Posts Tagged ‘Yves T’Sjoen’

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 - foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)

 

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (5) Roland Jooris

Monday, March 1st, 2010

Afwezig/aanwezig

Het zwijgen van de dingen en Roland Jooris’ invulling van peritekstuele ruimte

Roland Jooris

Roland Jooris

De vroegste poëzieproductie van Roland Jooris (1936) is wel eens geassocieerd met observatiekunst. De dichter schreef in de jaren zestig en zeventig ‘kijkpoëzie’. Volgens het artistieke credo van de Nederlandse Zestiger Armando, ten tijde van Barbarber en later Gard Sivik/De Nieuwe Stijl, was de neorealistische kunst erop gericht ‘de Realiteit [te] intensiveren. […] Werkmethode: isoleren, annexeren’. De kunstenaar is in dat poëticale vertoog gereduceerd tot ‘een koel, zakelijk oog’ en de poëzie noteert. J. Bernlef voegde er in de samen met K. Schippers geconcipieerde bundel Een cheque voor de tandarts (1967) aan toe: ‘de waarde van de observatie [wordt] door de originaliteit van de gezichtshoek, het idee […] bepaald’. In bundels als Een konsumptief landschap (1969), Laarne (1971) en Het museum van de zomer (1974) presenteert Roland Jooris strak gecomponeerde, meestal verticaal gestroomlijnde en woordgeconcentreerde teksten die zich aandienen als geïntensiveerde vormen van kijken en registreren. Jooris is, zo blijkt uit motto’s (van de beeldende ‘objectkunstenaar’ Claes Oldenburg in Laarne, van de Amerikaanse abstracte expressionist en minimalist Ad Reinhardt in Het museum van de zomer) en titels van gedichten (in Gedichten 1958-78 onder meer ‘Klee’, ‘Heimelijke briefjes aan Permeke’, ‘Breughel’ en ‘Op bezoek bij Raveel’) en van reeksen (‘Schilderijen, situaties, environments’ in Het museum van de zomer), maar ook uit de keuze voor picturaal werk van Raoul de Keyser en Roger Raveel (op het omslag van respectievelijk Een konsumptief landschap en Laarne), van meet af aan gefascineerd door architectuur, muziek, fotografie en schilderkunst.

 

 

 

 

 

 

 

Roger Raveel

Roger Raveel

 

In tegenstelling tot het ‘anonieme informatisme’ van enkele radicale neorealisten in Nederland, waarbij vanuit een gedistantieerde en louter observerende positie een fragment uit de realiteit wordt geregistreerd (in het neorealistische discours: geïsoleerd en geannexeerd), heeft Jooris wel altijd gedichten met of vanuit ‘een bepaalde visie’ geschreven. De persoonlijke invalshoek en dus de interpretatie van ‘wat door de blik wordt geïsoleerd’ zijn met andere woorden bepalend geweest voor zijn poëzie. In de loop van de jaren zeventig, eigenlijk al vóór de publicatie van de zelfbloemlezing Gedichten 1958-78 (1978), verschuift de focus van deze ‘kijkpoëzie’ almaar nadrukkelijker naar ‘poëzie met een visie’. Niet zozeer de registratie van fragmenten uit de werkelijkheid, wel wat ontbreekt, wat weg of verdwenen is, krijgt de aandacht van de kunstenaar. Van poëticale relevantie is de openingsstrofe van het gedicht ‘Schrijven’ (opgenomen als ‘niet gebundeld’ gedicht in Jooris’ verzamelbundel van 1978): ‘Wegnemen,/schrijven is/wegnemen’. De plaats van dit metatalige gedicht, in een reeks met nog ongebundelde poëzie, in een door de dichter samengestelde strenge selectie uit eerder gepubliceerd werk is markant. De bloemlezing heeft de waarde van een poëticaal statement, zoals Jooris-kenner Stefaan Evenepoel in zijn analyse beklemtoont.

De contouren van het verstrijken

De contouren van het verstrijken

 

 

 

 

 

Jooris’ poëzie wordt vanaf dat moment zo mogelijk nog woordkariger en veeleer contemplatief-filosofisch van inslag. De witruimte waarin de tekst resoneert, is precies door het functionele gebruik dat ervan wordt gemaakt geladen met betekenis. Jooris’ reducerende ‘kijkpoëzie’, waarin de werking van het wit ook al in zijn disparaatheid is geëxploreerd, blijkt achteraf beschouwd maar een tijdelijke fase in de dichterlijke ontwikkeling. In de eerste bundels zijn trouwens al sporen te vinden van wat hier ‘verdwijnpoëzie’ wordt genoemd. In Het museum van de zomer kan het gedicht ‘Minimal’, bijvoorbeeld, als exemplarisch voor de thematisering van het afwezige gelden: ‘Bijna niets/om naar te kijken/en juist dat/bekijk ik’ en ‘het riet/suggereert/de afwezige wind’. Door op een economische, zo niet aftastende manier het woord in te zetten, wordt uiteindelijk meer gesuggereerd dan de taal kan benoemen. More is less, het bekende adagium van Bauhaus-architect Mies van der Rohe, is in 1972 overigens ook de titel van een bibliofiele bundel van Raoul de Keyser en Roland Jooris. In het gedicht ‘Afwezig’ (Bladstil, 1977) worden in drie strofen drie beeldende omschrijvingen van ‘geluid’ onder elkaar geplaatst. Deze compositietechniek roept bij mij herinneringen op aan ‘Windstilte’ in Gaston Burssens’ hoogst merkwaardige bundel French en andere cancan (1935) waarin de stilte ook onmogelijk grijpbaar blijkt in taal en de dichter telkens andere metaforen inzet teneinde stilte te omschrijven. Het wit, dat ontstaat door regelafbreking, dat regels tot strofen maakt en dat zich vooral manifesteert na de slotregel, is in zijn suggestie veelzeggender dan wat de dichter in en door taal vermag.

Raoul de Keyser

Raoul de Keyser

 

 

Het zou uiteraard een reductie van Jooris’ poëzie zijn alleen te spreken over het thema van het verdwijnen en de afwezigheid. Deze dichter slaagt erin, met die kaalslag van het woord, te speuren naar (en aanwezig te stellen) wat aan het gezicht wordt onttrokken. Critici spreken wel eens over de zoektocht in Jooris’ dichtkunst naar ‘onderliggende essenties’ van de werkelijkheid, zelfs ‘tijdloze essenties’. De latere poëzie (nà Gedichten 1958-78) is inderdaad, meer dan voorheen, meditatief van inslag. Het beeldende werk waar Jooris altijd al door geboeid is – tot voor enkele jaren was hij conservator van het Roger Raveel-museum in Machelen aan de Leie, als essayist/criticus heeft hij tal van bijdragen over plastische kunst gepubliceerd (met vooral de bundel Geschilderd of geschreven, 1992) – blijft ook het latere werk bepalen. Hoewel hijzelf niet actief is als grafisch kunstenaar (of zich toch in elk geval niet als dusdanig publiek profileert), blijkt uit enkele facsimiles van kladjes in het schrijversarchief dat tekeningen wel degelijk een bepalende functie hebben in het concipiëren van gedichten. In De uitgegomde dichter (2007), uitgegeven ter gelegenheid van een tentoonstelling in Huis Thuysbaert in Lokeren, zijn reproducties opgenomen van Jooris’ manuscripten waarin telkens weer in margine picturale schetsen voorkomen. Uit de plaats van de tekeningen op de bladspiegel is af te leiden dat ze meestal aan het woord voorafgaan of dat woord en beeld elkaar bepalen. De woorden staan in de drie opgenomen afdrukken ten opzichte van de schets. Over de aandacht van Jooris voor plastische kunsten heeft Bernard Dewulf in diezelfde bibliofiele uitgave een tekst geleverd.

Vanaf de bundel Gekras (2001), (mede) door toedoen van Hans Vandevoorde, verschijnt de poëzie van Jooris in het fonds van de Amsterdamse uitgeverij Querido. Samen met Als het dichtklapt (2005) en De contouren van het verstrijken (2008) zijn van Roland Jooris intussen drie bundels in Nederland uitgegeven. Opmerkelijk is dat onder het kopje ‘Ander werk van Roland Jooris’ in de jongste uitgave alleen Als het dichtklapt vermeld staat en in de achterplattekst sprake is van zowel de driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie (voor Gekras) als van de nominatie voor de VSB-prijs van Als het dichtklapt (2006). Trouwens, het jaar van uitgave van die laatste bundel verschilt in het binnenwerk van de vermelding op het achterplat (respectievelijk 2006 en 2005). Ik weet niet in hoeverre de auteur een aandeel heeft in die omissie van een eerdere Querido-uitgave. Wat De contouren van het verstrijken in elk geval onderscheidt van vroegere bundeluitgaven is de keuze voor een natuurbeeld (een ets of een foto) waarop rijzige populieren(toppen) te zien zijn. In de al eerder vermelde flaptekst wordt die keuze weliswaar niet toegelicht, toch voorziet (vermoedelijk) de auteur zelf de lezer van een duidende peritekst: ‘In deze nieuwe bundel […] spreekt de dichter over een nakend verdwijnen en het daarbij horende wachten en gemis. De onvolmaaktheid van het bestaan geeft aanleiding tot een nauwkeurig wikken en wegen van woorden en regels. Jooris polijst zijn gedichten tot ze strak zitten, al het overbodige moet weg. Het essentiële blijft over: de glasheldere schemer aan het eind van een leven’. Ik weet natuurlijk niet in hoeverre die tekst wel degelijk aan Jooris mag worden toegeschreven. Het ontbreken van aanhalingstekens en een bronvermelding, zoals daaronder het citaat uit een recensie van Vandevoorde, laat veronderstellen dat een redacteur of vermoedelijk toch de auteur zelf deze (poëticale en thematische) toelichting heeft verschaft. En ook al is Jooris niet de bron, dan nog heeft hij als auteur van het boek de publicatie wel degelijk geautoriseerd. De keuze van de omslagillustratie, de al dan niet door toedoen van de dichter vermelde selectieve bibliografische gegevens alsook de achterplattekst kunnen als sturende elementen voor een lezing van de teksten worden beschouwd. De herfstig-kale, verticaal tot de hemel reikende bomen, tegen een grijze achtergrond en in tegenlicht, kunnen worden geassocieerd met ‘de glashedere schemer aan het eind van een leven’. De gedichten, die meditaties willen zijn ‘over een nakend verdwijnen en het daarbij horende wachten en gemis’, kunnen binnen het aangereikte referentiekader worden gelezen. Voor een dichter die door uit te puren en te reduceren vooral semantisch méér wil bieden, een schrijver die ‘het niet-stoffelijke van objecten aanwezig [wil] maken door middel van de stoffelijkheid van het woord’ (Evenepoel), kan zelfs een minimalistische invulling van peritekstuele ruimte een redundantie zijn. Ik kan me ook voorstellen dat een verdiscontering van dergelijke auteursteksten (of beslissingen) de polysemie van de teksten net vergroot. Indien ook deze dichter een regisseur is van zijn boeken en allerlei regieaanwijzingen opneemt die de aanwezigheid van de schrijver laten veronderstellen, en ik vraag me af waarom dat in het geval van Jooris niet zo is, dan zijn de keuze voor het omslag en de zinnen op het achterplat niet te veronachtzamen. In dat onderzoek zouden ook de compositie van de bundel kunnen worden betrokken (zes afdelingen van vier gedichten en een openingsreeks van vijf gedichten) en de opvallend vele ge(de)personaliseerde opdrachten (met name de initialen bij de gedichten ‘Dorp’, ‘De pijn der dingen’, ‘Museaal’, ‘Immanent’ en ‘Jaagpad’). De keuze voor dergelijke opdrachten of buitentalige referenties, die getuigen van menselijke aanwezigheid, is allerminst toeval. Zoals elk woord is gewikt en gewogen, zijn ook de periteksten waar de dichter zijn teksten van voorziet, gepolijst ‘tot ze strak zitten’. Elke ballast is weg gefilterd, tot misschien een ‘naakte essentie’ overblijft. Daartoe behoren ook de initialen die méér zijn dan reminiscenties aan (extraliteraire, bestaande) personen..

Raveel Museum Machelen

Raveel Museum Machelen

Dat Roland Jooris niet opteert voor motto’s of opdrachten (waarbij eigennamen worden opgenomen), laat staan voor aantekeningen, wijst op de minimalistische wijze waarop hij de tekstuele ruimte invult. Al moet worden gezegd dat ook deze dichter, die voor reductie en onthechting opteert en van een ‘geometrische vormentaal’ zijn handelsmerk heeft gemaakt, allerlei semantisch geladen verbale en visuele elementen in zijn artefacten integreert. Evenepoel merkte op naar aanleiding van Het museum van de zomer: ‘Roland Jooris tekent vaak landschappen, open ruimten met daarin alleen maar sporen van menselijke aanwezigheid’. Deze ‘sporen van menselijke aanwezigheid’ kunnen we ook een peritekstuele invulling geven. De dichter wiens project is gericht op ‘een structureel-plastische ontleding en compositie van ruimte’, zoals Evenepoel de uitgangspunten van het werk uit de jaren zeventig toelichtte, exploreert zonder twijfel op een gelijkaardige minimalistische (beeldende) manier de mogelijkheden die het boek als artefact te bieden heeft.

 

 

 

 

 

 

Stefaan Evenepoel, ‘Dwarsdraads. Over de poëzie van Roland Jooris’, in: Bloemlezing uit de poëzie van Roland Jooris, samenstelling: Stefaan Evenepoel, Poëziecentrum, Gent, 1997, p. 7-64. (Dichters van Nu 9)

De uitgegomde dichter (over Roland Jooris), red. N. van Campenhout, Lokeren, 2007.

Omheen Roland Jooris, uitgeverij Jef Meert, Knokke, 2002.

Roland Jooris, De contouren van het verstrijken, Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2008.

Roger Raveel

Roger Raveel

Ronel Foster e.a. Over grenzen / Oor grense

Friday, February 26th, 2010
Stefaan Goossens & Ronél Foster

Stefaan Goossens & Ronel Foster

Vanoggend kan ek bekend maak dat ”Over grenzen / Oor grense” uiteindelik beskikbaar is by Protea Boekwinkel op Stellenbosch. Hierdie tweetalige, vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie is die resultaat van ‘n jarelange samewerking tussen letterkundige ondersoekers van die Afrikaanse en Nederlandstalige digkuns, en is die eerste publikasie van sy aard sedert 1945.

En wat ‘n pronkwerk is dit nie!

Onder die redakteurskap van Ronel Foster (Universiteit van Stellenbosch), Yves T’Sjoen (Universiteit Gent) en Thomas Vaessens (Universiteit van Amsterdam) het hulle nie minder nie as sestien navorsingstukke deur ons vernaamste literatore byeengebring wat op die werk van uiteenlopende digters en ‘n verskeidenheid van temas konsentreer. Op die flapteks word dit soos volg gestel: “De interactie tussen literaire actoren is nog maar zelden supranationaal, grens- en taaloverschrijdend onderzocht. In comparatistische deelstudies wordt ingegaan op de wijze waarop teksten interageren, hoe schrijvers elkaar inspireerden en konden beïnvloeden, en in welke mate vormen van samenwerking en uitwisseling van ideeën heeft plaatsgevonden in de respectieve literairesystemen. Zestien verhalen. Verhalen over Anna Enquist en Antjie Krog, Karel Jonckheere en N.P. van Wyk Louw, M. Vasalis en Elisabeth Eybers, Annie M.G. Schmidt en Philip de Vos, J. Slauerhoff en C. Louis Leipoldt,Mustafa Stitou en Sydda Essop, performances en smartlappoëzie.”

Inderdaad ‘n boek waarop ‘n mens met reg trots kan wees. En teen ‘n verkoopsprys van R660 bly dié knewel van meer as 400 bladsye ‘n winskoop deur en deur. (Terloops, op die meegaande foto oorhandig Ronel Foster ‘n kopie van die boek aan Stefaan Goossens van die Poeziencentrum in Gent.)

Die boekbesonderhede is soos volg:

TITEL:               Over grenzen / Oor Grense

REDAKSIE:      Ronel Foster, Yves T’Sjoen en Thomas Vaessens

UIITGEWER:     Uitgeverij Acco, Leuven

ISBN:                978 90 334 7355 5

***

Sedert gisteroggend het twee nuwe inskrywings bygekom: Hennie Meyer in die Nuwe Stemme-blog en Andries Bezuidenhout wat vertel van ‘n lieflike liriek deur Nick Cave. Dan is daar ook ‘n nuwe toevoeging tot die gedigtekamers gemaak, naamlik gedigte deur Hans Pienaar uit sy pasverskene bundel, Notas uit die empire. ‘n Goeie tyd om jou agterstallige leeswerk in te haal, dus.

En dan is dit boonop vandag Daniel Hugo se verjaarsdag! Lekker verjaar, Daniel. En dankie vir al jou meelewing en ondersteuning.

Mmm, ’n gróót naweek is op hande. Geniet hom …

Mooi bly.

LE

 

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (4) Jan Lauwereyns

Monday, February 15th, 2010

Schrijven en lezen in Serendib

Jan Lauwereyns’ impliciet poëticaal statement in de peritekstuele ruimte van Buigzaamheden

 

Jan Lauwereyns

Jan Lauwereyns

In zijn eerste bundels ondernam Jan Lauwereyns een noodgedwongen en vruchtbare poging om zich te onttrekken aan opgelegde literaire conventies en klassieke dichtvormen. Nagelaten sonnetten (1999) en Blanke verzen (2001), met alleen al in de titels verwijzingen naar door de poëziegeschiedenis overgeleverde dichtvormen, kunnen worden gelezen als de neerslag van een ontsnapping. De schrijver gaat op zoek naar de dichterlijke ziel. De sonnetten vertonen geen vooropgezette structuur van veertien regels volgens een specifieke opbouw, de blanke verzen willen vooral tabula rasa maken en neigen naar de stilte (het zwijgen van de dichter). Na de escapistische fase, met als inzet de verkenning van de dichterlijke ziel, volgt in Lauwereyns’ literaire ontwikkeling de zoektocht naar een eigen stem. De titel Buigzaamheden is indicatief voor de ommezwaai die zich geleidelijk in het oeuvre voordoet. De dichter haalde al sinds het debuut (biografische en andere anekdotische) realia binnen in zijn poëzie. Vanaf de derde bundel treedt, méér dan voordien, de homo ludens op het voorplan. Lauwereyns publiceert voortaan ‘open gedichten’ die het de lezer toelaten bij elke lectuur weer andere betekenissen te genereren of nieuwe associaties tot stand te brengen. Talrijk zijn nog steeds de intertekstuele reminiscenties die verwijzen naar het leesparcours en de wetenschappelijke exercities die de dichter onderneemt. Tekstgenetisch onderzoek van Buigzaamheden heeft uitgewezen dat Lauwereyns zowel literaire als wetenschappelijke bronnen op een productieve manier aanwendt. Het overgeleverde cahier van deze bundel, met (kopieën uit) uiteenlopende bronnen (Het Menselyk Bedryf van de zeventiende-eeuwse emblematadichter Jan Luiken en het gedicht ‘Tübingen, Jänner’ van Paul Celan, geannoteerde fragmenten uit Charles Darwins The Origin of Species en gedichten van Marnix Gijsen, Hans Lodeizen en Gerrit Kouwenaar), biedt een inkijk in Lauwereyns’ veelzijdige lectuur. De auteur is blijkens deze referenties een door verwondering gebiologeerde wetenschapper en een door wetenschap gefascineerde dichter. Lauwereyns richt zich als (neuro)psycholoog op de werking van de hersenen en op de visuele waarneming. Literaire bronnen wijzen op een fascinatie voor taal en de esthetische beleving. Zowel de psychologische bevindingen als de literaire reminiscenties laten vermoeden dat hier, in Nagelaten sonnetten en Blanke verzen, een ‘poeta doctus’ (de denkende dichter) aan het werk is. De dichter is in dat geval een onderzoeker die de grenzen van de waarneming en de noodzaak van schrijven aan exploraties onderwerpt.

 

 

 

 

 

Tegenvoetig, tweebenig (2004)

Tegenvoetig, tweebenig (2004)

 

Het is evenwel, en misschien wel paradoxaal, door almaar nadrukkelijker de mogelijkheden van de taal (en dus het schrijven) te onderzoeken, en vooral door minder dan in die eerste bundels in te zetten op een poëticale plaatsbepaling, dat Lauwereyns vanaf Tegenvoetig, tweebenig (2004), Anophelia! De mug leeft (2007) en Vloeistof en welvaart (2008) in het literaire landschap een heel eigen plaats is gaan opeisen. In zijn reactie op J.H. de Roders Het schandaal van de poëzie (1999), Splash. Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie (2005), wees de dichter al op de semantische mogelijkheden van de dichterlijke taal. Op bladzij 51 stelt hij het absoluut: ‘poëzie zou moeten neigen naar betekenisvolheid’. Door zich weinig gelegen te laten liggen aan het conventionele gebruik (en dus de beperkingen) van taal, door de denotatieve en louter op communicatie gerichte taal voortdurend onder hoogspanning te plaatsen, vermag de dichter teksten te produceren die – in de woorden die Geert Buelens bezigde voor de poëzie van Albert Bontridder – ‘hermeneutische ravijnen’ zijn. Poëzie neigt immers in het geheel niet naar betekenisloosheid. Betekenisaanwas (en dus het tegenovergestelde van het zwijgen van de dichter) is voortaan een van de doelstellingen van het dichterlijke schrijven. Allerlei ingrepen in de gewone omgangstaal, zoals in de morfologie van het woord (letters die in Tegenvoetig, tweebenig en in Vloeistof en welvaart wegvallen), laten de lezer toe eigen (semantische, fonische, ritmische, beeldende) associaties tot stand te brengen. Het is niet langer de dichter die als een dominant regisseur zijn gedichten orkestreert en via de taal betekenissen poogt te initiëren. Lauwereyns zet in recent werk de taal in al haar aspecten onder hoogspanning. Hij treedt deregulerend op. Door net niet te beantwoorden aan verwachtingspatronen en door de taal eigenzinnig te behandelen, brengt hij de lezer vanzelf in de positie van uitvoerder. Het is de recipiënt die het gedicht momentaan voltooit. Elke semantische voltooiing is per definitie van particuliere en tijdelijke aard, omdat wat er staat tot nog zoveel méér betekenisaanwas aanleiding kan geven.

