Posts Tagged ‘Yves T’Sjoen’

Yves T’Sjoen. Tottenham Hotspur in de Vlaamse poëzie

Monday, February 20th, 2017

Tottenham Hotspur in de Vlaamse poëzie

Voetbal op een poëzieweblog: het is eens wat anders. De voetbalsupporter in en rond de Arteveldestad leefde er al maanden naartoe. Net als de andere Belgische clubs Anderlecht en RC Genk heeft een van de oudste clubs van het land, KAA Gent of dus vanouds de Gantoise, met de nodige meeval in een winterkoud Turkije de groepsfase doorsparteld. Gent heeft zich in het najaar van 2016 geplaatst voor de volgende ronde van de Europa League. Waar FC Brugge op het echte kampioenenbal lelijk in het zand beet en met lege handen achterbleef, konden de drie vermelde clubs Europees overwinteren.

Actueel voetbalnieuws

De loting was KAA Gent deze keer gunstig gezind. In de campagne van vorig seizoen, meer bepaald in de groepsfase van de Champions League, steeg Gent boven zichzelf uit. De club slaagde erin zich met verve te plaatsen voor de achtste finale tegen de Duitse Volkswagen-club Wolfsburg. Alleen waren de tegenstanders vorig seizoen geen notoire publiekstrekkers of Europese kleppers (hoewel: Zenit Sint-Petersburg, Lyon en Valencia). Van alle tegenstrevers die Gent deze keer kon loten, in de zestiende finales van de Europa League, verkoos zowat iedereen in Gent Tottenham Hotspur. Zelfs boven AS Roma. De Londense topclub van de Engelse Premier League appelleert aan het voetbalhart van de soccerfan. Het zou voor de hand liggen dat de dubbele confrontatie met het roemruchte Tottenham, momenteel derde in de Engelse league, met een sisser afloopt. Tenminste als de krachts- en kapitaalsverhoudingen worden gerespecteerd. Geld en sportieve mogelijkheden hoeven niet altijd de doorslag te geven. Vorige week donderdag 16 februari had de heenwedstrijd plaats in de Ghelamco Arena, de thuisbasis van AA Gent. In de media, zowel de Engelse als de Vlaamse, is gesproken over “een stuntzege”. Gent haalde het van Tottenham met een typische Arsenalscore: 1-0. Volgende week nemen Gent en Tottenham het tegen elkaar op in het mythische Wembley Stadium. Er worden daar meer dan tachtigduizend toeschouwers verwacht.

The Spurs

Ook in het verleden sprak de club met decennialang haar thuisbasis in het roemruchte White Hart Lane tot de verbeelding van de sportliefhebber. Tottenham is in Engeland echt een traditieclub. Opgericht in 1884 heeft de club door de jaren heen vele iconen van het internationale voetbal in zijn rangen geteld. De Wikipediapagina resumeert de rijke historiek. Tottenham Hotspur Football and Athletic Club sprak ook in de Lage Landen altijd aan. Dichters lieten zich charmeren door het viriele en dominante spel en het succes van de Londenaars. Grasduinend in de poëzie van de Antwerpse dichter en Beerschot-fan Nic van Bruggen (1938-1991), bekend als radioverslaggever voor thuismatchen van de Ratten op het Kiel (Beerschot VAV), tref ik een liefdevolle reeks Tottenham-teksten aan. De afsluitende afdeling ‘Yards’ in de bundel Jardin des modes (1963) bevat voetbalgedichten waarin de legendarische ‘Spurs’ worden bezongen in dithyramben, alliteraties en assonanties, in welluidende regels. In 1961 kroonden de Spurs zich voor de tweede keer in hun bestaan tot landskampioen van Engeland, precies een decennium na de eerste titel, en ze wonnen in datzelfde jaar de FA Cup. Het volgende seizoen kwam Tottenham uit in Europa waar het pas in de halve finale de meerdere moest erkennen in het gerenommeerde Benfica Lissabon. De titel en de cup in 1961 markeren het begin van een weliswaar kortstondige zegetocht en het bijbehorende renommee in Europa. In 1962 is opnieuw de beker veroverd. In het seizoen 1962-1963 veroverden de Spurs de scalp van Atletico Madrid in de finale van wat toen nog Europacup II heette. De monsterscore van 5-1 tegen Madrid heeft in het oeuvre van een Antwerpse dichter geleid tot lyrische ontboezemingen.

Voetbalgedichten

De reeks van Van Bruggen begint met ‘the Spurs’ en bevat onder meer titels als ‘the cup’, ‘White Hart Lane’ en ‘when the Spurs go marching in’. Van Bruggen beschrijft niet, zijn poëzie is helemaal niet anekdotisch of vertellend. De gedichten zijn gekunstelde expressies over taal, lichamelijkheid, schoonheid. Anders dan Herman de Coninck in zijn nieuw-realistische Cruijff-gedicht in Zolang er sneeuw ligt (1975) gebruikt Van Bruggen metaforen die aan de viriele voetbalsport zijn ontleend.

Cruijff

Een gestrekte bal,

een balk door de lucht,

een eerlijk eikehouten schot:

zo gaat de waarheid op haar doel af.

Of heen en weer

en heen bewegend, de tegenstrever,

de lezer, steeds weer op het verkeerde

been zettend, door een overstapje, een

oversprongetje, elke nieuwe regel

uit leesevenwicht te beginnen,

deze beweeglijkheid, deze fysieke

bewogenheid, god, dit is kunst:

geboren worden en een lichaam hebben

en er dan gedurende een blauwe maandag

Johan Cruijff mee zijn

in een gedicht, een speelveld

van Herman de Coninck.

Net zoals de legendarische coach van Nederland Rinus Michels het omschreef, is voetbal voor de dichter Nic van Bruggen oorlog. Zo staat het althans geformuleerd, in een écriture artiste, in het gedicht ‘Blanchflower’ van Jardin des modes: ‘het brede weten van uw einder / om de wet van oorlog / de groene horizon de witte kring / ontmanteld en liturgisch moegelopen’. Het voetbal van de Spurs wordt met sacrale termen verbonden. Voetbal is een religie en gaat over het bestaan.

In zoverre ik het kon nagaan, heeft in de Vlaamse literatuur alleen Nic van Bruggen Tottenham Hotspur tot een dichterlijke metafoor verheven. Overigens krijgen ook Beerschot en Feyenoord, en het onderlinge duel dat beide clubs uitvochten, in een andere bundel aandacht (Ademloos seizoen, 1974).

Beerschot-Feyenoord

Het stadion oud van ijzer, maar gras

Licht als een biljart onder neon.

En daarop, dierbaar maar droef wel,

Kleur om kleur, geweld om geweld:

Het schone schuldige recht van de sterke.

Hier zijn de helden, tragisch als traditie,

Dragen namen, nummers, data en doelpunten,

Rauw applaus en herkenbaar antiek om

Hun pracht, hardheid, praal en huid.

De tijd is van koorts, de adem giftig,

Goedheid sterft eeuwig en eenzaam hier.

Het regent nu. Het lijf aan lijf, toornig

Trots, zeldzaam genadig, maar mooi

En minzaam als een gestreelde broedermoord.

‘The Saints’

De confrontatie tussen KAA Gent en Tottenham Hotspur spreekt sinds enige tijd tot de verbeelding. In Gent zoals de FA Cup en de finale van de Europacup dat deden begin jaren zestig voor de Antwerpenaar Nic van Bruggen. De wedstrijd op donderdag 23 februari in Londen speelt zich niet af in de tempel White Hart Lane, waarover Van Bruggen het volgende dichtte: ‘de smeulende smaak der spieren / scheppend in een tempel / adem schouders en schoonheid’. Het clublied van ‘the Spurs’ klinkt nog steeds elke week uit duizenden kelen. Ik ben benieuwd hoe deze evergreen van de Britse voetbalvelden klinkt in die andere voetbaltempel van Londen. Van Bruggen spreekt over ‘de zware zang der treurbes / het lichte lied van gewichtige ladies’. Het stelselmatig oplopende ritme, met in de eerste regels de larmoyante cadans van een treurmars en naarmate het refrein wordt hernomen een opwekkend lied van hoop en zegepraal, is bijzonder aanstekelijk. Ik zal er beslist aan denken wanneer ‘when the Saints go marching in’ weergalmt in Wembley. ‘When the Saints’ is niet alleen een beroemde jazzstandaard, een hymne over de verhoopte toetreding tot het hemelse paradijs die is vertolkt door onder anderen The Beatles, Fats Domino en Louis Armstrong, Elvis Presley. Het is tegelijk een troostend lied dat op begrafenissen wordt gespeeld. De supportersschare van Gent heeft een andere evergreen in het repertoire, internationaal veel minder bekend: ‘’t Vliegerke’ van de plaatselijke bard Walter de Buck. Laten we hopen na de “stuntzege” in Gent dat de zonen van Artevelde hun lijflied daar in Wembley, op de Dag des Oordeels, niet als treurmars zullen moeten inzetten. Want winnen is toch nog belangrijker dan alleen meedoen.

When the Spurs go marching in

zo de taal tekent toon slaat

metalen woorden drijvend

uit de deuren van het hoofd

keel is een fluwelen kei

geluid een dankbaar spraakgebrek

van zenuwen

en hoort hoe de zonen zingen

de zware zang der treurbes

het lichte lied van gewichtige ladies

Meer bespiegelingen over voetbal en poëzie heb ik verwerkt in ‘“Dribblings schotsen van koper”. Voetbal in de Vlaamse poëzie’, in Kunsttijdschrift Vlaanderen 64 (2015) september (nr. 355), p. 34-37.

Yves T’Sjoen. Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Friday, December 30th, 2016

louis-2011a

Yves T’Sjoen, Athol Fugard & Louis Esterhuizen (sept. 2011)

.

Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Bij het afscheid van de boekwinkelbestuurder Louis Esterhuizen

.

