Posts Tagged ‘Yves T’Sjoen’

Yves T’Sjoen. Reflecties op Gerrit Komrij en Zuid-Afrika

Tuesday, July 25th, 2017

 

De aandacht van Gerrit Komrij (1944-2012) voor het Afrikaans en de Afrikaanstalige poëzie is bekend. De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999), Ik herhaal je (2000), bloemlezing uit en Nederlandse vertaling van gedichten van Ingrid Jonker, en De schitterende wond (2006) in de befaamde Sandwich-reeks met gedichten van Sheila Cussons zijn getuigenissen van meer dan gewone belangstelling. Komrij heeft als meester-bloemlezer jarenlang eigen voorkeuren in de Afrikaanse dichtkunst een publiek forum gegeven in het Nederlandse taalgebied. Dat is hem vooral in Zuid-Afrika, door oppermaans ingestelde conservatieve witte kongsies, niet evenzeer in dank afgenomen.

Het literair-historische periodiek De Parelduiker, een fraai verzorgde uitgave van de Stichting Het Oog in ’t Zeil en Bas Lubberhuizen, wijdt een dubbelnummer (aflevering 2-3, 2017) aan aspecten van Komrij’s openbare optreden. Samensteller en Komrij-biograaf Arie Pos benadrukt in het woord vooraf dat de redactie maar “wat piketpalen” heeft geslagen, “wat paden worden verkend en wat vergezichten worden geboden”. De “vergezichten” leiden de lezer naar Zuid-Afrika. Drie artikelen richten de focus op Komrij’s fascinatie voor en laten relaties zien met actoren in de Afrikaanse letteren.

De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten

Voor het themanummer heeft Ingrid Glorie een uitvoeriger tekst op LitNet aanzienlijk ingekort. Daarin beschouwt zij vanuit een vergelijkend perspectief de receptie van De Afrikaanse poëzie in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek. Niet alleen worden markante uitspraken van gezaghebbende schrijvers, critici en academici aangehaald, daarenboven citeert zij metateksten  van de bloemlezer waarin selectiecriteria en uitgangspunten worden geëxpliciteerd. Haar bevinding is dat de zogenaamde “Oppermannianen”, volgelingen van D.J. Opperman en diens volgens Komrij al te dominante “Afrikaner-nationalistische” poëtica, Komrij’s anthologie toch vooral “verkeerd” hebben gelezen. Dat wil zeggen vanuit bepaalde vooronderstellingen die aan de oppervlakte komen in het canoniserende Groot Verseboek van de Afrikaanse literatuur en spreken uit tal van andere culturele en literaire ondernemingen van Opperman. Komrij heeft met de ogen van de Nederlandse buitenstaander een selectie tot stand gebracht die haast per definitie niet overeenstemt met de kijk van ‘cultuurpaus’ Opperman. Wie het uitvoeriger vertoog van Glorie wil nalezen, kan naar de intussen vijftien jaar geleden gepubliceerde tekst op LitNet (2002) worden verwezen.

Die elektries gelaaide hand

Nieuwe observaties bieden de andere bijdragen, respectievelijk van Petrovna Metelerkamp (“Gerrit Komrij en de nalatenschap van Ingrid Jonker”) en van Daniel Hugo (“‘Die elektries gelaaide hand’. Gerrit Komrij in het Afrikaans”). Metelerkamp, samensteller van Ingrid Jonker. Beeld van ’n digterslewe (2003) en momenteel schrijfster van een “diepgravende biografie” over Jonker, doet het relaas over het gecompliceerde en tegelijk treurige parcours dat Jonkers nagelaten documenten sinds 1994 hebben afgelegd. Nadat Gerrit Komrij en Charles Hofman de door Daniel Hugo gerangschikte koffers met archiefmateriaal hebben aangekocht, duidelijk onwetend over dat parcours, is de Nederlandse schrijver jarenlang en ten onrechte in Zuid-Afrika en Nederland beschuldigd van heling. Revelerend zijn Metelerkamps bespiegelingen over gesprekken met Komrij en de brieven waaruit wordt geciteerd. De oproep waarmee de bijdrage afsluit, met name Ingrid Jonkers literaire erfenis gewoon in Portugal te laten, in het huis dat Charles nog steeds na de dood van Komrij bewoont, is een opvallende uitspraak van de Zuid-Afrikaanse biograaf. Haar pleidooi om de archivalia, niet eens zo spectaculair als lange tijd is aangenomen, niét terug te zenden naar Zuid-Afrika heeft te maken met haar lage dunk van het literaire conserveringsbeleid (“de conservering van de Afrikaanse letteren en hetgeen daarmee verband houdt [wordt] steeds onzekerder”).

Gerrit Komrij (30.03.1944 – 05.07.2012)

Daniel Hugo spreekt in De Parelduiker als zelfverklaarde adept van cerebrale en ambachtelijke poëzie, als vormbewuste vertaler van Komrij’s vormvaste poëzie. De titel Die elektries gelaaide hand, ontleend aan de slotregel van het gedicht ‘Voltage’, refereert aan de bloemlezing die Protea Boekhuis in 2005 op de Zuid-Afrikaanse markt bracht. Hugo koos 36 gedichten, niet conform de esthetische smaak maar veeleer in functie van wat hijzelf omschrijft als vertaalbaarheid. Nederlandstalige poëzie die het moet hebben van regelmatige metrische patronen, rijm- en klankstructuren, zoals het werk van Gerrit Komrij, laat zich lastig vertalen naar het Afrikaans. Tekstvoorbeelden maken dat afdoende duidelijk. Daarenboven benadrukt Hugo dat niet alleen taal-, klank- en vormkwesties een rol spelen in het vertaalproces. Ook de “culturele en historische achtergrond van de vertalen” leidt soms tot bijzonder idiosyncratische vertalingen, ook wel Hineininterpretierung genoemd (zoals het geval is met de Afrikaanse versie van Komrij’s gedicht ‘Zwart-wit’). Vooral het sluitstuk van Daniel Hugo’s persoonlijke getuigenis laat zien hoe bepalend een vertalerspoëtica is voor de beeldvorming van teksten in een ander taalgebied. Hij vergelijkt zijn Afrikaanse vertaling van het gedicht ‘Hieronymus’ met die van de Brit John Irons in Forgotten city & other poems (2001). Hier en daar laat de vertaalarbeid opmerkelijke parallellen zien. In sommige gevallen hebben beiden aantoonbaar geworsteld met het meticuleus door Komrij ontworpen metrum (meestal jambische versvoeten) en de geserreerde compositie (een vooraf bepaald aantal syllaben, vaste regellengtes, regelmatige strofebouw). Daniel Hugo rondt de vergelijkende lectuur van Komrij’s “zelfportret” in Afrikaans en Engels af met een poëticale en tegelijkertijd amicale slotzin: “Dit is mijn vertaling van het gedicht, dat tegelijkertijd een huldeblijk is aan Gerrit Komrij – een mentor en vriend die ik dagelijks meer mis”.

De Parelduiker heeft met deze beschouwelijke teksten enkele korte aanzetten geformuleerd voor een studie naar literaire, institutionele en vriendschappelijke betrekkingen tussen Gerrit Komrij en Zuid-Afrika. Jente Rhebergen vertaalde de artikelen van Metelerkamp en Hugo. Alleen jammer dat de redactie er nog steeds vanuit gaat dat in Zuid-Afrika “Zuid-Afrikaans” wordt gesproken (p. 133 en 143).

De Parelduiker 22 (2017) 2-3, 2017, resp. p. 112-123, 124-133 en 134-143.

Amsterdam, 21 juli 2017.

 

Yves T’sjoen. Literair tijdsdocument. Hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach

Saturday, July 15th, 2017

Breyten Breytenbach

 

Literair tijdsdocument. ‘Als was alles vanzelfsprekend in die witte huizen’

Hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach

Yves T’sjoen.

Na de arrestatie van Breyten Breytenbach in augustus 1975 en drie maanden later de veroordeling tot een celstraf van negen jaar zijn in Nederland en elders in de wereld (Frankrijk, Verenigde Staten) activiteiten ondernomen om de vrijheidsberoving door het apartheidsregime in Pretoria aan te klagen en publieke aandacht te vragen voor de zaak. Onder anderen de uitgevers Rob van Gennep en Laurens van Krevelen, zonder meer de drijvende kracht, initieerden het Breyten Breytenbach-comité. Eva Bendien en Rutger Noordhoek Hegt, kunsthandelaren van het roemruchte Galerie Espace waar Breytenbach al sinds begin jaren zestig schilderijen exposeerde, waren nauw betrokken. Verder maakten Adriaan van der Staay (directeur) en Martin Mooij van de Rotterdamse Kunststichting, Aad Nuis en Adriaan van Dis deel uit van het comité. Het is elders beschreven, zoals in de doctoraalscriptie van Annemiek Recourt (2008), hoe het comité tot stand kwam en in hoeverre de Kunststichting Rotterdam, PEN Nederland met directeur Wim Hazeu en Poetry International betrokken waren bij de organisatie. Later zal PEN Vlaanderen zich inlaten met de zaak. Notulen, brieven en krantenberichten over beide hofzaken (1975 en 1977), keurig bijgehouden door Adriaan van Dis en te raadplegen in het Literatuurmuseum (Den Haag), documenteren standpunten en ondernemingen van het B.-comité.

aan breyten breytenbach

Naast verwoede pogingen druk uit te oefenen op en de bemoeienis te vragen van de diplomatieke, culturele en journalistieke wereld, teneinde Breytenbachs lot blijvend aandacht te schenken, zijn er de schilderkunstige en literaire gelegenheidspublicaties. Schrijvers in de Lage Landen en elders in de wereld spraken een maatschappelijk engagement uit en verleenden medewerking aan projecten die de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika een hart onder de riem moesten steken. Het jaarlijkse dichtersfestival Poetry International Rotterdam, opgericht in 1970, was een druk bijgewoond evenement waaraan Breytenbach van in den beginne zijn medewerking verleende en waarvoor hij zich inzette. In het jaar dat hij vanwege de gevangenisstraf niet kon deelnemen, in 1976, is zijn naam naar verluidt elke avond genoemd. In datzelfde jaar is aan breyten breytenbach (z.j. [1976]) uitgegeven door de Kunststichting Rotterdam, Bureau Poetry International en het Comité Breyten Breytenbach. Aan de bijdragen van Nederlandse schrijvers (J. Bernlef, C. Buddingh’, Remco Campert, Gerrit Komrij, Sjoerd Kuyper en Wim de Vries) is aandacht besteed. Ook anderstalige dichters, allen deelnemers van Poetry International, participeerden op instigatie van Martin Mooij en droegen een gedicht bij aan de bundel (Michael Krüger, Jean-Clarence Lambert, Philip Levine, Adrian Mitchell, Vasko Popa, W. Rendra, Waldo Rojas en Jerome Rothenberg).

Vlaamse inbreng

De Vlaamse dichters Eddy van Vliet en Marcel Wauters kregen in deze politieke en institutionele context tot nog toe minder aandacht. Méér nog, de Aalstenaar Marcel Wauters (1921-2005) wordt in tegenstelling tot de in Antwerpen woonachtige Eddy van Vliet verkeerdelijk bij de buitenlandse schrijvers gerekend (Jonckheere 1999:172). De foutieve inschatting heeft wellicht te maken met de taal. Wauters, eveneens gast op Poetry International, schreef een Franstalige tekst die later is gebundeld in Vergeeld dossier (1980). Bij wijze van correctie citeer ik hier het merkwaardige gedicht in aan breyten breytenbach, gepubliceerd op bladzij 21 van de gelegenheidsuitgave.

