen. “[A]ls muren verbrokkelen” gaan volgens het lyrisch subject de ruimten vanzelf aan het dansen. We hoeven dat streven niet uitsluitend esthetisch in te vullen. Het heeft in het geval van Breyten Breytenbach ook een politiek-ideologische, zelfs een ethische en morele implicatie.

De tragische biografisch-anekdotische achtergrond is bekend. Breytenbach is een van de meest notoire blanke antiapartheidsactivisten in de geschiedenis van Zuid-Afrika. De strijd van de politieke activist tegen het perverse Zuid-Afrikaanse apartheidsregime leidde onder meer tot de oprichting van de Franse verzetsgroep Okhela. Breytenbachs inzet voor “mensen in de modder” in zijn vaderland leidde begin jaren zestig tot een jarenlange vrijwillige ballingschap in Europa. Na een terugkeer in Zuid-Afrika zonder visum is hij gearresteerd en veroordeeld tot negen jaar gevangenschap. Van 1975 tot 1982, dus zeven jaar effectief, is Breytenbach door Pretoria opgesloten op beschuldiging van terroristische activiteiten en de schending van een van de vroegste apartheidsdecreten, met name de Wet op het Verbod van Gemengde Huwelike (1949). Hij is immers gehuwd met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst. In 1982 kwam hij onder internationale druk vrij. De autobiografische neerslag van de periode vóór, tijdens en na de gevangenisperiode kunnen we lezen in de naar het Nederlands vertaalde prozatrilogie Een seizoen in het paradijs, De ware bekentenissen van een witte terrorist en Terug naar het paradijs. Breytenbach is een opusschrijven: de titels haken in elkaar, ze versterken elkaar door de talrijke intratekstuele verwijzingen, de vele sleutelmotieven.

Breytenbach is niet alleen wereldvermaard als verzetsstrijder tegen de op racisme en segregatie gefundeerde apartheidsideologie. Daarenboven geniet hij internationale bekendheid als dichter, romancier, essayist, taalactivist en ook als beeldend kunstenaar. Zowel het literaire als het schilder- en tekenwerk krijgen in Zuid-Afrika en ver daarbuiten weerklank. De poëzie en het proza zijn inmiddels in vele talen vertaald.

Wat is zo bijzonder aan het literaire oeuvre dat veelomvattend is, een productie die de afgelopen jaren in omvang en kracht toeneemt. Het artistieke project van Breytenbach houdt geen rekening met voorgeschreven regels. Geïnspireerd door de surrealistische écriture automatique ontwerpt Breytenbach in tekst en beeld een eigenzinnig beeldend en een grotesk-symbolisch geladen universum. De symbolentaal verwijst trouwens niet uitsluitend naar de geschiedenis en de orale tradities van Afrika, rituelen en magie van het Afrikaanse continent, het Zen-Boeddhisme, maar ook naar het werk van vele geestverwanten (naast vele anderen Celan, Cioran, Goya, Lucebert, Tu Fu), in de woorden van Breytenbach “tijdgenoten” in kunst en filosofie.

Breytenbach heeft artistieke disciplines waarin hij bedreven is, poëzie, essayistisch en lyrisch proza, en schilderkunst, ooit omschreven als expressievormen die tot mislukken zijn gedoemd. Gedichten en schilderijen staan met een term ontleend aan Paul Rodenko voor de kunst van het echec. Precies in de mislukking schuilt het onvoorwaardelijk engagement, de krachtige esthetiek en het vastberaden geloof van de dichter en beeldend kunstenaar. In een brief aan de schrijver André Brink, opgenomen in de bundel Met ander woorde / Vrugte van die droom van stilte, en door mij al eerder geciteerd vat Breytenbach dat streven als volgt samen: “[D]ink aan ’n wind; dit wat ons wil vaslê, die essensiële, is die wind, maar al wat ons kan sien en beskryf is die boom – hóé die boom lyk as gevolg van die wind. En so gryp ons die wind. En so probeer ek die stilte te sê”. Zowel het brieffragment als ‘Dansen’ kunnen mijns inziens als programmatisch-metaforische uitdrukkingen van Breytenbachs artistieke streven worden beschouwd. De kunstenaar probeert de afgelopen jaren in almaar méér woorden en gedichten de stilte te zeggen en dus de wind te vangen. De wind is zoals de stilte wendbaar en ongrijpbaar, onzegbaar. Maar dat hij er is, spreekt uit alles wat ons omgeeft, waar wij om geven, waarvan wij leven. De stilte wordt zichtbaar dankzij de taal, de wind is er omdat we de bomen zien.

Een slotbeschouwing. U begrijpt dat ik hier maar vluchtig enkele facetten van de publieke figuur, denker en dichter, aanraak. Als inspirator van het Gorée-instituut in Dakar en in zijn functie van oprichter van het pan-Afrikaanse magazine Imagine Africa brengt Breytenbach vandaag kunstenaars van het Afrikaanse continent en elders in de wereld samen. Hij is vanuit die optiek een bruggenbouwer die culturen met elkaar in contact brengt en kunstenaars en intellectuelen uitnodigt tot aanhoudende reflectie, discussie en uitwisseling van ideeën. Voor mij is Breyten in alle betekenissen van het woord de naam van een dichter, het heteroniem voor hybriditeit, metamorfose, voor wat hijzelf “betekening” noemt. Onlangs nog schreef ik in Ons Erfdeel naar aanleiding van de uitgave van De zingende hand dat Breytenbach al jaren kandidaat is voor de Nobelprijs Literatuur.

Deze tekst is de voordracht die ik op uitnodiging van Mirjam van Hengel uitsprak in De Nieuwe Liefde (Amsterdam) op zondag 21 januari 2018 (16u-17.30u.). Breytenbach las alle gedichten in het Afrikaans, de Nederlandse vertalingen van Krijn Peter Hesselink en Laurens van Krevelen zijn simultaan geprojecteerd op scherm.