Literair veldonderzoek

Schrijvers en uitgevers, critici en vertalers, fondsredacteurs en letterkundigen. Ze krijgen in het hedendaagse literatuurwetenschappelijke onderzoek aandacht voor hun institutionele rol in het vertoog over literatuur. Hun posities worden toegelicht zowel op het gebied van de materiële als de symbolische productie van literatuur. In het Nederlandse taalgebied bestaat toenemende aandacht voor de cultuursociologische context waarin het literaire bedrijf plaatsheeft. De fondsopbouw van literaire uitgeverijen, het discours van periodieken en de literatuurkritiek, de cultuurbemiddelende functie van de vertaler en de (canoniserende) beeldvorming van literatuurgeschiedenissen zijn maar enkele voorbeelden van contextuele benaderingen die vandaag in het vakgebied modieus zijn.

In het schema dat C.J. Van Rees en G.J. Dorleijn opnamen in hun veel geciteerde studie De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000 (2006) worden de onderlinge relaties tussen actoren, instituties en strategieën in het literaire veld aanschouwelijk voorgesteld. Daarin bekleden onder meer literatuuronderwijs, fondsen voor de letteren, bibliotheek en boekhandel een belangwekkende positie. Vooral wanneer het op de symbolische waardebepaling van literaire producten in de publieke ruimte aankomt. De boekhandel is een van de instanties die vooralsnog in het veldonderzoek geringe aandacht krijgt. In het Nederlandse taalgebied ken ik maar enkele voorbeelden. Daarnaast ben ik geïnteresseerd in boekhandelaars die ook schrijver zijn, of beter andersom, auteurs die een tijdlang de kost verdienen met het uitbaten van een boekwinkel. In Vlaanderen, toen en nu, denk ik bijvoorbeeld aan de Antwerpse boekhandel De Brug van Paul de Vree, de legendarische boekhandel van Adolf Herckenrath in de Gentse Veldstraat, het gerenommeerde De Zondvloed van Johan Vandenbroucke (Mechelen en Roeselare), het boekwinkeltje Librairie de la Bibliothèque in Oostende van de Franstalige Belgische dichter Henri Vandeputte en Joris Vriamont als verantwoordelijke van de muziekafdeling in La Lecture Universelle (Brussel). Paul van Ostaijen hield dan weer enkele jaren de Brusselse kunstgalerie A la Vierge Poupine open. Schrijvers moeten aan de kost komen.

Boekhandelaar en dichter

Weken geleden is melding gemaakt van het afscheid van Louis Esterhuizen als filiaalhouder en bestuurder van de voor mij al jarenlang als onweerstaanbaar ervaren Protea Boekwinkel in Stellenbosch. Sinds juli 2002 is Esterhuizen in dienst van Protea Boekhuis (Pretoria). De laatste werkdag van 30 desember 2016, vandaag dus, trekt hij de deur achter zich dicht. Op de Facebookpagina zijn de voorbije tijd foto’s gepost van een afscheidsbijeenkomst in het gezelschap van de medewerkers. Jaren terug, sinds mijn eerste kennismaking met de indrukwekkend volgestouwde boekwinkel in de Andringastraat, was Louis Esterhuizen voor mij een door literatuur begeesterde en bijzonder sympathieke handelaar. De robuuste en zachtzinnige verschijning die ik elk jaar in september de stevige hand mocht schudden.

louis-2011e

 Louis Esterhuizen

Later werd hij voor mij de dichter. In het najaar van 2010 stuurde hij naar mijn thuisadres wat die water onthou met op het boekomslag een aquarel van zijn geliefde muze Marlise Joubert. In de gebundelde gedichten is de relatie met en kennis van de Vlaamse poëzie expliciet gemaakt. Zo begint een van de watergedichten, ‘die heiligheid van water’, met een bijna letterlijke referentie aan de beginregel “Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water” van Paul Snoeks canonieke gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’. Drie jaar later, in september 2013, overhandigde Louis in Stellenbosch tijdens een diner in de Volkskombuis aan de oevers van Eerste Rivier het “reisjoernaal” Amper elders. Naast Cambridge, Amsterdam en Praag bepalen Brugge en Antwerpen (Berchem) de ruimtelijke setting van de poëzie. Voor wat die water onthou gebruikte Esterhuizen een motto dat is ontleend aan Paul van Ostaijens klassieker ‘Melopee’, ook de titel van het gedicht waarmee de bundel afsluit. In Amper elders wordt in de reeks die reminiscenties bevat aan de Lage Landen wel méér verwezen naar Nederlandstalige dichtkunst (Hugo Claus, Herman de Coninck, Peter Holvoet-Hanssen, M. Nijhoff en Eddy van Vliet). Ik herinner me zeer levendig het gesprek daar aan de oever van de kabbelende rivier – een locus amoenus voor de dichter – over de reis die Marlise en Louis in Europa hebben ondernomen, en de onuitwisbare indrukken van hun rite de passage. Amper elders is er het lyrische getuigenis van. Het bijwoord ‘amper’, zo lichtte hij toe, betekent in het Nederlands zowat het tegenovergestelde van wat in het Afrikaans wordt begrepen. Er zijn vele levendige herinneringen aan ontmoetingen. Zoals die keer dat we Breyten Breytenbachs verjaardag vierden ten huize Esterhuizen en verrassend de theaterlegende Athol Fugard te gast was. Het blijft ongelooflijk dat ik die zestiende september over Tone Brulin heb kunnen praten met een charmante oude man die het theaterexperiment in Vlaanderen vanaf de eerste rij heeft aanschouwd.

louis-2011f

 Verjaarsdagviering vir Breyten Breytenbach
16-09-2011
.

louis-2011d

Athol Fugard
.

Naar aanleiding van de generositeit die mij telkenmale te beurt viel, ben ik ook méér gedichten van Louis Esterhuizen gaan lezen. Uiteraard in de dikke Komrij, maar ook in periodieken en andere anthologieën. Esterhuizen is de schrijver van voorlopig tien dichtbundels, te beginnen met Stilstuipe (1986). In 2011 is hij voor de doorgecomponeerde bundel wat die water onthou bekroond met de Protea Poësieprys. Zijn debuut is genomineerd voor de Ingrid Jonkerprijs. De gedetailleerde bibliografie, die op de Wikipediapagina kan worden nagelezen, maakt verder melding van zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van en de praktische beoefening van “Bekgevegte”, intussen een begrip in de Afrikaanse literaire wereld, en in den beginne een lange loopbaan in het onderwijs.

Afscheid van een icoon

Het afscheid van Louis Esterhuizen als boekhandelaar valt me zwaar. Zelden ontmoette ik zo’n bekwame en innemende boekverkoper – verkoper klinkt in deze context veel te mercantiel. Hij is een bezetene van het boek, een wandelende encyclopedie van literaire anekdotes en bibliografische weetjes, en vooral – zo leer ik uit zijn Facebookposts – een aanstekelijk speurende melomaan. Het is in Louis’ boekhandel prettig kuieren tussen uitpuilende boekenrekken en doorhangende planken waar ik elk jaar bij mijn doortocht nieuwe producties mocht ontdekken. Daarin begeleid door de warme sonore stem en de nimmer opdringerige aanwezigheid van de bestuurder. Mijn privécollectie Afrikaanse letteren heb ik mede te danken aan Protea Boekwinkel en is ingefluisterd door de belezenheid van de plaatselijke boekenchef. Het is frappant hoeveel Louis heeft gelezen, niet zomaar even geproefd of van op afstand verkend. Legendarisch zijn de zaterdagmiddaggesprekken in de boekhandel waar literaire auteurs, historici en andere schrijvers de revue passeren. Recent, in november, was John Miles er nog te gast. Ik vergaap me bij elk bezoek aan de uitnodigende boekenkasten waar fotocollages aan de zijkanten evenzovele warme herinneringen zijn aan druk bijgewoonde boekpresentaties. Met een glaasje Zuid-Afrikaanse wijn. Louis hield het zelf bij, zo merkte hij onlangs op: hij leidde honderden sprekers in, faciliteerde dialogen en verzorgde de promotie. De foto’s etaleren het kruim van de Afrikaanse letteren. Allemaal passanten in de boekwinkel van Louis Esterhuizen, en voor haar pensionering natuurlijk ook Marlise Joubert.

louis-2011b

Athol Fugard en Marlise Joubert
.

De vriendschappelijkheid staat mij voor altijd bij en is onlosmakelijk verbonden met het pand op Bergzicht Plaza in de Andringastraat. De boekhandelaar, samen met zijn bijzonder sympathieke crew, was er het uithangbord. Het wordt nu anders. Maar ik weet zeker dat Protea Boekwinkel een baken is voor het letterkundige leven in de Kaap. Dat stempel valt nu eenmaal niet uit te wissen. Althans dat is mijn vurige verlangen.

“Huis toe gaan, ja, ek wil huis toe gaan” (‘Soldatelied’)

Intussen gaat Louis Esterhuizen verder met dichten en vertalen. Ik wens hem vanuit mijn positie van binnenwaartse buitenstaander alle wind in de zeilen.

Voortaan richt mijn aandacht zich op het dichtwerk. De muzikale compositie Die afwesigheid van berge (2014), de jongste bundel, is voor mij zonder meer een hoogtepunt in het dichterlijke oeuvre. Niet alleen compositorisch of stilistisch is Louis Esterhuizen de schrijver van bijzonder werk. Ook vanuit transnationaal perspectief valt er veel over te zeggen. De (expliciete) intertekstuele verwijzingen in Esterhuizens poëzie naar de Lage Landen verdienen uitdieping en in een breder (discursief) perspectief te worden bestudeerd. Als een literair-institutioneel onderzoek in Zuid-Afrika zich richt op de beeldsturende functie van de boekwinkel voor de Afrikaanse literatuur, dan zullen Protea Boekwinkel in Stellenbosch en de charismatische “boekwinkelbestuurder” daarin een prominente plaats toebedeeld krijgen.

Louis komt thuis in de poëzie.

Vale, waarde vriend Louis.

louis-2011c

.