.

DECRET D’AUTORITE

épris de mépris

dans les plis noircis de la hiérarchie

il se sent chez lui

l’inapprochable l’intouchable seigneur

nommé ickx non par ses candides et autres serviteurs

qui sont tous mes amis

mais gratuitement par toi et moi

qui subissent à peine les contraintes de ses phobies déguisées

ils en ont peur mais s’ils le haïssent

du fin fond en papier maché de leurs entrailles de victimes

ils ne le condamnent pas au soleil fraternel de plein air

je me vois obligé de me charger d’office de la procédure

tout en restant perplexe devant l’énigme minable

de l’honnête homme qui ne rit jamais

et ne salue pas ses subordonnés:

il ne faut pas gaspiller l’autorité décrétée

qui fait d’un chef

le bras dur de la postérité

.

sa gueulle de crapaud est aussi raide que sa carcasse

mais il n’y peut rien le malheureux

c’est sûr et certain et abominable

sacré et damné par le vertige erascible du hasard

(la volonté massouvie des espaces sidéraux)

il a de longues pattes

fines

froides

moites comme des harengs saurs

Eddy van Vliet (1942-2002) was zelfs meermaals te gast op uitnodiging van Poetry International. In de jaren van de contestatie, met in Amsterdam de oprichting van Provo (1967) en ook in Vlaanderen acties en publicaties die tegen een burgerlijk establishment waren gericht, heeft de jonge Antwerpse advocaat na zijn debuut het lied van ik (1964) twee bundels uitgegeven: duel (1967), en drie jaar later de maatschappijkritische dichtbundel columbus tevergeefs (1970). Hij schreef nog vóór de totstandkoming van de Rotterdamse poëziemanifestatie en de gelijknamige organisatie (die is gegroeid uit de Rotterdamse Kunststichting), meer bepaald op 23 november 1968 in Amsterdam, de tekst die zeven jaar later in het gestencilde bundeltje is opgenomen. Over de opdracht kon geen misverstand bestaan. De titel is kortweg ‘BREYTEN BREYTENBACH’. Het is niet duidelijk welke de concrete aanleiding was voor het huldegedicht, wellicht een adhesiebetuiging voor de hardleers dissidente stem van de in Parijs gedomicilieerde Zuid-Afrikaanse schrijver en diens betrokkenheid bij de strijd tegen apartheid. De ik-figuur geeft uitdrukking aan woede en weerzin voor een politiek regime dat berustte op rassendiscriminatie, en hij hekelt de uitwassen van een perfide koloniaal systeem dat “drie eeuwen lang / aan de kaap der goede hoop” is in stand gehouden.

Plaats in het oeuvre

De tekstgenese is te situeren in een periode dat Van Vliet de gruwel van oorlog aanklaagt, meer bepaald de Vietnamoorlog. Daarover liet hij optekenen: ‘Na ’64 werd ik geraakt door het drama Vietnam. En door het misdadige imperialisme van de Verenigde Staten. Nu [1997] is mijn kijk op die oorlog wat genuanceerder, maar dat overweldigende gevoel van revolte heeft toen voor jaren mijn werk bepaald (geciteerd in Paul Demets 2007:827). In Verzamelde gedichten, destijds door Bezige Bij-redacteur Alfred Schaffer professioneel begeleid, is de tekst opgenomen in de rubriek ‘Verspreid gepubliceerde gedichten’. De bibliografische aantekening maakt gewag van publicaties van het Breytenbachgedicht in de tijdschriften Artisjok (2 (1969) 1, p. 14) respectievelijk Kentering (10 (1969) 5, p. 33). Wat evenwel onvermeld blijft, is de opname van Van Vliets tekst in aan breyten breytenbach. Een ongewijzigde versie, met uitzondering van de weglating van plaats en datum, is in de bundel van het Breytenbach-comité opgenomen.

.

BREYTEN BREYTENBACH

.

bij wijze van spreken

wordt de mahoniehouten tafel een kleurling

wanneer hij vingerwijs geraakt in de zach-

te poriën van het blad

ook zij

een bijna vergeten bloedvlek in

een oorlog die sinds lang

geen naam meer heeft

ook zij

laaft zich reeds drie eeuwen lang

aan de kaap der goede hoop

alleen maar omdat hij dit herhaalt

als was alles vanzelfsprekend

in die witte huizen

zelfs dat op een donkerder huidskleur

de doodstraf staat.

                                       amsterdam 23 november 1968

Precies vijftien jaar na het overlijden van de schrijver is het tijd de bibliografische lacune in Eddy van Vliets VG weg te werken. Het Breytenbachgedicht is niet gebundeld door de schrijver maar dus wel drie keer ongewijzigd gepubliceerd. Tegelijk vestigt deze korte bespiegeling de aandacht op de actieve en betrokken deelname van Vlaamse schrijvers aan het protest tegen het onrecht dat Breyten Breytenbach en met hem zoveel anonieme personen in Zuid-Afrika te beurt viel.

Overigens hebben vóór de gevangenisperiode ook Fernand Auwera, met de bundel Geen daden maar woorden (1970), én Willem M. Roggeman veel betekend voor Breytenbach in het Vlaamse culturele en literaire landschap. Zij droegen met interviews bij aan de naamsbekendheid. In juni 1974 publiceerde Roggeman een uitvoerig interview in De Vlaamse Gids. Later zal hij geregeld nieuwe publicaties van Breytenbach recenseren in Vlaamse kranten. In het themanummer staan ook bijdragen van Breytenbach (poëzie en proza), Van Dis en Mooij. Dat is een ander verhaal dat belangstelling verdient.

Bronnen

Paul Demets, ‘Geheugen, zwijg. Over het verlangen en over de onafwendbare herinnering in de poëzie van Eddy van Vliet’. In Eddy van Vliet, Verzamelde gedichten. C. van der Vorst en Y. T’Sjoen (ed.). Amsterdam: De Bezige Bij 2007, p. 821-850.

Wilfred Jonckheere, Van Mafeking tot Robbeneiland. Zuid-Afrika in de Nederlandse literatuur 1896-1996. Nijmegen: Vantilt 1999.

Annemiek Recourt, ‘Niet te véél aksent op het ‘Zud-Afrikaanse’ als-je-blieft’. De materiële en symbolische productie van het oeuvre van Breyten Breytenbach in Nederland. Ongepubliceerde doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam 2008.

Met dank aan Laurens van Krevelen voor de kritische lectuur.

Yves T’Sjoen. Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

Monday, June 26th, 2017

AD Keet

Albertus Daniël Keet en de verbeelding van ‘Groot-Suid Afrika’

In de Eerste Wereldoorlog is Albertus Daniël Keet (1888-1972) de meest productieve Zuid-Afrikaanse dichter in de Groot-Nederlandse oorlogsbladen Dietsche Stemmen (1915-1918) en De Toorts (1916-1921). J.C. Kannemeyer rekent Keet tot de “vroeë indiwidualiste” van de tweede Afrikaanse taalbeweging. Keet is met onder anderen Eitemal (W.J. du Plooy Erlank), H.A. Fagan, T.J. Haarhoff, Toon van den Heever en Theo Wassenaar een vertegenwoordiger van de “digters van die tweede geslag”. Hij debuteert in 1920 met de bundel thematisch geordende Gedigte (Swets en Zeilinger, Amsterdam), en wordt op basis van het publicatiejaar tot de generatie beschouwd die na Jan Celliers, C. Louis Leipoldt en Eugene Marais in de Afrikaanse letteren aan het woord komt.

Medewerker van De Toorts en Dietsche Stemmen

Gedichten van Keet die na de Grote Oorlog in boekvorm verschenen, zijn voorgepubliceerd in beide Utrechtse periodieken. In totaal zijn van de hand van de jonge dichter A.D. Keet zevenendertig gedichten opgenomen in De Toorts, waarvan drie teksten in de laatste jaargang 1921, en drie in een aflevering van Dietsche Stemmen (‘Suid-Afrika se helde!’, ‘Dingaan’s dag, 1914’ en ‘Voortrekkerslied’, juli-augustus 1916). Daarnaast is hij de auteur van enkele boekrecensies (zoals over E.C. Pienaars Bloemlezing voor Groot-Nederland, 1917) en in totaal drie stukken over zijn grote voorbeeld Jan F.E. Celliers (‘Jan Celliers als digter en denker’ in Dietsche Stemmen en twee artikels in De Toorts). Als chroniqueur heeft hij de rubriek ‘Uit Suid-Afrika’ verzorgd en voor Dietsche Stemmen schreef hij de ‘Suid-Afrikaanse Kroniek’. Vrijwel in elke aflevering van De Toorts vanaf september 1918, tot Adam Boshoff en Philips R. Botha de honneurs waarnemen, presenteert Keet op anderhalve pagina een reeks korte berichten over de politieke, sociale en culturele actualiteit in Zuid-Afrika.

Keet studeerde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam geneeskunde en beijverde zich in Nederland voor het Afrikaans. Zo is bekend dat hij de Vlaamse voordrachtkunstenaar Modest Lauwerijs, later meermaals en met succes te gast in Zuid-Afrika, vertrouwd maakte met het Afrikaans en introduceerde in de Afrikaanse dichtkunst. Hij onderhield ook goede contacten met de Vlaamse toondichter Emiel Hullebroeck die hij teksten aanleverde. Na de oorlog keert Keet terug naar zijn vaderland, weliswaar geregeerd door Albion, en hij vestigt zich als geneesheer in Senekal. Naar eigen zeggen hoopvol dat hij er ooit “die land van sonneskijn en vrijheidszin” mag zien herrijzen. Samen met H.D.J. Bodenstein, hoogleraar Recht in Amsterdam en later Stellenbosch, was hij de meest bedrijvige medewerker uit Zuid-Afrika aan de Groot-Nederlandse oorlogsjaargangen van De Toorts en Dietsche Stemmen.

Keet en Dietsland

Albertus Keet onderschreef de Groot-Nederlandse gedachte die ten grondslag ligt aan beide Nederlandse bladen. In de redactie zetelden Nederlandse, Vlaamse en Zuid-Afrikaanse actoren die streefden naar een groot volksverbonden Diets rijk, waar Holland, Vlaanderen en Zuid-Afrika deel van uitmaken. In beschouwende teksten en in politiek-propagandistische poëzie droomden betrokkenen van een intercontinentaal Dietsland op grond van ‘taal- en stamverwantschap’. De retorische strategieën die daarvoor worden aangewend, zijn elders beschreven.

In de poëzieproductie van A.D. Keet in De Toorts wordt een Afrikaner-nationalistisch discours gehanteerd waarin de broederband met Nederland en dus de oud-kolonie is gecultiveerd. Het Afrikaans maakt deel uit van de Germaanse taalfamilie. “Van stamme Germaansch” worden “Vlaamsch” en “Afrikaansch” broeders genoemd. De talen behoren tot het “Dietsch”. In het gelijknamige gedicht ‘Dietsch’ luidt de eigen-volk-eerst-retoriek als volgt:

            Ik ben geen Latijn

            En ik wil het niet zijn;

            Geen haat! Maar…. het eigen vooraan!