© Yves T’sjoen. 2018

Yves T’Sjoen. Hugo Claus in Stellenbosch. Korte notitie

Tuesday, September 12th, 2017

Hugo Claus

 

Over het publieke optreden van Hugo Claus (1929-2008) in Zuid-Afrika is in vergelijking met passages van andere Vlaamse schrijvers niet zo veel bekend. De meest informatieve tekst is door Daniel Hugo gepubliceerd in South African Theatre Journal (mei-september 1997). Recent stelde Hugo enkele persoonlijke herinneringen op schrift.

Claus nam in 1997 deel aan een schrijverstournee. Naast Hugo Claus en echtgenote Veerle de Wit maakten Remco Campert, Herman de Coninck, enkele maanden voor zijn overlijden in Lissabon, H.C. ten Berge, Eddy van Vliet en Simon Vinkenoog deel uit van het hoog aangeschreven Nederlandse en Vlaamse gezelschap. Breyten Breytenbach herinnert aan die heuglijke gebeurtenis ter gelegenheid van mijn bijdrage over de hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach (http://versindaba.co.za/2017/07/15/yves-tsjoen-literair-tijdsdocument-hommage-van-eddy-van-vliet-aan-breytenbach/).

Claus verbleef toen onder meer in Stellenbosch, ter gelegenheid van de Vlaamse Week die door de universiteit is georganiseerd. Het Departement Drama onder de leiding van professor Temple Hauptfleisch zorgde voor de gelegenheid voor een reprise van een theatertekst van Claus. Wat de schrijversperformance in Zuid-Afrika precies behelsde, moet ongetwijfeld te achterhalen zijn. Ook de plekken waar de schrijverskaravaan heen trok, valt te reconstrueren. Feit is, zoals door Hugo in retrospectie genoteerd, dat de Zuid-Afrikaanse dichter-journalist in 1997 tijdens het schrijversverblijf in Stellenbosch een radio-interview had met de meester. De tekst in het theaterjournaal is er de neerslag van. Het gesprek is twee decennia geleden gevoerd maar verliest niets van zijn informatieve waarde.

In de meest recente beschouwing van Hugo over Claus (pun intended!), in april 2017 gepubliceerd, wordt het briefje geciteerd dat door de ijverige beursstudent aan de Katholieke Universiteit Leuven en verwoede lezer van Het verdriet van België in 1983 naar de Vlaamse schrijver is gestuurd (http://www.netwerk24.com/Vermaak/Boeke/rubriek-hugo-claus-die-briefie-en-die-boere-van-sa-20170430). Daarin haalt hij een frase aan ontleend aan het magnum opus Het verdriet van België (eerste druk: 1983) waarin een verwijzing staat naar de Afrikaner Boer. Het is allemaal in de tekst van Hugo na te lezen.

De aandacht van Daniel Hugo voor het oeuvre van Claus, zo getuigt hij, is wellicht aangewakkerd door de collegereeks die J.C. Kannemeyer in Stellenbosch wijdde aan het toneeloeuvre. Die referentie roept een ander literatuurhistorisch feit op. In de uitgavenreeks van Human & Rousseau, Literatuur van die lae lande, is naast werk van Willem Elsschot, Marnix Gijsen, Hella Haasse, W.F. Hermans en bijvoorbeeld Harry Mulisch ook ’n Bruid in die môre van Claus opgenomen (http://www.dbnl.org/tekst/_han001198501_01/_han001198501_01_0024.php). De uitgaven waren bestemd voor schoolgebruik en academisch onderwijs. Jan Rabie verzorgde de vertaling van de toneeltekst die door Claus in 1953 is gepubliceerd en waarvoor hij de Belgische staatsprijs voor toneel ontving. Uit de overlevering, zoals de Wikipediapagina over Een bruid in de morgen, weet ik dat Wilma Stockenström in de opvoering een rol vertolkte. De Afrikaanse versie is opgevoerd in Kaapstad door The National Theatre Organisation en NTO Kamertoneel (directeur: Tone Brulin) in een regie van Athol Fugard. Claus en Fugard hebben elkaar wel vaker ontmoet en waardeerden elkaars (toneel)werk. In oktober 1959 stond de productie in Bellville geprogrammeerd. Ook later is de tekst gespeeld in Zuid-Afrikaanse schouwburgen. Toen Claus in 1997 een bezoek bracht aan Zuid-Afrika, hebben studenten van het departement Drama het stuk weer op de planken gebracht.

Wat de band tussen Claus en Zuid-Afrika verder documenteert, zijn naast de frase in Het verdriet van België passages in de kunstenaarsroman Een zachte vernieling (1988). Ook die reminiscenties verdienen zonder meer een nadere beschouwing.