Splash (2005)

Splash (2005)

Sporen van deze poëticale ontwikkeling, die ik dus sterk reducerend omschrijf als een verschuiving van ‘poeta doctus’ naar ‘homo ludens’, zijn niet alleen aan te treffen in Lauwereyns’ teksten zelf. De dichter gebruikt een variëteit aan tools, signalen en indicaties, die ik onder de brede noemer van de peritekstualiteit plaats, teneinde de zich intussen gewijzigde invulling van het poëtisch spreken gestalte te geven. Nog afgezien van de specifieke boekvormelijke opmaak, die veeleer uitgeverijgebonden is – Lauwereyns’ eerste bundels verschenen in het fonds van Lannoo en de dichter publiceert vanaf de bundel Buigzaamheden bij Meulenhoff –, zijn er elementen die wijzen op de meer ludieke en creatieve omgang met het taalmateriaal. Het berust wellicht op geen toeval dat voor het achterplat van Buigzaamheden, zoals gezegd de markering van een poëtisch turning point, de dichter ‘De drie prinsen van Serendib’ (dat is het vierde gedicht uit de openingsafdeling ‘Ars optica’) een tweede keer laat figureren. In het gedicht wordt de retorische vraag gesteld, en centraal in de tekststructuur opgenomen, waar de ‘Homo sapiens nog van op[kijkt]’: ‘Een vliegend tapijt? Een geneeskrachtige appel?/Een verrekijker die voorbij de horizon kijkt?’. In die vragen liggen de antwoorden duidelijk niet. Het gedicht gaat als volgt verder: ‘Samen zullen onze giften de//op apegapen liggende vader redden./Tenzij we alsnog wakker worden’. Indien we deze regels metapoëtisch lezen, kan het ‘verbluffend iets’ dat de ‘drie zonen [van de] Koning van een voorspoedig rijk’ op tafel leggen misschien wel een betekenis zijn. Het gaat niet alleen over de drie prinsen, maar ook over ‘jij.//(Al bent u toevallig lezeres)’. In deze parenthese betrekt de dichter de lezer op een directe manier bij het gedicht. Aan die lezer(es) wordt duidelijk ook een inspanning gevraagd. Door de ‘lezeres’ te expliciteren, wordt zij/hij ook een van die offerbrengende zonen. De koning, lees ‘Vader’ (mogelijk de schepper, de dichter), is genereus op voorwaarde dat iemand ‘een verbluffend iets op tafel legt’. Dat verbluffende zou dus in deze lectuur een betekenis(geving) kunnen zijn, een inzicht of een interpretatie, waar de mens (of het gedicht) van opkijkt. Niet een sprookjeselement (een vliegend tapijt) of een ingesleten volkswijsheid (een geneeskrachtige appel), evenmin een wetenschappelijke uitvinding (zoals ‘een verrekijker die voorbij de horizon kijkt’) is opzienbarend. De lezer is de apostrof van het gedicht en mag zich hier door de ‘Koning van een voorspoedig rijk’, de schepper van het gedicht, aangesproken weten.

 

Door precies dit gedicht op het achterplat van Buigzaamheden te plaatsen, spreekt de dichter de wakkere lezer aan. Alleen wie ‘wakker’ leest, en zich niet tevreden stelt met wat is overgeleverd, voor waarheid wordt aangenomen of vooraf is neergeschreven, is bij machte om ‘springlevend’ te zijn. Het beroep dat Lauwereyns vanaf deze bundel doet op de creativiteit en dus de eigen inbreng van de lezer wordt door de (doelbewuste) keuze voor dit gedicht des te scherper gesteld. De boekuitgave omvat verder geen aantekeningen, evenmin een prozaïsche tekst waarin de dichter (regie)aanwijzingen geeft. De gedichten worden aan de lezer overgelaten die ze naar eigen vermogen en inzicht betekenis(sen) kan geven. De betekenistoekenning, het erkennen van de ‘betekenisvolheid’ van de tekst, is de gift die ‘de//op apegapen liggende vader’ zal weten te redden. Een dergelijke poging heb ik destijds ondernomen in de essaybundel Vivisectie van een bundel (uitgegeven door Revolver 30/2, september 2003), met tien essays die naar analogie met de tien afdelingen van de bundel heen en weer zijn gegaan tussen dichter en lezer. Ik waande me toen een van die prinsen van Serendib en werd als dusdanig geduld door de dichter. In mijn stoutste dromen stelde ik me voor dat ik tijdens die verkenning ‘een verbluffend iets’ op tafel wist te leggen. Het toponiem Serendib refereert vanzelfsprekend aan zingeving die door de dichter niet (langer) gecontroleerd wil worden. Serendipiteit, de kunst van te vinden van wat niet wordt gezocht, zit onder meer vervat in Lauwereyns’ gebruik van de fictieve plaatsnaam. Wie gefascineerd raakt door teksten, en op zoek wil gaan naar een begrip, komt wel eens terecht waar zelfs de dichter verrast wordt. Ook dat bleek meermaals uit mijn lezingen in Vivisectie van een dichtbundel. Wie zoekt, komt terecht in een spiraal van toevallige associaties en doet de minst voor de hand liggende ontdekkingen. Op de webstek van de historicus Gie van den Berghe, een van de plaatsen waar de speurtocht me heen leidt, lees ik dat de Britse auteur Horace Walpole het begrip serendipiteit in 1754 heeft geïntroduceerd. De lectuur van een anoniem Perzisch sprookje, in 1722 naar het Engels vertaald als The Travels and Adventures of Three Princes of Sarendip, ligt aan de basis van de term. De drie prinsen zijn de zonen van Jafer, de koning van Sarendib of Serendib (de oude Arabische benaming van Sri Lanka of Ceylon). Deze zonen deden hun ontdekkingen door te reizen. Van den Berghe noteert dat zij ‘door toeval en scherpzinnigheid’ tot de meest verrassende inzichten kwamen. Het is deze verwondering, de vanzelfsprekende brug tussen Lauwereyns’ wetenschappelijke activiteiten en diens schrijverschap, die aan de grondslag ligt van ’s dichters recente poëzie. De blik van de (neuro)psycholoog en die van de dichter zijn niet fundamenteel anders: door onbevangen en kritisch in de werkelijkheid te staan, door toepassing van trial and error, worden de meest verrassende bevindingen gedaan.  De metafoor van het reizen is overigens perfect van toepassing op de act van lezen. Zoals de zonen van koning Jafer reizen, zo ondernemen Lauwereyns’ lezers vergelijkbare expeditietochten, zonder stafkaart of kompas, door een poëtisch universum. Dat is de open geest waar ik eerder in deze beschouwing al op wees. Kritisch vernuft en een openheid van benadering/visie, verwondering over het bestaande, kunnen leiden tot verrassende epifanieën.

 

 

 

 

 

Vloeistof en welvaart (2008)

Vloeistof en welvaart (2008)

In de bundels die na Buigzaamheden volgden, en die evenzoveel pogingen van ‘anders kijken’ zijn (‘in het donker […] kijken, in je slaap, in je dromen, in de leegte tussen twee oogbewegingen’, dixit Lauwereyns 2003), heeft de dichter zich steeds meer laten leiden door de overtuiging dat een inzicht op een onbewaakt moment kan worden bewerkstelligd. De manipulatie van conventionele taaleigenschappen kan daartoe bijdragen. Telkens doet deze dichter een beroep op de prins en diens capaciteiten om wakker te lezen. Alleen al de selectie van het gedicht ‘De drie prinsen van Serendib’ voor het achterplat, en dus de wijze waarop de dichter de tekst verder oplaadt met betekenis(sen) door de peritekstuele ruimte waarin hij voorkomt, kan worden gelezen als een niet op toeval berustende handeling van Lauwereyns. De herneming van het gedicht op deze plaats voorziet het van een metapoëtische laag zoals ik ze hiervoor heb trachten uit te werken. Hoewel de auteur in Buigzaamheden peritekstueel gesproken min of meer afwezig blijft, en niet zoals Christine D’haen, Peter Holvoet-Hanssen en Eva Cox intertekstuele referenties duidt en van een specifieke betekenissen voorziet,  treedt hij precies door de gedichtenkeuze op het boekomslag op een semantisch sturende manier op. De ‘buigzaamheid’, die ik in poëticale termen opvatte, met de toenemende klemtoon op het speelse element in Lauwereyns’ taalbehandeling, wordt door de dichter zelf onder de aandacht van de (aangesproken) lezer gebracht. In casu in een tekst waarin de serendipiteit van het reizen/lezen wordt gethematiseerd.

 

 

 

 

 

De blik van Lauwereyns

De blik van Lauwereyns

De ontwikkeling die vanaf 2002 in Lauwereyns’ poëzie wordt ingezet, met de noodzakelijke vluchtroute richting het zwijgen die eerst haar uitwerking moest krijgen, manifesteert zich sindsdien onstuitbaar. De keuze van een oude foto, afgedrukt op de cover van Vloeistof en welvaart, kan ook weer op het beweeglijke element in Lauwereyns’ recente poëzieproductie wijzen. Het is duidelijk dat de keuze mee is gestuurd door de contrastwerking die het beeld bepaalt. De tegelijk dynamische en statische aanblik (beweging en stilstand), en natuurlijk ook de gerichte blik van de baadsters en baders wijzen op thematische componenten die al eerder opdoken in de gedichten. Wat vooral opvalt bij het kijken naar de foto, is de onbezorgdheid in de blik van de zwemmers die contrasteert met de (oorlogs)dreiging en de zich aankondigende apocalyps aan de horizon. Terwijl de mensen de blik wenden naar het toestel, dreigen de wolken op de achtergrond. Bij de inslag van de waterstofbom lijken zich al dadelijk ruïnes (of met wat verbeeldingskracht oorlogsbodems) af te tekenen. Het spectrum van uitersten, dat op de collagefoto wordt verzinnebeeld door het contrast tussen de gemoedelijke frivoliteit van het ouderwetse vakantieplaatje aan zee en de destructieve impact van de waterstofbom, bepaalt de bundel. In wat ik beschouw als een poëticale peritekst, de achterplattekst van Vloeistof en welvaart die de auteur wellicht zelf heeft ontworpen of waarvoor hij de bouwstenen aanleverde, wordt de geschakeerdheid nog verder geëxpliciteerd. Het is echter vooral de manier waarop Lauwereyns de taal manipuleert, door functioneel gebruik te maken van witruimte (zoals de vierkante haken in Tegenvoetig, tweebenig), enjambementen en zogenaamde verschrijvingen, die zijn poëzie onbehaaglijk en verontrustend stemt. Op voorwaarde natuurlijk dat de lezer met een open blik Lauwereyns’ Serendib (of de Apocalyps) wil betreden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (3) Willy Roggeman

Monday, January 25th, 2010

Willy Roggemans tribute voor de ‘jazz-manouche’ van Django Reinhardt.

‘Nuages’ als  ondicht maar noodzakelijk gedicht

Django Reinhardt

Django Reinhardt

In het vijfde gedicht van de zevendelige reeks ‘Nuages’ van de Vlaamse dichter Willy Roggeman (1934) herinnert een ik zich dat ‘wij […] maar jazz [speelden]’. Hij weet niet goed hoe de connotatie van jazz te omschrijven, als ‘het nieuwe spel’ of ‘het eeuwig idool’. ‘Was dit het nieuwe spel van de steeds bewegende cirkel? Of gaf je een glimp van het eeuwig idool ten geschenke? In je handen trachtte ik het geheim te lezen’. De aangesproken ‘je’, de apostrof in de reeks, is blijkens een peritekstuele aanduiding de dichter Django Reinhardt. In de jazz van Reinhardt is ‘een glimp van het eeuwig idool’ zichtbaar, zo blijkt het eindoordeel. Het eeuwige openbaart zich onzegbaar in de jazz sessie, het ik tracht tegen beter weten in ‘het geheim te lezen’. Het ‘geheim’ is mogelijk te interpreteren als het onvatbare, in Roggemans poëtica ook als het onsterfelijke, het mythische. De uitdrukkelijke verwijzing naar Django Reinhardt heeft van het gedicht, zo oordeelde Roggeman later, een ‘niet voldoende dicht’ gedicht gemaakt. De jazzimprovisatie had voor de jonge experimentele schrijver nog de waarde van een model. Met de experimentele dichtkunst moest het in de jaren vijftig ook die richting uit. Tot hij de beperkingen van zijn prille zelfontworpen poëtica onder ogen zag.   

 

 

 

 

 

Hot Club de France

Hot Club de France

Jean Cocteau en Erik Satie hielden naar verluidt van zijn intensieve muziek. De Belgische legendarische gitarist Django Reinhardt (1910-1953) was in de jazzscène niet minder dan een fenomeen. Hij wordt vandaag gerekend tot de meest markante jazzmuzikanten van de twintigste eeuw. In 1934 had een memorabele ontmoeting plaats die de geschiedenis van de Europese jazz in hoge mate heeft bepaald. In een nachtclub in Parijs ontmoette Django Reinhardt de Franse jazzviolist Stéphane Grappelli (1908-1997). Samen richtten ze het invloedrijke ‘Quintet Hot Club de France’ op, waarvan de wortels in de zigeunercultuur moet worden gezocht. Hot Club de France produceerde een stijl die als ‘Gipsy Jazz’ de Europese muziekgeschiedenis haalde. De ‘jazz à la Manouche’ is verbonden met termen als ‘zigeuner jazz’, ‘jazz manouche’, ‘gipsy swing’ en ‘swing manouche’. In 1940 ontstond ‘Nuages’, wellicht de bekendste compositie van Django Reinhardt die een statuut van ‘jazz standard’ verwierf in de recente muziekgeschiedenis. Dezer dagen wordt de honderdste geboortedag van Django Reinhardt herdacht met de Django!!-tournee van Koen de Cauter, met heruitgaven van cd-opnames en het minifestival Djangofollies (van 23 tot 27 januari 2010). 

 

 

 

 

Django Reinhardt, geboren in Liberchies (in de buurt van Charleroi), was de telg van een Sinti-zigeunergezin. Zijn roots, maar ook de waardering voor de Amerikaanse jazz, voor Louis Armstrong en Duke Ellington, hebben de richting bepaald waarin hij als getalenteerd jazzgitarist evolueerde. Hij vond improviserend en bezeten door de muziek als het ware zijn eigen sensitieve stijl uit die in de jaren voor en na de Tweede Wereldoorlog niet alleen voor musici maar ook voor jonge dichters in Vlaanderen aanstekelijk werkte.

Willy Roggeman

Willy Roggeman

De twintigjarige Willy Roggeman publiceerde in Jong Leven, het Aalsterse alumniblaadje voor het middelbaar onderwijs, de gedichtenreeks ‘Nuages’. Jos Joosten meldt in Feit en tussenkomst dat Louis Paul Boon deze aflevering van jaargang 1953-1954, door toedoen van zijn zoon Jo, eerder per toeval onder ogen kreeg. Naar een getuigenis van Roggeman kon Ben Cami, Boons collega en redacteur van Tijd en Mens die de gedichten toegestuurd kreeg, eerst niet geloven dat de jonge en onbekende dichter uit het Oost-Vlaamse stadje Ninove ‘Nuages’ zelf had geschreven ‘dan wel of het een vertaling betrof’. Boon nodigde Roggeman in het voorjaar van 1954 uit ‘Nuages’ en andere gedichten aan te bieden voor publicatie in het Vlaamse literaire periodiek. Roggeman stuurde Boon gedichten, onder andere het ongepubliceerd gebleven ‘kleine gedicht “Charlie Parker”’ en het verhaal ‘The Blues’. In een brief aan stichtend redacteur Jan Walravens noemde Boon ‘Nuages’ en ook ‘Landschap’, een gedicht in ‘vier aspecten’ ‘werkelijk prachtig’. In het voorlaatste nummer van Tijd en Mens (jaargang 5, dubbelnummer 21-22), met naast Boons lange verhalende gedicht ‘de kleine eva uit de kromme bijlstraat’ teksten van Bertolt Brecht (het openingsgedicht) en bijdragen van onder anderen de Nederlandse Vijftigers Hans Andreus en Simon Vinkenoog, verschenen samen met ‘Nuages (tempo: blues)’, in totaal zeven alfabetisch geordende fragmenten, Roggemans gedichten ‘Landschap (vier aspecten)’, ‘Gewonde vogel van je oog’ en ‘Wordende nachtvormen’. Behalve ‘Gewonde vogel’ bestaan alle teksten uit afzonderlijke, gemarkeerde fragmenten. Het laatst vermelde gedicht is gedateerd ‘juli 54’; de publicatiedatum van het nummer van Tijd en Mens is oktober 1954. 

 

 

 

 

 

Louis Paul Boon

Louis Paul Boon

‘Nuages’ refereert in de opdracht expliciet aan een bekende compositie van de Waalse zigeunergitarist die enkele maanden eerder, op 16 mei 1953, in het Franse Samois-sur-Seine (bij Fontainebleau) is overleden. Met de aanduiding ‘voor wijlen Django Reinhardt’ heeft Roggeman de interpretatiemogelijkheden van zijn gedicht aanzienlijk ingeperkt. Het ‘in memoriam’ refereert onder meer naar de winter van 1928, toen Django ernstige lichamelijke letsels opliep tijdens een woonwagenbrand. Het is bekend dat twee vingers verlamd raakten en hij gedurende twee jaar in het ziekenhuis bedlegerig was.

Bij de in brieven geformuleerde loftuitingen van Louis Paul Boon en Ben Cami sloot ook Hugo Claus zich aan: ‘Bravo voor Roggeman. Bravissimo. En de diagnose van Boon is de goede. “Nuages” en “Landschap” zijn op te nemen. Zeer zeker’. Enkele maanden later heeft Claus die zienswijze grondig gewijzigd, en hij bestempelde Roggemans experimentele poëzie als niet meer dan een ‘tic’ die ‘een verstikkend gevoel van walging’ teweegbrengt (zie Joosten, p. 465).

Hugo Claus

Hugo Claus

Niet alleen de opdracht, ook de titel van Roggemans vroege gedicht heeft een referentiële status. De jazzimprovisatie ‘Nuages’ heeft Django Reinhardt, zoals gezegd, wereldbekend gemaakt. Vermelde tekstelementen, opdracht en titel (zoals ook van het meegestuurde ‘Charlie Parker’), zijn indicaties voor de anekdotische laag waaruit Roggeman heeft geput. Deze periteksten zijn achteraf beschouwd de semantische fuik waarin de vroege gedichten zijn vastgezet. Zich bewust van de inperking van de hermeneutische mogelijkheden heeft de schrijver zich jaren later gedistantieerd van zijn ‘vals akkoord’

 

 

 

 

 

Tijd en Mens liep in 1954 op zijn laatste benen. Een ultieme poging van redactiesecretaris Ben Cami om het secretariaat over te laten aan de jonge schrijver uit Ninove is door die laatste op weinig animositeit onthaald. Later blikte Roggeman terug op de periode waarin nagedacht werd over een ‘overdracht aan “Willy Roggeman en de jongere generatie”’. Opmerkelijk in deze getuigenis – waarin enkele beweegredenen worden opgesomd die hem tegenhielden – is zijn omschrijving van de ‘ganse verhouding Tijd en Mens/Willy Roggeman’:

‘[…] het ‘misverstand’ ‘Nuages’, een lyriekcyclus die zo Multi-interpretabel is dat hij ook Tijd en Mens-ers ‘lag’, vooral Louis Boon die graag talent ontdekte en het door hem ontdekte hoog taxeerde. Vandaar dat hij ‘Nuages’ met de laatste Van Ostaijens vergeleek. Van mij verwachtte men dus produkten in de geest van ‘Nuages’, dat evenwel onherhaalbaar was.’

Dit standpunt heeft Roggeman in 1971 verwerkt in een veelzeggend metapoëtisch fragment in het twaalfde Opus Finitum-deel Homoïostase (1962-1967), waarin hij een taalautonomistisch standpunt inneemt:

‘Rilkes ‘Neue Gedichte’, Trakls ‘Dichtungen’ en enkele late Van Ostaijens maken het iemand vlug duidelijk: gedichten zijn geen gevoelens, gedichten zijn misschien ervaringen en in elk geval structuren, dingen op zichzelf. Het ik van de lyricus is de houtworm van het gedicht. De dichter moet dood om het gedicht te doen zijn. Toen Louis Paul Boon ‘Nuages’ voor Tijd en Mens wilde, noemde hij het een gedicht. Mogelijk is het dat. Het is in elk geval niet voldoende dicht. Fragmenten van een psychisch ik liggen verspreid in de ruïnes van een mythe. Zij zijn er overbodig. Zij storen.’

Paul de Wispelaere

Paul de Wispelaere

De schrijver van ‘taalautonome’ literatuur – ‘autonome’ poëzie in de betekenis van gedepersonaliseerde kunst en leven en gevoelens ontstijgende vorm – heeft de subjectieve (psychische) en dus expressieve inzet van het gedicht in de loop van het schrijfproces aan het eerste grote opus (1953-1976) als storend en redundant ervaren.  Het gedicht is onvoldoende ‘dicht’, het ‘ik van de lyricus’ is ‘de houtworm van het gedicht’. De auteur, die zich na de korte Tijd en Mens-passage verdiepte in teksten van onder vele anderen G. Benn (‘het bionegativisme’) en F. Nietzsche (‘het Artistiek-beginsel’) en kunst alleen nog als een mythe omschreef, heeft zich voortaan afgezet tegen de (subjectivistische) romantische teneur van het gedicht ‘Nuages’. In 1965 had ook Komma-criticus Paul de Wispelaere de reeks al gereduceerd tot ‘herinnering aan de muziek van de Belgische zigeuner en jazz-gitarist Django Reinhardt’. De opdracht die Roggeman bij de eerste druk van ‘Nuages’ zette, heeft in de contemporaine kritiek haar rol van lezerssturend referentiekader duidelijk gespeeld. De Wispelaere benadrukt de manifeste realia in Roggemans gedicht dat hij als beschrijvende kunst van een jonge romanticus afserveert: ‘Het is nog een zachte, romantische, lyrische improvisatie rond het anekdotisch thema van de woonwagen en de brand, dat verwijst naar uiterlijke gebeurtenissen in het leven van de jazzspeler’. Toch ontwaart hij een belangwekkend lichtpunt dat een voorafspiegeling is van ‘Roggemans verdere poëtische ontwikkeling’. De Wispelaere onderneemt een close reading van de regel ‘Het water van de bewegende glazen plant steeg en viel in zichzelf’ in het vijfde fragment van ‘Nuages’. De conclusie luidt dat sindsdien ‘de weg open[ligt] naar geobjectiveerde, koele, keiharde lyriek van Nardis’.

 

Roggeman zelf heeft ‘Nuages’ weliswaar in expliciete bewoordingen bekritiseerd, hij heeft zich van deze proeve van psychisch lyrisme gedistantieerd. Toch is de zevendelige reeks nagenoeg ongewijzigd opgenomen aan het eind van de eerste afdeling ‘Infra-Ree’ van zijn poëziedebuut Nardis. Gedichten 1953-1964 (Opus Finitum 7) en ook later in De gedichten 1953-2002 (2004). In de verzamelbundel is de indicatie van het tempo weliswaar gewijzigd, van ‘blues’ naar ‘tempo di slow’, de opdracht ‘voor Django Reinhardt († 1953)’ is blijven staan (met vermelding van het overlijdensjaar). Een tekstvergelijkende lectuur levert weinig meer op dan de bevinding dat de letters boven de opeengepakte fragmenten in Tijd en Mens Arabische cijfers zijn (a-g > 1-7; met elk genummerd fragment op een nieuwe pagina), een lijstje met aangepaste punctuatie, ‘Heilige Maagd’ dat ‘heilige maagd’ is geworden, met haken van een parenthese die zijn weggelaten en een typografische vormgeving die is gewijzigd (relevant voor de fragmenten c/3 en e/5). Behalve de variante lezing van ‘brak je terug in mij binnen’ (e) in ‘brak je opnieuw in mij binnen’ (5) zijn er zelfs geen woordvarianten.