            Ik ben dus en blijf

            In mijn ziel, met mijn lijf

            Een echte, oprechte Germaan.

            Germaansch in zijn taal,

            Germaansch in zijn staal,

            Zóó voel en begrijp ik mijn land;

Van stamme Germaansch,

Reik ik broer Afrikaansch

Of wel Vlaamsch, op zijn Dietsch, trouw, de hand

(De Toorts, 26 januari 1918)

Keet, die zich in deze tekst “oprechte Germaan” noemt, stelde zich ten doel een “Groot-Suid Afrika” te verwezenlijken. Nostalgie naar de Hollandse koloniale tijd en anti-Britse sentimenten zijn aan die houding niet vreemd. Naast het nationalistische gedicht ‘Maar één Suid Afrika’ (september 1917) publiceert hij in augustus 1917 de volgende tekst.

            Van waar Sambesi dreun,

               Tot Tafelberg se top,

            Gróót rijs Suid-Afrika

               Voor mij verbeelding op:

            Ik sien hoe groot riviere

               Deur onse hand gelei,

            Verkwikking bring vir diere

               En mense moej gestrij.

            Ik sien hoe korenvelde

               Ons dor Ka[r]oo verrijk,

            En oorals vir ons helde,

               Gedagtnis-tekens prijk.

            Ik sien wel duisend stede,

               Verrijs van uit die grond,

            Ik sien ons volk tevrede,

               Herenigd en gesond.

            Ik sien die Afrikaander

               Regeerder van sij land.

            Ik sien die buitestaander

               Reik hom die broeder-hand.

            Ik sien ons arendsvlugte

               Ik sien ons blauwe lug.

            Ik hoor geen droewe sugte –

               Ik sien ons vrijheid terug….

            Suid Afrika is groot,

               Suid Afrika is rijk –

            Dit sal nog uit sij hart

               En uit sij hersens blijk!

De poëzie bevat politieke statements, zoals een huldebetoon aan oud-president van de Oranje-Vrijstaat M.T. Steyn en de toenmalige Nederlandse koningin Wilhelmina (die Paul Kruger in 1900 zo vorstelijk ontving), alsook imperialistische apologieën voor een “’Nasie in sijn lentetijd” (‘Kom, Afrikaners!’) én voor de eigen moedertaal (“Klink oor die vlakte helder en luide, / Galm jou klank van die Noord tot die Suide, / Dwars oor Rhodesia!”, in ‘Aan mijn Moedertaal’). Ook Rhodesië (Zimbabwe) was deel van het groots ingebeelde Zuid-Afrika. Daarnaast bestaat Keets tekstencorpus uit arcadische natuurtaferelen. De dichter celebreert in andere teksten Nederland (‘O Nederland’) en drukt zijn gevoelens van ‘Heimwee’ uit naar het oude Transvaal en dus de Zuid-Afrikaansche Republiek (‘Die vierkleur’, met de beginregel “Rooi, wit, blauw en groen” – de kleuren van de vlag van Transvaal – en met als bijpassende opdracht de “Nasionale Partij van Transvaal”).

Interessant is het onderzoek naar de beeldvorming van Nederland in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver, die zoals gezegd enkele jaren van studie in Amsterdam doorbracht en vele inspanningen leverde om de stam- en broederband in geschriften en redes onder de aandacht te brengen van een duidelijk als homogeen voorgestelde imagined community. Dat publiek van gelijkgezinden zal zijn toespraak hebben bijgewoond op de jaarvergadering van de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging in 1916. De tekst is later gepubliceerd in Dietsche Stemmen. In een mengvorm van Afrikaans en Nederlands (spelling, woordgebruik) wordt door de weemoedige dichter in romantische ik-poëzie het politieke ideaal van Dietsland vertolkt.

Verzenbakker

John Kannemeyer merkt in zijn Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur (deel 1, 1978) op dat Keet Gedigte “grotendeels” voorpubliceerde in Die Brandwag, Ons Moedertaal en Die Huisgenoot. Daaraan moet dus worden toegevoegd dat de schrijver in zijn Hollandse jaren ook bijzonder actief was in Dietse instituties, zoals vermelde tijdschriften. De dichter van het gecanoniseerde ‘Muskiete-jag’, volgens Kannemeyer “’n geestiger gedig”, was bijzonder bedrijvig en selecteerde uit Zuid-Afrikaanse tijdschriften voor een Nederlands en Vlaams lezerspubliek gedichten van Celliers, Leipoldt, Totius en anderen. De literatuurhistoricus heeft overigens geen hoge dunk van Keets poëzie, noch de vaderlandse gedichten (“die tradisie van Celliers”) noch de natuurgedichten (“[mis] konkrete beelding”). Keet wordt schatplichtig genoemd aan Celliers en ook Leipoldt. Kannemeyer spreekt over “retoriese beeldspraak en swak woordkeuse, en op die lange duur word die triviale boustof en die beperktheid van die wêreld en emosies ’n belangrike literêre beswaar teen die bundel [Gedigte]”.

Een activistische stem uit Vlaanderen

Ideologische stambroeders, leden van de veronderstelde homogene community, zoals bijvoorbeeld de Vlaamse activist Rafaël Verhulst zich die voorstelde, oordeelden in de eigen tijd niet zo kritisch over Keets verzamelbundel. In De Toorts publiceerde Verhulst de jubelende recensie ‘Gedichten van A.D. Keet’ (29 mei 1920). Hij roemt het Afrikaans als “groene, levende, buigzame twijg der Dietsche taal” en rekent de Afrikaanstalige dichter tot “de zonen van den Groot-Nederlandschen stam”, méér nog: “een stoer broedervolk, het volk van Krst. de Wet en Jopie Fourie”. In een politiek betoog heeft de radicale flamingant het over de strijd van de Afrikaner “voor zijn taal en zelfstandigheid”. Die strijd wordt gelijkgesteld met de activistische ondernemingen tijdens de oorlog, “gelijk vlak aan Hollands grens […], het volk van Borms en de Clercq”.

Keet heeft zijn Gedigte samengesteld op de terugreis per schip van Nederland naar Kaapstad. Dat staat gepreciseerd in het woord vooraf dat is gedateerd november 1919. De tekst is door Verhulst integraal geciteerd (“afgeschreven”) in zijn recensie. In die voorrede wordt Celliers door Keet trouwens “de baanbreker der Afrikaansche letterkunde” genoemd.

De Toorts publiceerde in het nummer met René de Clercqs later sterk gecontesteerde ‘Het lied der Activisten’ een saluut van A.D. Keet aan het lezerspubliek, met als titel ‘Ten Afskeid’ (1 november 1919). In ronkende volzinnen en bezaaid met uitroeptekens wordt voor de zoveelste maal het Dietse geloof beleden. Volgens Keet is De Toorts, gericht tegen onder meer het Belgische (francofone) annexionisme, na de Grote Oorlog niet alleen “eindelik segevierend uit die strijd gekom”. De auteur legt ook lauwerkransen voor zijn landgenoot professor Bodenstein en roemt diens vele realisaties “op Diets-Afrikaans gebied”.

In een van die donkerste tijdperke van die geskiedenis van die Afrikaanse volk, het [Bodenstein] nooit die moed opgegee nie, en sij woorde het nie alleen hier nie, maar ook in S.-Afrika, die aandag getrek en die invloed u[it]geoefen, wat hulle ten volle verdien. Vandaag egter, pluk ook hij die vrugte van die harde strijd van toen. Diets-Suid-Afrika is ontwaak – ons weet wat ons wil!

In de lijn van de pamflettaire toon in alle andere geschriften rondt hij als volgt af:

            Maar één versoek het ik aan die lesers van De Toorts, en dit is, in die woorde van Jan Celliers:

                                “Wees sterk!

                        Daar’s ’n nasie te lei,

                        Daar’s ’n strijd te strij,

                                Daar’s werk!”

            Werk, en versprei julle orgaan, die vertolker van julle Dietse ideaal! Werk, en julle sal win!

Albertus Daniël Keet wordt in het fêterende discours van Verhulst in verband gebracht met de zogeheten volksdichter en Vlaamse activist René de Clercq (“zooals zoo menig liefdeliedje, die René de Clercq als zeer fijne juweeltjes in De Toorts te fonkelen legt”) en ook de voorloper van de Beweging van Tachtig Jacques Perk (‘Iris’). Raf Verhulst vindt alles “zoo mooi en zoo echt dichterlijk”. De slotalinea van zijn hommage is een viering van wat hij het dichterlijke talent noemt van de Zuid-Afrikaanse auteur: “A.D. Keet is niet iemand die maar vaardig is met maat en rijm, hij is een wezenlijke dichter met een rein en diep gemoed, naar wien we met volle overgave luisteren. […] wij zijn overtuigd dat zijn zangen niet alleen in Noord-Nederland, maar ook in Vlaanderen met mede-voelen zullen genoten worden”.

De poëzie van A.D. Keet kon in activistische kringen duidelijk op veel sympathie rekenen maar ze verdwijnt in het interbellum compleet uit het vizier. Zeker uit dat van dichters en critici in de Lage Landen. Ook in Kannemeyers panoramische overzicht krijgt Keet nauwelijks een halve pagina toegemeten. Nochtans was hij dus zeer productief. Hij heeft de leeskring van De Toorts en Dietsche Stemmen niet enkel vergast op vaderlandse, liefdes- en natuurgedichten, maar ook de meer gezaghebbende dichters van de tweede Afrikaanse taalbeweging – niet gespeend van een Afrikaner-nationalistische ingesteldheid – een Diets gemarkeerd, sterk ideologisch geladen platform bezorgd.

Deze bijdrage is een korte zijsprong binnen het onderzoek dat als lezing wordt gepresenteerd tijdens het congres van de Suider-Afrikaanse Vereniging vir Neerlandistiek (SAVN) in Parys (Vrijstaat) op 1 juli 2017.

Yves T’Sjoen. “Sharing heavy shit” in Wellington. Anne Vegter en de werkswinkel

Thursday, April 13th, 2017

“Sharing heavy shit” in Wellington. Anne Vegter en de werkswinkel

 

Anne Vegter

 

Dichter des Vaderlands in Nederland (2013-2017)

Na Gerrit Komrij, Simon Vinkenoog, Driek van Wissen en Ramsey Nasr is op 31 januari 2013 Anne Vegter aangesteld als Dichter des Vaderlands in Nederland. Tot Gedichtendag 2017 heeft de schrijfster het ambt van Poet Laureate bij onze noorderburen waargenomen. Een commissie bestaande Maria Barnas, Arie Boomsma, Arjen Fortuin, Piet Gerbrandy, Kristien Hemmerechts en Mei Li Vos benoemde Vegter voor een ambtsperiode van vier jaar. De Koninklijke Bibliotheek, NRC Handelsblad, NTR, Poëzieclub en Poetry International zijn de organiserende instituties die bij de officiële aanstelling betrokken waren. Nu Vegter haar dichterlijke vrijheid heeft herwonnen, is in januari 2017 Ester Naomi Perquin de eer te beurt gevallen.