Yves T’Sjoen. Peter Snyders in de Lage Landen

Tuesday, December 27th, 2016
Etienne van Heerden, Peter Snyders & Marlene van Niekerk

Etienne van Heerden, Peter Snyders & Marlene van Niekerk

‘Dié poem kan jou famous maak’ – Peter Snyders in de Lage Landen

Ter nagedachtenis aan Adam Small (1936-2016)

 

Herinnering aan een passage

Najaar 1997. Nagenoeg twintig jaar geleden. Op uitnodiging van de Nederlandse Taalunie in Den Haag en vermoedelijk na bemiddeling door mijn Amsterdamse collega Ena Jansen is een uitgelezen gezelschap van Zuid-Afrikaanse schrijvers te gast in Nederland en België. Behoud de Begeerte faciliteert  de schrijversoptredens. De keurig uitgestippelde reisroute brengt E.K.M. Dido, Peter Snyders, Wilma Stockenström, Marita van der Vyver, Etienne van Heerden en Marlene van Niekerk ook naar de universiteit in Gent. Ik herinner mij van de passage een uitstap op zondag naar Damme, in de buurt van Brugge, waar het standbeeld van Jacob van Maerlant bewonderende Afrikaanse blikken oogstte en alwaar de lunch is gebruikt samen met mijn oudere professorale collega’s in een plaatselijke brasserie.

Op 6 oktober 2015 postte Etienne van Heerden op zijn Facebookpagina een memorabele archieffoto. De opname is gezien het klinische decor – uitgestrekt grasgroen tafelkleed, onbeschreven groen-blauw krijtbord, eentonige waterflessen van het Belgische merk Spa – gemaakt in een auditorium van de universiteit. De toentertijd achtenvijftigjarige dichter en toneelschrijver Peter Snyders is aan het woord. Tot zichtbaar jolijt van hem flankerende schrijvers, de paranimfen van dienst: Etienne van Heerden en Marlene van Niekerk. Gezien de indrukwekkende stapel papier op tafel, zo stel ik mij dat voor, was Van Niekerk drukdoende met het manuscript van haar roman Agaat.

Nieuwe verzetspoëzie en het literaire establishment

Ik herinner mij het geslaagde optreden van Peter Snyders. In november 1997, kort na de boekenbeurs in Antwerpen. En dus niet in 1998 zoals de Wikipedia-pagina over Snyders memoreert. Snyders trad in die periode op tijdens het Winternachtenfestival in Den Haag en op Poetry International. In Nederland traden Willem van Toorn en Henk van Woerden op, in Vlaanderen zijn Kristien Hemmerechts, Geert van Istendael en de Franstalige Belgische auteur Jean-Luc Outers uitgenodigd samen met de Zuid-Afrikaanse schrijvers.

Er stond in die dagen dus ook een performance gepland in Gent. De dichter bracht Kaaps-Afrikaanse gedichten ten gehore en voorzag zijn spitse voordracht van geestige zelfrelativerende commentaren. Twee jaar later las ik in ‘Perspektief op die moderne Afrikaanse poësie (1960-1997)’, een bijzonder gedocumenteerd overzichtsartikel van Helize van Vuuren, dat Snyders een “Kaapse Vlakte”-vertolker is van “die kollektiewe stem van opstand” en de auteur van “politieke versetgedigte”. Zij voegt toe dat hij “nie skroom om van die humoristies-satiriese Kaapse sosiolek gebruik te maak nie, wat ook sy verse ’n groter populêre gerigtheid gee”. Verder belicht de auteur de schatplichtigheid van de Kaapse Vlaktedichters, medio jaren tachtig en dus nog in de apartheidsera, aan de “satiriese protestaal” van Adam Small in Kitaar my kruis (1961). Van Vuuren noemt Patrick Petersen en Peter Snyders “as van die belangrikste eksponente van ’n kollektiewe nuwe versetpoësie teen apartheid”. Tot slot noteert zij met onverholen verontwaardiging: “Hoewel Petersen, Philander en Small […] deur die literêre establishment gekanoniseer is as individuele bruin digters, is die kollektiewe groep Kaapse Vlaktedigters nie deur die kanon geakkommodeer nie, deels om die vooroordeel op estetiese gronde, deels om die politieke inhoud van die verse”. Het verwijt aan het literaire establishment klinkt in elke lettergreep van de slotzin.

Toen ik vorig jaar (2015) in Bellville bij UWK het Swart Skrywers-symposium mocht bijwonen, handelde een van de discussies over de vermelde ‘accommodatie’, met name het acute gebrek aan institutionele infrastructuur voor kwaliteitsvolle uitgaven van literair werk van bruine en zwarte schrijvers. In hoeverre de poëzie van Peter Snyders, zoals die van onder anderen S.V. Petersen, P.J. Philander en Adam Small, in Zuid-Afrika als canoniek wordt beschouwd weet ik niet. Elk jaar vermeld ik zijn naam voor de zekerheid met enige nadruk in mijn panoramisch overzicht van de Afrikaanse literatuur. De anekdote en de foto in het bezit van Van Heerden zijn verbonden met Snyders’ optreden in de Lage Landen. Ik hou nogal van Snyders’ poëzie. Ik beschik helaas niet over het merkwaardige poëziedebuut dat als een collectieve onderneming is gerealiseerd. Brekfis met vier (1981) is een coproductie van Etienne van Heerden, Daniel Hugo, André Leroux du Toit (Koos Kombuis) en Peter Snyders. Daniel Hugo liet mij ooit, ik meen bij Tuin van Digters in Wellington, een nog moeilijk te traceren exemplaar als resultaat van die bijzondere samenwerking zien. Ik kon evenmin bundels als ’n Ordinary mens (1982), Political joke (1983), ’n Waarskynlike mens (1993) of later dichtwerk inkijken. Helize van Vuuren somt de vermelde titels op en benadrukt “die gebruik van Kaaps” als “’n voortsetting en verdere ontwikkeling van Small se satiriese verse Kitaar my kruis en Sê sjibbolet”.

Snyders in De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten

Gerrit Komrij selecteerde voor zijn anthologiebundel De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999) in totaal zeven teksten van Peter Snyders: ‘Ek is oek important’ (zie de YouTube-opname ter gelegenheid van Snyders’ optreden bij een graadplechtigheid van UWK), ‘Dit’, ‘Tighten your belt’ en ‘Die gesteelde TV’ uit ’n Ordinary mens, ‘Moedertaal’, ‘Versagtende omstandighede’ en ‘Ek skryf ’n gedig’ uit ’n Waarskynlike mens (1992). Zeven gedichten. Dat is een aanzienlijk aantal, gelet op de wall of fame die de bloemlezer van de Afrikaanse dichtkunst voor zijn Nederlandse lezers oprichtte. Komrij koos van de door hem het best aangeschreven dichters een maximum van tien gedichten. Snyders prijkt dus hoog in de literaire pikorde.

Twee jaar na de passage van Peter Snyders in Vlaanderen, na mijn lectuur van Van Vuurens panorama van de Afrikaanse poëzie en van Komrij’s canonieke bloemlezing, was de herontdekking niet minder dan een eye-opener. In 1999 mag door een gezaghebbende kritische stem in Perspektief & Profiel. ’n Afrikaanse literatuurgeskiedenis, bestemd voor een Zuid-Afrikaans lezerspubliek, zijn geopperd dat “Kaapse Vlaktedigters nie deur die kanon geakkommodeer [is] nie”. En dat het gebrek aan respons misschien wel kan worden toegeschreven aan een bepaald begrip van esthetische kwaliteit en de politiek-ideologische inslag van de gedichten. De ruime selectie die Komrij maakte uit twee dichtbundels heeft Peter Snyders een aanzien gegeven in het Nederlandse taalgebied. De zogeheten verzetspoëzie, tegen apartheid en na 1990 als kritische stem in het nieuwe Zuid-Afrika, heeft zonder meer een bereik in Nederland en België. Tot de weerklank hebben naast performances tijdens het Winternachtenfestival (naar verluidt ook nog eens in 2008) publicaties in het Brugse periodiek Kruispunt en vooral Jan Deloofs kleine tweetalige editie Versagtende omstandighedeVerzachtende omstandigheden bij Point (Altea, Alicante 1995) bijgedragen. Deloof vertaalde de Kaapse gedichten overigens niet maar voorzag de teksten van “Nederlandse transcripties”. Daarover meldt hij in de inleiding: “Bij Peter Snyders is dit (namelijk zijn van de standaard afwijkende taal) zelfs een wezenlijk kenmerk van zijn poëzie, die inhoudelijk nauwelijks uitleg behoeft, maar door het gebruikte idioom voor een Nederlandstalige hier en daar moeilijkheden oplevert. Dat is de reden waarom de originele gedichten… vergezeld gaan van Nederlandse transcripties, die enkel en alleen de bedoeling hebben het origineel beter toegankelijk te maken. De lezer gelieve de transcripties niet als vertalingen te beschouwen, want voor mij is vertalen uit het Afrikaans zoiets als Gezelle omzetten in standaard Nederlands.” Later, zo meldt Deloof, heeft Snyders in Afrikaans vandag (maart 1998) een kritisch commentaar geleverd onder de titel ‘Nederlands wil Kaaps raakvat’. Hier en daar, ten slotte, staat nog een gedicht van Peter Snyders in een bloemlezing. Ik denk dan aan het gedicht ‘Vullisblikmentaliteit’ in de tweetalige uitgave Ons klein en silwerige planeet. Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse gedigte oor die omgewing (Johann Lodewyk Marais en Ad Zuiderent (samenstelling), J.L. van Schaik Akademies, Pretoria, 1997, p. 95).

Nog vóór Komrij op het belang van het dichterschap wees, was Snyders zacht gezegd al een opgemerkte naam in Nederland en België.