 

 

 

Django Reinhardt

Django Reinhardt

 

 

 

 

 

 

 

‘‘Moderne lyriek: monologisch, koud, sensibiliteitsniveau zeer hoog, sentiment volledig geweerd. Accidenteel-persoonlijk materiaal uitgeschakeld. Minder psychische situatie dan esthetisch probleem van de uitdrukking. Formulevast. Vormsterk. Deze kenmerken weigeren metafysische hulpmiddelen’ (‘Yin/Yang’, 66). De dichter realiseert het gedicht nooit. De unieke realisatie zou hem zijn dichterschap ontnemen. Misschien doet hij het toch. Hij weigert dit te erkennen. Uit zelfbehoud. Omdat de lyrische ejaculatie het wezen van het ik prijsgeeft. Gelukkig is ik steeds een andere. En in zekere zin waardeloos. De gecompliceerdheid van de relatie ik-woord redt hem, behoedt hem voor de ondergang. Nochtans, de dichter mikt radicaal. Hij mikt op zijn eigen hart in de spiegel. Wat mij betreft, mikt hij evenzeer op zijn hersens.’

  

J. Joosten, Feit en tussenkomst. Geschiedenis en opvattingen van Tijd en Mens (1949-1955). Vantilt, Nijmegen 1996, 464-476.

W. Roggeman, Homoïostase. Nijgh & Van Ditmar, ’s-Gravenhage/Rotterdam 1971. (Opus Finitum 7)

Idem, De gedichten 1953-2002. Meulenhoff/Manteau, Amsterdam/Antwerpen 2004.

P. de Wispelaere, ‘tussen moerbei en visgraat’. In: Komma 1 (1965) 1, 8-13.    

 

 

W. Roggeman, ‘Nuages’. Geciteerd uit: Tijd en Mens, jaargang 5 (1954-1955), aflevering 21-22 (oktober 1954), p. 3-5.

 

NUAGES

(tempo: blues)

 

voor wijlen Django Reinhardt

 

a.

Je droeg ook de stilte mee achter de hagen

En nog bleven wij een uur een dag

Wij bleven tot de roulotte het reizen verleerde

En haar bestaan zich versteende

De roulotte werd steen huis en wij bleven

Omdat je achter de hagen was gelopen

Met de gouden regen van de blues

De grijze stilte die je schilderde

In pastelkleur rood appel vrucht en kind

 

b.

En wij schermden met de oude idee

Zij viel als kwikzilver dat wij niet vertrappen konden

Ik vond: „het gaat wel zonder” en de gaten in de jassen

De oude werden met leugens gevuld

Het was armzalig

Hoe wij de dagen met elkaar verspotten

Hoe de mazen doorzichtiger werden

Hoe wij toch niet meer konden geloven

„Dit is het nieuwe” dacht er een

En wij namen zijn woorden tussen de vingers

En wij streelden zijn woorden

Als zeldzame huiden van dieren die men lang had opgejaagd

Als nekhaar van bloemende vrouwen

Hoelang sloegen wij onze driften tam aan deze buit?

 

c.

De roulotte had zichzelf verloochend. Het huis-zijn kankerde

haar uit. Wij maakten vuur en verbrandden haar. Wij stonden

gans buiten nu, ontdaan van het oude, dat smeulde, en zich

aanspande om niet dood te gaan. En wij dansten in de asse de

ritusdans van heidenen en vonden genoegen in het nieuwe spel.

Wij stonden buiten alles. Waren wij buiten onszelf? Buiten

het mens-zijn getreden?) Wij vloeiden alleen als de seizoenen

in de kringloop van het jaar. In die winter moesten wij dood-

gaan. Dit was de nieuwe cirkel zonder traditie en met het blinde

tasten in de winden van de toekomst. De landen werden een

kaal schedelveld. Wij kregen zwarte barsten in de huid, waar

de haat een uitweg zocht.

 

d.

En in de stad van nu:

De magische lampions van het neurosennet

Het stelsel van brandende bloeddraden

Met de kinderen de kinderen met de bal de rode

De tram de gele blokkendoos

Iemand die zei: „God verdoem mij”

Een ander die bad: „Heilige Maagd”

Een plein met stofwolk paddestoel

En ik in de stam van de zwam als worm

Die viel uit een straat in een steeg

Door de steeg op een plein met bomen

Met bloeiende bomen met bloemen blauwe

Liep end eed maar liep en deed maar enzovoort

 

e.

Je droeg de stilte mee, en wij laaiden op en werden vlam, vuur

van onszelf. Welke rare gouddelvers wij waren in dit vijandige

land? De dag in de bistro, waar ik je naam op de marmerplaat

schreef, brak ik je terug in mij binnen. Ik had geroepen „Eli, Eli,

lamma sabaktani”, omdat je achter de hagen was gelopen…

(zie a)

Je stond in holle ruimten, waar de blues in bruiste als een

hoge fontein. Het water van de bewegende glazen plant steeg

en viel in zichzelf. En wij speelden maar jazz. Was dit het

nieuwe spel van de steeds bewegende cirkel. Of gaf je een

glimp van het eeuwig idool ten geschenke? In je handen trachtte

ik het geheim te lezen.

 

f.

Ik zoek je nog in formule te brengen

Begrijp je: dit is geen geloven.

Ik zou toch weten moeten

Dat 1000 handen analyse poogden

En waren als kinderen die in onbegrepen boeken zagen.

 

g.

De angstlijken in de stildrijvende stroom

De walgzweren in een metalen doos op de schouw:

Ik weet, dit alles is mijn droom in ’t land der mikroben.

Dat Roggeman, ondanks de eigen poëticale bedenkingen, dit relict van een vroeg poëtisch inzicht toch intact heeft gelaten, wijst mogelijk op de particuliere betekenis die hij later aan zijn ‘Nuages’ toekende. De reeks voor Django Reinhardt is de onvruchtbare maar noodzakelijke voedingsbodem gebleken voor een bijgesteld esthetisch standpunt, de voorwaardelijke tekst die het absolute verlangen naar de mythe blootlegde. ‘Nuages’ was in zoverre ‘overbodig’ dat ‘het ik van de lyricus’ is gaan inzien dat hij niet anders dan ‘de houtworm van het gedicht’ kan zijn. De passage in Homoïostase die het eerder geciteerde fragment voorafgaat, zegt ons waarom sentimenten en metaforen met uitsluitend referentiële waarde, hier dus ook de expliciete (muziek)historische realia, voor Roggeman de gangreen van de poëzie zijn. Dat een gewaardeerd collega-redacteur van Komma in zijn commentaar scherp stelde op de ‘romantische, lyrische improvisatie rond het anekdotisch thema’, strookte niet bepaald meer met de poëticale visie die aan het ‘Opus Finitum’ ten grondslag ligt. De dialogische structuur (‘ik’-‘je’), het ‘accidenteel-persoonlijk materiaal’ en de ‘psychische situatie’ maken van ‘Nuages’ een exclusief gedicht in de ontwikkeling van het kunstenaarschap van Willy Roggeman. De handhaving van het gedicht voor Django Reinhardt in het opus (eerst in Nardis, dan in De gedichten) is een niet te veronachtzamen indicatie van de betekenis die hij de Tijd en Mens-reeks nog steeds toedicht. Ook al is het gedicht van meet af aan zelf ‘onvoldoende dicht’ gebleken. Desondanks is het een van de meest indringende ‘jazz-gedichten’ in de naoorlogse poëzie in Vlaanderen die verder bouwen op de eigenzinnige, beweeglijke jazzimprovisaties van een van de grootste jazzgitaristen.

Django Reinhardt

Django Reinhardt

Ben Cami

Ben Cami

De Gedichten

De Gedichten

‘Zou de wereldbol een beetje aan het leeglopen zijn?’

Wednesday, January 20th, 2010

Herman de Coninck aan de Kaap over taal en cultuur

Yves T’sjoen

 

Herman de Coninck

Herman de Coninck

Naar de expliciete opvattingen van Herman de Coninck (1944-1997) over Afrikaanse taal en politiek, en meer specifiek over maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in Zuid-Afrika na de democratische verkiezingen van 27 april 1994, is nog maar weinig onderzoek verricht. Nochtans heeft De Coninck in enkele autobiografische prozafragmenten, gebundeld in De cowboybroek van Maria Magdalena en andere reisverhalen,[i] zijn zienswijze geformuleerd op de levensvatbaarheid van de zogeheten Regenboognatie, en de perspectieven van het Afrikaans als een van de elf officiële ambtelijke talen van Zuid-Afrika. De Conincks beeld van het land is een constructie die tot stand is gekomen naar aanleiding van vier bezoeken en die gebaseerd is op gesprekken en een confrontatie met de hedendaagse Afrikaanse poëzie. Uiteindelijk hebben de contacten met Afrikaanstalige schrijvers, wat we vandaag interculturele networking noemen, geleid tot een vertaling van een bloemlezing uit De Conincks poëzie in het Afrikaans. En ook andersom heeft de Vlaamse schrijver, in zijn rubriek ‘De vliegende keeper’ in de krant De Morgen en in het Nieuw Wereldtijdschrift, waarvan hij stichtend redacteur was, aandacht gevraagd voor het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika.

De eerste aanblik van Zuid-Afrika geschiedde voor Herman de Coninck uit ‘het oog’ van een vliegtuigraampje.[ii] Hij schreef, na de belevenis van de spectaculaire bocht die het vliegtuig over de Atlantische oceaan bij het naderen van Kaapstad maakt: ‘Het eerste wat je vanuit het vliegtuig ziet is de Tafelberg, een altaar voor de goden. Het eerste wat ik denk is: het land is alvast mooi. Helemaal een klootzak kan die Jan van Riebeeck niet geweest zijn, dat hij uitgerekend hier aan land kwam. Vaak hangt er een wolk boven de berg. Die heet: tafelkleed. Het tweede wat ik dus denk is: ook de taal is alvast mooi. Maar mag je dat wel denken?’[iii] Aan de ethisch gefundeerde bedenkingen van De Coninck zal ik in dit opstel enkele beschouwingen wijden.

Kristien Hemmerechts

Kristien Hemmerechts

In het voetspoor van Herman de Coninck, en terloops in deze bijdrage ook van zijn toenmalige echtgenote Kristien Hemmerechts,[iv] tracht ik op basis van de verspreid gepubliceerde en gebundelde opstellen over Zuid-Afrika te achterhalen welke uitspraken De Coninck heeft gedaan over het land en meer specifiek over het Afrikaans. Ik volg een traject dat zal leiden naar enkele Afrikaanse dichters en naar de linguïstische smeltkroes die het Afrikaans is. De Coninck heeft van zijn dominante institutionele positie in het literaire veld van Vlaanderen (en Nederland) gebruik gemaakt om het werk van dichters in Zuid-Afrika ook in het Nederlandse taalgebied onder de aandacht te brengen en/of te promoten. Vroeger dan Gerrit Komrij, met de ruime bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie,[v] heeft de Vlaamse schrijver en criticus een lans gebroken voor de Afrikaanstalige literatuur van Zuid-Afrika. Mede op zijn instigatie is Afrikaanse poëzie naar het Nederlands vertaald en ontstond in de post-apartheidperiode belangstelling voor ontwikkelingen in het literaire landschap van Zuid-Afrika.

Reisimpressies van Zuid-Afrika

De Coninck heeft zijn herinneringen aan twee verblijven in Zuid-Afrika, in oktober 1994 (een half jaar na de verkiezingen van 27 april) en in 1995, te boek gesteld in de bundel De cowboybroek van Maria Magdalena (1996). De uitgave is een van de laatste boekpublicaties van De Coninck. Een jaar later overleed hij in Lissabon. Ik voeg er nog aan toe dat hij ook in oktober 1996 in het land was, zoals verderop nog zal blijken uit enkele overgeleverde brieven aan zijn toenmalige echtgenote Kristien Hemmerechts.

Hemmerechts heeft op haar beurt reisherinneringen in een tekst verwerkt, getiteld ‘Stemmen van Zuid-Afrika’ en een jaar eerder opgenomen in de bundel Amsterdam retour (1995). Een vergelijkende lectuur van beide bundels levert weinig spectaculairs op. Herman en Kristien reisden samen en doen in hun beschrijvend proza verslag van hun gedeelde reiservaring. Anekdoten en beschouwingen, gesprekken, herinneringen aan personen en gebeurtenissen echoën in beider egogeschriften. Zo lees ik bij Hemmerechts over een bezoek aan Witsand, het idyllische dorpje geborgen in een oogverblindende witte duinenmassa in de branding van de Indische Oceaan.[vi] Hemmerechts zelf schreef trouwens een roman Wit zand, genoemd naar het toponiem Wissant in Frans-Vlaanderen. Daar verwijst ze ook nadrukkelijk naar in haar ‘Stemmen van Zuid-Afrika’. Ook het autobiografische verhaal van De Coninck over hun gezamenlijk verblijf in de buurt van het natuurreservaat De Hoop, in het Oosten van de West-Kaapse provincie, heet ‘Wit zand’. In dit prozafragment stelt de verteller drie plekken centraal die luisteren naar diezelfde naam.

De anekdote over ‘Lawaaiwater’ (of dus Witsand) aan de ‘zuidkust van Zuid-Afrika’, op weg naar Grahamstad en Port Elisabeth in de Oost-Kaap, is gedeeltelijk ook mijn verhaal. Ik had in augustus 1996, naar aanleiding van een gastdocentschap aan de universiteit van Stellenbosch en op weg naar de Rhodes University in Grahamstown, de gelegenheid in het Godverlaten Witsand te verblijven. Achteraf bekeken, na lectuur van De cowboybroek, was dat ruim een jaar nadat De Coninck en Hemmerechts in hetzelfde huisje van de familie Van Zyl hebben verbleven. Als ik me niet vergis, verbleef de moeder van Wium van Zyl in het andere gedeelte van het pand. Ik citeer het verhaalfragment van De Coninck, dat niet toevallig begint met een aftelrijmpje van de hand van de dichter Van Zyl:

[...] Op reis in Zuid-Afrika ontmoetten we de dichter Wium van Zyl en zijn vrouw Dorothea. Wium is de auteur van het in Zuid-Afrika zeer beroemde versje ‘Sout-en-peperpotjies’:

Ons twee is maatjies

presies eenders

buiten ons gaatjies.

Witsand

Witsand

Ze hadden een buitenhuisje in Witsand, zuidkust Zuid-Afrika, waar de Brede Rivier uitmondt in zee. Ze zouden zeer verguld zijn als we daar een lang weekend wilden doorbrengen, de enige tegenprestatie die ze vroegen was dat Kristien voor de wegwijzer naar Witsand zou poseren met haar boek Wit Zand. Het werd het heuglijkste weekend van de hele reis. Het huisje bleek ‘Lawaaiwater’ te heten: dat moest wel een vondst van Wium zijn. Of van het water zelf, want de Brede Rivier komt hier aangestormd om terecht te komen in de remstrook van haar zeemonding: zee die de rivier in wil, rivier die de zee in wil, het zorgt voor een luidruchtige stilstand. Onze slaapkamer heeft een balkon, en dat balkon een schommelstoel, en daarin bezit ik ten zeerste mezelf. Zo hoort de wereld te zijn, er bestaan plekken waar de wereld dat gesnapt heeft. Het is september, walvissenseizoen. En jawel, zelfs vanaf het balkon zie je ze, nog geen vijftig meter zee-inwaarts, eerst een fonteintje, dan een vin of een staart: walvissen, kleine, drie à vier meter, ontroerende speelvogels, speelvissen, van een groot geslacht. De zee is roestkleurig, vanwege ijzermineralen vermoed ik, pas veel verder probeert ze haar blauwen uit. Het zand is zo wit als beloofd. Duinen met rillerige ruggengraatruggen. Daarachter hard-groen kleinhout. Het strand wemelt van de strandpipers en de witgatspreeuwen. De namen van de dingen zijn hier bijna zo mooi als de dingen zelf. Tegen de avond zie ik op het strand een man met een soort fietspomp bezig. Het lijkt alsof hij de aarde aan het oppompen is. Hij zwoegt er bij. Nu je het zegt, het loopt hier zo zacht, zou de wereldbol inderdaad een beetje aan het leeglopen zijn? Nee, zegt de man, hij is op zoek naar mud prawns, moddergarnalen als aas om morgen mee te vissen.

Later het Zuiderkruis tegen de achtergrond van de helderste melkweg ooit gezien, een hemel met een soort roodvonk, lijkt het wel, geelvonk. Het te grote en het te kleine en hoe dat hetzelfde is: kijken naar schelpen, kijken naar de melkweg. Ik ben een zandkorrel in het diepst van mijn gedachten.[vii]

Het verhaal, waaruit ik dit fragment putte, is gelardeerd met poëtisch geformuleerde anekdotische beschrijvingen zoals wel meer voorkomen in reisimpressies van deze romantische schrijver. De verteller vergaapt zich aan ‘ontroerende speelvogels’ en ‘duinen met rillerige ruggengraatruggen’. Hij staat in bewondering voor de ‘helderste melkweg’ en mijmert vanuit een eurocentrisch perspectief over de wonderen van de Zuid-Afrikaanse natuur.

Een onbestaand gedicht van Breytenbach

Interessanter dan een beschouwing te wijden aan dergelijke reisreportageachtige fragmenten, of het autobiografische gehalte van De Conincks verhalend proza te onderzoeken,  is te peilen naar diens meer geïmpliceerde of uitgesproken standpunten over Zuid-Afrika. ‘Charisma in de uitverkoop’ en ‘Cultuur als besmetting’ zijn wat dat betreft revelerende teksten waarin de schrijver zijn bedenkingen over de tragiek van het politieke systeem en over de schoonheid van de mensen en de landschappen heeft verwerkt, maar ook zijn visie op het Afrikaans.

Het eerste verhaal van De Coninck in De cowboybroek begint als volgt: ‘Ik ben twee keer in Zuid-Afrika geweest, in 1994, volop in de euforie van Mandela, en in 1995, toen een verbitterde blanke taxichauffeur me vertelde dat er spoedig een burgeroorlog zou losbarsten tussen Zoeloes en Xhosa’s, en na enig bloedvergieten zou men opnieuw de blanken nodig hebben als strenge opzichters, hoopte hij. In mijn kop en in dit verslag waaien 1994 en 1995 door elkaar’.[viii] De eerste reis waaraan de schrijver hier refereert, had zoals gezegd plaats in oktober 1994. De aanleiding voor een tweede verblijf, begin augustus 1995, was een lezingentournee die De Coninck bracht op een neerlandistiekcongres in Bloemfontein en in Potchefstroom (‘het ergste van het ergste, of het witste van het witste’[ix]). Aansluitend, na zijn publieke optreden aan de universiteiten en in culturele centra van beide steden, ondernam hij naar eigen zeggen in opdracht van een Belgisch radioprogramma een autotocht naar de Drakensbergen. Over deze tweede reis, die hem toen niet naar de Kaap bracht, schreef hij een brief aan de Afrikaanse dichter, bloemlezer en vertaler van zijn poëzie Daniel Hugo.

Daniel Hugo

Daniel Hugo

Hugo heeft met Liefde, miskien (1996) een voor het Afrikaanse publiek beeldbepalende bloemlezing uit De Conincks poëzie naar het Afrikaans samengesteld.[x] Dat De Coninck überhaupt een tweede reis naar het zuidelijk halfrond heeft ondernomen, was blijkens onderstaande brief helemaal niet zo evident.

[...] Ik zie daar zeer tegenop. 1/ Kristien gaat niet mee. 2/ Zonder haar ben ik helemaal geen dapper reiziger. 3/ Ik heb gisteren mijn rib gebroken: gewoon thuis van de trap gevallen, uitgegleden op mijn kousen. Alles wat ik met mijn linkerarm doe, doet pijn. In Zuid-Afrika moet ik met die arm schakelen met de auto. 4/ Ik moet ten laatste 13 augustus terug in België zijn, dus ik heb geen tijd om jullie in Kaapstad te bezoeken. Vooral dat laatste vind ik jammer. [...][xi]

Nog vóór beide excursies waarover hij rapporteert en fictionaliseert in De cowboybroek, toen hij naast Bloemfontein en ‘Potch’ ook het ‘Britse’ Durban heeft bezocht, had De Coninck zijn belangstelling voor Zuid-Afrika al meermaals laten blijken. Meer bepaald op het moment dat het verscheurde land de nadagen van het apartheidsregime doormaakte en de toekomst bijzonder onzeker oogde. De Coninck heeft ook enkele keren zijn waardering, zo niet zijn fascinatie, voor het literaire werk van schrijvers als J.M. Coetzee, Nadine Gordimer, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach uitgesproken. Aan die laatste ‘verzetsfiguur’, schrijver in de diaspora, heeft hij overigens ook een gedicht gewijd. De genese van het gedicht moet worden gedateerd nadat Breytenbach in 1992 mee het Gorée Institute. Centre for democracy, development and culture heeft opgericht (met een verwijzing naar het slaveneiland Gorée voor de kust van Dakar, Senegal). Het instituut streefde ernaar het contact tussen intellectuelen en democratische instellingen in Afrika te bevorderen, en de democratie op het continent te stimuleren.[xii] De bemiddelaarsrol die Breytenbach vervulde, en zich dus ook institutioneel aantrok, zit mee verwerkt in het gedicht. De tekst van De Coninck is niet opgenomen in een dichtbundel, maar kan wel worden teruggevonden in het essayboek De vliegende keeper (1995). Het gedicht bestaat uit door De Coninck vertaalde (en tussen aanhalingstekens geplaatste) regels uit (eigen en vertaalde) poëzie van Breytenbach.

 

‘Wanneer een oude man sterft in Afrika,

brandt er een bibliotheek af.’

 

Ik kom uit het niets en zal tot niets komen,

maar ik neem er wel de tijd voor.

De wereld waarin ik thuis ben is Afrika.

Het is de enige uitweg die ik heb om gebruik

te maken van al mijn zintuigen en vermogens.

Deze aarde was de eerste die sprak.

Zij heeft mij voor eens en altijd uitgesproken.

 

De zuidooster stuift door de straten van de stad,

verandert het geslacht van honden.

De zon valt als een koffiezakje in de ketel

en al spoedig is de nacht zwart doorgelopen.

Heiligen storten in de leegte, niets achterlatend

dan een kreet als een serpentine in de lucht.

 

‘Liefde is niet maken, maar vergezellen’.[xiii]

 

Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach

Over dit romantisch getoonzette maar evenzeer politiek-ideologisch geladen gedicht (Breytenbach als ‘alerte politieke verslaggever’), dat tegelijk ook als programmatisch voor De Conincks eigen poëticale opvattingen at that time kan worden gelezen (met als sleutelbegrippen ontregeling en troost),[xiv] tekende hij nog het volgende op:

[Dit] gedicht is een onbestaand gedicht van Breytenbach. Zijn poëzie vind ik moeilijk, maar ik zou er eens beter mijn best op moeten doen. Zijn verslag Terugkeer naar het paradijs vind ik gedreven, soms zijn het overhaaste kladnotities, meestal is het buitengewoon knap. Het voordeel van Breytenbach is dat hij ook veel weet, en dat je tussen zijn erudiete verslaggeverij ineens een zin pure poëzie aantreft, waarna hij gelukkig weer tot de orde van de dag overgaat. Zo hoort poëzie te functioneren, in een prozatekst: ontregelend. Het proza regelt het dan wel verder. Zo lees je het verslag van de dood van iemands vader, heel accuraat, waarna de regels: ‘Wanneer een oude vrouw sterft is de wereld vol vlinders, wanneer de ogen van een oude man breken, worden de bomen donker.’ Waarna nieuwe alinea, andere levens, want er zijn er genoeg. De scrupuleloze commerçant bijvoorbeeld: ‘een vogel die schijt in alle bomen’. Breytenbach heeft het oog van de alerte politieke verslaggever, gecombineerd met de taalwijsheid van de Toearegs. In zijn inleiding schrijft hij in elk geval dat hij troost vindt bij gezegden als: ‘De dood is niet iets als thee-drinken.’