Tijdens haar publieke optreden als Dichter des Vaderlands heeft Anne Vegter samen met de Belgische ambtsgenoot Charles Ducal, intussen opgevolgd door de Franstalige Belgische auteur Laurence Vielle (in 2018 is Els Moors aan de beurt), in 2015 een bezoek gebracht aan Zuid-Afrika. Ik ontmoette beide dichters ter gelegenheid van hun passage in de West-Kaap: eerst tijdens Tuin van Digters in Wellington en enkele dagen later in een college van Alfred Schaffer in Stellenbosch. Anne Vegter las tijdens het Afrikaanse poëziefestival in een Engelse vertaling een keur uit haar poëzie en werd bij de performance geflankeerd door Antjie Krog, die voor de gelegenheid de grootmoedergedichten in Mede-wete voordroeg. Zij was op uitnodiging van Krog en het gemeenschapshuis Breytenbachsentrum ook te gast bij een workshop in Wellington waaraan vrouwen die het slachtoffer zijn van seksuele intimidatie en verkrachting deelnamen.

Het getuigenis van die heftige confrontatie kunnen we nu lezen in Wat helpt is een wonder. Gedichten van de Dichter des Vaderlands 2013-2017. Zoals gebruikelijk wordt na het beëindigen van de opdracht de poëzieproductie van de Dichters des Vaderlands, net zoals van de stadsdichters hier te lande, gebundeld in een fraai boek. De gelegenheidsuitgaven maken deel uit van het literaire oeuvre. Zo kunnen de verzamelbundels van de Antwerpse stadsdichters Tom Lanoye [2003-2004], Ramsey Nasr [2005], Bart Moeyaert [2006-2007], Joke van Leeuwen [2008-2009], Peter Holvoet-Hanssen [2010-2011], Bernard Dewulf [2012-2013], Stijn Vranken [2014-2015] en Maarten Inghels [2016-2017] worden verdisconteerd in een studie van hun respectieve werk. Charles Ducal bundelde zijn gelegenheidswerk in de drietalige editie Bewoond door iets groters / Au-delà de la frontière / Von etwas größerem bewohnt (2015).

Deze bijdrage is de aanzet voor een dergelijke beschouwing over het werk van Anne Vegter.

De literaire productie van Anne Vegter

Op 15 december 2016 ging ik op vraag van de Permanente Vorming Literatuur en seksualiteit (Universiteit Gent) in gesprek met Anne Vegter. De video-opname kan hier worden bekeken: http://www.taalenletterkunde.ugent.be/literatuurenseksualiteit. Bij die gelegenheid sprak de auteur over de rol van erotiek in haar werk, met als aandachtspunt de net heruitgegeven bundel Ongekuiste versies  (1994, 2016²), en de wijze waarop het publieke ambt te verzoenen valt met de ontwikkeling van het eigengereide schrijverschap, door Henk van der Waal als een “uiteenwaaierend taallaboratorium” bestempeld waarin een “kijkje” wordt genomen “in de diepere lagen van de menselijke psyche”.

Na het poëziedebuut Het veerde (1991) en Aandelen en obligaties (2002) heeft de dichteres met Spamfighter (2008, nominatie VSB Poëzieprijs) en Eiland berg gletsjer (2011) landelijke bekendheid verkregen. In een tijdspanne van vijfentwintig jaar heeft zij vier dichtbundels uitgegeven. Ik noteer in de persknipsels nominaties voor haar jongste dichtwerk, respectievelijk VSB Poëzieprijs en Karel van de Woestijneprijs, en de bekroning van Eiland berg gletsjer met de Awater Poëzieprijs 2012. Zij staat ook bekend als kinderboekenschrijfster (De dame en de neushoorn (1989) en Verse bekken! (1990)) en publiceerde toneelteksten (o.a. Het recht op fatsoen (1996)), de korte roman Harries hoofdingang (1999) en erotische/pornografische verhalen (Ongekuiste versies en Sprookjes van de planeet aarde (2006)). De bibliografische lijst is verre van exhaustief. Vegters literaire productie is meermaals bekroond. Haar werk is door Henk van der Waal in De kunst van het dichten (2009, p. 226-247) omschreven als “kwiek en levenslustig”, “kloek en strijdbaar”, “een ijkpunt voor dichtend Nederland”. Zij schrijft gedichten met “hoge houdbaarheidsdatum […] terwijl ze in hun tijd staan, [die] hun tijd vooruit zijn” en de poëzie is omschreven als “een veelkantig kristal dat zonder dat het zijn kern verliest, zich altijd weer anders toont”. Van der Waal gewaagt van een “rijk en veelzijdig oeuvre”. Hans Groenewegen noteert het volgende over Vegters dichtkunst in zijn essaybundel Overvloed (2005): “Anne Vegter schrijf springerige poëzie. Tussen de verschillende regels, zinnen en zinsflarden kan het taalveld verspringen waaruit de woorden afkomstig zijn. Of het perspectief van waaruit verteld wordt verspringt. Of beide. De tekst kan verspringen van een gedachte naar een mededeling. Kan verspringen van de ene persoon in een dialoog naar een andere niet nader bepaalde persoon, van een vervreemdend geformuleerde waarneming naar een schijnbaar ongecontroleerde of naar juist een lyrische exclamatie” (p. 191-194).

Anne Vegter in Zuid-Afrika

De Zuid-Afrikareis van September 2015 heeft sporen getrokken in Vegters literaire universum. Er was al eerder een toevallige combinatie van haar poëzie met werk van Antjie Krog en Charl-Pierre Naudé. Tien jaar eerder, in december 2005, publiceerde het Vlaamse literaire periodiek Revolver gedichten van deze drie auteurs. Van Anne Vegter zijn toen ‘Onder een waarachtige hemel’, ‘ Stijl’, ‘Kamfer’ en ‘Lichtheid van de nacht’ opgenomen, later gebundeld in Spamfighter.

September 2015 is “de experimenterende Dichter des Vaderlands” in Wellington geconfronteerd met de Zuid-Afrikaanse realiteit van geweld en maatschappelijk onrecht, met het leed dat meisjes en vrouwen wordt berokkend. Het volgende kapittel verhaalt over de persoonlijke ervaring. In het ‘Vooraf’ van Wat helpt is een wonder stelt Vegter “hoe bevreemdend die Hollandse discussie over literair engagement is voor mensen die leven op de breuklijnen van verholen blanke dominantie en economische ongelijkheid. In Zuid-Afrika is de vraag niet óf je engagement toont maar hóé. Schrijven doe je altijd vanuit bewustzijn van de context, zei Marlene van Niekerk twee jaar geleden tijdens haar verblijf als artist in residence in Amsterdam” (p. 8).

De bundel met gelegenheidsgedichten, waarvan het merendeel in NRC is afgedrukt, wordt afgesloten met een rubriek ‘Berichten van de Dichter des Vaderlands’, columns die Anne Vegter tussen 2014 en 2016 in het Nederlandse poëzietijdschrift Awater presenteerde. De laatste tekst, gedateerd januari 2016, handelt over het unheimliche schrijversbezoek aan de Kaap. Over de ontmoeting publiceerde ik op Versindaba al eerder een stukje:  http://versindaba.co.za/2015/09/21/yves-tsjoen-dichters-des-vaderlands-in-de-west-kaap/. Vegter memoreert haar deelname aan een werkswinkel bij UWK (Bellville) op uitnodiging van Antjie Krog: “Een dag in Kaapstad op University of the Western Cape is verhelderend. Je werk als enige niet-zwarte dichter is tevoren gescreend door de studenten, goed bevonden. Je weet niet wat goed is. Je spart met Antjie Krog. Read it out loud, zegt ze. De studenten juichen door hun hiphoppresentator. Hij moedigt ze aan op te komen voor hun eigen taal. Loud out Xhosa, loud out English. Het Afrikaans krijgt het moeilijk op de uni. ‘Ik zie het studiemateriaal hier liefst in alle drie talen,’ zegt Krog. Studenten zijn woest vanwege het postkoloniaal gezag op de universiteiten. De jonkies vechten het Afrikaans eruit”. Het zijn de spannende dagen van oplaaiende studentenprotesten en vandalisme op de UWK-campus.

Vegter & de ‘Crimefighters’

Ik herinner mij levendig het gesprek met Anne Vegter tijdens Tuin van Digters, na afloop van een workshop die ze ook daar aanbood samen met Antjie Krog. De schrijfster was niet alleen onthutst. Tegelijk sloot de workshop aan bij een thematische lijn die haar oeuvre samenhoudt en wat zij zelf in een interview met Henk van der Waal “het belang van de zintuiglijke ervaring” (p. 233) noemt. Seksualiteit en lichamelijkheid worden in Vegters werk op revelerende wijze behandeld. Ongekuiste versies is door haar omschreven als een “erotisch taalproject”: vrouwelijke seksualiteit wordt vertaald en onttrokken aan de dominante masculiene benadering van de vrouw. Zij spreekt over de creatie van “een vrouwentaal die geilheid genereerde” (p. 241). Taal, zinnen, woorden worden een erotische lading gegeven, zo stelt zij in het vraaggesprek. De confrontatie met de meisjes in Wellington die over ‘sexual abuse’ praatten, moet voor de Nederlandse schrijfster bijzonder heftig zijn geweest.

In Wat helpt is een wonder schrijft Anne Vegter: “Je leert snel bij. Je neemt in Wellington deel aan Krogs schrijfworkshop voor vrouwen die te maken hebben met sexual abuse. In alle drie de talen. De kleine zaal dampt. Twintig vrouwen, twee mannen. Je toont teksten die je in Nederland zijn aangereikt door fijne vrouwelijke collega’s. Ze stuurden themagerelateerd werk van Anne Sexton, Patti Smith, Brian Patten. Inmiddels vertaald in Xhosa. Je moet uitleggen wat je als niet-zwarte op de workshop te zoeken hebt. Je noemt de situatie in Europa. Een op de drie vrouwen, jaja ook daar, heeft te maken met seksuele intimidaties of erger. I am a rape survivor, rape survivor, rape survivor, echoot het in het voorstelrondje. Sharing heavy shit”. Ik moet bij deze tekstpassage denken aan de toneelmonoloog Om te beginnen een vrouw. Monoloog voor de dochter van Noach en het derde deel van Eiland berg gletsjer (‘Dochter van’). De dochter is getypeerd als de vrouwelijke versie van Cham in het Noach-verhaal. Toneeltekst en gedicht zijn vormen van emancipatorisch schrijven, een poging tot bevrijding uit het patriarchale denken. In De kunst van het dichten heeft de schrijfster het over de hardnekkige man-vrouwverhouding en de poging een vrouwelijke seksualiteit in een vrouwelijke taal te ontwerpen (“vrijwel onmogelijk”). Om iemand te worden, zo stelt Vegter, moet je “jezelf ontworstelen aan degene die autoriteit over je uitoefent”.