Ik kan me van die koude winterdag in 1997 niet meer herinneren of Snyders het ironisch-sarcastische ‘Ek skryf ’n gedig’ heeft voorgelezen. De bundel ’n Waarskynlike mens was een jaar tevoren verschenen. De aanstekelijke lach van de spreker staat me nog voor de geest, de humor waarmee Snyders zijn optreden doorspekte. En de scherpzinnige doortastendheid waarmee hij uit de hoek kwam, in de steriele omgeving van een universiteitsaula. Sindsdien heeft de stem een plek veroverd in mijn favoriete privébibliotheek van de Afrikaanse poëzie. Indien ik met studenten spreek over ‘Kaapfrikaans’ en de dwingende stem van de Kaaps-Afrikaanse “bruine” dichtkunst, dan komt niet alleen Adam Small ter sprake. Ook de weergaloze dichter Peter Snyders heeft een plaats in dat pantheon. Tijdens het geanimeerde Swart Skrywers-symposium bij UWK, in oktober 2015, naar aanleiding van de kritische opmerkingen over het uitgeverslandschap voor “bruin” en “swart skrywers”, moest ik terugdenken aan dit gedicht. In zoverre ik mij dat herinner, gaf Peter Snyders toen niet present. En Adam Small was verhinderd vanwege gezondheidsperikelen. De tekst die ik hier presenteer, echoot nog altijd door mijn hoofd.

 

Ek skryf ’n gedig

 

Ek skryf ’n gedig

’n gedig wat almal kop laat staan,

ek wys dit vir my vriende wat sê:

Dié poem kan jou famous maak.

 

Ek tik dit netjies,

onderteken my naam, en,

kopiereg-verskrik

stuur dit toe na elke redakteur

wat waag om goeie vers te druk;

 

drie jaar later hoor ek dié wysie:

Nog nie famous nie?

 

My verwysingsveld –

dít is wat daai sogenaamde redakteurs ontwrig;

ek sal hulle wys,

ek sal my eie uitgewery stig.

 

So, hier sit ek met gevoude arms,

’n baie belangrike mens, sê die bord,

my vriende wat verbygaan sê:

Nóú gaan hy famous word.

 

My naam verskyn in druk, o ja,

op rekenings vir dit of dat,

maar as ek bankrotstraat afstap

gaan my ondersteuners voort:

’n Mens raak famous ná jou dood.

 

(c) Yves T’Sjoen / Desember 2016

Voor een korte vermelding van ‘Skrywers en Schrijvers’ (november 1997), zie Matthijs de Ridder, Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis 1984-2014. De Bezige Bij, Antwerpen, 2014, p. 177.

Yves T’Sjoen. Proeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

Sunday, December 11th, 2016

imagesProeve van buitengaats panorama voor de Afrikaanse letteren

De beeldvorming van een literatuur in het buitenland verloopt langs verschillende sporen. Dat buitengaats geconcipieerde geschiedverhaal rijmt niet per se met de geschiedenis die in het taal- of cultuurgebied wordt gegenereerd. Tal van actoren zijn betrokken bij de cultuurtransmissie en construeren hun particuliere beelden van een literatuur. Tot de actoren behoren onder velen vertalers en uitgevers, critici en schrijvers, academici, culturele kranten- en tijdschriftredacteuren. Vanuit een particulier perspectief, geleid door bijvoorbeeld esthetische en didactische strategieën, worden in geschiedenisboeken beelden van literatuur geconcipieerd. Als het over buitenlandse literatuur gaat, dan spelen ook weer andere factoren een rol van betekenis, zoals de beschikbaarheid van de literatuur (in vertaling), uitgeversfondsen met vertaalde literatuur (zoals Podium voor de Afrikaanse poëzie), aandacht in lokale en nationale media et cetera.

Academisch literatuuronderwijs

In de kritische en creatieve receptie of dus de beeldvorming van anderstalige teksten in een taal- en cultuurgebied is ook het academisch onderwijs aan universiteiten van belang. In overzichtscursussen krijgen anderstalige studenten een verhaal gepresenteerd waarin panorama’s worden geschetst van literaire bedrijvigheid in het buitenland. Deze geschiedkundige overzichten zijn in tegenstelling tot wat ze voorwenden specifiek en worden in aanzienlijke mate bepaald door het perspectief van de docent en diens premissen. Elke literatuurgeschiedenis wordt in de verhalende vorm gebracht, met de focus op schrijvers en hun teksten, sinds enkele jaren ook nadrukkelijk gericht op de institutionele inbedding van literatuur (zoals de rol van uitgeverijen, tijdschriften, bibliotheken) én met aandacht voor het gesprek over literatuur in de afgezoomde periode. Alleen al dat selectieve lijstje wijst op ingrediënten voor een geschiedverhaal die ikzelf in ieder geval als belangwekkend beschouw.

Wie een verhaal brengt over Afrikaanse literatuur, bijvoorbeeld, presenteert een tekstselectie en hangt beelden op van literaire oeuvres en publieke schrijversoptredens. Er worden verbanden gesuggereerd, teksten worden op een welbepaalde manier besproken en desnoods als illustratiemateriaal gebruikt voor het literatuurhistorische discours. De encyclopedische en bio- en bibliografische referenties dienen hoogstens als pijlers voor een particulier betoog waarin zoals gezegd altijd weer eigen accenten worden gelegd. Een overzicht van dominante tendensen in een tijdvak kan idealiter worden gecomplementeerd met verhalen waarin esthetische paradigmaverschuivingen, literaire experimenten, avant-gardebewegingen en meer perifere literaire verschijnselen centraal staan. De bovenstroom, wat aan de oppervlakte van de letteren zichtbaar is, wordt in hoge mate mee bepaald door de onderstroom die aan het oog onttrokken is. En ik voeg er meteen aan toe: ook door alle tussenstromen. Wat vanuit hedendaags perspectief relevant lijkt, terugblikkend op een gebeurtenis of tendens, hoeft niet overeen te stemmen met hoe een en ander in die periode is gepercipieerd, welke schrijvers toen als belangwekkend zijn voorgesteld, welke teksten toentertijd een onderwerp van gesprek waren. Het literaire bedrijf is daarenboven een dynamisch proces van actie en reactie. Het is daarom relevant naar mijn oordeel de pendelbewegingen tussen literaire opvattingen te laten zien. Niet alleen vanuit een panoramisch perspectief maar soms ook in de ontwikkeling van een individuele schrijverspoëtica.

Afrikaanse literatuur in Gent

Universiteitsgebou

Universiteitsgebou

Aan de Universiteit Gent wordt al sinds een decennium het opleidingsonderdeel Afrikaans: taal- en letterkunde gedoceerd. Het vak heeft een hybride structuur: naast taalgeschiedenis en taalverwerving wordt aandacht geschonken aan de taalkunde van het Afrikaans, maatschappelijke en politieke geschiedenis en vanzelfsprekend ook de Afrikaanstalige literatuur. Elk jaar volgen tussen dertig en vijftig studenten Afrikaans. Deze derdejaarsstudenten nemen kennis van en worden enthousiast gemaakt voor taal en literatuur. Veel meer dan een introductie kan het vak niet bieden. Daarom verdient het aanbeveling in de masteropleiding te beginnen met een vak Afrikaanse literatuur nadat studenten in de bacheloropleiding Afrikaanse taalkunde en taalverwerving hebben gevolgd. Sommige studenten wijden vandaag in hun masteropleiding de scriptie aan een aspect van de Afrikaanse taal- of letterkunde. Voor de letterkunde wordt sinds dit academiejaar gewerkt met een syllabus: Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays (W∞lf, Gent 2016, 193 pagina’s). Naast een schetsmatig en overwegend bibliografisch overzicht van trends en ook trendbreuken in de Afrikaanse literatuur van de twintigste en vroeg-eenentwintigste eeuw zijn literatuurbeschouwingen en meer op de maatschappelijke en academische Zuid-Afrikaanse actualiteit gerichte teksten gebundeld die ik de afgelopen twee jaar schreef voor weblogs zoals LitNet NeerlandiNet en Versindaba en voor de website van Knack Magazine.

Voor het panoramische overzicht is om evidente redenen, en vooral dankbaar, gebruik gemaakt van het overzichtswerk Skrywers in die strydperk. Krachtlijnen in de Zuid-Afrikaanse letterkunde (Eep Francken en Luc Renders, Bert Bakker, Amsterdam 2005; sinds kort beschikbaar in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren). Naast feitelijke gegevens – schrijversnamen, jaartallen en titels van boeken en tijdschriften – bevat het overzicht enkele termen, zoals ‘(anti)normatiewe plaasroman’ en ‘grensliteratuur’, en politieke en maatschappelijke context. Wat in het boek van Francken en Renders ontbreekt naast de plejade van canonieke Afrikaans schrijvende auteurs zijn primaire teksten – afgezien van de fragmenten die in de monografieën zijn opgenomen. In de syllabus is nu per hoofdstuk een beperkte bloemlezing opgenomen van gedichten en korte prozafragmenten. Van ‘De Hollandse taal’ door Joseph Suasso de Lima tot ‘Elke gedig’ (H.J. Pieterse) en ‘Die onophoudelike weerligstraal’ (C.P. Naudé).

Perspectieven voor een geschiedverhaal

Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika presenteert een particulier verhaal. De keuze voor het onbepaalde lidwoord in de boektitel duidt daar op. Hoewel ik meer dan gewoon schatplichtig ben aan Skrywers in die strydperk, het boek waaraan in de inleiding expliciet wordt gerefereerd, tracht ik met behulp van mijn primaire tekstenkeuze een eigen verhaal te brengen. De klemtoon ligt op de dynamiek van het literaire landschap, met name het Afrikaanse culturele subsysteem als onderdeel van een meertalig literair polysysteem in Zuid-Afrika. Door de focus te richten op het heersende discours – met canonieke stemmen zoals N.P. van Wyk Louw, D.J. Opperman, Breyten Breytenbach en André Brink (de usual suspects) – en de interactie met of het tegengewicht van meer marginale discoursen tracht ik dat dynamische proces in kaart te brengen. Figuren als Jan Rabie, voorloper van de ‘Sestigers’, en ook Peter Blum, E.K.M. Dido, S.V. Petersen, P.J. Philander en Peter Snyders bijvoorbeeld verschijnen in beeld. Niet toevallig enkele bruin- en swartskrywers, maar ook andere figuren die in het vergeetboek van de Afrikaanse letteren worden bijgeschreven.

Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach

Aangezien overwegend Vlaamse studenten taal- en letterkunde en (Afrikaanse) talen en culturen het vak volgen, wordt geregeld verwezen naar contemporaine ontwikkelingen in het zustertaalgebied. De literaire context van de Lage Landen is noodgedwongen ook mijn referentiekader, het frame waarmee ik de Afrikaanse literatuur lees. Niet alleen de cultuurtransfers en intercontinentale contacten passeren de revue – de vriendschapsbanden tussen N.P. van Wyk Louw en Nederland/Vlaanderen (K. Jonckheere, J. Greshoff), de schrijverscontacten tussen Eybers en Van Nijlen, Lanoye en Krog –, ook de intertekstuele relaties tussen Afrikaans en Nederlands zijn van belang: een gedicht dat Breytenbach opdroeg aan Paul van Ostaijen en de opdrachtgedichten die onder anderen Campert, Kouwenaar, Lucebert en Ten Berge voor en over Breytenbach (in gevangenschap) publiceerden.

Complementariteit, de andere kijk

Keuzes bepalen een verhaal. Het beeld dat ik naar voren schuif van de Afrikaanse letteren moet noodgedwongen worden aangevuld. Studenten krijgen precies daarom een bibliografische lijst met historische overzichten waarin vooral andere klemtonen zijn gelegd. Op basis van die lectuur kunnen zij de verhalen in Een geschiedenis ter discussie stellen, nuanceren en aanvullen. Het is goed te reflecteren over uitgangspunten zodra een literatuurgeschiedenis wordt verteld. Dat gebeurt ook expliciet in de inleiding van het boek. Elk jaar breng ik idealiter een ander verhaal en belicht vanuit een bijgesteld perspectief een andere scherf van het fonkelende mozaïek. Ook al figureren dezelfde auteurs en teksten in het panorama, ze worden beschouwd vanuit een veranderlijk perspectief dat een nieuwe lichtstraal laat schijnen op een oeuvre, een literaire gebeurtenis of een markant verschijnsel.

Door een deel met beschouwende teksten op te nemen, voorgepubliceerd op weblogs en in tijdschriften, wordt dat perspectief verduidelijkt. Een geschiedenis van de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika & Mini-essays is dan ook een vermetele poging een literatuurgeschiedenis te construeren die naast de bekende namen en titels iets toevoegt aan wat al bekend is.

En toch blijft het project voor mij onbevredigend. Een multilinguaal land als Zuid-Afrika, met de vele talen en literaire tradities, verdient een polyperspectivistische literatuurgeschiedenis. Met aandacht voor de andere talen, naast het Afrikaans, en alle kruisbestuivingen die daartussen plaatsvinden. Een Zuid-Afrikaanse literatuurgeschiedenis kan alleen het resultaat zijn van teamwork. Mogelijk naar analogie met de door de Nederlandse Taalunie geïnitieerde en bijna voltooide Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur, en dan niet alleen een auteur per periode maar een amalgaam van historici die de literatuurgeschiedenissen vanuit de meertalige context beschrijven. Wat ik binnen mijn beperkingen maar kan vertellen, is vanuit een buitengaats perspectief een verhaal over de Afrikaanse letteren. Als een Vlaming over Afrikaanse letteren in Zuid-Afrika spreekt, is dat per definitie een ander verhaal dan wat Zuid-Afrikaanse en ook Nederlandse docenten vermogen. De canon van de Afrikaanse literatuur in de Lage Landen is hoe dan ook een andere dan de (Zuid-)Afrikaanse. Dat maakt het transnationale gesprek over elkaars literatuur net zo interessant. Welke schrijvers spreken aan in een ander taalgebied, wat is er populair, welke teksten worden vertaald, wie staat er in beeld enzovoort. Alle benaderingen samen maken deel uit van het complexe verhaal dat transnationale literatuurgeschiedenis heet. Vanuit welk perspectief we ook kijken, het blijft een verhaal.

(c) Yves T’Sjoen /Desember 2016

Yves T’Sjoen berig oor Tuin van Digters

Saturday, September 17th, 2016

index

Hoe dichters spreken. Over taal en ideologie

Gisteren mocht ik in Wellington deelgenoot zijn van Tuin van Digters. Dit jaar heeft van 16 tot 18 september de vijfde editie plaats in het sfeervolle en met witte poëzieballonnen versierde Breytenbachsentrum. Het festival waar de Afrikaanse poëzie centraal staat, is voor deze lustrumviering uitgebreid tot een driedaagse bijeenkomst.

Theo Kemp, organisator van de Tuin en bestuurder van het centrum, is er ook nu weer in geslaagd een rijk gevarieerde setlist samen te stellen. Naast een symposium over poëzie, meer bepaald over “slow poetry”, “vinnige poësie” en “difficult poems”, zijn er tal van muzikale optredens, poëzievoordrachten en een toneelvoorstelling. Ik smaakte het optreden van Jitsvinger en de Nederlandse rapper Akwasi, de slam poetry van de Vlaming en “bekvegter” Martijn Nelen, het optreden van toneelgezelschap Kaleidoskoop van het Breytenbachsentrum met dichtregels en flarden van “bruin skrywers”, van PJ Philander en Adam Small tot Ronelda Kamfer. De tuin, die bij mij herinneringen oproept aan de poëziezomer van Watou, is een ontmoetingsplek voor schrijvers, academici en lezers. Vooral de ongedwongen atmosfeer en het aanstekelijke enthousiasme voor de Afrikaanse dichtkunst zijn me van vorig jaar bijgebleven en vind ik nu terug in de Akkoord- en Woordtent.

Wat me vooral bijblijft van de eerste festivaldag, is het gesprek dat ’s avonds plaats had. Zonder een agenda introduceerde Desmond Painter een gezelschap van ongeveer dertig dichters, een mix van uiteenlopende stemmen, van jong en wat ouder, van zwart, bruin en wit, van schrijvers met uiteenlopende poëtica’s en esthetische opvattingen. Enkele schrijvers presenteerden hun debuutbundel die net uit is, andere meer gevestigde namen gingen samen met hen in gesprek. Zonder onderwerp, zonder vooropgesteld doel. De open discussie, die aanving met de cruciale vraag waar de wijn bleef, ging al snel over de positie van het Afrikaans – en bij uitbreiding van de Afrikaanse literatuur – in het hedendaagse politiek ontwrichte en economische lijdende Zuid-Afrika. Het is intussen bekend dat elk vertoog over literaire aangelegenheden in het Afrikaans bij maatschappij en politiek uitkomt. Het met animo geleverde debat, gelet op het staccato en de decibels duidelijk met engagement gevoerd, ging onder meer over de afbrokkelende infrastructuur van het Afrikaans, de tanende rol van universiteiten voor het behoud en de promotie van een taal, de rijkdom van een taal met alle variëteiten, tonen en kleuren. Anderhalf uur nam het soms heftige maar ook met humor en plaagstoten gevoerde gesprek in beslag. Alfred Schaffer merkte aan het eind vanuit zijn meer afstandelijke positie op dat er door sprekers toch vooral over verschillen is geredetwist en dat raakvlakken, wat betrokkenen met elkaar verbindt, nauwelijks aan bod was gekomen. En dat de mensen in dit land wel andere katten te geselen hebben. Het land verglijdt in de chaos, gaat gebukt onder corruptieschandalen en vele mistoestanden, een meerderheid van zijn bevolking lijdt gore armoede. Huizen moeten worden gebouwd, er moet in sociale voorzieningen worden geïnvesteerd. En dan is er, op een ander en minder prioritair plan, de prangende taalkwestie. Afrikaans ligt onder vuur en wordt dezer dagen als wetenschapstaal gecontesteerd. Nochtans zijn er volgens “de sensus” of dus de telling van 2011 meer dan zeven miljoen moedertaalsprekers en nog eens zo’n vier miljoen Zuid-Afrikanen die Afrikaans als tweede of derde taal gebruiken. De literaire productie van het Afrikaans scheert hoge toppen en er zijn tal van kunstenfestivals waar de cultuurtaal wordt gecelebreerd en een publiek forum wordt geboden. Het gesprek onder dichters handelde dus niet over de stand van de Afrikaanse poëzie, nieuwe literaire ontwikkelingen, esthetische paradigma’s. Er woedt geen strijd van geesten met als inzet de eigen plaatsbepaling in het Afrikaanse poëzielandschap. Het open debat meanderde heerlijk ongecontroleerd, zonder orkestmeester of vaste banen, naar een monding waar taal en ideologie onlosmakelijk met elkaar vervloeien.

Voor een buitenstaander met een Europese achtergrond is het confronterend maar ook intrigerend dit schouwspel te mogen beleven. Hoewel, een schouwspel was het niet echt. Hier hebben geen vrijblijvende discussies plaats over poëticale voorkeuren zonder dat ook politiek en ideologie een rol van betekenis krijgen. Ik hoorde bijna amechtige oproepen voor een nieuwe Afrikaanse taalbeweging, voor een fonetisch Afrikaans (schrijven zoals er wordt gesproken), apologieën voor de veelkleurigheid van een taal met onder meer een warme pleidooi voor het zogeheten Afrikakaaps. De avond vulde zich niet met vrijblijvend geouwehoer, geen literaire vendetta’s of steekspelen van literaire kongsi’s. Zelfs een buitenstaander kon aan zijn koude tenen voelen – helaas letterlijk te nemen – dat hier met bezorgdheid maar ook gedreven door combattiviteit wordt gesproken. Dat een discussie over taal meer is dan een triviaal onderwerp onder schrijvers. Ik beluisterde gisteren politieke discussies die verder reikten dan een nationalistische discours of een louter op taal gericht vertoog. Afrikaans, de derde taal van Zuid-Afrika, krijgt het aan universiteiten en verder in het land zwaar te verduren. Het wurgkoord van apartheid hangt rond deze taal. Schrijvers die de taal hanteren en door haar spreken, voelen zich geroepen ervoor op te staan, in hun diversiteit “saam te staan”. Het zal vooral de kracht van het woord zijn die het lot van het Afrikaans zal bezegelen. Spreken alle Zuid-Afrikanen over drie decennia Engels, is nog geopperd. Als ik de referaten en de poëzievoordrachten beluister, de vele gedichten lees in deze Tuin van Digters, de nieuwe Afrikaanstalige literaire boekpublicaties aanschouw en mensen hoor “gesels” in en over het Afrikaans, dan weet ik dat zoveel taalbewustzijn, liefde en overlevering deze moedertaal van vele Zuid-Afrikaanse sprekers – en niet alleen van de bezoekers van Wellington – niet snel onbetekenend zal maken. Of zoals de gisteren jarige Breyten Breytenbach het mij meldde en zo pregnant weet uit te drukken: het gaat tenslotte over de “saam-mekaar-andersmaak” van gemeenschappen. In dat gesprek ligt het bestaansrecht van een taal. Daar staat immers het Breytenbachsentrum voor zoals uit een opschrift van Breytenbach mag blijken, opgehangen in de inkomhall.