Precies zoals vorig academiejaar kan ik deze week tijdens een gastlezing aan de Universiteit Stellenbosch de tweedejaarsstudenten Afrikaans en Nederlands onderhouden over de poëzie van Hugo Claus. Uit ervaring weet ik dat het jonge publiek met meer dan gewone belangstelling een uiteenzetting volgt over de hobbelige weg waarlangs Claus de modernistische literatuur is binnengetreden en zijn eigen signaturen heeft ontwikkeld. Op een manier sluit de lezing weer aan bij de colleges van Kannemeyer. Ik ben alvast nieuwsgierig naar het hoofdstuk in Mark Schaevers’ biografie over Claus, en mogelijk in de aflevering die het tijdschrift Zacht Lawijd volgend jaar besteedt aan Claus. Intussen is het uitkijken naar de Afrikaanse vertaling die Hugo thans voorbereidt van Het verdriet van België. In het Maandblad Zuid-Afrika liet hij in september 2014 door zijn ega Marlene Malan optekenen: “My groot ideaal was nog altyd om Hugo Claus se grootse Het verdriet van Belgiё te vertaal”. Een kwarteeuw na de eerste lectuur van de roman en het inmiddels gepubliceerde briefje waarin de sikkeneurige recensent van De Standaard Freddy de Schutter door Hugo is gesommeerd, wordt dat ambitieuze voornemen effectief gerealiseerd. Claus heeft, zo liet Schaevers onlangs aan Hugo weten, het velletje papier niet weggegooid. Daniel Hugo bewaarde geen kopie. Het zit opgeborgen in het imposante archief dat door het Letterenhuis in Antwerpen zorgvuldig wordt geconserveerd. Schaevers, auteur van het prachtige boek Orgelman (2014), stuurde Hugo een scan zodat de formulering van de begeesterde student in Leuven nu in de krant staat.

Vraag is hoe het Afrikaans lezende publiek zal reageren op een roman over collaboratie en de repressie na de Tweede Wereldoorlog, over fascistoïde en gewelddadige uitwassen van een fractie van de Vlaamse Beweging. Misschien moet Daniel Hugo of een van de academici voor een belangstellend publiek toelichting geven over politiek-historische achtergronden waartegen de handelingen van de protagonist Louis Seynaeve worden gesitueerd.

(c) Yves T’Sjoen / September 2017

Yves T’Sjoen. Reflecties op Gerrit Komrij en Zuid-Afrika

Tuesday, July 25th, 2017

 

De aandacht van Gerrit Komrij (1944-2012) voor het Afrikaans en de Afrikaanstalige poëzie is bekend. De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999), Ik herhaal je (2000), bloemlezing uit en Nederlandse vertaling van gedichten van Ingrid Jonker, en De schitterende wond (2006) in de befaamde Sandwich-reeks met gedichten van Sheila Cussons zijn getuigenissen van meer dan gewone belangstelling. Komrij heeft als meester-bloemlezer jarenlang eigen voorkeuren in de Afrikaanse dichtkunst een publiek forum gegeven in het Nederlandse taalgebied. Dat is hem vooral in Zuid-Afrika, door oppermaans ingestelde conservatieve witte kongsies, niet evenzeer in dank afgenomen.

Het literair-historische periodiek De Parelduiker, een fraai verzorgde uitgave van de Stichting Het Oog in ’t Zeil en Bas Lubberhuizen, wijdt een dubbelnummer (aflevering 2-3, 2017) aan aspecten van Komrij’s openbare optreden. Samensteller en Komrij-biograaf Arie Pos benadrukt in het woord vooraf dat de redactie maar “wat piketpalen” heeft geslagen, “wat paden worden verkend en wat vergezichten worden geboden”. De “vergezichten” leiden de lezer naar Zuid-Afrika. Drie artikelen richten de focus op Komrij’s fascinatie voor en laten relaties zien met actoren in de Afrikaanse letteren.

De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten

Voor het themanummer heeft Ingrid Glorie een uitvoeriger tekst op LitNet aanzienlijk ingekort. Daarin beschouwt zij vanuit een vergelijkend perspectief de receptie van De Afrikaanse poëzie in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek. Niet alleen worden markante uitspraken van gezaghebbende schrijvers, critici en academici aangehaald, daarenboven citeert zij metateksten  van de bloemlezer waarin selectiecriteria en uitgangspunten worden geëxpliciteerd. Haar bevinding is dat de zogenaamde “Oppermannianen”, volgelingen van D.J. Opperman en diens volgens Komrij al te dominante “Afrikaner-nationalistische” poëtica, Komrij’s anthologie toch vooral “verkeerd” hebben gelezen. Dat wil zeggen vanuit bepaalde vooronderstellingen die aan de oppervlakte komen in het canoniserende Groot Verseboek van de Afrikaanse literatuur en spreken uit tal van andere culturele en literaire ondernemingen van Opperman. Komrij heeft met de ogen van de Nederlandse buitenstaander een selectie tot stand gebracht die haast per definitie niet overeenstemt met de kijk van ‘cultuurpaus’ Opperman. Wie het uitvoeriger vertoog van Glorie wil nalezen, kan naar de intussen vijftien jaar geleden gepubliceerde tekst op LitNet (2002) worden verwezen.

Die elektries gelaaide hand

Nieuwe observaties bieden de andere bijdragen, respectievelijk van Petrovna Metelerkamp (“Gerrit Komrij en de nalatenschap van Ingrid Jonker”) en van Daniel Hugo (“‘Die elektries gelaaide hand’. Gerrit Komrij in het Afrikaans”). Metelerkamp, samensteller van Ingrid Jonker. Beeld van ’n digterslewe (2003) en momenteel schrijfster van een “diepgravende biografie” over Jonker, doet het relaas over het gecompliceerde en tegelijk treurige parcours dat Jonkers nagelaten documenten sinds 1994 hebben afgelegd. Nadat Gerrit Komrij en Charles Hofman de door Daniel Hugo gerangschikte koffers met archiefmateriaal hebben aangekocht, duidelijk onwetend over dat parcours, is de Nederlandse schrijver jarenlang en ten onrechte in Zuid-Afrika en Nederland beschuldigd van heling. Revelerend zijn Metelerkamps bespiegelingen over gesprekken met Komrij en de brieven waaruit wordt geciteerd. De oproep waarmee de bijdrage afsluit, met name Ingrid Jonkers literaire erfenis gewoon in Portugal te laten, in het huis dat Charles nog steeds na de dood van Komrij bewoont, is een opvallende uitspraak van de Zuid-Afrikaanse biograaf. Haar pleidooi om de archivalia, niet eens zo spectaculair als lange tijd is aangenomen, niét terug te zenden naar Zuid-Afrika heeft te maken met haar lage dunk van het literaire conserveringsbeleid (“de conservering van de Afrikaanse letteren en hetgeen daarmee verband houdt [wordt] steeds onzekerder”).