De ontmoeting met de vrouwen heeft zoals gezegd diepe sporen getrokken. Anne Vegter: “Natuurlijk weet je na die workshop niet genoeg. Maar er is iets in je aangeraakt. Krog laat achteraf weten dat een aantal deelnemers sinds september niet opgehouden is te schrijven over ervaringen met seksueel misbruik. Crimefighters. Het gepland vervolg op die ‘werkswinkel’ in Kaapstad is trouwens afgeblazen, schrijft Krog me in december. Te gevaarlijk. Er branden gebouwen op de campus in the Western Cape” (p. 127). Vegters “lied van verlangen en rebellie” heeft een echo gevonden in de West-Kaap. Als het streven erop is gericht, zoals vermeld in De kunst van het dichten, de taal dienstbaar te stellen aan de seksuele fantasie van de vrouw zodat de taal zelf “als het ware […] een verlangend en smachtend en bewegend en likken en spuitend lichaam” wordt, dan heeft Anne Vegter tijdens dat beklijvende moment andere schrijfsters die kracht laten voelen. De passage wordt als herinnering opgetekend in Wat helpt is een wonder. Dat is veelbetekenend, ook voor het oeuvre van de toenmalige Dichter des Vaderlands en hedendaagse auteur.

Anne Vegter, Wat helpt is een wonder, Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2017.

 

Yves T’Sjoen. ‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Thursday, April 6th, 2017

Peter Holvoet-Hanssen

‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Hoeveel reisigers of dolende ridders

kan vertel van ’n losie

van volstrekt net papier –

hoeveel digters?

Charl-Pierre Naudé, ‘Papierverblyf’, in Al die lieflike dade (2014).

Een speurtocht verloopt langs etappes. Na zijn “eerste, echte” dichtbundel  De reis naar Inframundo (Prometheus, Amsterdam, 2011) – een compilatie van vijf “ontdekkingsreizen naar mijn onderwereld”, dat wil zeggen vijf afzonderlijke publicaties (1998-2008) – onderneemt Peter Holvoet-Hanssen (HH) een nieuwe “exploratie”. De voorbereidingen van de queeste kunnen worden opgespoord in onder meer Miavoye. Op bedevaart naar Paul van Ostaijen, een collectief spoorzoek- en schrijfproject van Koen Broucke, HH, Koen Peeters en Pascal Verbeken (De Bezige Bij, Antwerpen, 2014). De bijdrage ‘Nagestuurde gedichten. In het land van Music-Hall’ presenteert tien “muziekdoosgedichten voor Paul Ampère”. Een van de gedichten is getiteld ‘De weg naar Music-Hall’ en bevat de regel “mijn land is Music-Hall uitklapbaar zonder inwoners”.

Het vers ligt ten grondslag aan een prachtig nieuw project dat de titel kreeg ‘Het Land van Music-Hall’. De tekst van HH is géén essay, zo wordt benadrukt, maar een “schatkaart”. De illustrator Brecht Evens, bekend van graphic novels en strips, heeft de “sporentocht” van HH in het land van de poëzie verbeeld in een “vouwbare” kaart die dezer dagen tentoongesteld wordt in het Letterenhuis (Antwerpen). Naast de kaart is er de hypertekst waarin de auteur als gefascineerd poëzielezer zijn zoektocht vormgeeft (zie http://wereld.paukeslag.be). Tekst wordt verbonden met geluids- en filmopnamen. Samen met de tekening van Evens is dit een multimediaal project dat een onversneden en laaiend pleidooi is voor – in kapitalen – “VERVOERING” en “BELEVENIS” in de poëzie.

Wereld van de Poëzie in kaart

Op Gedichtendag, donderdag 26 januari 2017, presenteerde het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) een nieuw format na het Gedichtendagessay van respectievelijk Paul Bogaert, Charles Ducal, Luuk Gruwez, Jan Lauwereyns en Erik Spinoy (2008-2012). De website van het VFL maakt melding van het “poëziepromotieproject” ‘Wereld van de Poëzie in kaart’ (uitgeverij Polis). Na de essays wordt nu ingezet op “spoortochten”. Telkens worden een “enthousiasmerend” poëzieschrijver, lezer en promotor van gedichten, én een illustrator (“verbeelder”) uitgenodigd hun speuren in de wereldpoëzie “letterlijk en figuurlijk in kaart te brengen”. Op Wereldpoëziedag, 21 maart jongstleden, is het digitale luik van ‘Het Land van Music-Hall’ door HH en Brecht Evens online gekomen op Paukeslag.org. De dag van de release is natuurlijk niet toevallig gekozen.  Sinds de conferentie van de UNESCO in Parijs (1999) geldt 21 maart als World Poetry Day. Doelstelling van Wereldgedichtendag is volgens de website van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur “supporting linguistic diversity through poetic expression and increasing the opportunity for endangered languages to be heard”. Het nieuwe initiatief van het VFL past in dat streefdoel. HH profileert zich als een bedreven poëzieambassadeur die met zijn programma scholen bezoekt, optreedt op vraag van culturele verenigingen en te lande een lans breekt voor de “belevenis” en niet louter de “verstaanbaarheid” van de poëzie.

Intratekstualiteit

Een ander gedicht in de compilatie Miavoye heet ‘Het slempen van de reus’ en wijst vooruit naar de jongste dichtbundel Gedichten voor de kleine reus (Polis, Antwerpen, 2016). Uit de gedichtenreeks blijkt dat HH na de reis naar de onderwereld een “tegenbeweging” inzet. Dat hij daarvoor de conventionele grenzen van de literaire genres met de voeten treedt, merken we al in de “tweeschelpenroman” Zoutkrabber expedities (2014). De tekst wordt volgens de schrijver best opgevat als “twee schelpenhelften: Hollandse én Vlaamse (taal)eigenheden, sober én barok, rauw én magisch”. Dat een reis in etappes verloopt en bijgevolg een continuïteit laat zien, toont alleen al de titel van het boek aan. De schrijver is niet alleen schatplichtig aan de literaire traditie waar hij inherent deel van uitmaakt, hij kan vandaag alleen schrijven na wat hij gisteren heeft geschreven. De bundel waarmee De reis naar Inframundo afsluit, Navagio. Wrakhoutgedichten (2008), bevat in de reeks ‘sneeuwdienst’ een gedicht getiteld ‘Zoutkrabber Expedities’. En de nar Fanastasio in het gelijknamige prozaboek figureert zowel in de dichtbundel Santander (2001) als in “de anti-roman” De vliegende monnik (2004). Deze greep uit het web van intratekstuele verwijzingen laat de verstrengeling van HH’s teksten zien.

Dat geldt ook voor Gedichten voor de kleine reus. De Van Ostaijen-gedichten in Miavoye zijn opgenomen in de derde afdeling ‘Het land van Music-Hall’, een titel die zoals gezegd refereert aan de “sporentocht” die recent voor het voetlicht is gebracht.

Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Zuid-Afrika, het Afrikaanse continent en met name Breyten Breytenbach, Charl-Pierre Naudé en Alfred Schaffer spelen een rol in de queeste van de immer zoekende poëzielezer HH. In de zoektocht zelf moet de finaliteit van de “sporentocht” worden gevonden. Enkele reminiscenties aan Afrika zijn de volgende. In Navagio, de bundel van het zinkende schip, verwijst het gedicht ‘Marinero (klaaglied)’ naar de “gruwel van Darfur”. Gedichten in deze bundel zijn in Zuid-Afrika ontkiemd en zelfs geschreven. Als deelnemer aan het project E-POS II van Veerle Rooms en Willem Persoon zijn de gedichten ‘Marinero (klaaglied)’, ‘El Capitán (schipperslied)’ en ‘Een aanval van liefde’ geschreven. ‘Marinero (klaaglied)’ is door Charl-Pierre Naudé en Gabeba Baderoon vertaald naar respectievelijk het Afrikaans en het Engels (gepubliceerd in Revolver [133], 33 (2007), 4 (maart), p. 41-42). Op het einde van deze tekst citeer ik het gedicht ‘Soweto’ dat in Gedichten voor de kleine reus (p. 24) is opgenomen.

In HH’s pleidooi voor “muziekdoosgedichten” – ‘zingzeggende’ poëzie die door melodie en ritme wordt gedreven en aan de historische (schrijf)context ontsnapt – spelen Zuid-Afrikaanse schrijvers een rol. In ‘De sporentocht’, het eerste “hersenspinsel” waarmee Het Land van Music-Hall opent, wijst de “ontdekkingsreiziger” op een uitspraak van Breytenbach waarin de ongebondenheid van het gedicht wordt onderstreept: “We worden gedwongen te leven als drones, op afstand bestuurde mensen. […] Poëzie is zo oud als de mensheid, en zowel haar kracht als machteloosheid zijn altijd tegelijk aanwezig geweest. Het belang van poëzie is dat ze praat over fundamentele menselijke uitdagingen en ervaringen, over de mogelijkheid om nieuwe beelden te zoeken en andere mensen te worden. Daardoor alleen al levert ze kritiek op de dominante consumptiecultuur”. Het interviewfragment dat HH aanhaalt, kan als een motto voor de “sporentocht” dienst doen. De schrijver roept op: “Verleg je grenzen. Zing je lied, ondanks alles”. Op Paukeslag.org, waar de “schatkaart” online te vinden is, zijn foto’s en filmopnames van Breytenbach beschikbaar. Zo ook de verwijzing naar het eredoctoraat dat Breytenbach in december 2014 van mijn Alma Mater in ontvangst mocht nemen.

In het dromenboek van HH, dat lezers wil winnen voor de wereldpoëzie en een beklijvende hoogstpersoonlijke zoektocht is naar “[d]e stem van de bezieling” in de middeleeuwse ballade, het rondeau, bij uitbreiding “muziekdoosgedichten” in de literatuur van de Middeleeuwen tot de eenentwintigste eeuw, figureren ook Afrikaanse liedjes, zoals: “Ek’s ’n dapper muis, / Kyk hoe stap ek deur die huis / En daar’s niks waarvoor ek skrik nie…”, en een dichtfragment van Charl-Pierre Naudé – de reisgenoot die bij E-POS II betrokken was. In de eenentwintigste-eeuwse wereldpoëzie rekent HH de bundel Al die lieflike dade (2014) tot het dichtwerk dat “de verkalkte ruggengraat van de samenleving bloot[legt]”, “de zintuigen op scherp [zet]” en “de tijd bij de kraag [pakt]”: “Je ontdekt de fonkelverzen van de Zuid-Afrikaanse Charl-Pierre Naudé: het alledaags zichtbare wordt bij hem terug mysterieus, het hermetische blijkt een hoelahoepend meisje, het verhevene klopt door vlees en bloed. Zijn jongste bundel Al die lieflike dade legt verbindingen vanuit het land van wijlen Ingrid Jonker, bekend om haar schrijnende muziekdoosgedicht ‘Korreltjie, korreltjie sand’, naar de vele pijnpunten van dit tijdsgewricht. Naudé kijkt van buiten naar binnen, de 21e eeuw in”. Vervolgens worden deze regels geciteerd: “Ek droom oor ’n wêreld / waar die konings nie meer konings is nie/maar muiltjes met koningsgezichten”. In het gedicht ‘Nawoord’ aan het eind van Al die lieflike dade lees ik:

Weldra word alles

(as die geluk sou tref)

ingetrek

in ’n wêreld waar die konings

nie meer konings is nie

maar pakdonkies met koningsgesigte,

[…]

CP Naudé heeft de gedichten ‘Stoptrein’, ‘Pasboekfoto onder kleefplastiek’ en ‘Lof aan die versakers’ bijgedragen aan het project E-POS II.