(c) Yves T’Sjoen / 17 September 2016

Yves T’Sjoen. Triangel voor het Afrikaans in Gent

Saturday, September 3rd, 2016

Triangel voor het Afrikaans in Gent

Yves T’Sjoen

.

In de Lage Landen verloopt de samenwerking met universiteiten in Zuid-Afrika volgens een tweesporenbedding. Academische instellingen in Nederland hebben bilaterale akkoorden met zusterinstellingen in zuidelijk Afrika en ook Vlaamse universitaire instituten opereren volgens eigen geconstrueerde raamakkoorden. Het is voor het wetenschappelijk onderzoek en het academisch onderwijs uitstekend dat in het Nederlandse taalgebied de nodige initiatieven zijn genomen en nog steeds worden ontwikkeld. Toch is er alles voor te zeggen ook over de Moerdijk bruggen te bouwen en die afzonderlijke engagementen van Nederland en België te verenigen. Niet alleen versterkt dat de onderhandelingspositie met universiteitsbesturen in Zuid-Afrika op het gebied van de studie van het Afrikaans en Zuid-Afrika in het algemeen. Daarenboven kan op een meer proactieve manier gebruik worden gemaakt van kredietlijnen in de drie landen (NRF South Africa, NWO en FWO-Vlaanderen). Meer internationale samenwerking vanuit het Nederlandse taalgebied met onderzoekscentra in Zuid-Afrika zal leiden tot breder opgezet wetenschappelijk onderzoek en vergroot de kans het ook gefinancierd te krijgen. De uitreiking van bi-diploma’s, copromotorschappen en interuniversitaire samenwerking zijn cruciaal voor een taal die onder druk staat.

.

Coöperatie van universiteiten en culturele instellingen

Aan de Universiteit Gent is enkele jaren geleden het samenwerkingsverband Gents centrum voor het Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika opgericht. Uit de lijst met geassocieerde leden verspreid in binnen- en buitenland mag blijken hoe representatief het expertisecentrum intussen is voor de studie van Afrikaans in Europa (http://www.afrikaans.ugent.be/bestuur-en-leden/). Collega’s van onder meer Cambridge, Poznan, Amsterdam, Leiden en diverse universiteiten in Zuid-Afrika maken er deel van uit. Uit het mission statement blijkt dat naast het Afrikaans in een meertalige context ook de literatuur van het Afrikaans vanuit een multilinguaal en politiek-maatschappelijk perspectief wordt bestudeerd (http://www.afrikaans.ugent.be/stichtingstekst/).

Niet alleen universitaire instellingen zijn de bevoorrechte onderzoekpartners. Ook verenigingen, culturele en diplomatieke instituten participeren in en adviseren voor ondernemingen van het Gentse centrum voor Afrikaans. Zoals bijvoorbeeld het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam, de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns, het Nasionale Afrikaanse Letterkundige Museum en Navorsingsentrum (Bloemfontein), de Stigting vir Bemagtiging deur Afrikaans, de ledenverenigingen Suider Afrikaanse Vereniging vir Nederlandistiek (SAVN) en de Afrikaanse Letterkunde Vereniging (ALV), de ambassade van Zuid-Afrika in Brussel, de Vlaams-Zuid-Afrikaanse cultuurstichting, en binnenkort onder andere het Zuid-Afrikaanse centrum voor Nederland en Vlaanderen (SASNEV). Die coöperatie moet nog worden uitgebreid zodat de universitaire onderzoeksgroep meer armslag krijgt en kan uitgroeien tot een centrale speler in Europees verband op het gebied van de samenwerking met het academische veld in Zuid-Afrika.

.

Europees netwerk voor Afrikaans

Het spreekt voor zich dat de steun vanuit de academische wereld in België op het gebied van Afrikaans en de Afrikaanse literatuur een aanzienlijke duw in de rug betekent. Daarom engageert het centrum zich om een Europees netwerk voor Afrikaans uit te bouwen met partners in bijvoorbeeld Polen, Tsjechië, de UK, en Nederland. Ik gebruik het concept van de triangel om de driehoeksrelatie Gent-Amsterdam-Zuid-Afrika te bewerkstelligen. In Amsterdam is de Stichting Zuid-Afrikahuis de bevoorrechte partner. Het GAS (UGent) werkt al langer samen: met lezingen, wederzijdse uitwisseling van informatie, binnenkort hopelijk gezamenlijke workshops en colloquia. In de zeer nabije toekomst worden Vlaamse studenten geïntroduceerd in het Zuid-Afrikahuis waar ze lezingen over Afrikaanse letterkunde bijwonen. Elk jaar volgen in Gent studenten het vak Afrikaans: taal- en letterkunde. Hun aantal varieert tussen 30 en 50. Meerdere van die studenten kiezen voor een Afrikaans-gerelateerd onderwerp voor hun masterscriptie: zij zijn de onderzoekers van de toekomst en dat moet door de betrokken docenten worden gestimuleerd. Ook in de omgekeerde richting is er een meer dan hoffelijke blijk van aandacht: het Zuid-Afrikahuis tekent jaarlijks present tijdens de internationale symposia van de onderzoeksgroep. Binnenkort wordt het huis ook betrokken bij de Leeskring Afrikaanse literatuur, een coproductie van de universiteit en de Vlaams-Zuid-Afrikaanse cultuurstichting (Brussel), en wat mij betreft bij de inmiddels gerenommeerde en door het universiteitsbestuur gefaciliteerde Mandela Lectures. Op 3 oktober aanstaande zal de derde Mandela Lecture plaatsvinden met de gezaghebbende anti-apartheidsautoriteit Albie Sachs als gastspreker. De Lectures worden georganiseerd op instigatie van een interfacultair samengestelde stuurgroep. Dus ook collega’s in de geneeskunde, landbouwwetenschappen en stedenbouw en architectuur. Zij hebben allen samenwerkingsprojecten met Zuid-Afrikaanse vakgenoten. Er wordt momenteel in nauw overleg met het Zuid-Afrikahuis nagedacht over nieuwe initiatieven die het bestuur van de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland zal nemen en waaraan het Gentse centrum graag deelneemt met ideeën en inhoud. Méér kan ik daarover nog niet kwijt.

Als coördinator van een Europees netwerk voor Afrikaans en Zuid-Afrika, met participatie van linguïsten en letterkundigen, historici en politicologen, Afrika-specialisten en andere experts, zal het centrum de krachten bundelen en de verspreide slagorde stroomlijnen. De Stichting in Amsterdam is daarvoor de bevoorrechte instelling in de Lage Landen.

 

Culturele initiatieven vandaag en morgen

Er wordt vanuit de Universiteit Gent de komende tijd ingezet op de verdere uitbouw van de bestaande en nog te ondernemen synergieën. De voorbije jaren was er onder andere het grote onderzoeksproject van de VLIR (Vlaamse Interuniversitaire Raad aan de Universiteit van de Westkaap (UWK)). Dat project kent navolging via het trilaterale partnerschap tussen de universiteit van Missouri, UWK en UGent, maar zeker op het vlak van de Afrikaanse taal- en letterkunde is daar hoe dan ook nog meer potentieel. Onze collega’s in Zuid-Afrika zijn onze directe partners. Wij zullen in de nabije toekomst gezamenlijk PhD-onderzoek aanvragen en promoten in Zuid-Afrika en België, telkens in samenwerking met een zusterinstelling in Zuid-Afrika. Naast de academische ambities zijn er de talrijke culturele initiatieven. Mogelijk heeft de volgende editie van de Week van de Afrikaanse roman volgend jaar plaats in Gent. Er is zelfs het voorstel het AKA (Afrikaans Kunstfeest Amsterdam) ook eens in Gent te organiseren onder de vleugels van het universitaire centrum. Afrikaans-schrijvende auteurs worden geregeld uitgenodigd voor lezingen en ontmoetingen met studenten. Met Poëziecentrum, waar de meest omvangrijke bibliotheek met Afrikaanstalige poëzie is gehuisvest in Europa (bekend als de Ernst van Heerden-collectie), worden lezingen op het getouw gezet: op 23 september e.k. treedt Marlene van Niekerk op in de context van de Week van de Afrikaanse roman. Vorige keer was Kirby van der Merwe te gast in Gent, nu mijn Stellenbosse collega en docent creative writing Marlene van Niekerk. Dat is een hele eer voor Gent, waar ook de stad initiatieven neemt. Waar de nieuwe Bibliotheek van de toekomst wordt gebouwd, met name de Waalse Krook, wordt een promenade genoemd naar Mandela en zijn er plekken die verwijzen naar andere anti-apartheidsactivisten onder wie Steve Biko, Albertina Sisulu en Miriam Makeba. In 2017 worden die Zuid-Afrikaanse locaties feestelijk ingewijd en het centrum is er nauw bij betrokken. Voor de Leeskring Afrikaanse literatuur aan de universiteit hadden we dit jaar naast Ludo Teeuwen (met een causerie over Etienne van Heerden) Antjie Krog en Robert Dorsman te gast. Het aanbod van de leeskring geldt de studenten en academische onderzoekers, maar de ervaring leert dat ook andere belangstellenden de evenementen bezoeken.