Gerrit Komrij (30.03.1944 – 05.07.2012)

Daniel Hugo spreekt in De Parelduiker als zelfverklaarde adept van cerebrale en ambachtelijke poëzie, als vormbewuste vertaler van Komrij’s vormvaste poëzie. De titel Die elektries gelaaide hand, ontleend aan de slotregel van het gedicht ‘Voltage’, refereert aan de bloemlezing die Protea Boekhuis in 2005 op de Zuid-Afrikaanse markt bracht. Hugo koos 36 gedichten, niet conform de esthetische smaak maar veeleer in functie van wat hijzelf omschrijft als vertaalbaarheid. Nederlandstalige poëzie die het moet hebben van regelmatige metrische patronen, rijm- en klankstructuren, zoals het werk van Gerrit Komrij, laat zich lastig vertalen naar het Afrikaans. Tekstvoorbeelden maken dat afdoende duidelijk. Daarenboven benadrukt Hugo dat niet alleen taal-, klank- en vormkwesties een rol spelen in het vertaalproces. Ook de “culturele en historische achtergrond van de vertalen” leidt soms tot bijzonder idiosyncratische vertalingen, ook wel Hineininterpretierung genoemd (zoals het geval is met de Afrikaanse versie van Komrij’s gedicht ‘Zwart-wit’). Vooral het sluitstuk van Daniel Hugo’s persoonlijke getuigenis laat zien hoe bepalend een vertalerspoëtica is voor de beeldvorming van teksten in een ander taalgebied. Hij vergelijkt zijn Afrikaanse vertaling van het gedicht ‘Hieronymus’ met die van de Brit John Irons in Forgotten city & other poems (2001). Hier en daar laat de vertaalarbeid opmerkelijke parallellen zien. In sommige gevallen hebben beiden aantoonbaar geworsteld met het meticuleus door Komrij ontworpen metrum (meestal jambische versvoeten) en de geserreerde compositie (een vooraf bepaald aantal syllaben, vaste regellengtes, regelmatige strofebouw). Daniel Hugo rondt de vergelijkende lectuur van Komrij’s “zelfportret” in Afrikaans en Engels af met een poëticale en tegelijkertijd amicale slotzin: “Dit is mijn vertaling van het gedicht, dat tegelijkertijd een huldeblijk is aan Gerrit Komrij – een mentor en vriend die ik dagelijks meer mis”.

De Parelduiker heeft met deze beschouwelijke teksten enkele korte aanzetten geformuleerd voor een studie naar literaire, institutionele en vriendschappelijke betrekkingen tussen Gerrit Komrij en Zuid-Afrika. Jente Rhebergen vertaalde de artikelen van Metelerkamp en Hugo. Alleen jammer dat de redactie er nog steeds vanuit gaat dat in Zuid-Afrika “Zuid-Afrikaans” wordt gesproken (p. 133 en 143).

De Parelduiker 22 (2017) 2-3, 2017, resp. p. 112-123, 124-133 en 134-143.

Amsterdam, 21 juli 2017.

 

Yves T’sjoen. Literair tijdsdocument. Hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach

Saturday, July 15th, 2017

Breyten Breytenbach

 

Literair tijdsdocument. ‘Als was alles vanzelfsprekend in die witte huizen’

Hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach

Yves T’sjoen.

Na de arrestatie van Breyten Breytenbach in augustus 1975 en drie maanden later de veroordeling tot een celstraf van negen jaar zijn in Nederland en elders in de wereld (Frankrijk, Verenigde Staten) activiteiten ondernomen om de vrijheidsberoving door het apartheidsregime in Pretoria aan te klagen en publieke aandacht te vragen voor de zaak. Onder anderen de uitgevers Rob van Gennep en Laurens van Krevelen, zonder meer de drijvende kracht, initieerden het Breyten Breytenbach-comité. Eva Bendien en Rutger Noordhoek Hegt, kunsthandelaren van het roemruchte Galerie Espace waar Breytenbach al sinds begin jaren zestig schilderijen exposeerde, waren nauw betrokken. Verder maakten Adriaan van der Staay (directeur) en Martin Mooij van de Rotterdamse Kunststichting, Aad Nuis en Adriaan van Dis deel uit van het comité. Het is elders beschreven, zoals in de doctoraalscriptie van Annemiek Recourt (2008), hoe het comité tot stand kwam en in hoeverre de Kunststichting Rotterdam, PEN Nederland met directeur Wim Hazeu en Poetry International betrokken waren bij de organisatie. Later zal PEN Vlaanderen zich inlaten met de zaak. Notulen, brieven en krantenberichten over beide hofzaken (1975 en 1977), keurig bijgehouden door Adriaan van Dis en te raadplegen in het Literatuurmuseum (Den Haag), documenteren standpunten en ondernemingen van het B.-comité.