Tot de dichters die alles “op het spel” zetten, rekent HH ook Alfred Schaffer. In ‘Het Land van Music-Hall’ lees ik: “een eigenzinnig en verrijkend taaluniversum creëren is volgens mij niet langer voldoende, er dient nog meer op het spel te staan. De eigen pols moet worden overgesneden, dieper gravend, kervend, het bloed vermengd met onze voorouders, de hand reikend over de schuttingen binnen en rond de samenleving. Lees de verzen van de in Zuid-Afrika wonende Alfred Schaffer”. Vervolgens leest Alfred Schaffer het gedicht met de openingsregel ‘Er waren landschappen zonder plezier’ van Hans Andreus. Wie het HH’s ‘Land’ betreedt, moet beslist ook de geluidsopnames aanklikken, de tekeningen bekijken, zich kortom overleveren aan de zintuiglijke rijkdom van het multimediale poëzieproject.

“Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”

De poëzie van Zuid-Afrikaanse schrijvers maakt deel uit van de “poëtische ontketening” waartoe HH oproept. Hun gedichten behoren tot de wereldpoëzie, met de term van Goethe de “Weltliteratur”, die voor deze auteur alléén interessant is indien ze tot een “belevenis” leidt, “een onherhaalbare gebeurtenis” is, tot de woorden zich loszingen van hun betekenissen. We betreden met als gids HH ‘Het Land van Music-Hall’ waar de ketenen worden losgezongen. “Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”. Het is de mantra van deze “sporentocht” door de poëzie. Als de lezer de verzen heeft geïnterioriseerd, niet alleen maar geconsumeerd (de tekst is een antidotum voor “consumptiecultuur”), kan hij of zij “van de woorden [loskomen] en [verdwijnen] door de poort naar het Land van Music-Hall”. De zoektocht is een balsem voor de ziel en opent nieuwe perspectieven voor wie bereid is er zich aan over te leveren. Ik sluit af met een zoveelste oproep van HH: “Van Ostaijen lezen, het zou in om het even welke studierichting verplicht moeten worden”.

Tot slot. In de openingsafdeling ‘De Tuin der Poëten’ van Gedichten voor de kleine reus heeft HH ‘Soweto’ opgenomen, een tekst die is ontstaan tijdens de Zuid-Afrikareis in 2006. Vooralsnog is het gedicht niet vertaald in het Afrikaans. Zowel de dichter als de auteur van deze bijdrage kijken uit naar een vertaling. Neemt Daniel Hugo de handschoen op?

Soweto

Wij zijn gazellen in het roodoranje.
De rotsen van Cederberg beschermen ons.
Zwetend in een okergele zak.
‘Ik sprak met de slang der kennis. Ik ben een wilde kat.’
‘En ik een aardwolf.’
‘Ik ben er ook. Geelvis.’
‘Witvis!’
‘Wat een uitzicht, ik ben een zwarte adelaar –’
Na de bliksem in het hoofd kalm worden als een oude man.
‘De dood reist altijd mee. Staat aan onze kant?’
‘Reken maar, vuurstokje. Doet het leven fonkelen.’

Klipspringers, richting beschilderde koeltorens.
Doornkop, verhaal van de goudkoorts.
De onderdrukkers. De regengodin liet hen begaan.
Ze werden groter en groter, blank en gulzig.
‘Naar de cel, kaffer!’
Hun witte forten kenden de vreugde van het stroompje niet maar de angstige
hoogmoed van de muren.
Emakhulukhuthu – diepe kloof in het hart.
Buiten deze cel glanst en zoemt het leven, dacht Gandhi.
Mandela soesde: niet stuurloos zijn als een wit busje zonder chauffeur. Hij
droomde van elektriciteit en water.
O lange weg.

De boze heuvelgeest lacht de golfkartonnen huisjes uit.
‘Wie is niet besmet, beroofd, verkracht, vermoord?’
Oog van de reus! Wij steunen elkaar, staan telkens op.
Zingen in het bloed. Wij zijn deel van de wereld, wereld.
Kinderen dansen – vuur maakt vuur in Orlando West.
Gluur naar binnen, blauwgroen vogeltje.

De queeste van de poëzielezer Peter Holvoet-Hanssen kan worden gevolgd op Paukeslag. Digitaal platform voor levend poëzie-erfgoed van Poëziecentrum (Gent): www.Paukeslag.org.

Zie ook: http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/press/1081/nu-online-het-land-van-music-hall.html

http://www.letterenhuis.be/nl/activiteit/wereld-van-de-po%C3%ABzie-kaart

http://www.unesco.org/new/en/unesco/events/prizes-and-celebrations/celebrations/international-days/world-poetry-day-2016/

 

Yves T’Sjoen. De ironische gestalte van Zbigniew Herbert in Breytenbachs poëzie

Wednesday, March 29th, 2017

Zbigniew Herbert

De ironische gestalte van Zbigniew Herbert in Breytenbachs poëzie

Het is op 8 maart jongstleden gerapporteerd, onder andere op de weblog Versindaba: Breyten Breytenbach ontvangt voor zijn literaire oeuvre van de stichting die is genoemd naar de Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924-1998) een van de meest belangwekkende literaire onderscheidingen in Europa. De Zbigniew Herbert International Literary Award wordt sinds 2013 uitgereikt aan een internationaal gerenommeerde schrijver. De voorbije jaren viel de eer te beurt aan Lars Gustafsson, Ryszard Krynicki, William Merwin en Charles Simic. Net toen het nieuws bekend raakte – er bestaat  geen toeval – las ik een essay van Marc Reugebrink in de bundel Het geluk van de kunst (2012). De bijdrage handelt over de gedichten ‘Apollo en Marsyas’ en ‘Meneer Cogito’s opdracht’. De eerst vermelde tekst is door Czesław Miłosz en Peter Dale Scott naar het Engels vertaald. ‘Apollo en Marsyas’ is een meesterlijk gedicht gebaseerd op en een adaptatie van de klassieke mythe zoals verhaald in Ovidius’ Metamorfosen (Boek VI), een narratief over de wreedaardige god Apollo en de stoutmoedige sater Marsyas, die de godheid uitdaagt en uiteindelijk levend wordt gevild. In verschillende versies en bewerkingen van de mythe verschuift het vertelstandpunt. In de Nederlandstalige literatuur denk ik aan bewerkingen door Hugo Claus en Stefan Hertmans.

Reugebrink bespreekt de vertaalproblematiek en de wijze waarop de vertaler Gerard Rasch in vergelijking met Miłosz en Dale Scott bepaalde keuzes voor de vertaalslag naar het Nederlands heeft gemaakt. De essayist stelt dat Herbert vooral het “(gruwelijk) lijden in de kunst” in zijn bewerking heeft gethematiseerd. De parallel ligt dan voor de hand met met het lijden van de kunstenaar onder een communistisch regime, het verhaal van de zanger die te maken krijgt met censuur en staatsintimidatie. Al voegt Reugebrink meteen toe dat “niet ieder gedicht van [Herbert] om die reden een ‘geëngageerd gedicht’ moet worden genoemd”. Niet alle teksten van schrijvers in de diaspora moeten vanuit politiek-ideologisch perspectief betekenis worden gegeven. Dat geldt zowel voor Zbigniew Herbert als voor Breyten Breytenbach.

De receptie van beide gedichten wijst uit dat Herbert in “het voormalige ‘Vrije Westen’” vrijwel uitsluitend politiek is geïnterpreteerd. Reugebrink gewaagt in zijn essay ‘“Some untidy spot”’ van “een soort strijdlied […] voor hen die zich intellectueel onderdrukt achtten, maar dat het [gedicht] tegelijkertijd als strijdlied niet werkelijk iets te bieden heeft: geen vrijheid, geen verlossing, geen troost, geen aankomst in een aards of hoger gelegen doel”. In een dergelijke lezing worden teksten gereduceerd tot een protestlied tegen de verknechting van de vrije kunst door dictatoriale machthebbers.

“How to bring presence into a poem” (Jarosław Mikołajewski)

Marc Reugebrink weigert de tekst van Herbert uitsluitend te lezen vanuit dat politieke frame. Met name als een getuigenis van een dichter die achter het IJzeren Gordijn door het alomtegenwoordige en toeziend staatsapparaat wordt geringeloord en van zijn vrijheid ontvreemd. Ironie, de schrijver spreekt zelfs over “fijnzinnige ironie”, is een substantieel ingrediënt van Herberts stilistische palet. Door zijn gedichten in de hermeneutische mal van “het strijdlied” te plaatsen, wordt het semantische potentieel aanzienlijk ingeperkt. De teksten waarvan hier sprake kunnen ook als uitdrukking van verwondering worden gelezen, waarin een bepaalde afstandelijkheid aanwezig is, of als een uitdrukking van het besef van “een kloof tussen voorstelling en wereld, in feite de kloof tussen taal en wat zij benoemt, en dus ook een kloof tussen het ik en de wereld”, zo stelt de auteur van het essay.

Indien dit het uitgangspunt voor een lezing is, ontstijgt de poëzie van Zbigniew Herbert de tragische anekdotiek die er ten grondslag aan ligt en hoeft de lectuur van het gedicht zich daartoe geenszins te beperken.

Ik denk dat de bekroning van Breytenbachs oeuvre in dat licht kan worden beschouwd. Het lijkt me de meer eervolle lezing van de prestigieuze onderscheiding. Hier wordt niet zozeer de antiapartheidsactivist gelauwerd, de schrijver die over het tragische (persoonlijke) lot onder apartheid een esthetisch verantwoorde getuigenis brengt. De eendimensionale politieke lezing van Breytenbachs poëzie doet afbreuk aan de gelaagdheid, de ironische connotaties, de semantische rijkdom en vooral de weerbarstigheid van elke tekst. Voor de duidelijkheid betrek ik hier beider oeuvres en poëtica’s, van Herbert en Breytenbach, niet op elkaar. Herbert, zo stelt Reugebrink, nam “afstand van de avant-gardistische, modernistische poëzie die zich na de Tweede Wereldoorlog evenzeer als antwoord op de verschrikkingen van de Holocaust aandiende”. Breytenbach omarmt in de jaren zestig nu net het surrealisme, de modernistische poëzie van onder andere Vijftig in Nederland, van de Franse meesters Blaise Cendrars, Paul Eluard, Henri Michaux en anderen. Een vergelijkend onderzoek naar de Franse modernistische poëzie en het werk van Breytenbach moet nog worden ondernomen.

De bekroning met de Zbigniew Herbert-prijs is een statement dat Breyten Breytenbach op zijn manier heeft gelezen. Op Versindaba oppert hij: “[G]edigte. In sy geval suiwer, gekonsentreerde syns-essensie wat ook uiters effektief ‘gelees’ en ‘verstaan’ is as stellingname in die politieke en sosiale en selfs religieuse arena”. Breytenbach legt de nadruk niet uitsluitend op de politieke subtekst, die hoe dan ook telkens in een referentiële lectuur kan worden betrokken, maar hij haalt ook sociale en “selfs religieuse” dimensies aan. In zijn ironische en tegelijk erkentelijke reactie laat hij dit nog optekenen: “een van die jurielede, Joeri Androekhowietsj van Oekraïene, [het] met die bekendmaking van die toekenning daarop gewys […] dat Afrikaans tans met uitwissing bedreig word. Ek sou kon byvoeg dat hierdie totaal sinnelose taalmoord gerasionaliseer word deur die heldhaftige Afrikaansveragtende Stalinistiese pragmatiste aan bewind by die Joenewersitie van Kakiebosch”. Breytenbach ziet de bekroning als een hart onder de riem, of dus een riem onder het hart, van het Afrikaans en brengt de “taalmoord” onder de aandacht die aan Zuid-Afrikaanse academische instellingen wordt gepleegd.