Ik heb een gedicht gemaakt, uitsluitend bestaande uit regels van Breytenbach - en van anderen  die hij citeert [...]. Ik vind het een erg mooi Breytenbach-gedicht. Alleen heeft hij het nooit zo onder elkaar opgeschreven. En als je Afrika vervangt door Vlaanderen, zou ik er zelf wel voor willen tekenen [...].[xv]

De Coninck blijkt gecharmeerd door de ‘scrupuleloze’ versregels van Breytenbach die onder meer ontleend zijn aan ‘de taalwijsheid van de Toearegs’.[xvi] Het is met name de combinatie van erudiete en politiek geladen passages én ‘de wijsheid’ van primitieve volkeren die voor De Coninck de overtuigingskracht van deze schriftuur bepaalt. Het is evenwel niet de poëzie an sich (‘de pure poëzie’) die de Vlaamse schrijver in de ban hield. Hij heeft het expliciet over ‘de verslaggeverij’. Versregels fungeren als deraillerende elementen in een prozatekst; ze zorgen voor verdieping, voor een brok levenswijsheid die je op dat moment in de verslaggeving niet verwacht. Dat is wat hij noemt de registerwisseling tussen het proza van Breytenbach en het taaleigen van het Noord-Afrikaanse nomadische Berbervolk.

De Coninck mag dan wel zijn eigen Breytenbach-gedicht hebben gecreëerd met vertaalde regels die de Zuid-Afrikaanse schrijver zelf zou hebben ontworpen of die hij in vertalingen ontleende aan andere schrijvers (de Toearegs). Hij noemt het eclectisch samengestelde gedicht vooral ‘erg mooi’, en hij besluit veelzeggend: ‘als je Afrika vervangt door Vlaanderen, zou ik er zelf wel voor willen tekenen‘ (mijn cursivering). Het is ongetwijfeld de wijze waarop Breytenbach zijn liefde voor Afrika belijdt (‘De wereld waarin ik thuis ben is Afrika’), door gebruik te maken van beelden ontleend aan teksten van inheemse Afrikaans volkeren, die De Coninck weet aan te spreken. De transparantie van het taalgebruik, de parlandistische toon, de van ‘levenswijsheid’ vervulde beeldentaal zijn de ingrediënten van een poëzie die ook hij in het eigen scheppende oeuvre voorstond.    

Overigens, naast deze poëticaal te lezen Breytenbach-compilatie - Breytenbach à la manière de De Coninck - heeft hij in hetzelfde opstel in De vliegende keeper ook een gedicht voor Czesław Milosz geconcipieerd, met regels ontleend aan het dichtwerk van de Poolse Nobelprijswinnaar.

Politieke stellingname in Nieuw Wereldtijdschrift

Nieuw Wereldtijdschrift

Nieuw Wereldtijdschrift

Herman de Coninck was niet alleen dichter en poëziecriticus. Hij was ook tijdschriftredacteur. In 1984 is in Vlaanderen uit de erfenis van het vrijzinnige Nieuw Vlaams Tijdschrift (1944-1983) het glossy, op glanzend papier gedrukte Nieuw Wereldtijdschrift opgericht. In dit literair-journalistieke magazine vroeg hoofdredacteur De Coninck meermaals aandacht voor markante teksten uit de Zuid-Afrikaanse literatuur. In het jaar van zijn Breytenbach-gedicht verscheen een speciaal aan Zuid-Afrika gewijde aflevering van het NWT (mei-juni 1995), met bijdragen van (in volgorde van verschijnen) Etienne van Heerden, Henk van Woerden, André Brink, Stephen Watson (in een vertaling van Eva Gerlach), Antjie Krog, Riana Scheepers, Damon Galgut, J.M. Coetzee en Chris van Wyk; van Koen Wessing is een portfolio met foto’s in de townships opgenomen. De Coninck, samensteller van de aflevering, leidde ook in, en was wellicht verantwoordelijk voor de leads bij de respectieve bijdragen. In het woord vooraf benadrukte hij, als het ware om het initiatief in de lage landen te legitimeren, de ommezwaai die zich na de vrijlating van Mandela en daarna na de verkiezingen van 1994 in het land had voltrokken. De Coninck formuleert zijn kritische kanttekeningen bij de manier waarop de culturele boycot ten tijde van de alleenheerschappij van de Nasionale Party is gevoerd. Uiteindelijk hebben die drastische maatregelen zich gekeerd tegen de Afrikaanse literatuur en ‘de progressieve Afrikaanse schrijvers’, zo stelt De Coninck, en niet diegenen getroffen die in hun handelen en mentaliteit gruwelijke feiten hebben gepleegd.

De tijd is voorbij dat wij Zuid-Afrika op z’n nummer wilden zetten. Dat ging soms hard. Ik herinner me een “Nacht van de Poëzie” in Utrecht waarop Willem Frederik Hermans was uitgenodigd, die toen pas naar Zuid-Afrika was geweest. De zwarte dichter Julian With dreigde toen met een rel. Waarop Hermans bedankte.

Wium van Zyl

Wium van Zyl

Andersom vertelde de Afrikaanse dichter Wyum [sic] van Zyl me hoe hij begin jaren tachtig in Nederland aan zijn doctoraal over Hermans zat te werken en hoe hij zich voortdurend opgejaagd voelde: men had hem eens op heterdaad moeten betrappen, dan was hij meteen het land uit gezet.

Nee, een economische boycot is uitstekend, maar niemand houdt zich eraan. Maar met een culturele boycot ontzeg je juist de progressieve Afrikaanse schrijvers de solidariteit die ze in hun eenzaam geschrijf zo nodig hebben. En de voorstanders van de apartheid? Juist hen hadden we onze geschriften niet moeten onthouden. We hadden hen ermee moeten bombarderen. Cultuur is een wapen.

Kortom, dit Zuid-Afrikanummer komt tien jaar te laat. Het kan geen aanspraak meer maken op moed.

Maar misschien kan het nog interesse wekken, want Zuid-Afrika heeft een knappe literatuur.

We hebben geen enkele poging gedaan om een politieke status questionis te maken. Maar in zijn totaliteit, in de samenstelling van zijn tekorten, geeft het nummer toch een goed beeld, hopen wij, van een onoplosbaar land, dat zichzelf, althans in dit nummer, op een inspirerende manier tegenspreekt en aanvult.[xvii]

Gelijkaardige passages over de functies van cultuur en de betekenis van de Afrikaanse literatuur heeft De Coninck ook verwerkt in ‘Cultuur als besmetting’ (in De cowboybroek). Taal en politiek: ze grijpen volgens onze auteur in een land als Zuid-Afrika immer en altijd in elkaar. Taal heeft er per definitie een ideologische laag die niet los kan worden gezien van maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. In het volgende fragment worden de schoonheid en de disparaatheid van het Afrikaans bezongen. De taxatie van het Afrikaans, die trouwens aansluit bij vaker geregistreerde uitspraken van Nederlandssprekenden over de speelsheid en zangerigheid van het Afrikaans, nog vóór De Coninck in 1994 een eerste keer de Zuid-Afrikaanse bodem betrad en het Afrikaans van native speakers aanhoorde, is klaarblijkelijk louter en alleen gebaseerd op jeugdsentimenten. Meer bepaald op zijn eerste kennismaking op de schoolbanken met de Afrikaanse literatuur. De herinneringen gaan terug op schoolbloemlezingen, zoals Zuid en Noord, die op de lectuurlijst stonden van het katholiek middelbaar onderwijs in België. Daarover schreef hij: ‘[deze schoolboeken] eindigden altijd met een sectie Afrikaanse poëzie. Van W[y]k Louw stond er nog in, en een enkele keer ging men zelfs tot Elisabeth Eybers. Ik vond het een buitengewoon poëtische, licht amusante taal’.[xviii] Overigens, in later verschenen anthologische schoolboeken als De dubbelfluit, samengesteld door de Vlaamse priester-dichter en Groot-Nederlands denkende Anton van Wilderode, komen nog Afrikaanse schrijvers als Eybers en Opperman voor. Aan de taal van deze dichters, het Afrikaans, betuigt De Coninck zijn liefde. Ik citeer het fragment in extenso, ook al gezien de politieke relevantie van de uitspraken die de schrijver doet en de visie die hij in de openingsalinea op het ontstaan en de eigenheid van het Afrikaans naar voren schuift.

[...] Uit [een] ingewikkelde haat-liefde moet het Afrikaans ontstaan zijn. Zal ik eens iets gedurfds proberen? Haat-liefde: zou het dan kunnen dat de apartheid uit haat is ontstaan en het Afrikaans uit liefde? Zou het kunnen dat deze taal, het Afrikaans, mee van het beste is wat dit land te bieden heeft? Al wat de Afrikaners in hun apartheidspolitiek niet konden gedogen, rassenvermenging, hebben ze in hun taal wel toegelaten. Met zijn dubbele ontkenning is het een soort oud West-Vlaams dat zich met alle graagte heeft vermengd met Engels en Zoeloe en Xhosa, dat zijn calvinisme heeft doorspekt met zwarte lekkerheden, dat zijn reglementen mee heeft laten genieten van zonde. Het is taalkundig gezien de meest overspelige taal die ik ken. Pas nu begrijp ik waarom Breyten Breytenbach er nog altijd niet in slaagt zich Europeaan te noemen. Hij is een zoon van de landschappen van de Karoo, van schraalte en onmetelijkheid en dubbele wolkenvelden: lagere wolken waardoorheen je de hogere ziet. (Niet het proza is hier gelaagd, maar de hemel.) En bovenal: hij spreekt de zeer besmette taal die het Afrikaans is. Hij bepleit zelfs die besmettelijkheid, het kan niet besmet genoeg, cultuur is besmetting.

‘De taal is gansch het volk’: was dat hier maar waar geweest.

Taalmonument

Taalmonument

Er is voor deze taal zelfs een monument opgericht, in Paarl. Het enige taalmonument ter wereld. Volgens Tom Lanoye is het een geërecteerde fallus met drie ballen - maar de fallus is hol, je kunt er onderaan in, en dan merk je bovendien dat hij bovenaan besneden is, je kijkt naar een topje blauwe lucht, zodat je je helemaal een spermatozoön voelt, onder de indruk van de lange weg die het Afrikaans nog te gaan heeft. Maar het is wel bereid zich het zwerk in te schieten. Mandela heeft het monument laten staan. Waarschijnlijk tot de dag dat de tien andere talen ook hun monument eisen. Ik voel me een beetje IJzerbedevaartachtig. Maar ik lees ook bij de entree een versteend citaat van de dichter Van Wijk Louw, die de hoop uitspreekt dat deze verbasterde taal, net dankzij haar verbastering, iets van Europa én van Afrika zal kunnen huisvesten. Het is niet deze taal waar iets mis mee is.

Zal het Afrikaans overleven? Ja, denkt J.M. Coetzee, maar niet het deftige Afrikaans van de blanken, maar het nog veel verbasterder dialect dat de bruinmense spreken. In André Brinks boekje 27 april.[xix] Een jaar later staan een paar voorbeelden van dit taaltje. Helaas ook een paar voorbeelden van verbittering na één jaar Mandela [citaten van Jan Rabie en Adam Small, yt] [...] In een stuk in de NRC van vorige zomer maakt Henk van Woerden zich vrolijk over de pogingen die zowat alle Afrikaanse neerlandici nu doen om hun taal, met subsidie van de Nederlandse Taalunie, met rugdekking van het prestigieuzere Nederlands, van de vergetelheid te redden. Maar het gaat niet om een taalstrijd, maar om een klassenstrijd binnen die taal, zegt hij.

Ik heb zelf aan zo’n congres voor neerlandici meegedaan, in Bloemfontein. Ik wil daar graag iets op terugzeggen. Dat de Taalunie het Afrikaans steunt: beter laat dan nooit. Het is meer Wiedergutmachung dan steun. De economische boycot was zeer terecht, en die heeft gewerkt ook. Maar juist de culturele boycot van Nederland heeft het prestige van zowel het Nederlands als het Afrikaans ondermijnd. Aan de universiteiten werd dat zo verschrikkelijk gelijkhebberige Nederlands gehaat. Die afkeer heeft bijgedragen tot de snelheid waarmee het Afrikaans verbasterde. (Ik lees in een hotelkamer in een bijbel van het begin van de eeuw. Dat Afrikaans is voor mij woord voor woord verstaanbaar. Bij één alinea van Adam Small heb ik vijftig voetnoten nodig.)

Het was vooral grotesk. Dichter en hoogleraar Wium van Zyl, die in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek kwam werken aan zijn doctoraal over W.F. Hermans, zat daar in de voortdurende vrees dat hij ontmaskerd zou worden en over de grens gezet. Francis Galloway, die eind jaren tachtig doctoreerde over Breyten Breytenbach, werd de toegang tot het huis van de Anne Frank-stichting ontzegd. Tegelijkertijd zou W.F. Hermans - die toen pas was ingegaan op een uitnodiging om Zuid-Afrika te bezoeken, ondanks het feit dat hij met een kleurlinge was getrouwd - komen voorlezen op de Nacht van de Poëzie in Utrecht. De zeer donkerzwarte dichter Julian S. With, die niet alleen zijn naam tegen heeft maar helaas ook zowat al zijn poëzie, dreigde toen met een rel. Waarop Hermans bedankte.

Het meest absurde was dat het blanke protest in Zuid-Afrika zich juist in die culturele sector afspeelde: door de boycot werd uitgerekend aan het progressieve blanke protest onze solidariteit ontzegd. En de voorstanders van de apartheid? Juist hun hadden we onze geschriften niet moeten onthouden, zegt André Brink, we hadden hen ermee moeten bombarderen.

Verder ben ik als Vlaming, weet hebbende van taal- en klassenstrijd, geneigd te denken dat taal zijn dialecten mag hebben, want daar heerst nogal wat vindingrijkheid - maar dat het toch goed is dat de dikke Van Dale het een beetje bij elkaar houdt, anders gaan die dialecten al te gauw hun eigen leven leiden. Zuid-Afrika zit al opgescheept met elf officiële talen. Ik zie er het nut niet van in dat ook het Afrikaans zich nog eens zou opsplitsen in een dialect of drie. Het blank en bruin en het zwart Afrikaans (want ook dat laatste bestaat) hebben elkaar nodig. Taalpolitiek is geven en nemen. Tot er - ik zeg maar wat - een bruinmens-Multatuli opduikt. En dan is taal krijgen. [...][xx]

Opmerkelijk is dat De Coninck in deze uitvoerige passage de courant gemaakte associatie tussen de rassenpolitiek van de Nasionale Party (1948-1994) en het Afrikaans niet legt. De officiële taal zelf is in de tijd van het verwerpelijke apartheidssysteem en de segregatiepolitiek van de blanke minoriteit in verband gebracht met deze politieke ideologie. Afrikaans, zo was de mening in landen die het regime boycotten, stond gelijk aan (de taal van) de verdrukker, van het fascistoïde en door etnische presupposities gedomineerde gedachtegoed. De Coninck, die cultuur als wapen zag, vereenzelvigt de taal net niét of onproblematisch met een ideologische stellingname. Het Afrikaans is een smeltkroes, een kruispunt van diverse talen, en wordt gesproken door meer mensen dan alleen de conservatieve ‘witmense’. Breytenbach, zo stelt onze schrijver, adoreerde deze ‘overspelige taal’, die invloeden van het Engels, Hollands, Frans, Zoeloe, Xhosa en nog enkele andere talen heeft ondergaan. In die zin is Afrikaans voor Herman de Coninck een ‘zeer besmette taal’. Waar hij Breytenbach om benijdt, is precies diens beheersing van het Afrikaans (en meer in het bijzonder voor de keuze voor een literair oeuvre in het Afrikaans en in het Engels). Het Afrikaans wordt voorgesteld als een slagader van een literair oeuvre dat Breytenbachs roots in de Karoo verbindt met ‘Afrika’.[xxi] In Paarl, in de buurt van Stellenbosch en Franschhoek, staat het enige monument in de wereld dat specifiek voor een taal is opgericht. Beeldend is De Conincks beschrijving van het monument dat als een signaal van de verdere dynamische ontwikkeling van het Afrikaans wordt verzinnebeeld. Zijn besluit is taalpolitiek te lezen: het Afrikaans verenigt in zich Europa en Afrika. Het is net die verstrengeling van beide continenten die hij in zijn Breytenbach-gedicht probeerde scherp te stellen. Breytenbachs fascinatie voor de taal van de nomadische Toearegs, ‘de wereld waarin ik thuis ben is Afrika’, maar dus ook voor het Afrikaans van de Karoo (en zijn landelijke geboortegrond), maar ook diens onverzettelijkheid, is wat De Coninck zo aantrekt in de literaire persoonlijkheid en de cultuurpolitieke houding van de auteur van Terug naar het paradijs. Een Afrikaans journaal (1993).[xxii]

In de tweede alinea van bovenstaand citaat reflecteert De Coninck over de toekomst van het Afrikaans in een post-apartheid era. Hij lijkt Coetzee’s visie te onderschrijven dat alleen het verbasterde Afrikaans, niet de taal van de blanke eurocentrische elite maar die van ‘de bruinmense’, zal overleven. Hij put daarvoor uit zijn eigen beperkte ondervinding op een neerlandistiekcongres in Bloemfontein. De culturele boycot van Zuid-Afrika, vooral in Nederland (ook door de Nederlandse Taalunie), wordt - zoals al eerder bleek uit een voorwoord in Nieuw Wereldtijdschrift - betreurd. Precies deze boycotmaatregelen noemt hij als een van de redenen waarom het Afrikaans in ijltempo verbastert. Het Nederlands was door de politieke houding van menig regeringsleider voor vele Afrikaanssprekenden de taal van de moreel superieure betweters in Den Haag en Amsterdam. Hij schetst enkele concrete voorbeelden van aanvaringen, van een sfeer van achterdocht en geestelijke terreur die in Nederland ten aanzien van Afrikaners bestond. Het was vooral in de culturele sector dat de onmogelijkheid nog samen te werken tussen Zuid-Afrika en Nederland/Vlaanderen, tussen academici en schrijvers, is gecontesteerd. In casu op een moment dat, volgens De Coninck, vooral de steun vanuit Nederland en Vlaanderen cruciaal was. Die afwijzende houding heeft zich tegen het Afrikaans gekeerd, luidt zijn conclusie. Net op het ogenblik dat de blanke progressieven in Zuid-Afrika, die het systeem met protestacties en literaire teksten ondermijnden, alle steun konden gebruiken, bleven zij door een algemeen uitgevaardigde boycot in de kou staan en verkeerden zij in een volstrekt isolement. Op het moment dat het democratisch denken alle Europese steun kon gebruiken, is een dam rond het Afrikaner nationalisme gebouwd. Een cocon waarin het nationalisme op zichzelf terugplooide ten koste van al wie in het land vooruitstrevende denkbeelden had en open minded was. De Coninck bepleit een gestandaardiseerde Afrikaanse taal, waarin ruimte is voor taalvariatie, maar waarbij ook moet worden gedacht over de taalpolitieke functie van een sterke eenheidstaal. Hij stapt in zijn conclusie uiteraard voorbij aan een Afrikaanse literatuur die ook door ‘bruinmense’ en door ‘swartmense’ wordt geschreven. De ‘bruinmens-Multatuli’ is misschien al opgestaan; uit de ‘Multatuli’ in de woordsamenstelling spreekt tegelijk een paternalistische houding die de Nederlandse literatuur hoger aanschrijft dan wat ‘bruinmense’ zouden vermogen. Herman de Conincks apologie voor het Afrikaans is mede ingegeven, behalve door de Vlaamse ‘taal- en klassenstrijd’, door een reductionistisch beeld van de literatuur die in het Afrikaans wordt geschreven en de bonte mengeling van taalgebruikers. Dat de ‘bruinmens-Multatuli’ opstaat, lijkt voor hem nog ver in de toekomst te liggen. Vandaar dat de Afrikaanssprekenden er goed aan doen de rangen te sluiten, zo decreteert de taalpoliticus in De Coninck. Zij zouden er beter aan doen voor een doelgerichte taalpolitieke strategie te opteren waarbij standaardisering hoog op de agenda moet staan. De realiteit heeft een dergelijke zienswijze intussen achterhaald.

Eybers, Krog en het Nieuw Wereldtijdschrift

Omslag

Omslag

Uit de nagelaten brieven, zeven jaar na zijn dood onder de titel Een aangename postumiteit verschenen, blijkt dat Herman de Coninck als hoofdredacteur van het NWT in de beginjaren van het tijdschrift (de jaren tachtig dus) verscheidene keren heeft geprobeerd Elisabeth Eybers (1915-2007) te vermurwen mee te werken aan het blad. Hij wou graag een interview met de in Amsterdam gedomicilieerde Eybers, een genre waarvoor zij zich nog niet eerder had laten strikken. Het is de enige brief aan Eybers die in het brievenboek voorkomt. Er spreekt een opmerkelijk bewonderende, bijna adorerende, maar ook wel een zeer nederige houding uit. Tegelijk spreekt De Coninck, op dat ogenblik de auteur van vier dichtbundels (De lenige liefde, Zolang er sneeuw ligt, Met een klank van hobo en De hectaren van het geheugen) en van de verzamelbundel Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982 (1985), en dus niet gehinderd door enige bescheidenheid, van niet minder dan ‘gevoelsverwantschap’.

 

11.6.85

Geachte Mevrouw,

Separaat stuur ik u het laatste nummer van het NWT, hopend dat u het mooi genoeg vindt om er ooit eens gedichten aan af te staan.

Bovendien zou ik graag, ter gelegenheid van het verschijnen van uw nieuwe bundel [Drijfsand of Gedigte 1962-1982, yt], een interview met u maken.

Ik weet dat u dat gewoonlijk weigert. Ik heb althans nog nooit een vraaggesprek met u gelezen. Maar misschien juist daarom vraag ik het: het zou des te unieker zijn voor ons.

Ik weet verder niet goed wat daaraan toe te voegen.

Helpt het u als ik u ook een dichtbundel van mezelf toestuur, zodat u enige gevoelsverwantschap kunt constateren? Of is dat juist opdringerig? Ik doe het dan toch maar, je weet nooit.

Met hartelijke, bewonderende groet,

Herman De Coninck[xxiii]

 

Er is geen interview met de door de Vlaamse dichter bewonderde Elisabeth Eybers in het NWT verschenen.