aan breyten breytenbach

Naast verwoede pogingen druk uit te oefenen op en de bemoeienis te vragen van de diplomatieke, culturele en journalistieke wereld, teneinde Breytenbachs lot blijvend aandacht te schenken, zijn er de schilderkunstige en literaire gelegenheidspublicaties. Schrijvers in de Lage Landen en elders in de wereld spraken een maatschappelijk engagement uit en verleenden medewerking aan projecten die de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika een hart onder de riem moesten steken. Het jaarlijkse dichtersfestival Poetry International Rotterdam, opgericht in 1970, was een druk bijgewoond evenement waaraan Breytenbach van in den beginne zijn medewerking verleende en waarvoor hij zich inzette. In het jaar dat hij vanwege de gevangenisstraf niet kon deelnemen, in 1976, is zijn naam naar verluidt elke avond genoemd. In datzelfde jaar is aan breyten breytenbach (z.j. [1976]) uitgegeven door de Kunststichting Rotterdam, Bureau Poetry International en het Comité Breyten Breytenbach. Aan de bijdragen van Nederlandse schrijvers (J. Bernlef, C. Buddingh’, Remco Campert, Gerrit Komrij, Sjoerd Kuyper en Wim de Vries) is aandacht besteed. Ook anderstalige dichters, allen deelnemers van Poetry International, participeerden op instigatie van Martin Mooij en droegen een gedicht bij aan de bundel (Michael Krüger, Jean-Clarence Lambert, Philip Levine, Adrian Mitchell, Vasko Popa, W. Rendra, Waldo Rojas en Jerome Rothenberg).

Vlaamse inbreng

De Vlaamse dichters Eddy van Vliet en Marcel Wauters kregen in deze politieke en institutionele context tot nog toe minder aandacht. Méér nog, de Aalstenaar Marcel Wauters (1921-2005) wordt in tegenstelling tot de in Antwerpen woonachtige Eddy van Vliet verkeerdelijk bij de buitenlandse schrijvers gerekend (Jonckheere 1999:172). De foutieve inschatting heeft wellicht te maken met de taal. Wauters, eveneens gast op Poetry International, schreef een Franstalige tekst die later is gebundeld in Vergeeld dossier (1980). Bij wijze van correctie citeer ik hier het merkwaardige gedicht in aan breyten breytenbach, gepubliceerd op bladzij 21 van de gelegenheidsuitgave.

.

DECRET D’AUTORITE

épris de mépris

dans les plis noircis de la hiérarchie

il se sent chez lui

l’inapprochable l’intouchable seigneur

nommé ickx non par ses candides et autres serviteurs

qui sont tous mes amis

mais gratuitement par toi et moi

qui subissent à peine les contraintes de ses phobies déguisées

ils en ont peur mais s’ils le haïssent

du fin fond en papier maché de leurs entrailles de victimes

ils ne le condamnent pas au soleil fraternel de plein air

je me vois obligé de me charger d’office de la procédure

tout en restant perplexe devant l’énigme minable

de l’honnête homme qui ne rit jamais

et ne salue pas ses subordonnés:

il ne faut pas gaspiller l’autorité décrétée

qui fait d’un chef

le bras dur de la postérité

.

sa gueulle de crapaud est aussi raide que sa carcasse

mais il n’y peut rien le malheureux

c’est sûr et certain et abominable

sacré et damné par le vertige erascible du hasard

(la volonté massouvie des espaces sidéraux)

il a de longues pattes

fines

froides

moites comme des harengs saurs

Eddy van Vliet (1942-2002) was zelfs meermaals te gast op uitnodiging van Poetry International. In de jaren van de contestatie, met in Amsterdam de oprichting van Provo (1967) en ook in Vlaanderen acties en publicaties die tegen een burgerlijk establishment waren gericht, heeft de jonge Antwerpse advocaat na zijn debuut het lied van ik (1964) twee bundels uitgegeven: duel (1967), en drie jaar later de maatschappijkritische dichtbundel columbus tevergeefs (1970). Hij schreef nog vóór de totstandkoming van de Rotterdamse poëziemanifestatie en de gelijknamige organisatie (die is gegroeid uit de Rotterdamse Kunststichting), meer bepaald op 23 november 1968 in Amsterdam, de tekst die zeven jaar later in het gestencilde bundeltje is opgenomen. Over de opdracht kon geen misverstand bestaan. De titel is kortweg ‘BREYTEN BREYTENBACH’. Het is niet duidelijk welke de concrete aanleiding was voor het huldegedicht, wellicht een adhesiebetuiging voor de hardleers dissidente stem van de in Parijs gedomicilieerde Zuid-Afrikaanse schrijver en diens betrokkenheid bij de strijd tegen apartheid. De ik-figuur geeft uitdrukking aan woede en weerzin voor een politiek regime dat berustte op rassendiscriminatie, en hij hekelt de uitwassen van een perfide koloniaal systeem dat “drie eeuwen lang / aan de kaap der goede hoop” is in stand gehouden.

Plaats in het oeuvre

De tekstgenese is te situeren in een periode dat Van Vliet de gruwel van oorlog aanklaagt, meer bepaald de Vietnamoorlog. Daarover liet hij optekenen: ‘Na ’64 werd ik geraakt door het drama Vietnam. En door het misdadige imperialisme van de Verenigde Staten. Nu [1997] is mijn kijk op die oorlog wat genuanceerder, maar dat overweldigende gevoel van revolte heeft toen voor jaren mijn werk bepaald (geciteerd in Paul Demets 2007:827). In Verzamelde gedichten, destijds door Bezige Bij-redacteur Alfred Schaffer professioneel begeleid, is de tekst opgenomen in de rubriek ‘Verspreid gepubliceerde gedichten’. De bibliografische aantekening maakt gewag van publicaties van het Breytenbachgedicht in de tijdschriften Artisjok (2 (1969) 1, p. 14) respectievelijk Kentering (10 (1969) 5, p. 33). Wat evenwel onvermeld blijft, is de opname van Van Vliets tekst in aan breyten breytenbach. Een ongewijzigde versie, met uitzondering van de weglating van plaats en datum, is in de bundel van het Breytenbach-comité opgenomen.

.