De volgende jaren zal het Gents centrum voor Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika de inspanningen opdrijven, bij voorkeur in samenwerking met de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland en alle vermelde instellingen en actoren. De UGent schuift Zuid-Afrika naar voren als speerpunt in het internationaliseringsbeleid en biedt op die manier garanties om van het jonge instituut een belangrijke speler te maken. De triangel waarvan sprake in de titel is een metafoor voor de driehoeksrelatie die op het getouw wordt gezet. Maar ook voor de muziek die in deze plannen weerklinkt. Een triangel is een slaginstrument, volgens Van Dale “tot een gelijkzijdige driehoek gebogen stalen staafje”. Naar analogie met die beschrijving willen we die triangulaire constructie tot stand brengen: Gent, Zuid-Afrikahuis en Zuid-Afrikaanse universiteiten: evenwaardig, gelijkzijdig.

 

Schrijvers en academici in Zuid-Afrika

Met genoegen kan ik kenbaar maken dat het Gentse centrum de steun geniet van vele academici, critici, culturele instellingen (Tuin van Digters, Woordfees) en ook schrijvers in het Afrikaans. Breytenbach heeft recent nog zijn onvoorwaardelijke ‘support’ toegezegd als doctor honoris causa van de Universiteit Gent. Wie belangstelling heeft kan de website bezoeken en ook het programma belijken van het symposium dat het GAS op 27 en 28 oktober 2016 aanbiedt: http://www.afrikaans.ugent.be/colloquium-2016/programme/. De letterkundige Steward van Wyk van de Universiteit van die Weskaap ontvangt namens de faculteit Letteren en Wijsbegeerte (UGent) en het eerbiedwaardige Sarton-comité op 27 oktober e.k. als eerste Zuid-Afrikaanse (Afrikaanssprekende) onderzoeker in de geesteswetenschappen de prestigieuze wetenschappelijke Sarton Medaille 2016. Als collega-proximus ben ik daar namens de collega’s behoorlijk trots op. Een internationale plejade van academische onderzoekers op het gebied van het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur tekent op 28 oktober present: historici, politicologen, taalkundigen en letterkundigen. De Universiteit Gent mag dan geen leerstoel Zuid-Afrikaanse letterkunde, cultuur en geschiedenis hebben, het heeft expertise opgebouwd de afgelopen jaren en krijgt de steun van de bestuurlijke overheid van de universiteit. Overigens participeren vier verschillende vakgroepen, met hun respectievelijke expertise, in het onderzoekscentrum. Dat maakt het slagvaardig en zorgt tegelijk voor een breed draagvlak en de nodige gevarieerde wetenschappelijke input. Dat zijn de garanties om een kristalheldere triangel voor het Afrikaans oorsee, vanuit Europa, te laten klinken. Met de Stichting Zuid-Afrikahuis Nederland als bevoorrechte partner in de Lage Landen worden vele plannen gesmeed. Alleen synergie en ondernemingskracht kunnen van deze hooggestemde maar realistische ambities een succesverhaal maken. Voor het Afrikaans dat we allen zozeer koesteren.

Yves T’Sjoen, mede namens de bestuurscollega’s Annelies Verdoolaege en Jacques van Keymeulen, en het team enthousiaste studenten-stagiairs. 

[Op uitnodiging van het departement Afrikaans en Nederlands van de Universiteit van die Weskaap geef ik op 15 september een uiteenzetting over de werking en de plannen van het Gents centrum voor het Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika.]

Deze bijdrage is op dinsdag 29 augustus gepubliceerd in de rubriek ‘University Seminar’ van LitNet.

 

 

Yves T’Sjoen. Afrikaanse literatuur in Franse vertaling

Wednesday, August 24th, 2016

Breyten1---Copy

 Breyten Breytenbach
.

Afrikaanse literatuur in Franse vertaling

La femme dans le soleil

La femme dans le soleil

De voorbije maanden kregen twee Zuid-Afrikaanse auteurs ruime en lovende persaandacht in Frankrijk en Franstalig België. Eerst verscheen de poëziebloemlezing La femme dans le soleil van Breyten Breytenbach, later Rivière fantôme van Dominique Botha. Dat laatste boek is opgenomen in het fonds van Éditions Actes Sud. Het debuut van Botha is uitgegeven in het Afrikaans en het Engels met als titel Valsrivier respectievelijk False River. Na gunstige reacties en literaire onderscheidingen in Zuid-Afrika ontvangt de schrijfster nu veel waardering in de Franstalige media. De schrijver en vertaler Georges Lory, voorheen onder meer diplomaat en directeur internationale uitzendingen van de radiozender France Internationale, liet eerder al vertalingen verschijnen met werk van de Zuid-Afrikaanse/Franse schrijver Breytenbach (o.a. Métamorphase, Grasset, Parijs, 1987). Verder vertaalde hij Adriaan van Dis naar het Frans alsook Zuid-Afrikaanse schrijvers onder wie Nobelprijslaureaat Nadine Gordimer, Antjie Krog, Kopano Matlwa en Deon Meyer. Lory vertaalt rechtsreeks uit het Afrikaans en het Engels. Als Franse vertaler van Breytenbach moet hier in elk geval ook Jean Guiloineau worden vermeld.

Het is bekend dat literaire teksten van enkele Zuid-Afrikaanse schrijvers in vertaling weerklank krijgen in het Nederlandse taalgebied. Met een modieuze cultuursociologische term spreekt men over de constructie van een imago: vertalers en recensenten dragen bij tot de beeldvorming van auteurs in een buitenlands/anderstalig literair landschap. De schrijvers zelf voegen met optredens en interviews een facet toe aan dat beeld. In dat geval spreekt de Zwitserse literatuurwetenschapper Jérôme Meizoz over een posture. In een anderstalig gebied orkestreren auteurs met specifieke uitspraken en schrijversoptredens een beeld dat op die manier niet hoeft samen te vallen met de perceptie in de eigen nationale literatuur of het taalgebied waarin de tekst is geproduceerd.

Zuid-Afrikaanse, meer bepaald Afrikaans-schrijvende, auteurs dringen niet altijd door tot de Angelsaksische wereld: hun werk wordt niet steeds vertaald naar of geconcipieerd in het Engels. Louise Viljoen heeft in een bijdrage in het vaktijdschrift Internationale Neerlandistiek dit gegeven toegelicht. Indien de literatuur via de Afrikaanse brontaaltekst wordt vertaald in het Nederlands, dan spreekt zij in de lijn van de onderzoekers Shu-mei Shih en Françoise Lionnet over een “laterale transnationale beweging” van een kleine taal in Afrika naar een middelgrote Europese taal. Wat een dimensie toevoegt aan de bestaande inzichten over laterale tekstbewegingen is de rol van de ‘transitzone’. Teksten van onder anderen Antjie Krog en Charl-Pierre Naudé zijn aanwezig in het Duitse taalgebied via de transitzone van het Nederlandse taalgebied. Beiden verbleven op uitnodiging van de Deutscher Akademischer Austauschdienst (DAAD) als ‘writer in residence’ in Berlijn en werk van hun hand is sinds kort in het Duits beschikbaar.

Georges Lory

Georges Lory

De vertalingen van Breytenbachs werk in het Frans vinden al langer een afzetmarkt. Georges Lory, goede vriend van de schrijver, en ook Jean Guiloineau hebben zich de voorbije jaren ingezet om de in Parijs verblijvende auteur een plek te geven in het pantheon van de Franse literatuur. “Son dernier recueil de poèmes”, zo zegt Kerenn Elkaim in de Belgische krant Le Soir (9-10 juli 2016), “est l’itinéraire poétique d’un homme que l’histoire a changé en oiseau migrateur”. La femme dans le soleil biedt een fraaie inkijk in en een introductie voor het Franse poëzieminnende lezerspubliek van het omvangrijke dichtwerk van Breytenbach. De receptieteksten die de voorbije maanden in de Franse media zijn verschenen, zijn sterk biografisch gekleurd. Breytenbach maakt trouwens gebruik van interviews (bv. in La Cité en Le Soir) om de actuele taalproblematiek en de geanimeerde discussie over het Afrikaans als schrijf- en wetenschapstaal onder de aandacht te brengen. Over de toenemende anglisering merkt hij op: “Nous allons arriver à la situation suivante: tout le monde parlera mal la langue commune, l’anglais, au lieu que chacun puisse parler la sienne. Le propos peut déconcerter ceux qui imaginent encore que l’anglais est la première langue parlée du pays. La réalité est pourtant toute autre. Les idioms les plus utilizés sont, dans l’ordre: le zoulou, le xhosa et l’afrikaans. Et la langue de Shakespeare alors? Elle arrive en quatrième position” (La Cité, mei 2016).

Dominique Botha

Dominique Botha

De bemiddelaarsrol van Breytenbach voor Zuid-Afrikaanse schrijvers in andere (Europese) taalgebieden komt aan bod in Le Soir. Op het einde van het vraaggesprek stelt de auteur: “Quand je lis votre roman [van Dominique Botha, yt], je me sens fier d’avoir aidé une nouvelle génération d’écrivains sud-africains à écrire. Cela m’aide à croire en l’évolution d’un monde meilleur”. Breytenbach treedt niet alleen op als mentor van Zuid-Afrikaanse auteurs. Hij attendeert vertalers op hun werk en in het geval van Botha raakt na een tip Georges Lory onder de indruk en produceert met veel métier en affiniteit een Franse vertaling bij een prestigieus uitgevershuis waarbij hij al vele jaren betrokken is.