Een andere, aanzienlijk jongere maar al even spraakmakende journaliste/dichter die De Coninck bijzonder hoog inschatte, is Antjie Krog. In het voorwoord van het NWT-nummer, dat integraal is gewijd aan Zuid-Afrika, had De Coninck al de lof gezongen van de politiek actieve en maatschappelijk geëngageerde Krog en van het periodiek Die Suid-Afrikaan. Hij zou daar later in een persoonlijke brief, gedateerd op 20 mei 1996, nog verder op ingaan. In NWT, mei 1995, lees ik onder meer:

Antjie Krog

Antjie Krog

Antjie Krog is dichteres, een paar jaar geleden nog te gast op Poetry International, en ‘uitvoerend redakteur’ van Die Suid-Afrikaan, een blad dat misschien wel graag een soort Nieuw Wereldtijdschrift zou willen zijn, maar het daar politiek te druk voor heeft. Die Suid-Afrikaan is een tweeëneenhalf-talig blad: Afrikaans en Engels door elkaar, een enkele keer mag ook Xhosa. Literatuur is de bedoeling, maar politieke pamfletten zijn dringender. Antjie Krog schrijft daar gedreven voorwoorden bij, die meestal eindigen met de formule ‘groetnis en genade’. Dat laatste smeekt ze de gekleurde bevolking af, omdat ze zo haar best doet. Dat klopt ook. Welke filosoof was het ook weer, die, gewezen op zijn ijzeren inconsequentie, zei dat hij dan wel als een wegwijzer de juiste richting aanwees, maar gezien zijn functie toch maar beter zelf ter plaatse kon blijven? Zo niet Antjie Krog. Ze legt zelf alle kilometers af die ze aanwijst, in alle richtingen.[xxiv]

De brief die De Coninck haar stuurde voorjaar 1996, over het functioneren en de maatschappelijke impact van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, waar Krog korte tijd later het getuigenisboek De kleur van je hart (oorspronkelijk Country of my skull) aan heeft gewijd, kan ik hier gezien de lengte niet integraal citeren.[xxv] Het is voor beide auteurs in menig opzicht een belangrijke brief. De Coninck had Krog gevraagd over de confronterende hoorzittingen van de door aartsbisschop Desmond Tutu voorgezeten Truth and Reconciliation Commission verslag uit te brengen in het NWT. Aldus kondigde De Coninck de reeks aan:

Vanaf dit nummer begint Antjie Krog, dichteres en journaliste, met een tweemaandelijkse brief uit Kaapstad. Daar gebeuren buitengewoon boeiende dingen die hier nauwelijks het nieuws halen omdat er niet genoeg doden bij vallen. Die zijn al gevallen en het gaat er nu juist om hoe Zuid-Afrika daarmee probeert om te gaan. Sinds kort is er een waarheidscommissie bezig met het onderzoek naar ‘oorlogsmisdrijven’ tijdens de apartheid. Die misdrijven kunnen aangeklaagd worden en bestraft - maar ook vergeven. Dat geldt met name voor ideologische misdaden. Het gevolg is alvast dat Eugène Terre’Blanche zich nu probeert te profileren als ideoloog: hij heeft nooit tegen de zwarten gevochten maar tegen het communisme. Ant[j]ie Krog is hoofd van het clubje radiojournalisten dat hierover rapporteert, met verontwaardiging en woede en schaamte en slapeloze nachten.[xxvi]

In totaal schreef Krog voor het NWT zes afleveringen in de rubriek ‘Brief uit Kaapstad’ (in 1996, afl.4, 5 en 6; in 1997, afl. 1, 2 en in het dubbelnummer dat aan de kort tevoren overleden De Coninck is gewijd: 5/6).[xxvii] De ‘Brief uit Kaapstad’ was trouwens de concrete aanzet voor het schrijven van De kleur van je hart (2001). Het spreekt voor zich dat zowel De Conincks invitatiebrief als de zes bijdragen van Krog in NWT nader onderzoek verdienen.

Twee late gedichten

Voor de epiloog van deze verkennende beschouwing over de relaties tussen Herman de Coninck en Zuid-Afrika keer ik terug naar de poëzie. Een derde verblijf in Zuid-Afrika, na de bezoeken in 1994 en in 1995, had plaats in oktober 1996. Mogelijk was het echtpaar De Coninck er ook al in april van dat jaar geweest. We lezen over die Kaapse reis, toen de dichter onder meer te gast was bij Riana Scheepers en Daniel Hugo, in twee brieven die hij richtte aan zijn vrouw op het thuisfront in Berchem (Antwerpen). De reis was opgezet als een promotietoer, ter gelegenheid van de uitgave van Daniël Hugo’s vertaling van gedichten van De Coninck. Hij ontmoette tijdens dat verblijf ook de Vlaamse collega-schrijver Tom Lanoye, die al sinds enkele jaren een eigen appartement bezat in Kaapstad (en de buurman is van Antjie Krog).[xxviii] Op 13 oktober 1996 had een ontmoeting plaats met de Afrikaanse dichter en arts Phil du Plessis. Aldus hangt De Coninck een hilarisch maar ook tragisch portret van Du Plessis op:

Hij is 52, homo, arts, en een soort renaissance-mens, uomo universale. Weet alles van artsenij, psychoanalyse, architectuur, schilderkunst, poëzie. Drinkt vanaf ’s ochtends witte wijn. Rookt als een Turk, zelfs terwijl hij eet. Gaat nooit op invitaties in van mensen bij wie hij niet mag roken. Heeft een prachtig huis aan zee, zijn veranda lijkt wel een badhuisje, zo vlakbij. Heeft een kunstcollectie van 10 miljoen BF [250.000 euro, yt], en een platencollectie van 1 miljoen, waaronder nog 78-toerenplaten, en twee zelf aan te zwengelen 78-pick-ups. Daarop laat hij dan zowel jiddische jazz horen, als de eerste opname van King Creole, van Elvis Presley. Hij is vroeger al eens in een droogdok van 10 meter diep gegooid door een recalcitrante gigolo (5 breuken). Nu is hij smoor op een macho-fotomodel van 26, maar platonisch, want zodra hij naar hem een vinger uitsteekt, krijgt hij op zijn smoel. [...].[xxix]

Du Plessis duikt vervolgens ook op in een brief van De Coninck aan Daniel Hugo. In de verzamelde opstellen heb ik geen verwijzingen naar de poëzie van Du Plessis aangetroffen. In diezelfde brief aan Hugo polst De Coninck naar de receptie van Liefde, miskien in de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek. Met de kritische ontvangst bleek het nogal mee te vallen. Op 9 januari 1997 voegt hij in een volgende brief aan Hugo een net geschreven gedicht toe, dat later (postuum) is gebundeld in Vingerafdrukken (1997). De anekdotische laag (‘Zo schrijft de werkelijkheid soms/een strofe of twee voor me op’) verwijst naar de al eerder vermelde schrijverstournee die De Coninck, op instigatie van Van Zyl en onder meer in aanwezigheid van Simon Vinkenoog, naar de Atlantische kust bij Kaapstad heeft gebracht. Het gedicht refereert expliciet aan het reisproza in De cowboybroek. In de verantwoording van de dichtbundel noteerde De Coninck:

Enkele reisgedichten uit de afdeling “Ginder” zijn oorspronkelijk als proza gepubliceerd, o.a. in De cowboybroek van Maria Magdalena, maar waren daar niet tevreden mee, wilden uit hun context, wilden regels kwijt en er andere bij. (Zo werkt poëzie: sommige regels zijn vragende partij).[xxx]

 

Ewewig

 

Simon Vinkenoog over de zee nabij Kaapstad:

‘Ongelofelijk hoe waterpas, hè!’

‘En zo weinig scheepjes!’

‘Jamaar, ‘t is zondag!’

 

Later vertelt Phil du Plessis hoe zijn grootvader

metselaar was, viool speelde, en een glazen oog had.

Om te zien of een muur waterpas stond, legde hij zijn glazen

oog erop, begon viool te spelen, en als het oog bleef liggen

 

was de muur waterpas. Zo schrijft de werkelijkheid soms

een strofe of twee voor me op en begint viool te spelen,

omdat het zondag is.[xxxi]

 

In dezelfde afdeling in Vingerafdrukken, ‘Ginder’, komt ook een tweede gedicht voor waarin Zuid-Afrika de setting is, met name ‘Hotel in Durban’.

 

Hotel in Durban

 

Rond halfzes gaat zon onder, komt zee boven.

Gooit haar zilverigheid in het rond, komt aanrollen

op haar breedste alexandrijnen van schuim,

op haar twaalfkilometers.

 

Mijn balkon is een groot televisiescherm waarop zee.

Overdag zijn er honderd soorten lawaai. ’s Nachts twee: zee

die zich luidruchtig opgraaft uit de mijnwerkerij van zichzelf,

en krekels. Wat krekels doen is zoiets als vioolspelen op die ene

 

zenuw waaraan je tandpijn hebt. Tuinman spuit ’s ochtends

voor het hotel de struiken schoon: uit één plant schieten er

miljoenen weg. Ik heb maar honderd woorden.

 

Daarin ontstaat een groot zeggen

waarin de zee zich één voor één voor één voor één

wil nederleggen.[xxxii]

 

Slot: ‘Zonder de townships was er een oplossing’

Over de plaats van Zuid-Afrika in De Conincks leven en werk is het laatste woord niet gezegd. Deze bijdrage is het resultaat van een poging een eerste overzicht van tekstplaatsen in poëzie, reisproza, poëziekritieken en in brieven te geven. De beschouwing besluit ik met een laatste fragment uit een brief, die in april 1995 moet worden gesitueerd. Na de eerste reis naar Zuid-Afrika, in oktober van het vorige jaar, schreef De Coninck aan zijn vriend Jan van Bilsen:

Ik ben [...] vorig jaar oktober [in Zuid-Afrika] geweest, en er is een goede kans dat ik er binnenkort opnieuw naartoe ga. Ook daar is de hele situatie hachelijk, en zelf ben ik uitermate pessimistisch, maar de mensen die ik ginder ontmoet heb, zijn allemaal buitensporig bereid tot political correctness. Alleen zegt iedereen erbij: ik hoop dat Nelson Mandela nog lang mag leven. Want het ANC heeft nu wel de macht, maar ze moeten nog gaan ontdekken dat ze niet meer geld hebben dan de vorige regering. Het geld is opgesoepeerd [sic] in de oorlog met Angola. Ik heb de townships bezocht. Ik had dat beter niet gedaan. Zonder de townships was er een oplossing. Maar met de townships, nee. Miljoenen mensen die daar in gods natuur zitten te kakken en die dat wonen noemen. Wat moet je eerst subsidiëren, een put onder hun gat of een dak boven hun kop?

En toch heerst daar momenteel wereldoptimisme. De onwaarschijnlijkheid van verdraagzaamheid. Zo lang het duurt. En het duurt nooit lang. [...][xxxiii]

Khayelitsha

Khayelitsha

Over het ontnuchterende bezoek aan de townships, ‘de nieuwste en grootste township Khayelitsha’ in de omgeving van Kaapstad, en hoe taal en politiek in Zuid-Afrika altijd weer verankerd zijn, heeft De Coninck in ‘Charisma in de uitverkoop’ geschreven. Het kan het fundament zijn voor een meer uitgewerkte studie van De Conincks beeldvorming van Zuid-Afrika en het Afrikaans.[xxxiv]

 

 


[i] H. de Coninck, ‘Het niets tussen twee plekken’, in De cowboybroek van Maria Magdalena en andere reisverhalen, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 107-134. Ook opgenomen in: H. de Coninck, Het proza (deel 2). P. de Wispelaere en J. de Preter (ed.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2000, p. 541-682, i.h.b. p. 649-682. In totaal betreft het vijf genummerde prozateksten. De citaten in deze bijdrage zijn ontleend aan de oorspronkelijke bundelpublicatie.

[ii] De matefoor is ontleend aan een gedicht van Breyten Breytenbach.

[iii] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 111.

[iv] K. Hemmerechts, ‘De stemmen van Zuid-Afrika’, in Amsterdam retour, Atlas, Amsterdam/Antwerpen 1995, p. 45-66.

[v] G. Komrij, De Afrikaanse poëzie in duizend en enige gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 1999.

[vi] K. Hemmerechts, Amsterdam retour, p. 61.

[vii] H. de Coninck, ‘Wit zand’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 118-122, citaat op p. 118-119.

[viii] H. de Coninck, ‘’Charisma in de uitverkoop’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 107-110, citaat op p. 107.

[ix] Het citaat komt uit een brief van De Coninck aan Daniël Hugo (dd. 27 juli 1995). Zie H. de Coninck, Een aangename postumiteit. Brieven 1965-1997. B. Barnard, K. Hemmerechts, P. Piryns en A. Schreuder (red.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2004, p. 614.

[x] H. de Coninck, Liefde, miskien. Daniel Hugo (samenstelling en vertaling). Queillerie-Uitgewers, Kaapstad 1996. Daniel Hugo selecteerde de gedichten uit H. de Coninck, Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982, Manteau, Antwerpen 1984 [vierde druk, 1992]. Op het achterplat staat vermeld dat uitsluitend uit De lenige liefde (1969), Zolang er sneeuw ligt (1975) en Met een klank van hobo (1980) is gekozen. Ook de volgende typering, vermoedelijk geschreven door samensteller Hugo, van De Conincks poëzie komt daarop voor: ‘Kenmerke van sy werk is die alledaagse tema, die verrassende gesigshoek, die praatstyl, die oorspronklike beeldspraak en die versagtende ironie’. In 2009 vertaalde Daniel Hugo ook De Conincks debuut De lenige liefde naar het Afrikaans (Protea Boekhuis, Pretoria).

[xi] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p. 614.

[xii] [Auteurscollectief], Breyten Breytenbach uit de eerste hand. Schilderijen, tekeningen en essays, Frans Hals Museum/Meulenhoff, Haarlem/Amsterdam 1995, , p. 75. Het boek verscheen ter gelegenheid van de uitreiking van de Jacobus van Looyprijs aan Breytenbach (16 september 1995).

[xiii] H. de Coninck, ‘Twee gedichten’, in De vliegende keeper, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1995, p. 32-35, citaat op p. 34-35.

[xiv] Herman de Coninck publiceerde in totaal vier essaybundels die integraal aan literatuur zijn gewijd. De eerste boekpublicatie is getiteld Over de troost van pessimisme (1983).

[xv] Ibidem, p. 34.

[xvi] Ik wist na uitvoerig speurwerk in de gebundelde poëzie niet te achterhalen aan welke gedichten de regels zijn ontleend die aan Breytenbach worden toegeschreven.

[xvii] [H. de Coninck], ‘Voorwoord’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1995/3 (mei-juni), p. 3.

[xviii] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 112.

[xix] André Brink (samenst.), 27 April. One year later/Een jaar later, Queillerie, Pretoria/Kaapstad1995.

[xx] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 114-117.

[xxi] Breytenbachs poëzaie is doorspekt met dergelijke verwijzingen. In Die Huis van die Dowe (Human & Rousseau, Kaapstad/Pretoria 1967) streepte ik onder meer deze regels in het gedicht ‘In julle hoede’ aan: ‘Jy is my taal, die saad/van my bevrugting, jy is die woord/waarin ek drome kan stort’ (de jij kan hier refereren aan een vrouw maar ook aan de taal en het land).

[xxii] Voor een beschouwing over onder meer Terug naar het paradijs. Een Afrikaans journaal, zie H.C. ten Berge, ‘De grillige lijn. Een verkenning van Breyten Breytenbachs geschreven werk’, www.litnet.co.za (25 november 2009).

[xxiii] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p.214.

[xxiv] A. Krog, ‘Fragmenten van een lafaard’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1995/3 (mei-juni), p.30-35. In een vertaling van Robert Dorsman.

[xxv] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p. 672-675.

[xxvi] [H. de Coninck], ‘Voorwoord’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1996/4 (juli-augustus), p. 3.

[xxvii] De afleveringen verschenen onder de volgende titels: ‘Ubuntu en amnestie’ (NWT 1996/4, p. 38-41), ‘Zwart tegen zwart, blank tegen blank’ (NWT 1996/5, p. 42-45), ‘Nog een pakkend stukje’ (NWT 1996/6, p. 48-51), ‘Biecht zonder vergeving’ (NWT 1997/1, p. 62-65), ‘Ruzie over de verzoening’ (NWT 1997/2, p. 56-57) en ‘Een oneindige, vijandige nacht…’ (NWT 1997/5-6, p. 116-120). Robert Dorsman maakte de vertalingen.

[xxviii] Tom Lanoye heeft enkele columns gewijd aan de politieke omwentelingen in Zuid-Afrika in 1994. De teksten zijn gebundeld in T. Lanoye, ‘Kaap de Goede Hoop’, Maten en gewichten, Prometheus, Amsterdam 1994, p. 162-208.  Ook opgenomen in T. Lanoye, Vitriool voor gevorderden 1994-2003, Prometheus, Amsterdam 2004, p. 92-142.

[xxix] Ibidem, p. 727-729, citaat op p. 727-728.

[xxx] H. de Coninck, ‘Nawoord’, in Vingerafdrukken, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1997, p. 65-66. Vingerafdrukken is opgenomen in H. de Coninck, De gedichten (deel 1). H. Brems (ed.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2000, p. 391-444.

[xxxi] H. de Coninck, Vingerafdrukken, p. 41. In het ‘Nawoord’ achterin de bundel legt de dichter uit ‘[v]oor wie dat niet zou hebben beseft’ dat ‘ewewig’ Afrikaans is voor ‘evenwicht’.

[xxxii] Ibidem, p. 42.

[xxxiii] Ibidem, p. 590-593, citaat op p. 591-592.

[xxxiv] Voor dat onderzoek moet onder meer rekening worden gehouden met enkele publicaties van De Coninck die in deze beschouwing niet zijn meegenomen. Zie o.a. ‘Een vredig gangsterisme’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1997/2, p. 46-53. De bijdrage is een recensie van de foto’s van Jürgen Schadeberg, Sof’town Blues. Images from the black ‘50’s en ‘de zwarte journalistiek’ van het blad Drum.

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (2)

Tuesday, January 12th, 2010

ni vu ni connu

ni vu ni connu

 

Teneinde een houvast te hebben voor de studie van paratekstuele elementen heeft de Franse literatuurwetenschapper Gérard Genette een onderscheid gemaakt tussen ‘epitekst’ en ‘peritekst’. Epiteksten hebben geen rechtstreeks verband met het boek, dat wil zeggen: het boek wordt niet ingezet als drager om dat soort auteurscommentaar over te brengen. Genette verwijst naar de manier waarop in de media, zoals in interviews met de schrijver of in recensies van het boek, maar ook in egodocumenten als brieven en dagboeken, informatie wordt overgedragen die voor de lezer van de tekst richtinggevend functioneert.

Palmen - Lucifer

Palmen - Lucifer

Interviews met en dus uitspraken van bijvoorbeeld Connie Palmen hebben, zoals een deelonderzoek heeft uitgewezen, de receptie van haar roman Lucifer (2007) duidelijk gestuurd. De autobiografische laag is in tal van besprekingen benadrukt, zodat de literariteit van de tekst minder aandacht kreeg. In het verlengde hiervan kunnen de gefictionaliseerde dagboeken van Jeroen Brouwers, gepresenteerd in Kroniek van een karakter (1986-1987), met deel 1 De Achterhoek (1976-1981) en deel 2 De oude Faust (1982-1986), bestudeerd worden m.b.t. de receptie van diens romans. En ook de wijze waarop de poëzie van Leonard Nolens ànders wordt gelezen sinds de dichter eind jaren tachtig zijn dagboeken liet verschijnen, met expliciete uitspraken over de genese van gedichten en dichtbundels, maar ook over zijn particuliere leesparcours, verdient nader onderzoek. Elders is er al op gewezen dat een ‘noodzakelijk verband’ aanwezig is tussen Nolens’ dagboekproza en diens poëzie. De vraag is inderdaad hoe noodzakelijk dat verband is en hoe sturend deze epiteksten (kunnen) zijn voor een lezing van de gedichten.

Claus - De Metsiers

Claus - De Metsiers

 

 

 

 

 

 

 

Claus - De Metsiers

Claus - De Metsiers

Naast de ‘epitekst’ onderscheidt Genette de ‘peritekst’. De ontstaans- en drukgeschiedenis van een literair werk laten soms ingrijpende tekstvarianten zien. Ook op het niveau van de peritekst in opeenvolgende drukken van een literair werk zien we soms verschuivingen optreden. De eerste druk van Hugo Claus’ romandebuut De Metsiers is in 1950 verschenen in een bruine klassieke stofomslag met de uitgeversinscriptie AM (Angèle Manteau). De tweede druk heeft niet alleen een ander omslag – Claus gaf op dat moment uit bij de Amsterdamse Bezige Bij – maar presenteerde op het achterplat ook een aanprijzend citaat van de Nederlandse gezaghebbende criticus Simon Vestdijk. Dit citaat heeft voor de receptie van de tweede druk een referentiekader gecreëerd dat nauw aansluit bij het psychologisch realisme en dat de lectuur van Claus’ roman vermoedelijk mee heeft gestuurd. Receptieonderzoek kan de impact van de peritekst illustreren. Al moet ik eraan toevoegen dat het niet altijd eenrichtingsverkeer is, en dat dus uitsluitend de impact van de peritekst op de tekst belangstelling verdient. De tekst zelf kan de lezing van de peritekst uiteraard ook sturen.  

Ensor - Muziek in de Vlaanderenstraat

Ensor - Muziek in de Vlaanderenstraat

 

In het licht van de bevindingen en uitspraken van Bodo Plachta kunnen we stellen dat epi- en periteksten in het editie- en literatuurwetenschappelijk onderzoek meer belangstelling verdienen. De vaststelling dat het boek, als artefact, méér is dan een omhulsel van tekstelementen, heeft nog te weinig geleid tot vragen naar de impact van boekuitvoering op de receptie van de literaire tekst. De tekst is nooit alleen maar de tekst, zeker als het gaat om een boekuitgave. Illustratief voor deze evidente opmerking is een blik op Eenheid in verscheidenheid door H.T.M. van Vliet, met daarin alle boekomslagen van het literaire werk van Louis Couperus. Couperus hechtte veel belang aan boekuitvoering en omslagillustratie.

Claus - Het verdriet van België

Claus - Het verdriet van België

Maar ook W.F. Hermans en Gerard Reve, Hugo Claus (met Muziek in de Vlaanderenstraat (1891) van James Ensor op de kaft van Het verdriet van België) en Ivo Michiels hechten belang aan en/of zijn nauw betrokken geweest bij de typografische vormgeving van hun teksten. In wat volgt tracht ik in enkele afleveringen periteksten in poëziebundels te duiden. Ik poog op het belang van het referentiekader te wijzen dat daarin besloten ligt en de sturende rol in de receptie van de tekst.  