BREYTEN BREYTENBACH

.

bij wijze van spreken

wordt de mahoniehouten tafel een kleurling

wanneer hij vingerwijs geraakt in de zach-

te poriën van het blad

ook zij

een bijna vergeten bloedvlek in

een oorlog die sinds lang

geen naam meer heeft

ook zij

laaft zich reeds drie eeuwen lang

aan de kaap der goede hoop

alleen maar omdat hij dit herhaalt

als was alles vanzelfsprekend

in die witte huizen

zelfs dat op een donkerder huidskleur

de doodstraf staat.

                                       amsterdam 23 november 1968

Precies vijftien jaar na het overlijden van de schrijver is het tijd de bibliografische lacune in Eddy van Vliets VG weg te werken. Het Breytenbachgedicht is niet gebundeld door de schrijver maar dus wel drie keer ongewijzigd gepubliceerd. Tegelijk vestigt deze korte bespiegeling de aandacht op de actieve en betrokken deelname van Vlaamse schrijvers aan het protest tegen het onrecht dat Breyten Breytenbach en met hem zoveel anonieme personen in Zuid-Afrika te beurt viel.

Overigens hebben vóór de gevangenisperiode ook Fernand Auwera, met de bundel Geen daden maar woorden (1970), én Willem M. Roggeman veel betekend voor Breytenbach in het Vlaamse culturele en literaire landschap. Zij droegen met interviews bij aan de naamsbekendheid. In juni 1974 publiceerde Roggeman een uitvoerig interview in De Vlaamse Gids. Later zal hij geregeld nieuwe publicaties van Breytenbach recenseren in Vlaamse kranten. In het themanummer staan ook bijdragen van Breytenbach (poëzie en proza), Van Dis en Mooij. Dat is een ander verhaal dat belangstelling verdient.

Bronnen

Paul Demets, ‘Geheugen, zwijg. Over het verlangen en over de onafwendbare herinnering in de poëzie van Eddy van Vliet’. In Eddy van Vliet, Verzamelde gedichten. C. van der Vorst en Y. T’Sjoen (ed.). Amsterdam: De Bezige Bij 2007, p. 821-850.

Wilfred Jonckheere, Van Mafeking tot Robbeneiland. Zuid-Afrika in de Nederlandse literatuur 1896-1996. Nijmegen: Vantilt 1999.

Annemiek Recourt, ‘Niet te véél aksent op het ‘Zud-Afrikaanse’ als-je-blieft’. De materiële en symbolische productie van het oeuvre van Breyten Breytenbach in Nederland. Ongepubliceerde doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam 2008.

Met dank aan Laurens van Krevelen voor de kritische lectuur.

Yves T’Sjoen. Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

Monday, June 26th, 2017

AD Keet

Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

In de Eerste Wereldoorlog is Albertus Daniël Keet (1888-1972) de meest productieve Zuid-Afrikaanse dichter in de Groot-Nederlandse oorlogsbladen Dietsche Stemmen (1915-1918) en De Toorts (1916-1921). J.C. Kannemeyer rekent Keet tot de “vroeë indiwidualiste” van de tweede Afrikaanse taalbeweging. Keet is met onder anderen Eitemal (W.J. du Plooy Erlank), H.A. Fagan, T.J. Haarhoff, Toon van den Heever en Theo Wassenaar een vertegenwoordiger van de “digters van die tweede geslag”. Hij debuteert in 1920 met de bundel thematisch geordende Gedigte (Swets en Zeilinger, Amsterdam), en wordt op basis van het publicatiejaar tot de generatie beschouwd die na Jan Celliers, C. Louis Leipoldt en Eugene Marais in de Afrikaanse letteren aan het woord komt.

Medewerker van De Toorts en Dietsche Stemmen

Gedichten van Keet die na de Grote Oorlog in boekvorm verschenen, zijn voorgepubliceerd in beide Utrechtse periodieken. In totaal zijn van de hand van de jonge dichter A.D. Keet zevenendertig gedichten opgenomen in De Toorts, waarvan drie teksten in de laatste jaargang 1921, en drie in een aflevering van Dietsche Stemmen (‘Suid-Afrika se helde!’, ‘Dingaan’s dag, 1914’ en ‘Voortrekkerslied’, juli-augustus 1916). Daarnaast is hij de auteur van enkele boekrecensies (zoals over E.C. Pienaars Bloemlezing voor Groot-Nederland, 1917) en in totaal drie stukken over zijn grote voorbeeld Jan F.E. Celliers (‘Jan Celliers als digter en denker’ in Dietsche Stemmen en twee artikels in De Toorts). Als chroniqueur heeft hij de rubriek ‘Uit Suid-Afrika’ verzorgd en voor Dietsche Stemmen schreef hij de ‘Suid-Afrikaanse Kroniek’. Vrijwel in elke aflevering van De Toorts vanaf september 1918, tot Adam Boshoff en Philips R. Botha de honneurs waarnemen, presenteert Keet op anderhalve pagina een reeks korte berichten over de politieke, sociale en culturele actualiteit in Zuid-Afrika.

Keet studeerde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam geneeskunde en beijverde zich in Nederland voor het Afrikaans. Zo is bekend dat hij de Vlaamse voordrachtkunstenaar Modest Lauwerijs, later meermaals en met succes te gast in Zuid-Afrika, vertrouwd maakte met het Afrikaans en introduceerde in de Afrikaanse dichtkunst. Hij onderhield ook goede contacten met de Vlaamse toondichter Emiel Hullebroeck die hij teksten aanleverde. Na de oorlog keert Keet terug naar zijn vaderland, weliswaar geregeerd door Albion, en hij vestigt zich als geneesheer in Senekal. Naar eigen zeggen hoopvol dat hij er ooit “die land van sonneskijn en vrijheidszin” mag zien herrijzen. Samen met H.D.J. Bodenstein, hoogleraar Recht in Amsterdam en later Stellenbosch, was hij de meest bedrijvige medewerker uit Zuid-Afrika aan de Groot-Nederlandse oorlogsjaargangen van De Toorts en Dietsche Stemmen.