Ook in Nederland en België is de poëzie van Breytenbach lange tijd als protestsong gezien. De beeldentaal is veelal ideologisch zin gegeven en in de beperkende mal van Adorno’s beroemde uitspraak over poëzie en Auschwitz geplaatst. Op die manier is het werk van Breytenbach jarenlang reductionistisch gelezen, als klacht of uitdrukking van een anti-apartheidsmilitant. Tijdens mijn lectuur van Reugebrinks essay en met kennis van de literaire berichtgeving over de toekenning van de Zbigniew Herbert Internationale Literaire Prijs ontwaar ik een parallel. Het is verleidelijk de teksten van een onderdrukte, verbannen of gevangengezette dichter vanuit de persoonlijke tragiek en de politieke overtuiging interpretatief gestalte te geven. Maar daarmee stapt de lezer voorbij aan de diepgang, de particuliere beeldentaal, de stijlmiddelen die van een tekst méér dan een politiek pamflet maken. Dat toont Reugebrink voor ‘Apollo en Marsyas’ en de Meneer Cogito-gedichten van Herbert, gebundeld in Een snaar van licht (1956), overtuigend aan. De bekroning van Breytenbachs oeuvre met de prijs is niet alleen een eerbetoon voor het politieke activisme van een kunstenaar in een onderdrukkend regime. Voor mij zijn het de eigenheid en ook de fijnzinnige ironie die deel uitmaakt van beider oeuvres die beide namen samenbrengt. De stichting heeft daarenboven geen kloon, een Zbigniew Herbert-achtige verschijning in de Afrikaanse poëzie, willen bekronen. Daarvan ben ik overtuigd. De persoonlijke zinnen van de drie hoog aangeschreven literaire juryleden sterken me in die niet eens gedurfde zienswijze.

Noten

De motivering van de jury (Yuri Andrukhovych, Michael Kruger en Jarosław Mikołajewski) kan hier worden gelezen: http://www.fundacjaherberta.com/en/laureates-of-the-international-zbigniew-herbert-literary-award.

Marc Reugebrink, ‘“Some untidy spot”’, in Het geluk van de kunst. De Bezige Bij, Antwerpen, 2012, p. 45-56.

Breyten Breytenbach ontvangt op 25 mei in Warschau de Zbigniew Herbert International Literary Award. Vorig jaar was hij in juni nog te gast op het internationale Czeslaw Milosz-festival in Krakau (http://miloszfestival.pl/en/archive/2016-2/guests/). Ook de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans, wiens Oorlog en terpentijn door Daniel Hugo naar het Afrikaans is vertaald, was er toen te gast.

 

Yves T’Sjoen. Tottenham Hotspur in de Vlaamse poëzie

Monday, February 20th, 2017

Tottenham Hotspur in de Vlaamse poëzie

Voetbal op een poëzieweblog: het is eens wat anders. De voetbalsupporter in en rond de Arteveldestad leefde er al maanden naartoe. Net als de andere Belgische clubs Anderlecht en RC Genk heeft een van de oudste clubs van het land, KAA Gent of dus vanouds de Gantoise, met de nodige meeval in een winterkoud Turkije de groepsfase doorsparteld. Gent heeft zich in het najaar van 2016 geplaatst voor de volgende ronde van de Europa League. Waar FC Brugge op het echte kampioenenbal lelijk in het zand beet en met lege handen achterbleef, konden de drie vermelde clubs Europees overwinteren.

Actueel voetbalnieuws

De loting was KAA Gent deze keer gunstig gezind. In de campagne van vorig seizoen, meer bepaald in de groepsfase van de Champions League, steeg Gent boven zichzelf uit. De club slaagde erin zich met verve te plaatsen voor de achtste finale tegen de Duitse Volkswagen-club Wolfsburg. Alleen waren de tegenstanders vorig seizoen geen notoire publiekstrekkers of Europese kleppers (hoewel: Zenit Sint-Petersburg, Lyon en Valencia). Van alle tegenstrevers die Gent deze keer kon loten, in de zestiende finales van de Europa League, verkoos zowat iedereen in Gent Tottenham Hotspur. Zelfs boven AS Roma. De Londense topclub van de Engelse Premier League appelleert aan het voetbalhart van de soccerfan. Het zou voor de hand liggen dat de dubbele confrontatie met het roemruchte Tottenham, momenteel derde in de Engelse league, met een sisser afloopt. Tenminste als de krachts- en kapitaalsverhoudingen worden gerespecteerd. Geld en sportieve mogelijkheden hoeven niet altijd de doorslag te geven. Vorige week donderdag 16 februari had de heenwedstrijd plaats in de Ghelamco Arena, de thuisbasis van AA Gent. In de media, zowel de Engelse als de Vlaamse, is gesproken over “een stuntzege”. Gent haalde het van Tottenham met een typische Arsenalscore: 1-0. Volgende week nemen Gent en Tottenham het tegen elkaar op in het mythische Wembley Stadium. Er worden daar meer dan tachtigduizend toeschouwers verwacht.

The Spurs

Ook in het verleden sprak de club met decennialang haar thuisbasis in het roemruchte White Hart Lane tot de verbeelding van de sportliefhebber. Tottenham is in Engeland echt een traditieclub. Opgericht in 1884 heeft de club door de jaren heen vele iconen van het internationale voetbal in zijn rangen geteld. De Wikipediapagina resumeert de rijke historiek. Tottenham Hotspur Football and Athletic Club sprak ook in de Lage Landen altijd aan. Dichters lieten zich charmeren door het viriele en dominante spel en het succes van de Londenaars. Grasduinend in de poëzie van de Antwerpse dichter en Beerschot-fan Nic van Bruggen (1938-1991), bekend als radioverslaggever voor thuismatchen van de Ratten op het Kiel (Beerschot VAV), tref ik een liefdevolle reeks Tottenham-teksten aan. De afsluitende afdeling ‘Yards’ in de bundel Jardin des modes (1963) bevat voetbalgedichten waarin de legendarische ‘Spurs’ worden bezongen in dithyramben, alliteraties en assonanties, in welluidende regels. In 1961 kroonden de Spurs zich voor de tweede keer in hun bestaan tot landskampioen van Engeland, precies een decennium na de eerste titel, en ze wonnen in datzelfde jaar de FA Cup. Het volgende seizoen kwam Tottenham uit in Europa waar het pas in de halve finale de meerdere moest erkennen in het gerenommeerde Benfica Lissabon. De titel en de cup in 1961 markeren het begin van een weliswaar kortstondige zegetocht en het bijbehorende renommee in Europa. In 1962 is opnieuw de beker veroverd. In het seizoen 1962-1963 veroverden de Spurs de scalp van Atletico Madrid in de finale van wat toen nog Europacup II heette. De monsterscore van 5-1 tegen Madrid heeft in het oeuvre van een Antwerpse dichter geleid tot lyrische ontboezemingen.

Voetbalgedichten

De reeks van Van Bruggen begint met ‘the Spurs’ en bevat onder meer titels als ‘the cup’, ‘White Hart Lane’ en ‘when the Spurs go marching in’. Van Bruggen beschrijft niet, zijn poëzie is helemaal niet anekdotisch of vertellend. De gedichten zijn gekunstelde expressies over taal, lichamelijkheid, schoonheid. Anders dan Herman de Coninck in zijn nieuw-realistische Cruijff-gedicht in Zolang er sneeuw ligt (1975) gebruikt Van Bruggen metaforen die aan de viriele voetbalsport zijn ontleend.

Cruijff

Een gestrekte bal,

een balk door de lucht,

een eerlijk eikehouten schot:

zo gaat de waarheid op haar doel af.

Of heen en weer

en heen bewegend, de tegenstrever,

de lezer, steeds weer op het verkeerde

been zettend, door een overstapje, een

oversprongetje, elke nieuwe regel

uit leesevenwicht te beginnen,

deze beweeglijkheid, deze fysieke

bewogenheid, god, dit is kunst:

geboren worden en een lichaam hebben

en er dan gedurende een blauwe maandag

Johan Cruijff mee zijn

in een gedicht, een speelveld

van Herman de Coninck.

Net zoals de legendarische coach van Nederland Rinus Michels het omschreef, is voetbal voor de dichter Nic van Bruggen oorlog. Zo staat het althans geformuleerd, in een écriture artiste, in het gedicht ‘Blanchflower’ van Jardin des modes: ‘het brede weten van uw einder / om de wet van oorlog / de groene horizon de witte kring / ontmanteld en liturgisch moegelopen’. Het voetbal van de Spurs wordt met sacrale termen verbonden. Voetbal is een religie en gaat over het bestaan.

In zoverre ik het kon nagaan, heeft in de Vlaamse literatuur alleen Nic van Bruggen Tottenham Hotspur tot een dichterlijke metafoor verheven. Overigens krijgen ook Beerschot en Feyenoord, en het onderlinge duel dat beide clubs uitvochten, in een andere bundel aandacht (Ademloos seizoen, 1974).

Beerschot-Feyenoord

Het stadion oud van ijzer, maar gras

Licht als een biljart onder neon.

En daarop, dierbaar maar droef wel,

Kleur om kleur, geweld om geweld:

Het schone schuldige recht van de sterke.

Hier zijn de helden, tragisch als traditie,

Dragen namen, nummers, data en doelpunten,

Rauw applaus en herkenbaar antiek om

Hun pracht, hardheid, praal en huid.

De tijd is van koorts, de adem giftig,

Goedheid sterft eeuwig en eenzaam hier.

Het regent nu. Het lijf aan lijf, toornig

Trots, zeldzaam genadig, maar mooi

En minzaam als een gestreelde broedermoord.

‘The Saints’

De confrontatie tussen KAA Gent en Tottenham Hotspur spreekt sinds enige tijd tot de verbeelding. In Gent zoals de FA Cup en de finale van de Europacup dat deden begin jaren zestig voor de Antwerpenaar Nic van Bruggen. De wedstrijd op donderdag 23 februari in Londen speelt zich niet af in de tempel White Hart Lane, waarover Van Bruggen het volgende dichtte: ‘de smeulende smaak der spieren / scheppend in een tempel / adem schouders en schoonheid’. Het clublied van ‘the Spurs’ klinkt nog steeds elke week uit duizenden kelen. Ik ben benieuwd hoe deze evergreen van de Britse voetbalvelden klinkt in die andere voetbaltempel van Londen. Van Bruggen spreekt over ‘de zware zang der treurbes / het lichte lied van gewichtige ladies’. Het stelselmatig oplopende ritme, met in de eerste regels de larmoyante cadans van een treurmars en naarmate het refrein wordt hernomen een opwekkend lied van hoop en zegepraal, is bijzonder aanstekelijk. Ik zal er beslist aan denken wanneer ‘when the Saints go marching in’ weergalmt in Wembley. ‘When the Saints’ is niet alleen een beroemde jazzstandaard, een hymne over de verhoopte toetreding tot het hemelse paradijs die is vertolkt door onder anderen The Beatles, Fats Domino en Louis Armstrong, Elvis Presley. Het is tegelijk een troostend lied dat op begrafenissen wordt gespeeld. De supportersschare van Gent heeft een andere evergreen in het repertoire, internationaal veel minder bekend: ‘’t Vliegerke’ van de plaatselijke bard Walter de Buck. Laten we hopen na de “stuntzege” in Gent dat de zonen van Artevelde hun lijflied daar in Wembley, op de Dag des Oordeels, niet als treurmars zullen moeten inzetten. Want winnen is toch nog belangrijker dan alleen meedoen.