 

 

 

 

 

 

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (1)

Tuesday, January 12th, 2010
Arjen Duinker - Buurtkinderen

Arjen Duinker - Buurtkinderen

Arjen Duinker, Frans Budé en andere dichters verkiezen boven een achterplattekst een gedicht. Van anderen, zoals Herman de Coninck en Paul Snoek, weten we dat zij de zogeheten flapteksten van hun bundels zelf schreven. Nochtans worden die expliciete poëticale teksten niet of alleen een zeldzame keer in het onderzoek naar de poëzie betrokken. Ook van hedendaagse Vlaamse dichters als Paul Bogaert en Peter Holvoet-Hanssen is bekend dat ze de flapteksten voor hun bundels zelf componeren en die teksten laten functioneren als onderdeel van wat doorgaans als ‘de literaire tekst tussen de kaften’ wordt beschouwd. Neem nu Paul Bogaert. In zijn jongste bundel, de Slalom soft (2009), staat op de laatste bladzijde een paginagrote zwart-wit foto van de auteur met als enige onderschrift het adres van Bogaerts homepage www.paulbogaert.be. Op de site van de auteur kun je de Slalom soft aanklikken en daar weer, naast recente besprekingen in periodieken en op poëzieweblogs, colofon en achterplattekst lezen. Daarnaar gevraagd stelt Bogaert dat ‘de flaptekst te belangrijk [is] om er mij als auteur niet mee te bemoeien’. Dat deze dichter zich terdege bewust is van de beeldbepalende functie van informatie in de flaptekst, of beter gezegd van een geëxpliciteerde poëticale visie, en daar voor zijn eigen boekpublicaties strategisch gebruik van maakt, wijst diens eindverhandeling aan de K.U. Leuven over Pornschlegel en andere gedichten (1988) van Dirk van Bastelaere uit. In een mail schreef hij me onlangs:

Paul Bogaert - de slalom soft

Paul Bogaert - de slalom soft

‘Mijn thesis ging over vier gedichten uit Pornschlegel. Ook daarin […] heb ik een hoofdstuk lang het belang van de flaptekst belicht / onderkend. De flaptekst is in die bundel heel bijzonder, het verbindt de rif-metaforiek expliciet met (het schrijven van) gedichten, in de gedichten zelf (ATOL) is dat veel implicieter (daar komt als ik mij niet vergis het woord ‘gedicht’ niet in voor). Maar zodra je de flaptekst hebt gelezen is die even ‘gewichtig’ voor de interpretatie als wat er in het gedicht zelf staat, je kunt er niet niet meer aan denken, je kunt de gedichten niet meer lezen zonder de kennis van de flaptekst.’

 

Bogaert sluit zijn bericht af met de veelzeggende opmerking: ‘De flaptekst geeft houvast en stuurt, opent en beperkt [omdat de] flaptekst gedeeld wordt met élke lezer.’ Overigens, niet alleen  Paul Bogaerts flapteksten, ook zijn eigen webstek omvat wel meer gegevens die we als ‘paratekst’ kunnen omschrijven.

Tonnus Oosterhoff - Hersenmutor

Tonnus Oosterhoff - Hersenmutor

 

 

 

 

 

 

 

 

Paratekstueel onderzoek is in de Nederlandse literatuurstudie alleen een zeldzame keer ondernomen. Nochtans bevat een gedrukte literaire tekst, in de terminologie van Gérard Genette in Palimpsestes (1968) en in Paratexts: Thresholds of Interpretation (1997), voldoende ‘peritekstuele’ elementen die een particulier referentiekader aanreiken voor een betekenisgeving van de tekst. Enkele voorbeelden kunnen het belang van peritekstuele informatie (of data)  voor het letterkundig onderzoek onderstrepen. De debuutbundel Maagendenburgse halve bollen en andere gedichten (1968) van Gerrit Komrij is voorzien van een motto ontleend aan een gedicht van de vroeg negentiende-eeuwse dichter A.C.W. Staring (1767-1840): ‘Weêrgalmt mijn Lier, zij leent heur snaren/Tot geen vermeetlen kamp!/Als Phebus opsteeg uit de baren,/Doofde Epicteet zijn lamp’. In de receptie van Komrij’s poëzie waren het citaat van Staring, maar ook expliciete referenties aan de dominee-dichter Piet Paaltjens, de aanleiding om de jonge dichter Komrij te catalogeren als een ‘zwart-romanticus’ die over Forum en de Vijftigers heen aansluiting zocht bij de negentiende-eeuwse romantische poëzie.

 

 

Komrij - Maagdenburgse halve bollen

Komrij - Maagdenburgse halve bollen

Het motto misleidde toen menig criticus zodat lange tijd de ambivalente poëticale positie van Komrij, met toch wel de nadruk op het gedicht als maakwerk, is miskend. Schrijvers wijzigen ook wel eens de titel van hun literaire werk bij een herdruk. Marcellus Emants’ novellenbundel Dood is voor de heruitgave van 1916 Afgestorven getiteld, en de titel van Hendrik Consciences historische roman In ’t Wonderjaer is in 1843, na een ingrijpende tekstredactie die als autocensuur mag gelden, Het Wonderjaer gaan heten. Periteksten, zo lezen we bij in het inventariserende overzicht van Genette (waar de tekstanalyses jammer genoeg ontbreken), zijn niet alleen achterplatteksten, motto’s en titels. De auteursnaam op het boekomslag kan in de drukgeschiedenis van een werk ook wijzigingen ondergaan. De auteur van De Avonden (eerste druk: 1947) was respectievelijk Simon van het Reve, G.K. van het Reve, Gerard Kornelis van het Reve en Gerard Reve. Maar ook boekomslagen, vignetten en tekeningen, lettertypes en typografie, annotaties (zoals bijvoorbeeld in De leeuw van Vlaenderen (1838) van Conscience), colofon, voor- of nawoord, pamfletten voor de boekhandel en intekenstroken, de naam of het imprint van een uitgeverij enzovoort behoren tot de categorie van de peritekst. In mindere of meerdere mate bevatten deze gegevens auteurscommentaar en ze sturen op impliciete of expliciete manier de lezing van de tekst. De annotaties die dichters als Christine D’haen, Paul Claes en Jacob Groot in hun bundels opnemen, kunnen niet uitsluitend worden gelezen als encyclopedische of lexicografische verklaringen, maar vooral als expliciteringen van auteursintenties, een handleiding voor een lezing van de tekst en dus als evenveel pogingen de tekstinterpretatie te controleren.

 

 

 

 

Hendrik Conscience - De leeuw van Vlaenderen

Hendrik Conscience - De leeuw van Vlaenderen

 

De Duitse editiewetenschapper Bodo Plachta benadrukte in ‘Mehr als Buchgestaltung – editorische Anmerkungen zu Ausstattungselementen des Buches’, een belangwekkende theoretische bijdrage voor editio (2007), het jaarboek van de Arbeitsgemeinschaft für Germanistische Edition, dat de tekstediteur naast de tekst bij voorkeur aandacht moet besteden aan de paratekst. De tekst wordt nooit ‘naakt’ tussen twee kaften gepresenteerd. Alle indicaties die de auteur, het genre of de titel betreffen, van auteursportretten op de achterflap tot de gebruikte foto’s of ontwerpen voor het omslag, zijn semantische componenten die onze lectuur van teksten mee begeleiden. Zo heet het afsluitende deel van Willy Roggemans tachtigdelige Post Opera Supplementa, Cadenas (2008), op de titelpagina ‘Een gedicht’. Die genreaanduiding richt de lezersblik en in plaats van een artefact bestaande uit dertig gedichten van tien regels wordt de tekst beschouwd als een geheel van driehonderd versregels. Ook Paul Bogaerts de Slalom soft is op de titelpagina aangeduid als ‘gedicht’ en niet als een bundel met ‘gedichten’. Plachta noemt deze appendices specifieke en niet te veronachtzamen vormen van auteurscommentaar die onmiskenbaar inwerken op de receptie van de tekst en de leesverwachtingen sturen. Het boek is een artefact. Teksteditorisch en letterkundig onderzoek laten zich te weinig in met deze vormen van auteurscommentaar.

 

 

 

 

 

Yves T’Sjoen. Stadsdichter & Vlaamse stadspolitiek

Tuesday, December 1st, 2009

’t Stad een caleidoscoop van levenden

Peter Holvoet-Hanssen

Peter Holvoet-Hanssen

 

 

 

 

 

‘Stadsdichters mogen hun gedacht zeggen’. Voor de zekerheid gaat Peter Holvoet-Hanssen toch maar een ‘Vrijbrief’ vragen aan het stadsbestuur van Antwerpen. Op Gedichtendag 2010, op donderdag 28 januari, wordt Holvoet-Hanssen aangesteld als vijfde stadsdichter van Antwerpen. In die functie volgt hij Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert en Joke van Leeuwen op. Het schepencollege heeft anderhalve week geleden de naam van de stadsdichter voor de periode 2010-2011 voorgelegd aan de gemeenteraad. De Contrabas en De Papieren Man hebben erover bericht, het nieuws viel te rapen op de cultuurpagina’s van de landelijke pers in Vlaanderen en zelfs op deze Zuid-Afrikaanse literaire weblog Versindaba kon de lezer van de nieuwsbrief al vreugdekreten waarnemen. Dat Holvoet-Hanssen de nieuwe stadsdichter van Antwerpen is, lokt vele en vooral eenstemmig positieve reacties uit. Ook de inhoud van zijn ‘Vrijbrief’, die onder meer verder bouwt op bovenstaande versregel uit Holvoet-Hanssens dichtbundel Navagio, waarmee hij zijn eerste ‘poëziereis’ afsloot, kan op heel wat gunstige respons rekenen. Zoals van de stadsdichter Joke van Leeuwen, die in januari de fakkel overdraagt. De kop boven het interview luidt: ‘Het stadsdichterschap leeft geweldig in Antwerpen’ (De Morgen, 25 november 2009)

Joke van Leeuwen

Joke van Leeuwen

 

 

Het advies voor de benoeming van de Antwerpse stadsdichter wordt sinds de aanstelling van Ramsey Nasr door een commissie voorbereid. Nasr bekleedde het ambt gedurende één jaar terwijl andere stadsdichters twee jaar optraden. Een ‘raad van wijzen’ draagt een kandidaat voor aan het college van burgemeester en schepenen. De commissie bestond dit jaar uit twee niet-stemgerechtigde leden, Bruno Verbergt (hoofd van het departement cultuur en voorzitter) en Michaël Vandebril (coördinator Antwerpen Boekenstad en secretaris), en de adviseurs Leen van Dijck, An Renard, Gerd Segers, Geert Buelens en Ingrid Vander Veken. De voordracht is kortom aan procedures en afspraken gebonden. In Antwerpen gaat het departement cultuur niet over een nacht ijs. En vooral niet alléén over dat ijs. De dichter die gedurende twee jaar het stadsdichterschap een eigen invulling mag geven, wordt bij consensus voorgedragen door academici en journalisten, archivarissen en tijdschriftenmakers. Kortom door diverse betrokkenen uit het culturele veld. Meteen krijgt de stadsdichter een breed institutioneel draagvlak en aan de benoeming wordt, alleen al door de naam van de uitverkorene maar dus ook door de adviesprocedure zelf, de nodige ruchtbaarheid gegeven. De overlegprocedure verloopt democratisch en volgens commissielid Gerd Segers in een ‘constructieve overlegsfeer’.

Poëziecentrum

Poëziecentrum

Het nodige misbaar veroorzaakte eerder dit jaar de benoeming van de stadsdichter in de provinciestad Gent. Daarover is bericht op diverse internetsites en in kranten en weekbladen. De uitgelezen kandidaat voor de opvolging van Erwin Mortier, en van de ‘toondichter’ Dick van der Harst (in Gent wisselen dichter en componist elkaar af), was Miriam Van hee. De twee stadsdichters die tot vandaag het ambt hebben vervuld, Roel van Londersele en Mortier, zijn telkens op voordracht van de directeur van het Poëziecentrum aangesteld. Vervolgens heeft de gemeenteraad de voordrachten bekrachtigd. In Gent werd de beslissing unisono genomen. Letterlijk op te vatten als door een mond, in casu een persoon. Zonder cultureel draagvlak, in een oorverdovende stilte, een beetje stoemelings. Zelfs culturele instellingen in de stad wisten zich na een jaar van stadsdichterschap niet te herinneren wie in Gent die positie nu eigenlijk bekleedde. In Gent leeft het stadsdichterschap niet.

 

 

 

 

Voor de aanstelling van de derde Gentse stadsdichter hebben cultuurambtenaren op bestuurlijk niveau het aanduidingsscenario gewijzigd. Voortaan zou de schepen van cultuur zelf de nieuwe stadsdichter voordragen en ten persoonlijken titel de contacten regelen. Zoals bekend is dat in Gent redelijk faliekant afgelopen. Miriam Van hee had weliswaar persoonlijke redenen om het aanbod niet te moeten aanvaarden. Maar het was toch vooral de armetierige aalmoes die haar is voorgehouden, een ‘stad van kennis en cultuur’ onwaardig, die haar bijzonder hoog zat. Van hee weigerde. En de schepen krabde zich verongelijkt in het haar. In allerijl zijn toen op het kabinet cultuur alle hens aan dek geroepen en de peulschil, die voor honorarium doorging, tot een respectabele som van enkele duizenden euro’s verhoogd. Wie na het gemeenteraadsbesluit had verwacht dat Van hee weer zou worden benaderd, kwam bedrogen uit. Vooral omdat ze al te kennen had gegeven voor dat handvol dukaten en florijnen niet uit haar stulp te komen en bij stadsfestiviteiten gelegenheidsversjes te debiteren. En ook wie verhoopte dat eerlijke schaamte het stadsbestuur zou hebben gedwongen Van hee een fatsoenlijker vergoeding aan te bieden, kwam bedrogen uit. Van hee was hors concours. Moest ze maar niet zo ondankbaar zijn. De schepen gaf het adviesdossier voor het stadsdichterschap dan maar door aan de directeur van Poëziecentrum. Peter Verhelst bleek makkelijk te overhalen om voor 3500 euro stadsdromen te vangen.

 

 

 

 

 

Peter Verhelst

Peter Verhelst

Beide stadsdichters, Peter van Antwerpen en Peter van Gent, hebben interessante plannen. De eerste ontvangt 5000 euro honorarium voor één jaar dichterschap. Beiden willen het stadsdichterschap een eigenzinnige invulling geven, bottom up. De Antwerpse Peter heeft het over ‘het poëziehart van de stad (dat) zich moet openen’. Bij wijze van spreken willen zij, elk op hun manier, de kloof tussen het volk en de poëzie dichten. Respectievelijk door in de haven en in buurtwijken de poëzie te brengen én door de dromen van de stad op te tekenen en in kleine kringen voor te lezen. Vooral Holvoet-Hanssen, ‘de onvermoeibare poëziepromotor en troubadour’, wil ‘een vrijplaats’ voor poëzie-experimenten tot stand brengen, een ‘laboratorium voor verschillende verkenningen’. Verhelst heeft het druk als theaterauteur, regisseur van NTGent, mentor van het KASK en tal van andere instituten waar hij actief bij betrokken is. In zoverre dat hij in Gent een redactieteam rond zich verzamelde om al die neergeschreven dromen van Gentenaren te verwerken. Hopelijk zit er ook nog poëzie in zijn ‘dromenboek’.

Mij om het even wat stadsdichters met belastinggeld allemaal ondernemen. Ik merk alleen op dat de Antwerpse stadsdichter nog voor hij in functie treedt een stevige basis heeft en weerklank krijgt. De benoeming is volgens een vooraf bepaalde procedure verlopen en het culturele veld voelt zich betrokken bij de invulling van de publieke functie.

De stadsdichter in Gent wordt door een schepen of een directeur naar voren gedragen. Geen adviescommissie, geen procedure, geen ruchtbaarheid. Dan krijg je de gênante situatie dat Verhelst officieel is benoemd als stadsdichter op het moment dat het stadsdichterschap al ruim een maand loopt. Alleen wat vertraging opgelopen onderweg, zeg maar. Verhelst en Holvoet-Hanssen zijn beiden gewaardeerde dichters die het ambt zonder twijfel een andere dimensie kunnen bezorgen. Voor Verhelst startte het avontuur evenwel onder ongunstig gesternte. Pas zodra cultuur in Gent ook ernstig omspringt met het ambt van stadsdichter en letteren een vrijplaats wordt, zodra er een overlegplatform komt en beleidsbeslissingen in consensus worden genomen, zal het stadsbestuur er misschien in slagen ook het ambt van stadsdichter uitstraling en prestige te bezorgen. Zoals het al bijna een decennium het geval is in die andere Scheldestad waar men zich in de Arteveldestad graag mee meet. De ‘letterenstad Gent’ heeft nood aan een ‘Vrijbrief’ voor de poëzie.

Yves T’Sjoen. Willy Roggeman & goddelijke hagedisjes

Wednesday, November 25th, 2009

“Kunst is het bevechten van de nihilistische drek van het bestaan in een moment van vormtranscendentie.” (Homoïostase. Opus Finitum 12)

 

“[…] gewone hagedisjes [kunnen] door het feit zelf dat zij door de pen gepriemd worden een metamorfose naar het goddelijke […] ondergaan. Het betekent dat ik mijzelf wil bewijzen dat de creatieve expressie ieder zinloos ogenblik kan doen muteren tot specifiek menselijke zin. Ieder nihil kan zomers worden en door de schok van de tegengestelden van onzin in zin, van chaos in orde springen.” (Het zomers nihil. Opus Finitum 8 )

 

De Vlaamse dichter, prozaïst, essayist en jazzkenner (én musicus) Willy Roggeman (1934) staat in overzichtswerken en monografieën geboekstaafd als cerebraal kunstenaar, een archetypische poeta faber die volgens Geert Buelens in Van Ostaijen tot heden een ‘welhaast totalitair kunstbegrip’ hanteert. Kunst transcendeert en transformeert de chaos en het vormloze dat het bestaan is. Als het leven wordt gezien als ‘nihilistische drek’, dan is er de ‘vormtranscendentie’ om van het afscheidingsproduct van dat leven, de uitwerpselen of ook wel het nihil, iets eeuwigs en blijvends te maken. Met betrekking tot Roggemans serieel gecomponeerde opusliteratuur is al vaker verwezen naar de oud-Chinese yin-yang tegenstelling, met yin als het vrouwelijke en yang als het mannelijke element. En naar het Artistik-Evangelium van Nietzsche, ook de statische gedichten en het bionegativisme van Gottfried Benn. Nog vaker is erop gewezen dat de schrijver in de creatie van kunstobjecten, van wat hij zelf noemde de ‘goddelijke hagedisjes’ of autonome taalkristallen, de condition humaine, en dus alle beperkingen en belemmeringen des levens, tracht te ontstijgen. Deze reminiscenties staan vermeld in de relatief beperkte studie van het werk van Roggeman.

Willy Roggeman

Willy Roggeman

 

Wat doorgaans in het onderzoek minder aandacht krijgt, is de wijze waarop het autonome artefact, ‘de tekst als ding’, niet zonder de existentie van de mens en dus die ‘nihilistische drek’ kan. Of hoe ‘het ik als tekst’, zoals Hugo Brems in zijn literatuurgeschiedenis Altijd weer vogels die nesten beginnen het autobiografisch schrijven typeert, onlosmakelijk verweven is met ‘de taal als tekst’. Met de eerste tendens associeert Brems de schrijver, die zoals Daniël Robberechts in het experimenteel ‘dagboekproza’ De grote schaamlippen, zich een identiteit schrijft, waarbij de roman als biecht of zelfs als zelfontdekking wordt beschouwd. Met de tweede tendens (‘de tekst als taal’) verwijst Brems naar de schrijver die zich bewust is van de materialiteit van zijn taal en in tekststructuren voortdurend metaliteraire commentaren integreert. Tot die tweede categorie rekent hij in Altijd weer vogels het opus van Willy Roggeman.

De scheidslijn tussen beide tendensen is mijns inziens arbitrair. Taal mag dan wel ideologisch bepaald zijn, en het taalgebruik van de experimentele schrijver mag gericht zijn op het doorprikken, of toch minstens het ter discussie stellen van de conventionele taal die ordebevestigend werkt. Toch is er geen sprake van transformatie als er niet eerst leven is. Voor het hagedisje goddelijk wordt, op het moment dat het “door de pen [van de schrijver] gepriemd [wordt]”, voor het van chaos in orde een noodzakelijke gedaanteverwisseling  ondergaat, moet het immers eerst een springerig en spichtig hagedisje zijn. Elk geschreven tekstfragment is de transformatie van een vormeloos bestaansfragment, van het organisch levende. Geen bionegativisme zonder leven. Het autonome kunstbegrip van Roggeman kan dus ook worden gelezen als het streven naar een vorm om te kunnen overleven, en dus als een existentieel, in wezen romantisch verlangen. In se zijn het autobiografische en het autonomistische schrijven communicerende vaten, en hebben ze elkaar als schijnbaar tegengestelden nodig om überhaupt te kunnen bestaan.

De archivalia die getuigen van Roggemans particuliere lees- en schrijfparcours getuigen van het leven en de persoonlijkheid, dat vormeloze complex waaruit het kunstobject is gecreëerd dat als vorm aan de tijdelijkheid van het bestaan wil ontstijgen. De preoccupatie met de vorm zegt iets over diens autonomistische esthetica. Tegelijk kunnen we in het recent openbaar gemaakte archief van de schrijver, in brieven, manuscripten, typoscripten, in allerlei teksten die onder meer refereren aan zijn passages in Tijd en Mens, Gard Sivik en Komma, dat de vorm steeds gepuurd wordt uit het leven zelf. En dus per definitie (auto)biografische grondslagen heeft. Roggemans teksten kunnen in strikte zin geen louter in zichzelf besloten taalwerelden zijn. Maar dus wel expressie geven aan het geloof in de vormkracht. Hoezeer dat verlangen in poeticis, in tal van fragmenten, en verwijzingen in diens 77 opusdelen ook wordt geponeerd, het blijft bij uitstek een idiosyncratisch streven.

Het Roggeman-archief, dat in de Universiteitsbibliotheek van Gent wordt geconserveerd en waaruit enkele maanden geleden enkele stukken zijn geëxposeerd, is een goudmijn. Een taalschat. Een vorm dus die de creativiteit en het intellect, maar ook de emotie en de belevingswereld van de lezer prikkelt. Over het lezen van Roggeman wil ik het hier niet hebben, omdat elke lezer die creatieve inbreng ten slotte voor zichzelf moet bepalen.

Een flard Roggeman die ook weer vaak wordt geciteerd als poëticale stellingname, waar zijn opusliteratuur mee doorspekt is, is onderstaand citaat. Telkens ik het lees zal ik voortaan het handschrift van de maker zien doorschemeren, nadat ik de Roggeman-expositie heb bezocht (en ingeleid). Het persoonlijke kan worden gezien in wat als een autonomistische poëtica wordt geprononceerd of geëxpliciteerd in essays en in een metaliteraire discours en dat à la limite dus nooit helemaal kan zijn. Omdat het ideaal kan worden nagestreefd, maar duidelijk niet van deze wereld is.

Het autonome artefact dient zijn zijn of worden los van zijn maker te bevestigen en iedere andere methode, van welke aard het pro domo van de schrijver in de vorm van interview, publiciteit of manipulatie ook mag zijn, is een symptoom van de ik-waan en subjectcultus waartegen het opus als geobjectiveerde artistiek ingaat. Het succes is een van de toevalligheden van de culturele conjunctuur waarmee kunstexpressie per se niets te zien heeft. De auteur verdwijnt idealiter in het opus zoals de anonieme middeleeuwse steenhouwer in het beeld van de engel in de verste nis van de kathedraal misschien nooit door iemand zal waargenomen worden. Hetgeen niet belet dat de stenen engel is.