Keet en Dietsland

Albertus Keet onderschreef de Groot-Nederlandse gedachte die ten grondslag ligt aan beide Nederlandse bladen. In de redactie zetelden Nederlandse, Vlaamse en Zuid-Afrikaanse actoren die streefden naar een groot volksverbonden Diets rijk, waar Holland, Vlaanderen en Zuid-Afrika deel van uitmaken. In beschouwende teksten en in politiek-propagandistische poëzie droomden betrokkenen van een intercontinentaal Dietsland op grond van ‘taal- en stamverwantschap’. De retorische strategieën die daarvoor worden aangewend, zijn elders beschreven.

In de poëzieproductie van A.D. Keet in De Toorts wordt een Afrikaner-nationalistisch discours gehanteerd waarin de broederband met Nederland en dus de oud-kolonie is gecultiveerd. Het Afrikaans maakt deel uit van de Germaanse taalfamilie. “Van stamme Germaansch” worden “Vlaamsch” en “Afrikaansch” broeders genoemd. De talen behoren tot het “Dietsch”. In het gelijknamige gedicht ‘Dietsch’ luidt de eigen-volk-eerst-retoriek als volgt:

            Ik ben geen Latijn

            En ik wil het niet zijn;

            Geen haat! Maar…. het eigen vooraan!

            Ik ben dus en blijf

            In mijn ziel, met mijn lijf

            Een echte, oprechte Germaan.

            Germaansch in zijn taal,

            Germaansch in zijn staal,

            Zóó voel en begrijp ik mijn land;

Van stamme Germaansch,

Reik ik broer Afrikaansch

Of wel Vlaamsch, op zijn Dietsch, trouw, de hand

(De Toorts, 26 januari 1918)

Keet, die zich in deze tekst “oprechte Germaan” noemt, stelde zich ten doel een “Groot-Suid Afrika” te verwezenlijken. Nostalgie naar de Hollandse koloniale tijd en anti-Britse sentimenten zijn aan die houding niet vreemd. Naast het nationalistische gedicht ‘Maar één Suid Afrika’ (september 1917) publiceert hij in augustus 1917 de volgende tekst.

            Van waar Sambesi dreun,

               Tot Tafelberg se top,

            Gróót rijs Suid-Afrika

               Voor mij verbeelding op:

            Ik sien hoe groot riviere

               Deur onse hand gelei,

            Verkwikking bring vir diere

               En mense moej gestrij.

            Ik sien hoe korenvelde

               Ons dor Ka[r]oo verrijk,

            En oorals vir ons helde,

               Gedagtnis-tekens prijk.

            Ik sien wel duisend stede,

               Verrijs van uit die grond,

            Ik sien ons volk tevrede,

               Herenigd en gesond.

            Ik sien die Afrikaander

               Regeerder van sij land.

            Ik sien die buitestaander

               Reik hom die broeder-hand.

            Ik sien ons arendsvlugte

               Ik sien ons blauwe lug.

            Ik hoor geen droewe sugte –

               Ik sien ons vrijheid terug….

            Suid Afrika is groot,

               Suid Afrika is rijk –

            Dit sal nog uit sij hart

               En uit sij hersens blijk!

De poëzie bevat politieke statements, zoals een huldebetoon aan oud-president van de Oranje-Vrijstaat M.T. Steyn en de toenmalige Nederlandse koningin Wilhelmina (die Paul Kruger in 1900 zo vorstelijk ontving), alsook imperialistische apologieën voor een “’Nasie in sijn lentetijd” (‘Kom, Afrikaners!’) én voor de eigen moedertaal (“Klink oor die vlakte helder en luide, / Galm jou klank van die Noord tot die Suide, / Dwars oor Rhodesia!”, in ‘Aan mijn Moedertaal’). Ook Rhodesië (Zimbabwe) was deel van het groots ingebeelde Zuid-Afrika. Daarnaast bestaat Keets tekstencorpus uit arcadische natuurtaferelen. De dichter celebreert in andere teksten Nederland (‘O Nederland’) en drukt zijn gevoelens van ‘Heimwee’ uit naar het oude Transvaal en dus de Zuid-Afrikaansche Republiek (‘Die vierkleur’, met de beginregel “Rooi, wit, blauw en groen” – de kleuren van de vlag van Transvaal – en met als bijpassende opdracht de “Nasionale Partij van Transvaal”).

Interessant is het onderzoek naar de beeldvorming van Nederland in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver, die zoals gezegd enkele jaren van studie in Amsterdam doorbracht en vele inspanningen leverde om de stam- en broederband in geschriften en redes onder de aandacht te brengen van een duidelijk als homogeen voorgestelde imagined community. Dat publiek van gelijkgezinden zal zijn toespraak hebben bijgewoond op de jaarvergadering van de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging in 1916. De tekst is later gepubliceerd in Dietsche Stemmen. In een mengvorm van Afrikaans en Nederlands (spelling, woordgebruik) wordt door de weemoedige dichter in romantische ik-poëzie het politieke ideaal van Dietsland vertolkt.