When the Spurs go marching in

zo de taal tekent toon slaat

metalen woorden drijvend

uit de deuren van het hoofd

keel is een fluwelen kei

geluid een dankbaar spraakgebrek

van zenuwen

en hoort hoe de zonen zingen

de zware zang der treurbes

het lichte lied van gewichtige ladies

Meer bespiegelingen over voetbal en poëzie heb ik verwerkt in ‘“Dribblings schotsen van koper”. Voetbal in de Vlaamse poëzie’, in Kunsttijdschrift Vlaanderen 64 (2015) september (nr. 355), p. 34-37.

Yves T’Sjoen. Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Friday, December 30th, 2016

louis-2011a

Yves T’Sjoen, Athol Fugard & Louis Esterhuizen (sept. 2011)

.

Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Bij het afscheid van de boekwinkelbestuurder Louis Esterhuizen

.

Literair veldonderzoek

Schrijvers en uitgevers, critici en vertalers, fondsredacteurs en letterkundigen. Ze krijgen in het hedendaagse literatuurwetenschappelijke onderzoek aandacht voor hun institutionele rol in het vertoog over literatuur. Hun posities worden toegelicht zowel op het gebied van de materiële als de symbolische productie van literatuur. In het Nederlandse taalgebied bestaat toenemende aandacht voor de cultuursociologische context waarin het literaire bedrijf plaatsheeft. De fondsopbouw van literaire uitgeverijen, het discours van periodieken en de literatuurkritiek, de cultuurbemiddelende functie van de vertaler en de (canoniserende) beeldvorming van literatuurgeschiedenissen zijn maar enkele voorbeelden van contextuele benaderingen die vandaag in het vakgebied modieus zijn.

In het schema dat C.J. Van Rees en G.J. Dorleijn opnamen in hun veel geciteerde studie De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000 (2006) worden de onderlinge relaties tussen actoren, instituties en strategieën in het literaire veld aanschouwelijk voorgesteld. Daarin bekleden onder meer literatuuronderwijs, fondsen voor de letteren, bibliotheek en boekhandel een belangwekkende positie. Vooral wanneer het op de symbolische waardebepaling van literaire producten in de publieke ruimte aankomt. De boekhandel is een van de instanties die vooralsnog in het veldonderzoek geringe aandacht krijgt. In het Nederlandse taalgebied ken ik maar enkele voorbeelden. Daarnaast ben ik geïnteresseerd in boekhandelaars die ook schrijver zijn, of beter andersom, auteurs die een tijdlang de kost verdienen met het uitbaten van een boekwinkel. In Vlaanderen, toen en nu, denk ik bijvoorbeeld aan de Antwerpse boekhandel De Brug van Paul de Vree, de legendarische boekhandel van Adolf Herckenrath in de Gentse Veldstraat, het gerenommeerde De Zondvloed van Johan Vandenbroucke (Mechelen en Roeselare), het boekwinkeltje Librairie de la Bibliothèque in Oostende van de Franstalige Belgische dichter Henri Vandeputte en Joris Vriamont als verantwoordelijke van de muziekafdeling in La Lecture Universelle (Brussel). Paul van Ostaijen hield dan weer enkele jaren de Brusselse kunstgalerie A la Vierge Poupine open. Schrijvers moeten aan de kost komen.

Boekhandelaar en dichter

Weken geleden is melding gemaakt van het afscheid van Louis Esterhuizen als filiaalhouder en bestuurder van de voor mij al jarenlang als onweerstaanbaar ervaren Protea Boekwinkel in Stellenbosch. Sinds juli 2002 is Esterhuizen in dienst van Protea Boekhuis (Pretoria). De laatste werkdag van 30 desember 2016, vandaag dus, trekt hij de deur achter zich dicht. Op de Facebookpagina zijn de voorbije tijd foto’s gepost van een afscheidsbijeenkomst in het gezelschap van de medewerkers. Jaren terug, sinds mijn eerste kennismaking met de indrukwekkend volgestouwde boekwinkel in de Andringastraat, was Louis Esterhuizen voor mij een door literatuur begeesterde en bijzonder sympathieke handelaar. De robuuste en zachtzinnige verschijning die ik elk jaar in september de stevige hand mocht schudden.

louis-2011e

 Louis Esterhuizen

Later werd hij voor mij de dichter. In het najaar van 2010 stuurde hij naar mijn thuisadres wat die water onthou met op het boekomslag een aquarel van zijn geliefde muze Marlise Joubert. In de gebundelde gedichten is de relatie met en kennis van de Vlaamse poëzie expliciet gemaakt. Zo begint een van de watergedichten, ‘die heiligheid van water’, met een bijna letterlijke referentie aan de beginregel “Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water” van Paul Snoeks canonieke gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’. Drie jaar later, in september 2013, overhandigde Louis in Stellenbosch tijdens een diner in de Volkskombuis aan de oevers van Eerste Rivier het “reisjoernaal” Amper elders. Naast Cambridge, Amsterdam en Praag bepalen Brugge en Antwerpen (Berchem) de ruimtelijke setting van de poëzie. Voor wat die water onthou gebruikte Esterhuizen een motto dat is ontleend aan Paul van Ostaijens klassieker ‘Melopee’, ook de titel van het gedicht waarmee de bundel afsluit. In Amper elders wordt in de reeks die reminiscenties bevat aan de Lage Landen wel méér verwezen naar Nederlandstalige dichtkunst (Hugo Claus, Herman de Coninck, Peter Holvoet-Hanssen, M. Nijhoff en Eddy van Vliet). Ik herinner me zeer levendig het gesprek daar aan de oever van de kabbelende rivier – een locus amoenus voor de dichter – over de reis die Marlise en Louis in Europa hebben ondernomen, en de onuitwisbare indrukken van hun rite de passage. Amper elders is er het lyrische getuigenis van. Het bijwoord ‘amper’, zo lichtte hij toe, betekent in het Nederlands zowat het tegenovergestelde van wat in het Afrikaans wordt begrepen. Er zijn vele levendige herinneringen aan ontmoetingen. Zoals die keer dat we Breyten Breytenbachs verjaardag vierden ten huize Esterhuizen en verrassend de theaterlegende Athol Fugard te gast was. Het blijft ongelooflijk dat ik die zestiende september over Tone Brulin heb kunnen praten met een charmante oude man die het theaterexperiment in Vlaanderen vanaf de eerste rij heeft aanschouwd.

louis-2011f

 Verjaarsdagviering vir Breyten Breytenbach
16-09-2011
.

louis-2011d

Athol Fugard
.

Naar aanleiding van de generositeit die mij telkenmale te beurt viel, ben ik ook méér gedichten van Louis Esterhuizen gaan lezen. Uiteraard in de dikke Komrij, maar ook in periodieken en andere anthologieën. Esterhuizen is de schrijver van voorlopig tien dichtbundels, te beginnen met Stilstuipe (1986). In 2011 is hij voor de doorgecomponeerde bundel wat die water onthou bekroond met de Protea Poësieprys. Zijn debuut is genomineerd voor de Ingrid Jonkerprijs. De gedetailleerde bibliografie, die op de Wikipediapagina kan worden nagelezen, maakt verder melding van zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van en de praktische beoefening van “Bekgevegte”, intussen een begrip in de Afrikaanse literaire wereld, en in den beginne een lange loopbaan in het onderwijs.

Afscheid van een icoon

Het afscheid van Louis Esterhuizen als boekhandelaar valt me zwaar. Zelden ontmoette ik zo’n bekwame en innemende boekverkoper – verkoper klinkt in deze context veel te mercantiel. Hij is een bezetene van het boek, een wandelende encyclopedie van literaire anekdotes en bibliografische weetjes, en vooral – zo leer ik uit zijn Facebookposts – een aanstekelijk speurende melomaan. Het is in Louis’ boekhandel prettig kuieren tussen uitpuilende boekenrekken en doorhangende planken waar ik elk jaar bij mijn doortocht nieuwe producties mocht ontdekken. Daarin begeleid door de warme sonore stem en de nimmer opdringerige aanwezigheid van de bestuurder. Mijn privécollectie Afrikaanse letteren heb ik mede te danken aan Protea Boekwinkel en is ingefluisterd door de belezenheid van de plaatselijke boekenchef. Het is frappant hoeveel Louis heeft gelezen, niet zomaar even geproefd of van op afstand verkend. Legendarisch zijn de zaterdagmiddaggesprekken in de boekhandel waar literaire auteurs, historici en andere schrijvers de revue passeren. Recent, in november, was John Miles er nog te gast. Ik vergaap me bij elk bezoek aan de uitnodigende boekenkasten waar fotocollages aan de zijkanten evenzovele warme herinneringen zijn aan druk bijgewoonde boekpresentaties. Met een glaasje Zuid-Afrikaanse wijn. Louis hield het zelf bij, zo merkte hij onlangs op: hij leidde honderden sprekers in, faciliteerde dialogen en verzorgde de promotie. De foto’s etaleren het kruim van de Afrikaanse letteren. Allemaal passanten in de boekwinkel van Louis Esterhuizen, en voor haar pensionering natuurlijk ook Marlise Joubert.

louis-2011b

Athol Fugard en Marlise Joubert
.

De vriendschappelijkheid staat mij voor altijd bij en is onlosmakelijk verbonden met het pand op Bergzicht Plaza in de Andringastraat. De boekhandelaar, samen met zijn bijzonder sympathieke crew, was er het uithangbord. Het wordt nu anders. Maar ik weet zeker dat Protea Boekwinkel een baken is voor het letterkundige leven in de Kaap. Dat stempel valt nu eenmaal niet uit te wissen. Althans dat is mijn vurige verlangen.

“Huis toe gaan, ja, ek wil huis toe gaan” (‘Soldatelied’)

Intussen gaat Louis Esterhuizen verder met dichten en vertalen. Ik wens hem vanuit mijn positie van binnenwaartse buitenstaander alle wind in de zeilen.

Voortaan richt mijn aandacht zich op het dichtwerk. De muzikale compositie Die afwesigheid van berge (2014), de jongste bundel, is voor mij zonder meer een hoogtepunt in het dichterlijke oeuvre. Niet alleen compositorisch of stilistisch is Louis Esterhuizen de schrijver van bijzonder werk. Ook vanuit transnationaal perspectief valt er veel over te zeggen. De (expliciete) intertekstuele verwijzingen in Esterhuizens poëzie naar de Lage Landen verdienen uitdieping en in een breder (discursief) perspectief te worden bestudeerd. Als een literair-institutioneel onderzoek in Zuid-Afrika zich richt op de beeldsturende functie van de boekwinkel voor de Afrikaanse literatuur, dan zullen Protea Boekwinkel in Stellenbosch en de charismatische “boekwinkelbestuurder” daarin een prominente plaats toebedeeld krijgen.

Louis komt thuis in de poëzie.

Vale, waarde vriend Louis.

louis-2011c

.