Roggeman in het fonds van Het balanseer

Roggeman in het fonds van Het balanseer

Als de stenen engel wil zijn, waarom heeft de poeta faber een kleine expositie van ansichtkaarten, notitieblaadjes, manuscripten en drukken uit het persoonlijke archief van de schrijver geautoriseerd? De ambachtelijke schrijver voor wie alleen het autonome artefact geldt, heeft als steenhouwer toch maar de deur van zijn atelier opengesteld? Het schrijversarchief is natuurlijk het al dan niet georkestreerde restant uit het atelier. Hoe autonoom is het autonomistisch kunstobject eigenlijk? Hoeveel werkelijkheid, en dus welke voorstelling van de werkelijkheid zit in de vorm? Het is finaal altijd aan de lezer om die vragen steeds weer aan de orde te stellen en tijdelijk, altijd voorlopig, in te vullen.

 

 

 

Roggemans serieel opgebouwde opusliteratuur die in haar muzikaliteit aan het gehoor appelleert, tendeert weliswaar naar de taalautonomie, of naar het bovenmenselijke en boventijdelijke. Het ‘surreële’ (letterlijk wat het bestaan ontstijgt) is er de absolute inzet van. Tegelijk spreekt er zoveel expressie en (geabstraheerd, zelfs gedepersonaliseerd) verlangen uit. Naar het onmogelijke, naar het onvatbare. Het ultieme. De recent verschenen bundel, eigenlijk een doorgecomponeerd gedicht, Cadenas (Het balanseer, 2008) is er een perfecte getuige van. De titel zelf refereert trouwens aan het in zichzelf beslotene. En aan het ritme, de cadans die het mechaniek in gang zet. De taal en het ritme van die taal maken het gedicht. Het gedicht staat als een in zichzelf gekeerd mechaniek, mathematisch georkestreerd of dus vormelijk voorgeprogrammeerd, in de chaotische wereld van elke dag. Het staat als een zeldzaam verweerschrift tegen de tand des tijds. In het besef dat niets, ook de kunst niet, daaraan weerstaat.

Cadenas heeft de waarde van een sluitstuk. Het is het tachtigste opusdeel en sluit het Post Opera Supplementa (2003-2008) af, en bij uitbreiding het Opus Finitum (1953-1976) en Usque ad finem (1977-2002). Cadenas is een meesterlijke afsluiting van een bijzonder uitgepuurd en onovertroffen coup de poésie.

 

http://www.roggeman.ugent.be/

http://hetbalanseer.be/

 

Yves T’Sjoen. Lanoye & L.A.N.O.Y.E. nv

Wednesday, October 28th, 2009

De schrijver als merknaam

Wij leven, dames en heren, in een wereld van handel en commercie. Er is niets wat niet wordt verkwanseld. Goed verpakt, kunstig aangeboden en opgedist. [...] Ik kan alleen maar constateren dat het commerciële een onontkoombaar fenomeen is dat onze tijd en onze maatschappij bepaalt. Als kunstenaar kun je daar op twee manieren op reageren. Je kunt je ertegen afzetten, of je kunt het verwerken in wat je maakt. Je ertegen afzetten is dapper, en moeilijk. Eigenlijk kun je dan niet meer met goed fatsoen een boek uitgeven, want je loopt het constante gevaar dat het een succes wordt.

Tom Lanoye

Institutioneel gesproken is deze uitspraak van Tom Lanoye, geciteerd uit ‘Vendu!’ (Het vroegste vitriool 1983-1993) relevant te noemen. De schrijver heeft het niet alleen over het belang van image-building als strategie in het bepalen van een eigen positie in de literatuur. Opmerkelijk is trouwens dat hij niet spreekt over het literaire werk zelf maar wel over de context (‘een wereld van handel en commercie’) waarin artistieke artefacten pogen zichtbaar te zijn. Lanoye hanteert daarnaast de beginselen van de commercie teneinde zijn literaire productie vorm te geven. De keuze voor titels uit de retoriek van het neokapitalistische systeem berust op geen toeval (Maar nog zo goed als nieuw, Alles moet weg, Vendu!). Het verwerven van economisch én van symbolisch kapitaal - Bourdieu zal in deze bijdrage wel meer om het hoekje komen kijken - staat in het artistieke streven van Lanoye centraal. Materiële producten worden in de markt gezet en leveren symbolisch kapitaal op. En andersom zorgt het symbolisch gewin ervoor dat een publiek is ontstaan dat zich de aangeleverde productie aanschaft en dus voor economische rendabiliteit zorgt. Deze vaststelling is uiteraard gecompliceerder dan ze hier wordt geformuleerd. Het literair-institutioneel onderzoekskader biedt ons de concepten en methoden om dat complex van factoren en strategieën te analyseren en in kaart te brengen. En dan betreft het al lang niet meer uitsluitend de tekst zelf.

De kritiek in Vlaanderen en Nederland reageert doorgaans gunstig op literair werk van Tom Lanoye. In de kritiek zijn de Monster-trilogie (met Het goddelijke monster, Zwarte tranen en Boze tongen, 1997-2002), Het derde huwelijk (2006) en Sprakeloos (2009) opmerkelijk positief onthaald. Lanoye is nadrukkelijk aanwezig in de media: paginagrote interviews, optredens in radio- en televisieprogramma’s, theatertournees, literaire manifestaties, performances. Elke productie wordt in hapklare brokken naar de consument gebracht. De schrijver is gebaat met een eigen imago. Alles is ten slotte perceptie. Het beeld wordt telkens weer, pour le besoin de la cause, productie per productie geconstrueerd en draagt ertoe bij dat de nieuwe uitgave oordeelkundig, met kennis van elementaire noties uit het vademecum van de marketeers, in de markt wordt gezet.

Tom Lanoye lees voor

In recensies wordt veel minder aandacht besteed aan de (commerciële) marketingstrategieën die de schrijver aanwendt teneinde de materiële productie te promoten en te verkopen. De auteursnaam is tegelijk de naam van een vennootschap L.A.N.O.Y.E., statutair opgericht op 19 september 1992, die de beeldvorming van het literaire oeuvre in aanzienlijke mate stuurt. Het naar de consument brengen kan wel degelijk worden opgevat als een uitgekiende teleologische handeling. Aandeelhouders van het literaire bedrijf zijn actoren die in hun niche van het literaire veld, als chef-redacteur van een gezaghebbende boekenbijlage of als journalist van een populair weekblad, maar ook als vormgever-typograaf die exclusieve boekontwerpen maakt waar het label Lanoye mee verbonden is, én als literair agent, alle mogelijkheden benutten om de koopwaar in de vitrinekast van de publieke ruimte te plaatsen. Het economisch rendabel maken van de symbolische productie van literatuur is een vorm van marktdenken dat sinds de liberalisering van de literatuur niet enkel evident is geworden maar ook de productie van literatuur stuurt. Dit is geen recent fenomeen, en Lanoye is inderdaad ‘het kind van zijn tijd’ (interview met Annemiek Neefjes).

Lanoyes mercantiele profilering, waarvoor naast literaire optredens ook aanwezigheid in het maatschappelijke debat in Vlaanderen dienst doen, wordt gerealiseerd door strategische handelingen die symbolisch kapitaal genereren. Dat bijvoorbeeld ook de keuze voor een vaste vormgever van literaire uitgaven (Gert Dooreman), de keuze voor Bert Bakker/Prometheus als uitgeverij, de hiërarchie die de schrijver zelf in zijn waardetoekenning van de scheppende literaire productie aanbrengt, daartoe bijdragen staat buiten kijf. Beeldvorming is met andere woorden een segment van de bewuste verkooptechniek die een schrijver als Lanoye hanteert. En met hem vele anderen.

Vanuit een literair-institutioneel perspectief kunnen deze strategieën worden geduid en in een onderzoekskader geplaatst. Sinds de jaren tachtig heeft de veldtheorie school gemaakt in Nederlandse (en later ook in Vlaamse) academische onderzoeksgroepen. Van de veldtheoretische inzichten van Pierre Bourdieu, toegespitst op een ander tekstencorpus en op een andere periode (en dus ook op een verschillende maatschappelijke context), is in het Nederlandse taalgebied een light versie ontstaan. Intussen heeft vooral G.J. Dorleijn een pleidooi gehouden voor cultuursociologisch onderzoek en een poëticale benadering (met inbegrip van discursieve lezingen van teksten). Er is vandaag een nieuwe methodiek ontstaan die het complex van factoren dat bepalend is voor de dynamiek van een literair veld wil bestuderen.

Vanuit datzelfde perspectief heb ik enkele jaren geleden een oefening ondernomen met als casus (de positionering van) het Gentse Poëziecentrum in het literaire landschap van Vlaanderen (1980-2005). Een centrum voor de poëzie gaat immers uit van een al dan niet verschuivend beeld van poëzie, en probeert die visie door statements, handelingen of producties te rechtvaardigen. Elke actor, zo stellen Dorleijn en Van Rees, maakt gebruik van tijds- en locatiegebonden normatieve opvattingen. Poëziecentrum kreeg eerst structurele subsidies als focuspunt van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Sinds enige tijd valt het instituut onder het Vlaamse Kunstendecreet en is het dus een gesubsidieerde vereniging van de Vlaamse overheid met een specifieke opdracht. Subsidiënten steunen de wijze waarop de vereniging een beeld van poëzie ophangt en (andere) ‘leden van de samenleving ertoe brengt culturele goederen en praktijken op een bepaalde manier waar te nemen en te waarderen’ (Dorleijn en Van Rees). De bevindingen, gepresenteerd in Het beeld van de poëzie. Poëziebeleid in Vlaanderen, hebben destijds vooral tegenwind opgeleverd. Niet het debat waarop ik aanstuurde.

Niet enkel instituties, ook actoren (zoals schrijvers) hebben hun particuliere belangen en zijn erbij gebaat zichtbaar te zijn in het literaire veld. Lanoye, zoon van middenstanders, is zo een literaire ondernemer. Hij begon als zaakvoerder van een eenmansbedrijf, toen zijn bundels nog in eigen beheer verschenen en waarvoor hij alle functies (van producent tot drukker en verkoper) zelf waarnam. Hij ontwikkelde zich tot vennoot (of aandeelhouder) van het literair totaalbedrijf L.A.N.O.Y.E. nv, waarvan alle functies uitbesteed worden. Het voornemen dat de auteur in 1986 formuleerde, met name een literaire multinational te zullen worden, is niet gerealiseerd. Maar zijn adaptatie van Warhols Factory is er wel gekomen, een onderneming waar hij ‘alleen kan produceren en dingen [...] begeleiden en [...] optimaal gebruik [...] maken van de massamedia’. Toen hij die uitspraak deed bestond de vennootschap al vijf jaar. Het mercantilisme is in Lanoyes schrijverschap altijd al een dominante factor gebleken, maar uit de wijze waarop hij in de jaren negentig meer onderbouwde strategieën aanwendde (zoals een alertheid op het gebied van mediabelangstelling) en zelfbewust initiatieven nam, spreekt een masterplan. Lanoye is een merknaam geworden, de schrijver een mediagenieke verschijning waar zich een marketingtechnisch strateeg achter verschuilt.

Dergelijk handelingspatroon (in de cultuursociologie spreekt men van ‘veldexterne factoren’) zegt natuurlijk niets over de symbolische waarde van Lanoyes literaire werk. Zonder het artistieke project is er geen economisch mechanisme dat in werking treedt of een set handelingen die geactiveerd kan worden. Dat de schrijver met behulp van fotografie en vormgeving, door interviews en performances, zijn waar weet aan te prijzen, en daarmee ook de waardering voor het werk tracht te sturen (in de markt zetten), spreekt voor zich.

De nv L.A.N.O.Y.E. is het eerste wettelijk erkende literaire bedrijf in Vlaanderen. Naast een rechtspositie als kunstenaar leverde het de schrijver de kans een ‘industrieel huwelijk’ af te sluiten. De vereniging is door Lanoye zelf ook wel eens ‘een parodie’ genoemd, een gimmick in de strategieën die hij als literair agent van de eigen productie gebruikt. De naamloze vennootschap is dus meer dan een juridische of een boekhoudkundige constructie, of een machine die materiële en symbolische opbrengsten genereert. Ze is een instrument dat naar de auteur zelf is genoemd en kan worden opgevat als een persiflage van de neoliberale Factory-constructie. Ook al is het een uit de hand gelopen grap of een blijk van ironie, de merknaam heeft ertoe bijgedragen dat de patenthouder een eigen plaats onder de zon wist te veroveren. Een merknaam heeft als functie een merk te lanceren en uiteindelijk symbolische en economische winst te boeken. In de markteconomie is sprake van personal branding. Maar als de strategie of het product niet deugen, dan zijn naam en product een kort leven beschoren.

Saam met Antjie Krog

 

Een bewerkte versie van deze tekst verschijnt in februari in de nieuwe essaybundel Aansporingen. Essays en reflecties (Acco).

Johann Lodewyk Marais. Voortreflike poësiekritiek

Thursday, October 15th, 2009

Die vraag kom meermale by my op wat die mooiste, insiggewendste of bes geskrewe stuk literêre kritiek in Afrikaans is. ‘n Mens sou natuurlik eers goed moet besin oor die maatstawwe vir jou keuse en net so goed moet motiveer waarom die keuse op ‘n bepaalde stuk val. Hieroor gaan ek nie in soveel besonderhede uitwei nie.

Oor die jare heen was daar in Afrikaans kritici wat met besondere werk vorendag gekom het. Een van dié is Elize Botha, wat met haar voortreflike geselsstyl insiggewend en baie onderhoudend skryf. Dit is ‘n groot vreugde om te sien hoe sy met haar belesenheid, kennis van heersende literêre strominge en benaderings, en met groot respek oor skrywers en boeke skryf. Die leser het ook waardering daarvoor dat sy selde ‘n byl te slyp het, wat so dikwels die bydraes van ander prominente figure met groot gebare kenmerk en vertroebel.

Botha het die beste opstelle oor figure soos Eugène N. Marais, Jochem van Bruggen, Etienne Leroux en Henriette Grové geskryf, wat sedert die 1960’s daartoe bygedra het om aan die Afrikaanse prosakritiek ‘n prominente plek te besorg. Toe ek ‘n keer gekla het omdat ouer kritici kritiekbundels so oorheers, het die oud-Akademieman en -uitgewer Danie van Niekerk tereg opgemerk: “As jy Elize Botha vra, weet jy ten minste dat jy ‘n goeie bydrae gaan kry.” My gunsteling onder Botha se opstelle is haar bespreking van D.J. Opperman se gedig “Blom van die baaierd” in Merwe Scholtz (red.) se Woord en wederwoord: Bundel aangebied aan D.J. Opperman by geleentheid van sy sestigste verjaardag, 29 September 1974 (1974).

Nog kritici wat ek graag lees, is Merwe Scholtz en T.T. Cloete. Scholtz was benewens kritikus ook ‘n digter van onder meer die vernuftige Grimas: 1969-1973 (1976), een van my gunsteling Afrikaanse digbundels. Dit verbaas nie dat Scholtz gedigte geskryf het nie, want sy opstelle is spitsvondig, speels en taalgevoelig. Hy slaag daarin om met verrassende insigte ‘n mens verwonderd te laat oor die werkinge van taal en taalvirtuose. Wie kan ooit sy ontleding van N.P. van Wyk Louw se “Dood in die berge” in Nuwe verse (1954) vergeet? Dit slaan die leser se asem as ‘t ware weg. Cloete weer is doodgewoon een van ons oorspronklikste lesers (kyk byvoorbeeld sy opstel oor “Die taalavontuur van ‘Die swart luiperd’” in Op die woord af: Opstelle oor die poёsie van N.P. van Wyk Louw (1963)).

Ek sou nog die name van, op hulle beste, E. Lindenberg, Louise Viljoen, Daniel Hugo, Joan Hambidge en Charl-Pierre Naudé wou noem, maar oor elkeen van hulle behoort ‘n mens by ‘n later geleentheid te skryf. Hoe veral die Afrikaanse poësiekritiek op die oomblik daar uitsien, is in elk geval ‘n onderwerp om (nog steeds!) oor te besin. Miskien is dit genoeg om te sê dat indien dit nie vir Bernard Odendaal se deeglike en ingeligte oorsig oor die onlangse poësie in Perspektief en profiel: ‘n Afrikaanse literatuurgeskiedenis, Deel 3 (2006), Louise Viljoen se Ons ongehoorde soort (2009) oor Antjie Krog se poёsie en Ronel Foster, Yves T’Sjoen en Thomas Vaessens (reds.) se Over grenzen: Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poёzie/Oor grense: ‘n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poёsie (2009) was nie, ons vandag veel minder sou gehad het om oor opgewonde te wees.

Maar ek wil eintlik iets sê oor my gunsteling stuk kritiek in Afrikaans! Dit is naamlik drie bladsye in Opperman se Digters van Dertig (1954), spesifiek die inleiding tot “Die hooffiguur van Dertig: N.P. van Wyk Louw”. In hierdie evokatiewe bladsye gee Opperman sketsmatig biografiese inligting oor Van Wyk Louw se jeugjare en maak ‘n byna tasbare voorstelling van hoe die Louws se Rôeveldse wêreld gelyk het. Hy beskryf dit op so ‘n manier dat dit as ‘n sleutel by die interpretasie van Van Wyk Louw se gedigte kan dien. Lees byvoorbeeld hoedat die bokkoppe in die (Lord Milner-)hotel op Matjiesfontein die eerste prikkeling vir Raka (1941) geword het. Min woorde, maar slim!

Yves T’Sjoen. Literatuur & avontuur

Wednesday, October 7th, 2009

Raster, werkplaats van literatuur

Het dubbelnummer 123/124 van Raster, ‘tijdschrift in boekvorm’, verscheen onder de titel ‘Het Einde’. Toch was dit niet de laatste aflevering. Nummer 125, een ‘extranummer’ met zwarte kaft en sobere witte belettering en in de inleiding ‘een afscheidscadeau van De Bezige Bij’ genoemd, presenteert een index op alle Rasters van 1977 tot 2008 (met name van de tweede reeks). De nummering van de Raster-boeken startte in 1977 weer vanaf één, het moment dat ‘Raster [...] na zes jaargangen en veel tegenwind’ weer bovengronds kwam. Het bibliografisch register in 125 wordt voorafgegaan door een reeks gerecycleerde teksten en retrospectieves van lezers (onder wie Kees Fens, Atte Jongstra en Xandra Schutte) en, volgens de flaptekst, door ‘vingerwijzingen voor een geschiedschrijving vanaf 1967 toen Raster werd opgericht’.

Met Raster is een instituut van de Nederlandse literatuur opgeheven. Het tijdschrift heeft sinds zijn oprichting in 1967, en vooral vanaf de start van een nieuwe reeks in 1977, een stimulerende rol gespeeld in de ontwikkeling van de experimentele literatuur in Nederland. Het blad propageerde niet alleen vormvernieuwing in de literatuur. Het zette zich vooral af tegen ‘huiskamerrealisme’ (of de traditie van het oer-Hollandse realisme) en stemmige belijdenislyriek die dominant waren in het literaire veld vanaf de jaren zestig.

Hans C. ten Berge

Hans C. ten Berge

Toen de dichter, prozaïst en essayist Hans C. ten Berge het blad in 1967 boven de doopvont hield, deed hij dat - ondanks ‘een al te hobbyistische aanpak’ - met een poëticaal, zo niet een ideologisch getoonzette pleitrede voor meer ‘logopoeia’. Ik citeer: ‘een dichtkunst waarvan het intellekt een blijvend element is en een motorisch onderdeel vormt, en waarin het een duidelijke taak krijgt zoals bijvoorbeeld in Pounds Cantos het geval is’. Een meer op de vorm en het taalmateriaal gerichte, cerebrale literatuur zou een tegenwicht zijn voor de op particuliere sentimenten en mimetisch-expressieve opvattingen gestoelde literatuuropvatting die de sterkst doorwerkende trend was in de eigentijdse literatuur in Nederland. De eerste reeks van Raster, dat tot 1972 als eenmanstijdschrift van Ten Berge verscheen, waarna ‘een reeks van Rasterboeken’ volgde, opereerde in de periferie van het literaire landschap en kreeg inderdaad veel ‘tegenwind’ te verduren. Volgens Ten Berge was ook dat de reden waarom het kwartaalperiodiek na zes jaargangen ophield te bestaan.

Zodra in 1977 de tweede reeks van start ging, en Raster tot een ‘tijdschrift in boekvorm’ werd getransformeerd, met in de redactie naast Ten Berge ook J. Bernlef, Pieter de Meijer en Jacq Firmin Vogelaar (en later met wisselende redacties), bracht het periodiek een discussie op gang over de relatie tussen literatuur en samenleving (‘literatuur en maatschappelijke werkelijkheid [kunnen] niet los van elkaar [worden] gezien’) én tussen de literatuur en compositietechnieken of vormkwesties in andere kunstdisciplines (‘het [is] onaanvaardbaar literaire processen te isoleren van andere artistieke ontwikkelingen’, aldus de redactie in ‘Wat wil Raster’, 1977/1). De redacteuren voegden er nog aan toe dat ‘om die reden [...] aan vormgevingsprocessen binnen andere kunsten (die ook van de letteren van belang kunnen zijn) regelmatig aandacht [zal] worden besteed’. De korte inleidende tekst ‘Wat wil Raster?’, waaruit ik deze twee frasen citeer, was een gedecideerde programmaverklaring. Raster nam zich in 1977 niet alleen voor ‘een veelvormig [en] programmatisch tijdschrift te zijn’, waarin naast Nederlandstalig werk ook ruimte is ‘voor thematische diskussies, beschouwingen, vertalingen en buitenlandse kronieken’.

In zijn verdediging van de intellectuele poëzie, met ‘het intellekt’ als ‘een motorisch onderdeel’, distantieerde Ten Berge zich resoluut van het romantische cliché van een door de muze geïnspireerde scheppende kunstenaar. In literaire artefacten wordt het scheppingsproces van de tekst zelf gethematiseerd; reflecties op het scheppen en het proces van het schrijven maken in de Rasterliteratuur integrerend deel uit van de literaire tekst zelf. Ook de tweede reeks, niet langer het eenmansproject van Ten Berge, stelde het experiment centraal: literatuur zou ‘een avontuur’ zijn waarin de traditionele (‘realistische’) paden worden verlaten en concepten als herkenbaarheid en identificatie gedegradeerd zijn tot weinig relevante categorieën in (de beleving van) literatuur. In het laatste Rasterboek luidt het avontuurlijke karakter van het Rasterproject aldus: ‘Een drijfveer bij dat alles is steeds nieuwsgierigheid geweest, belangstelling voor het onbekende, enthousiasme voor nieuwe ideeën en ontdekkingen. Daarbij heeft steeds ook de vraag meegespeeld: waar gaat het ons (de redactie) om in de literatuur? “Literatuur als avontuur” was een motto’.

Raster wilde tabula rasa maken in een tijd waarin de verpletterende erfenis van Forum zich blijvend liet gelden. Niet de persoonlijkheid van de schrijver, niet de ideeën die in een tekst hun expressievorm vinden, wel de formele aspecten van een talige constructie doen er feitelijk toe. Gezaghebbende actoren in de Hollandse kritiek van de jaren zestig en zeventig sloten evenwel nog steeds aan bij de personalistische esthetica die de mannen Forum hadden gedecreteerd en in hun kritische beschouwerspraktijk geïntroduceerd. Vanuit die forumiaanse hoek kregen de redacteuren van Raster geregeld de wind van voren en weerklonk het verwijt ‘wartaal’ te produceren.  Het intellectualisme contrasteerde dan ook sterk met de op empathie en identificatie gerichte traditie van het Hollandse realisme. Hoe harder de kritiek hoe duidelijker Raster, en de Rasterliteratuur, zich wisten te profileren in Nederland.