Verzenbakker

John Kannemeyer merkt in zijn Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur (deel 1, 1978) op dat Keet Gedigte “grotendeels” voorpubliceerde in Die Brandwag, Ons Moedertaal en Die Huisgenoot. Daaraan moet dus worden toegevoegd dat de schrijver in zijn Hollandse jaren ook bijzonder actief was in Dietse instituties, zoals vermelde tijdschriften. De dichter van het gecanoniseerde ‘Muskiete-jag’, volgens Kannemeyer “’n geestiger gedig”, was bijzonder bedrijvig en selecteerde uit Zuid-Afrikaanse tijdschriften voor een Nederlands en Vlaams lezerspubliek gedichten van Celliers, Leipoldt, Totius en anderen. De literatuurhistoricus heeft overigens geen hoge dunk van Keets poëzie, noch de vaderlandse gedichten (“die tradisie van Celliers”) noch de natuurgedichten (“[mis] konkrete beelding”). Keet wordt schatplichtig genoemd aan Celliers en ook Leipoldt. Kannemeyer spreekt over “retoriese beeldspraak en swak woordkeuse, en op die lange duur word die triviale boustof en die beperktheid van die wêreld en emosies ’n belangrike literêre beswaar teen die bundel [Gedigte]”.

Een activistische stem uit Vlaanderen

Ideologische stambroeders, leden van de veronderstelde homogene community, zoals bijvoorbeeld de Vlaamse activist Rafaël Verhulst zich die voorstelde, oordeelden in de eigen tijd niet zo kritisch over Keets verzamelbundel. In De Toorts publiceerde Verhulst de jubelende recensie ‘Gedichten van A.D. Keet’ (29 mei 1920). Hij roemt het Afrikaans als “groene, levende, buigzame twijg der Dietsche taal” en rekent de Afrikaanstalige dichter tot “de zonen van den Groot-Nederlandschen stam”, méér nog: “een stoer broedervolk, het volk van Krst. de Wet en Jopie Fourie”. In een politiek betoog heeft de radicale flamingant het over de strijd van de Afrikaner “voor zijn taal en zelfstandigheid”. Die strijd wordt gelijkgesteld met de activistische ondernemingen tijdens de oorlog, “gelijk vlak aan Hollands grens […], het volk van Borms en de Clercq”.

Keet heeft zijn Gedigte samengesteld op de terugreis per schip van Nederland naar Kaapstad. Dat staat gepreciseerd in het woord vooraf dat is gedateerd november 1919. De tekst is door Verhulst integraal geciteerd (“afgeschreven”) in zijn recensie. In die voorrede wordt Celliers door Keet trouwens “de baanbreker der Afrikaansche letterkunde” genoemd.

De Toorts publiceerde in het nummer met René de Clercqs later sterk gecontesteerde ‘Het lied der Activisten’ een saluut van A.D. Keet aan het lezerspubliek, met als titel ‘Ten Afskeid’ (1 november 1919). In ronkende volzinnen en bezaaid met uitroeptekens wordt voor de zoveelste maal het Dietse geloof beleden. Volgens Keet is De Toorts, gericht tegen onder meer het Belgische (francofone) annexionisme, na de Grote Oorlog niet alleen “eindelik segevierend uit die strijd gekom”. De auteur legt ook lauwerkransen voor zijn landgenoot professor Bodenstein en roemt diens vele realisaties “op Diets-Afrikaans gebied”.

In een van die donkerste tijdperke van die geskiedenis van die Afrikaanse volk, het [Bodenstein] nooit die moed opgegee nie, en sij woorde het nie alleen hier nie, maar ook in S.-Afrika, die aandag getrek en die invloed u[it]geoefen, wat hulle ten volle verdien. Vandaag egter, pluk ook hij die vrugte van die harde strijd van toen. Diets-Suid-Afrika is ontwaak – ons weet wat ons wil!

In de lijn van de pamflettaire toon in alle andere geschriften rondt hij als volgt af:

            Maar één versoek het ik aan die lesers van De Toorts, en dit is, in die woorde van Jan Celliers:

                                “Wees sterk!

                        Daar’s ’n nasie te lei,

                        Daar’s ’n strijd te strij,

                                Daar’s werk!”

            Werk, en versprei julle orgaan, die vertolker van julle Dietse ideaal! Werk, en julle sal win!

Albertus Daniël Keet wordt in het fêterende discours van Verhulst in verband gebracht met de zogeheten volksdichter en Vlaamse activist René de Clercq (“zooals zoo menig liefdeliedje, die René de Clercq als zeer fijne juweeltjes in De Toorts te fonkelen legt”) en ook de voorloper van de Beweging van Tachtig Jacques Perk (‘Iris’). Raf Verhulst vindt alles “zoo mooi en zoo echt dichterlijk”. De slotalinea van zijn hommage is een viering van wat hij het dichterlijke talent noemt van de Zuid-Afrikaanse auteur: “A.D. Keet is niet iemand die maar vaardig is met maat en rijm, hij is een wezenlijke dichter met een rein en diep gemoed, naar wien we met volle overgave luisteren. […] wij zijn overtuigd dat zijn zangen niet alleen in Noord-Nederland, maar ook in Vlaanderen met mede-voelen zullen genoten worden”.

De poëzie van A.D. Keet kon in activistische kringen duidelijk op veel sympathie rekenen maar ze verdwijnt in het interbellum compleet uit het vizier. Zeker uit dat van dichters en critici in de Lage Landen. Ook in Kannemeyers panoramische overzicht krijgt Keet nauwelijks een halve pagina toegemeten. Nochtans was hij dus zeer productief. Hij heeft de leeskring van De Toorts en Dietsche Stemmen niet enkel vergast op vaderlandse, liefdes- en natuurgedichten, maar ook de meer gezaghebbende dichters van de tweede Afrikaanse taalbeweging – niet gespeend van een Afrikaner-nationalistische ingesteldheid – een Diets gemarkeerd, sterk ideologisch geladen platform bezorgd.

Deze bijdrage is een korte zijsprong binnen het onderzoek dat als lezing wordt gepresenteerd tijdens het congres van de Suider-Afrikaanse Vereniging vir Neerlandistiek (SAVN) in Parys (Vrijstaat) op 1 juli 2017.