Ook het feit dat Breytenbach en Botha samen enkele interviews gaven, versterkt nog de institutionele betekenis van de toeziende mentor. De schrijver neemt een actieve rol waar in de beeldvorming van jongere schrijvers in het buitenland. Overigens wordt Rivière fantôme in de Franse pers, door Hannah Kruithof in haar voortreffelijke scriptie (UGent) een “fictionele memoir” genoemd, overwegend gelezen als Bildungsroman en autobiografisch boek. De lezingen zijn sterk biografisch en politiek-ideologisch gekleurd. Stilistische en compositorische aspecten, die van Valsrivier een bijzonder boek maken, komen minder aan bod. In de Afrikaanstalige receptie is meermaals gewezen op de muzikaliteit en het ritme van Botha’s taal en ook in de masterscriptie komt de bijzonder poëtische kracht van Botha’s idioom ruim aan bod. Voor de Franse lezer staat Rivière fantôme vooral bekend als “triple hommage: à ses parents […], à ce frère aimé […], a cette terre riche et belle dans laquelle ils sont tous profondément enracinés” (Notes bibliographiques, 16 juni 2016). Sophie Joubert spreekt in L’Humanité over een “[r]oman d’apprentissage”. Alleen in Le matricule des anges signaleert recensente Julie Coutu de complexe genrekwestie: “Ci véritablement roman, ni précisément autobiographie, Rivière fantôme peut prétendre au titre de Mémoires, les souvenirs passés au prisme du subjectif et de l’oubli, filtrés par les années, soumis à la relecture imposée par le temps. Dominique Botha, auteur-narratrice-protagoniste, se refuse d’ailleurs à figer son texte dans un genre ou un autre”. Ook deze boekbespreker stelt dat de tekst een memoriaal is voor de overleden broer Paul.

Afgezien van de Franse receptie van Rivière fantôme, die zoals gezegd afwijkt van de Zuid-Afrikaanse lezing door recensenten en critici, gebruik ik deze casus om de intermediërende rol van Breytenbach in het transnationale vertoog over Afrikaanse literatuur toe te lichten. Niet alleen vertalers, subsidiënten, uitgevers en vertalers treden op als culturele bemiddelaars. Ook canonieke schrijvers, zoals Breytenbach, nemen een cruciale positie in de cultuurtransmissie waar. In Le Soir wordt hij geïntroduceerd als “grande figure des lettres sud-africaines” en bevestigd in die canonieke waardebepaling. Vertrouwd met de Franstalige literaire wereld introduceert Breytenbach Afrikaans-schrijvende auteurs in het buitenland en draagt hij op die manier bij tot de bekendmaking. Dominique Botha erkent die rol ruiterlijk in Le Soir: “Tous les Sud-Africains sont liés à Breyten Breytenbach. Il représente une bougie dans te tunnel”. De bijlichtende rol van schrijvende bemiddelaars verdient hoe dan ook meer aandacht in het onderzoek naar literaire actoren en transnationale relaties tussen taalgebieden en nationale literaturen.

© Yves T’Sjoen.

Yves T’Sjoen. Eenentwintigste-eeuwse Nederlandstalige poëzie in Afrikaans

Wednesday, June 1st, 2016

Nederlands.Afrikaans

‘Van uren ver hoort men ons’. Eenentwintigste-eeuwse Nederlandstalige poëzie in Afrikaans

In 1997 stelden Johann Lodewyk Marais en Ad Zuiderent de bloemlezing Ons klein en silwerige planeet (JL van Schaik Akademies) samen. Luidens de ondertitel presenteert de bundel “Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse gedigte oor die omgewing”. De verbindende factor van de in totaal zeventig teksten van Zuid-Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse auteurs is een ecologische thematiek en meer bepaald “de omgang van mensen met hun natuurlijke omgeving”. In Zuid-Afrika en de Lage Landen krijgt de omgang met de natuur om voor de hand liggende (ruimtelijke) redenen een wel zeer verschillende invulling. Op het achterplat van het boek wordt melding gemaakt van “de eerste omvangrijke gezamenlijke publicatie van Afrikaans- en Nederlandstalige schrijvers sinds de grote politieke veranderingen in Zuid-Afrika”. Onder meer naar het voorbeeld van deze anthologiebundel hebben Ronel Foster en ik ruim tien jaar later het plan opgevat, bij wijze van addendum bij de opstellenbundel Over grenzen. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/Oor grense. ’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie (Acco, 2009), een tweetalige poëziebloemlezing samen te stellen. Helaas is van dat plan, onder druk van auteursrechtelijke en financiële kwesties, niets in huis gekomen.

Het concept van de tweetalige editie, met gedichten die in de oorspronkelijke brontaal zijn weergegeven, levert de basisgedachte voor een nieuw initiatief. Begin 2016 tijdens een koude januaridag in Antwerpen, vlakbij de majestueuze Onze Lieve Vrouwekathedraal, hebben Daniel Hugo en ik overleg gepleegd over een bloemlezing uit eenentwintigste-eeuwse Nederlandstalige poëzie voor een Zuid-Afrikaanse lezerspubliek. In het fonds van Protea Boekhuis van directeur Nicol Stassen bezorgde vertaler Daniel Hugo inmiddels enkele uitgaven met werk van Nederlandstalige dichters (De Coninck, Komrij, Kopland, Schaffer, Van hee en recent Nolens). Volgens het nieuwe plan zullen gedichten van Nederlandse en Vlaamse auteurs worden geselecteerd en samen met de Afrikaanse vertaling worden aangeboden.

Uitgangspunten die ten grondslag liggen aan literaire bloemlezingen zijn zoals bekend zeer uiteenlopend en nooit vrijblijvend. Daarom lijkt het ons een aanzienlijke meerwaarde voor het boek dat we in gedachten hebben de dichters te betrekken bij de keuze. Die idee is destijds aangewend voor de bundel De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig (Meulenhoff, 2011). In samenspraak met zeventien dichters in het Nederlandse taalgebied trad ik bij die gelegenheid op als curator. De dichters konden zelf, terugblikkend op hun werk van de jaren zeventig, een keuze maken. De meesten verkozen later werk, soms heel recent, en enkele dichters (Benno Barnard, Huub Beurskens, Wiel Kusters en Willem Jan Otten) presenteerden onder meer ongepubliceerd werk. Dat was inderdaad ook een mogelijkheid. Voor de afbakening van de periodebepaling “[dichters] van de jaren zeventig” is er voor geopteerd schrijvers te selecteren die tussen 1944 en 1954 zijn geboren en tussen 1968 en 1984 hun debuut in de poëzie hebben gemaakt. In ieder geval waren zij allen productief in de jaren zeventig – dat was het uitgangspunt. Nolens bood gedichten aan die in Bres (2007) zijn gebundeld, Anton Korteweg blikte terug en verzamelde teksten van de voorbije dertig jaar en Benno Barnard stuurde drie onuitgegeven gedichten. Die vrijheid kan je schrijvers gunnen indien zij (kunnen) worden betrokken bij het selectieproces.

Vooral de optie van de zelfbloemlezing is wat mij betreft verrijkend. In overleg met hedendaagse auteurs, die rond de millenniumovergang hun debuut maakten en inmiddels ruim anderhalf decennium aan de weg timmeren, zal een keuze van dertig namen worden gemaakt. Elke auteur kiest uit het gebundelde werk drie gedichten. Het is met behulp van die zelf-ondernomen selectie dat zij zich presenteren aan een anderstalig, in dit geval een Afrikaans sprekend en lezend publiek. Daniel Hugo is bereid gevonden de Afrikaanse vertalingen te maken zodat de teksten in beide talen worden aangeboden.

Bijna twintig jaar na Ons klein en silwerige planeet kan een tweetalige poëziebloemlezing Afrikaans-Nederlands verschijnen. Een met betrokken auteurs overlegde keuze uit hedendaagse Nederlandstalige poëzie wordt op die manier beschikbaar in Zuid-Afrika. Voor de meeste dichters is dat in het buitenland niet minder dan een binnenkomer: het boek biedt een forum waar Zuid-Afrikaanse lezers zullen kennis maken met schrijvers die vandaag aanwezig zijn in en soms een stempel drukken op het literaire landschap van Nederland en Vlaanderen.

Dat is alvast de betrachting. Het is een plan dat op die koude dag kort na Nieuwjaar is gesmeed. Of het plan de volgende jaren kan worden gerealiseerd, hangt nu af van subsidiënten. Ten vroegste in 2019 bestaat in het fonds van Protea Boekhuis ruimte voor een dergelijke ambitieuze want revelerende poëzie-uitgave. Hoe relevant de bloemlezingen uit werk van enkele Nederlandstalige auteurs in het Afrikaans ook zijn, er is alles voor te zeggen voortaan met een staalkaart te werken en dus een verzameling met teksten van auteurs en de meest uiteenlopende poëtica’s die vandaag functioneren in de hedendaagse literatuur van de Lage Landen. De hoop is er dus op gevestigd dat Nicol Stassen die uitgeefruimte vindt en ook het geld bij Nederlandse en Vlaamse letterenfondsen teneinde de auteursrechtelijke en dus financiële kwesties te regelen. Over de idee zijn de samensteller, de vertaler en de uitgever het alvast roerend eens. Het boek zal een promotie zijn voor de poëzie van het Nederlandse taalgebied en schrijvers van vandaag toegang verlenen tot het Afrikaanse lezerspubliek. Wie weet wordt er daarna wel méér van hun hand vertaald, worden Nederlandstalige dichters uitgenodigd op literaire festivals, krijgen ze een tribune in Zuid-Afrika. In de omgekeerde richting bestaan soortgelijke initiatieven, gaande van Gerrit Komrij’s vuistdikke bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (Bert Bakker 1999), alsook de miniversie De Afrikaanse poëzie in 10 gedichten en een lexicon (Bert Bakker 1999), tot anthologiebundels die onder anderen Adriaan van Dis en Robert Dorsman met Zuid-Afrikaanse poëzie hebben samengesteld (O wye en droewe land. Honderd-en-een gedichten uit de Afrikaanse poëzie, Meulenhoff, 1998).

  • De titel ‘Van uren ver hoort men ons’ is ontleend aan de tekst ‘Gedicht in de wijvorm’ van de Antwerpse schrijver Gust Gils (1924-2002) en staat in de bundel zeer verlaten reiziger (1954).
  • Een recensie over deze bloemlezingen (Komrij, Van Dis-Dorsman) is terug te vinden op de DBNL en is van de hand van Jan Deloof (Ons Erfdeel 43 (2000), p. 116-120): http://www.dbnl.org/tekst/_ons003200001_01/_ons003200001_01_0019.php.

 

(c) Yves T’Sjoen / Junie 2016