Nu met het finale nummer van Raster het moment is aangebroken om terug te blikken, en het lees- en schrijfparcours van Raster kan worden beschouwd (met inbegrip van de resem ressentimenten maar ook van de poëticaal verwante ‘extramurale’ projecten die de reeks in ruim drie decennia wist te genereren), kan duidelijk worden gemaakt welke rol Raster speelde in de discussie tussen diametraal tegenovergestelde literatuuropvattingen. Naast Raster zijn in het Nederlandse taalgebied, met name in het literaire veld van de jaren zestig en zeventig, nog tijdschriften die in het begrippenarsenaal van de literaire kritiek geijkte termen hebben opgeleverd: naast het Revisorproza (genoemd naar het periodiek De Revisor dat in 1974 is opgericht en met literair academisme, subjectieve verbeeldingskracht en vormelijke preoccupatie wordt geassocieerd) is ook sprake van parlandistische en neoromantische Tiradepoëzie. En net als Revisorproza en Tiradepoëzie wekt de term Rasterliteratuur alleen de schijn van een monolithische (of zelfs een combattief ingezette) poëtica, zodat de term als een per definitie vooringenomen strategie kan worden gelezen, maar in alle andere gevallen als een reductie van de veelheid. vanzelfsprekend geen homogene lading.

Ezra Pound

Ezra Pound

Literaire werkplaatsteksten en poëticale opvattingen van redacteuren en medewerkers vielen niet consequent samen met de ‘logopoeia’ die Ten Berge in 1967 in de lijn van Ezra Pounds modernistische lange gedicht Cantos had gepromoot. In 1970 heeft Ten Berge een Nederlandse vertaling van Pounds gefragmenteerd gedicht verzorgd. Namen noemen is voor auteurs een middel tot zelfprofilering en tot legitimering van de literaire productie. De expliciete referentie aan de Amerikaanse dichter Pound, wiens incomplete Cantos (1915-1962) inderdaad doorwerken in Ten Berges poëzie (zoals in Texaanse Elegieën, 1983), is door de zogeheten Rasterauteurs niet eensgezind als toetssteen beschouwd. Vergelijk de contemporaine literatuur van Ten Berge met die van J?F. Vogelaar en Lidy van Marissing, toch allen schrijvers die doorgaans met Raster worden gelieerd.

Niet alle bijdragen in de 124 Rasterpublicaties zijn overigens exponenten van een literair constructivisme (met het artefact als een talige constructie) en met het intellect als katalysator. Onderzoek naar het Revisorproza (in het bijzonder het scheppende proza van schrijvers die als redacteur of als medewerker hebben gepubliceerd in De Revisor) heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat er allerminst sprake kan zijn van een welomschreven, laat staan een strikt afbakende of een eenduidig programmatische literatuuropvatting. Aan de basis van dit blad ligt geen geprononceerde (of expliciete) poëtica, en wellicht kunnen we dezelfde bevindingen uitbreiden naar de literatuurproductie die in (en in de marge van) Raster en Tirade een eigen forum kreeg. Met dit verschil dat Raster van meet af aan wel een programma verkondigde. Het onderzoek naar de veelkantigheid van de Rasterliteratuur moet nog een aanvang nemen.

Een van de belangwekkende discussiepunten die door Raster op de literaire agenda is geplaatst, heeft betrekking op (de begrenzing van) de autonomistische poëtica. Het blad heeft positie ingenomen in het literaire debat van de jaren zeventig. Onder impuls van onder anderen Ten Berge, die tot 1979 een leidinggevende functie in de redactie vervulde, bood Raster een groep ‘neo-experimentelen’ de gelegenheid teksten voor het voetlicht te brengen die in reguliere productie-, consumptie- en distributiekanalen van de literatuur geen schijn van kans maakten. De zogeheten ‘neo-experimentele’ auteurs sloten aan bij internationale artistieke avant-gardeopvattingen. Wat dit precies inhoudt, zou het voorwerp van onderzoek kunnen zijn. In ‘Wat wil Raster?’ is sprake van ‘geavanceerd werk uit binnen- en buitenland’ en ‘werk dat afwijkt van gangbare of voorspelbare procédé’s en dat een minder gebruikelijke verschijningsvorm heeft’. Uit de eigen literaire teksten en het metaliteraire discours dat zij in essays en pamflettair proza voerden blijkt de vertrouwdheid van de brede schare aan Rasterproducenten met actuele ontwikkelingen in de literatuurtheorie (vanaf 1977 tot 2008 is sprake van in totaal dertien redactieleden en in Raster 125 figureren achtenzestig medewerkers met een bijdrage). Daarnaast wilden zij zich niet laten opsluiten in een besloten niche van het culturele leven. Raster zocht doelgericht liaisons met andere kunstdisciplines. Vandaag spreken we over dergelijke kruisverbindingen als cross-overs en multidisciplinaire uitdrukkingsvorm.

Wat de Raster-redacteuren en poëticaal verwante auteurs met elkaar verbond, was globaal gesproken een verzet tegen kunst met een referentieel karakter. Literatuur was, in de gebruikte formulering, de werkplaats voor vormexperimenten en voor tal van reflecties over de grenzen van kunst. Literatuur is een plek voor onderzoek, naar het taalmateriaal zelf, maar eveneens naar de tekstgenese. Poëzie, bijvoorbeeld, werd door taalgerichte (of autonomistisch georiënteerde) auteurs als Ten Berge zelf, maar ook door dichters als Rein Bloem en Hans Faverey, beschouwd als een epistemologisch proces. Het experiment betreft de kenbaarheid van de werkelijkheid in en door het woord. Het onderzoek naar essenties van de talige uitdrukkingsvorm, naar de relaties tussen taal en werkelijkheid, is een van de ankerpunten van het literaire experiment dat in Raster een centrale plaats kreeg. Niet alleen de epistemologie van de moderne poëzie, ook de dialoog met andere literaire teksten, met mythologie en antropologie (zoals in de poëzie van Jacques Hamelink), genoot de aandacht van de avontuurrijke werkomgeving. Het metatalige gedicht, of misschien nog beter de metatekstuele en intertekstuele  poëzie, heeft dankzij Raster in Nederland een vrijplaats gekregen. Rasterpoëzie, met de betekenis van een specifiek type poëzie dat alleen in het periodiek een eigen stek kreeg, heeft als dusdanig natuurlijk niet bestaan. De autonomistische poëzie in Nederland heeft zich sinds de jaren zeventig, en uiteraard daarvoor ook al, in allerlei gedaanten en tendensen ontwikkeld. Vooral en zelfs bij uitnemendheid buiten de grenzen van de werkplaats. Dat in Raster anti-mimetische opvattingen een forum kregen, in alle verscheidenheid en niet steeds correlerend met de expliciete poëticale intentieverklaringen in het blad zelf, is duidelijk. Maar of de term Rasterliteratuur de veelzijdigheid van die lading kan dekken, is niet alleen twijfelachtig. De terminologie pleegt roofbouw op alle schakeringen die tot dezelfde tendens kunnen worden gerekend. Het dichtwerk van Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey heeft wat dat betreft meer gegenereerd in het literaire veld (in Nederland en Vlaanderen) dan wat in strikte zin vandaag in literaire overzichten Rasterpoëzie wordt genoemd. De verdienste van het blad is dat het een discussie heeft op gang gebracht die de Nederlandse poëzie vanaf de jaren zeventig nieuwe impulsen heeft bezorgd.

Met het verdwijnen van Raster, door toedoen van de zetelende redactie zelf, is het tijdschriftenlandschap in Nederland verschraald. Ik weet niet of de mogelijkheden van de werkplaats hiermee uitgeput zijn, na 125 thematische afleveringen en een reeks boeken buiten de reeks. De redactie heeft de eer aan zichzelf gehouden. Raster heeft een rol van aanzienlijke betekenis gespeeld in de ontwikkelingen van de literatuur in Nederland (en ook in Vlaanderen) van de afgelopen decennia. Welke die betekenis is, ter aanvulling van de auteursintentionele ‘vingerwijzingen voor een geschiedenis’, kan het voorwerp zijn van een poëticaal, een institutioneel en een discursief onderzoek. Alles ineen: met een dergelijk methodologisch breed verankerd tijdschriftenonderzoek zou Raster definitief op de kaart kunnen worden gezet.

FIN

FIN

 

‘Het Einde’, Raster 123/124. De Bezige Bij, Amsterdam 2008.

‘Index’, Raster 125. De Bezige Bij, Amsterdam 2009.

Voor een terugblik op Raster. tijdschrift in boekvorm, zie Sven Vitse, ‘”Wie wil moet zelf maar een tijdschrift oprichten”. Het einde van “Raster”‘, in Ons Erfdeel 52 (2009) 3 (augustus), p.178-179.

Yves T’Sjoen. Glacéhandschoenen & originele rupsen

Friday, October 2nd, 2009

À titre personnel. Over vertalen en hertalen van poëzie

Open brief aan een vertaler

Begin december 1991 wijdt de dichter Leonard Nolens in het cahier dat hij al sinds 1979 bijhoudt een beschouwing aan het naar zijn opvatting dwingend verband tussen het schrijverschap en de werkzaamheden als vertaler. Schrijven en vertalen worden in termen van een als existentieel ervaren osmose voorgesteld: ‘[...] omdat ik als schrijver een vertaler ben en omdat vertalen mijn enige, onontkoombare manier van leven is’ (De vrek van Missenburg. Dagboek 1990-1993).

Leonard Nolens

Leonard Nolens

Bijna een decennium tevoren had diezelfde dichter opgetekend: ‘ik moet [...] terug naar de vertalerij om mijn pen weer in contact te laten komen met het idioom van anderen’ (Stukken van mensen. Dagboek 1979-1982). In zijn dagboeken, die intussen zijn gebundeld in het duizend pagina’s tellende Dagboek van een dichter, reflecteert Nolens over teksten die op uiteenlopende manieren uitnodigen tot ‘onontkoombaar’ terugschrijven. Als lezer krijgen we al sinds 1989 inzage in Nolens’ ‘neerslag van een bewustzijn’, toen de dagboekaantekeningen uit de periode 1979-1982 in boekvorm op het publieke forum kwamen. Een van de principes die Nolens in velerlei varianten naar voren schuift, is dat schrijvers zich voeden aan het idioom van schrijvers en teksten met wie zij affiniteit ervaren.

Niet alleen het lezen van vertalingen en van anderstalige literatuur - Nolens wijst in een zelfgesprek in Een lastig portret. Dagboek 1994-1996 op de ‘beïnvloeding door de Duitse literatuur [die] doorklinkt in [mijn] poëzie’ - maar ook het vertaalwerk dat hijzelf onder handen heeft, wordt door de dichter aangeduid als een manier om de eigen schrijftaal altijd weer te vormen.  De dagboeknotities zijn doorspekt met bespiegelingen over het dagelijkse en altijd weer absolute gevecht met de taal, het bevechten van een eigen idioom in de taal die ‘bezoedeld’ doet verlangen naar stilte (en dus ‘reiniging’). Dergelijke verzuchtingen kunnen als romantisch worden bestempeld, maar zijn veel meer dan uitdrukkingen van een zelfbespiegelend ego. Het streven van de dichter bestaat erin het ik en de ruimte van het volledig leven in taal te vatten, vanuit een grenzeloos geloof in de kracht van het woord dat identiteitsbepalend is. Maar ook, en misschien nog meer, in de overtuiging dat zwijgen uiteindelijk niet verbeterd kan worden. Het verlangen is de drijfveer van Nolens’ gecondenseerde dagboekaantekeningen die in de schaduwzijde staan van, en vooral de humuslaag vormen van, de poëzie .

De passages die ik zonet citeerde uit de verzamelde cahiers van Nolens, vertaler van onder meer Caligula en Jean Améry’s Jenseits von Schuld und Sühne (zie de notities van 1995 en 1996), laten uitschijnen dat het dichterlijk idioom zich ook door ‘vertalerij’, of dus door confrontaties met andere idiomen, ontwikkelt.

In zijn repliek op mijn bijdrage over de hertalingen die Hugo Claus van anderstalige gedichten construeerde (‘Hugo Claus & de vertaler’), en die de dichter in de reeks Dichterbij publiceerde,  refereert Bernard Odendaal, zelf dichter en vertaler (van onder andere de liedteksten van Jacques Brel naar het Afrikaans, in samenwerking met Naòmi Morgan), aan Breyten Breytenbachs ‘hertaling’ (of ‘transformerende variasies’) van teksten van de Palestijnse schrijver Magmoed Darwiesj.

Breytenbach

Breytenbach

Die hertalingen zijn onlangs gebundeld in oorblyfsel/voice over (2009). Deze ‘omzettingen’, of wellicht ook toe-eigeningen, worden als ‘’n relatiewe nuwigheid’ in de Afrikaanse literatuur getypeerd. Naast de manier waarop een dichter anderstalige literatuur in het ritme en de klankstructuren van de eigen taal vorm geeft, wijst Odendaal ook op een andere decisieve factor die de bewerking kan sturen. Een ethisch uitgangspunt kan bepalend zijn om net die teksten van een auteur naar een andere taal om te zetten en te introduceren (te ‘importeren’) in een ander literair systeem. De selectie van de brontekst is nooit vrijblijvend. Het onderzoek van hertalingen uitsluitend toespitsen op de act van het hertalen is voorbijgaan aan een complex van factoren die poëticale en institutionele relevantie hebben. Ideologische beweegredenen doen (vanzelfsprekend) dienst als selectiecriterium. Ik geloof vast dat Breytenbachs keuze voor de laatste teksten van de Palestijnse dichter Darwiesj, behalve door persoonlijke amicale banden, is ingegeven door diens kritiek op een stereotiep beeld van de traditionele Afrikaner ‘identifikasie met die oudtestamentiese Israeliete en ook met moderne Israel’.  Een pertinente vraag is inderdaad in welke mate ook Claus, en vele andere dichters, politiek-ideologische maatstaven hanteren om een gelijkaardige selectie te bepalen. In het geval van Claus zijn het niet alleen ideologische criteria maar in het geval van Dichterbij (medio jaren tachtig) overwegend poëticale overwegingen die aan de grondslag liggen van de reeks. Een criticus merkte op dat de gebloemleesde bronteksten, van bekende en minder bekende auteurs, in mindere of meerdere mate ‘surrealistisch’ getint zijn. Claus’ rol als hertaler is meer dan intermediërend, laat staan louter didactisch. Blijkens het interview dat Hugo Camps met de dichter had, en ofschoon vraaggesprekken met deze dichter steeds tot argwaan moeten leiden, wilde Claus niet alleen ‘de bakkersvrouw’ in contact brengen met deze teksten. De bronteksten, die hij uit de meest diverse publicaties verzamelde (van krantenbijlagen tot bloemlezingen), heeft hij naar eigen particuliere poëticale inzichten herschreven. In dat opzicht kan het verhullende begrip ‘vertaling’ als een schaamlapje voor de directe en ingrijpende bemoeienis van de scheppende kunstenaar worden beschouwd. Claus’ eigengereide herschrijvingen behoren onmiskenbaar tot diens poëtische oeuvre. Vanuit comparatief perspectief zou het revelerend kunnen zijn ook andere vertalingen of hertalingen (zoals Onder het Melkwoud (1957-1958) op basis van Dylan Thomas’ hoorspel Under Milkwood, 1954) bij het onderzoek naar Claus’ vertaalwerk te betrekken. Ik verwijs in dat licht graag naar de aflevering van het tijdschrift Filter (‘Claus, vertaler pur sang’, najaar 2008).

Herman de Coninck

Herman de Coninck

Hertalingen kunnen dusdanige transformaties of toe-eigeningen zijn, dat ze onderdeel worden van een poëtisch oeuvre. Zoals bijvoorbeeld Herman de Conincks hertaling van drieëndertig sonnetten van de onconventionele Amerikaanse dichteres Edna St. Vincent Millay ook tot diens primaire teksten worden gerekend (gepubliceerd onder de titel Ter ere van de goedertieren maan, eerst in het periodiek Tirade en de opstellenbundel Over de troost van pessimisme (1983), later (postuum) opgenomen in De gedichten, 1998). In het eerste deel van De Conincks verzamelde gedichten zijn de gedichten, ‘vrij, respectievelijk zeer vrij’ naar St. Vincent Millay, tussen Zolang er sneeuw ligt (1975) en Met een klank van hobo (1980) opgenomen (ed. Hugo Brems). De Coninck zelf nam deze ‘bewerkingen’ al eerder zelf op in zijn verzamelbundel Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982 (1984). De Conincks keuze van parlandistische teksten van de Amerikaanse dichteres kan poëticaal worden geduid. Zijn affiniteit met de parlandistische, neoromantische poëzie van de jaren zeventig heeft de selectie en daarna de bewerking sterk bepaald. Zoals bijvoorbeeld ook J. Bernlefs keuze voor hertalingen van poëzie van Marianne Moore, Elizabeth Bishop, William Carlos Williams, Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer (verzameld in Alfabet op de rug gezien. Poëzievertalingen (1995)) vanuit een poëticale invalshoek kan worden verklaard.

J. Bernlef

J. Bernlef

Desondanks heeft Bernlef, in tegenstelling tot De Coninck, deze vertalingen niét in een afdeling van zijn verzamelbundel Achter de rug. Gedichten 1960-1990 (1997) opgenomen. De volgende alinea in de zelflegitimerende inleiding is dan ook veelzeggend, en verklaart Bernlefs keuze voor ‘glacéhandschoenen’, voor ‘de schaduw van de originele rups’. Citerend uit een essay van Rudy Kousbroek over de Griekse schrijver Kavafis stelt hij: ‘’[...] De gangbare controverses over het vertalen, en meer speciaal over het vertalen van poëzie, zijn weer te geven als de vraag wat beter is: handschoenen gevoerd met een stof die zo perfect mogelijk de geliefde huid imiteert - zelf dus een produkt van kunstige fabricage, maar uit hoofde daarvan tegelijk een onherroepelijke barrière tegen de echte huid eronder - of integendeel handschoenen waarvan alleen wordt verlangd dat ze zo dun mogelijk zijn, ook al geeft dat onvermijdelijk een droog en klinisch gevoel’. Bernlef voegt toe: ‘Het is een gelukkige vergelijking omdat zij de nadruk legt op de zintuiglijke eigenschappen van poëzie. Voor beide soorten handschoenen valt wat te zeggen. Zelf heb ik de neiging te kiezen voor glacéhandschoenen, misschien omdat ik zelf niet te veel tussen de lezer en de originele dichter wil gaan staan. Liever de schaduw van de originele rups dan het geheel verpopte produkt van de vrije vertaling’. Dichters-vertalers, zoals De Coninck en Bernlef in deze casus, hanteren deviante uitgangspunten als over de vrijheid van vertalen gaat. 

In Bernard Odendaals reactie op mijn beschouwing ‘Claus & de vertaler’ heb ik enkele zinsneden aangestreept waar ik zijdelings nog wat aandacht aan besteed. Inherent aan de canon is de discussie over die canon. Een consensus is van tijdelijke aard want wordt continu geproblematiseerd, zodat het gesprek als een intrinsieke eigenschap van de canon kan worden geduid. Een vergelijkende studie van de samenstelling van het canoniserende Groot verseboek, eerst onder de redactie van D.J. Opperman en later van André P. Brink, mag dat illustreren. Een canon kan dus geen absolute waarde hebben. Hertalingen van literaire teksten (uit het taaleigen of anderstalige literaire systemen) en die zoals in de gevallen Breytenback, Claus en De Coninck tot het oeuvre worden gerekend, kunnen uiteraard probleemloos doorsijpelen tot een literaire canon. Het is vanzelfsprekend dat dit gebeurt. Zoals ook hertalingen van scheppend werk door tekstbezorgende dichters, d.w.z. adaptaties in het taaleigen literair systeem, een eigen statuut van ‘klassieker’ kunnen verwerven (ik denk aan Kloos’ bewerking van Jacques Perks Mathilde-krans en, zoals recent en nog ongepubliceerd onderzoek van Mathijs Sanders heeft aangewezen, E. du Perrons inbreng in de constructie van Jan van Nijlens dichterlijke persoonlijkheid met behulp van bloemlezingen).

Ik heb niet meteen voorbeelden paraat, maar kan me niet inbeelden dat er geen enkele Nederlandstalige poëziebloemlezing bestaat waarin hertalingen van een anderstalige brontekst onder de naam van de Nederlandse of Vlaamse hertaler-dichter is opgenomen. Zoals André P. Brink klaarblijkelijk wel deed vanaf Groot verseboek 2000 (met de vertalingen van Uys Krige) en vooral vanaf 2008 (met ver- en hertaald dichtwerk door H.J. Pieterse, Antjie Krog en anderen).

De problematiek van de hertaling, het onderzoek naar de beperkingen van de dichterlijke vertalersvrijheid, en de manier waarop dichters hun eigen idioom ‘in contact brengen met [dat van] anderen’, zijn andere kwesties dan de exploratie van thematische bronnen. Dat wil zeggen, het onderzoek naar confrontaties en interacties tussen verschillende literaire systemen, zoals de doorwerking van M. Nijhoff in de Afrikaanse poëzie of het functioneren van Ingrid Jonker, Elisabeth Eybers, Breyten Breytenbach en Antjie Krog in het Nederlandse en Vlaamse literaire systeem (door bemiddeling van vertalingen, bloemlezingen, documentaires, wetenschappelijk onderzoek et cetera).

Met collega Odendaal ben ik het eens dat een revelerende anthologie is samen te stellen waarin op dergelijke productieve interrelaties wordt gefocust. Het boek dat Ronel Foster, Thomas Vaessens en ik samenstelden, Over grenzen. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/Oor grense. ‘n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie (ACCO, 2009), kan voor een dergelijke onderneming een bescheiden aanzet betekenen.

Hugues C. Pernath

Hugues C. Pernath

Tot slot. Het ontstellende verhaal waarmee Odendaal de relativiteit van een discussie over intersystemische literatuur(beschouwingen) en de rol van de vertaler-dichter scherp stelt, doet mij teruggrijpen naar gedichten van Hugues C. Pernath. Leonard Nolens, wiens uitspraken over vertalen ik als aanzet voor deze open brief citeerde, erkent de impact van Pernaths poëzie op het eigen dichtwerk. In Stukken van mensen schrijft hij ter gelegenheid van de toekenning van de Hugues C. Pernathprijs in 1980: ‘Ik vermoed dat ook voor hem het gedicht de laatste manier was om zijn verlangen naar onschuld en kinderlijke ernst vorm te geven, in het droevige besef dat schrijven een verraad betekent aan de onmondigheid van het kind. De schuld begint bij het spreken, bij het eten van de boom der kennis’. Wetende dat elke omgangstaal ‘bezoedeld’ is, zoals de jonge vrouw uit Thabong, kan een leven - ook een schrijversleven - voldoening vinden in de zoektocht naar het alomvattende woord. Het verlangen is niet gericht op het bereiken van een doel, maar in het afleggen van een weg.  Het woord dat zalvend is, bestaat niet. Er is alleen een weg die daarheen kan leiden.    

 

Leonard Nolens, Het dagboek van de dichter. 1979-2007. Querido, Amsterdam 2009.