Emily Dickinson se geheime liefde

Otis Phillips Lord & Emily Dickinson

Rondom die persoon en leefwyse van Emily Dickinson het daar met verloop van jare heelwat bespiegeling en mitologisering ontstaan; in dié mate dat sy meestal as ‘n toegewyde en vereensaamde kluisenaar uitgebeeld word wat haar kuns in bykans volstrekte isolasie bedryf het. Volgens ‘n uitgebreide artikel op die Boston Globe se webblad is daar egter ‘n boek wat binnekort gaan verskyn, wat dié beeld van Dickinson drasties gaan wysig.

So blyk dit nou dat sy na haar pa se dood in ‘n nogals intense verhouding met Otis Phillips Lord, een van haar pa se regsvriende, betrokke was. Aanvanklik was dié verhouding heel platonies, maar na Lord se vrou se afsterwe in 1877 het daar ‘n meer definitiewe verhouding tussen die 47-jarige Dickinson en die 65-jarige wewenaar ontstaan.

Volgens Christopher Benfey, skrywer van die boek A Summer of Hummingbirds, was veral die niggie van Lord heftig gekant teen dié verhouding. Nadat Dickinson se skoonsuster, Susan, die twee in ‘n omhelsing betrap het, en dit aan die niggie, Abbie Farley oorvertel het, het laasgenoemde soos volg reageer: “Emily, the niece is reported to have said, had not ‘any idea of morality.’ […] ‘Little hussy,’ Abbie fumed over a copy of Emily’s Poems decades later when questioned about the celebrated poet Abbie had once known. ‘Loose morals,’ Abbie remembered. ‘She was crazy about men. Even tried to get Judge Lord. Insane too.'”

Die korrespondensie tussen Dickinson en haar bejaarde minnaar word soos volg deur Benfey beskryf: “Flashing repartee exploded into intimacy within months of Mrs. Lord’s death. That year, 1878, there’s immediate talk of consummation. She wasn’t shy when she drafted her letters to Lord: ‘lift me back, wont you, for only there [in your arms] I ask to be. . . .’ He was her ‘lovely Salem’; she, his ‘Amherst.’ Weekly letters, directed to arrive on Mondays by the judge’s habits of punctuality, bonded Salem and Amherst. Emily’s ‘little devices to live till Monday’ – attempts to concentrate on work – gave way to ‘the thought of you.'”

Binne maande het Lord hom bykans op permanente basis in Amherst gevestig en in Desember 1882 begin om druk om Dickinson te plaas om met hom te trou. Maar, helaas, weens haar gereelde epileptiese aanvalle was sy nie daartoe bereid nie: “In the end she did not tell Lord why she could not ‘bless’ their union, only that not to do so ‘would be right.’ To keep epilepsy the secret it had to be, she must remain at home as long as she lived.”

En in die proses een van die mees waardevolle werk in die klassieke digkuns nagelaat …

As huldeblyk, een van haar liefdesgedigte onder aan hierdie Nuuswekker.

***

Afgesien van ‘n nuwe inskrywing deur Johannes Prins, kan jy jou vanoggend verlekker aan twee nuwe gedigte op die webblad: ‘n nuwe gedig deur Charl-Pierre Naudé in sy gedigtekamer en ‘n bydrae deur René Bohnen tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks.

Verder was dit maar aan die stillerige kant sedert gister. Daarom, die idelale tyd om in te haal op jou agterstallige leeswerk.

Mooi bly.

LE 

 

HEART, WE WILL FORGET HIM!

 

Heart, we will forget him!

You and I, to-night!

You may forget the warmth he gave,

I will forget the light.

 

When you have done, pray tell me,

That I my thoughts may dim;

Haste! lest while you’re lagging,

I may remember him!

 

 

© Emily Dickinson (1830-1886)

Bookmark and Share

2 Kommentare op “Emily Dickinson se geheime liefde”

  1. Louis :

    Toevallig lees ek vandag nog ‘n berig oor Emily Dickinson se romantiese aspirasies raak. Dit is na aanleiding van Daniela Gioseffi se biografiese roman “Wild nights! Wild nights!” wat handel oor Dickinson se passie vir ene William Smith Clark: “… a man by the name of William Smith Clark, a botanist and geologist far more famous in his day than Dickinson. He was the first Ph.D. scientist with a European doctorate to teach at Amherst College, and he lived on a hill behind the Dickinson Homestead, now a museum and historical site of the poet’s life. “On the hill/ the house behind,/ there paradise is found. /…”
    Volgens Gioseffi is dit hierdie verhouding wat aanleiding gegee het tot die volgende welbekende (en passievolle) gedig van Emily:

    Wild nights! Wild nights!
    Were I with thee,
    Wild nights should be
    Our luxury!
    Futile the winds
    To a heart in port,
    Done with the compass,
    Done with the chart.
    Rowing in Eden!
    Ah! the sea!
    Might I but moor
    To-night in thee!

    Gaan kyk by die volgende skakel vir die volledige berig: http://brooklynheightsblog.com/archives/19611

  2. Chris Coolsma :

    Louis, op die gevaar af dat ek as die ambassadeur vir Billy Collins bekend word, wil ek tog bekendstel dat hy ‘n wonderlike gedig het geskryf oor Emily Dickinson. Hier in my vertaling. Dit is uit Sailing Alone Along the Room.

    Ik ontkleed Emily Dickinson

    Eerst haar schoudermanteltje van tule,
    gemakkelijk van haar schouders getild
    en over de rug van een houten stoel gehangen.

    En haar kapothoed,
    de strik gelost met een licht rukje naar voren.

    Dan de lange japon, een ingewikkelder
    kwestie met paarlemoeren knoopjes
    omlaag langs haar rug,
    zo klein en talrijk dat het eeuwen in beslag neemt
    voor mijn handen de stof kunnen scheiden,
    zoals een zwemmer water splijt,
    en er in glijdt.

    Je zult willen weten
    dat ze stond
    bij een open venster in een slaapkamer boven,
    bewegingloos, een beetje verbaasd,
    neerkijkend op de boomgaard,
    de witte japon als een plas aan haar voeten
    op de hardhouten vloer van brede planken.

    De complexiteit van het ondergoed van vrouwen
    in het negentiende-eeuwse Amerika
    moet niet worden weggewuifd,
    en ik ging voort als een poolontdekker
    door clips, gespen, meertouwen,
    grepen, riempjes, en korsetbaleinen,
    zeilend naar de ijsberg van haar naaktheid.

    Later, schreef ik in een notitieboekje,
    was het als op een zwaan de nacht in rijden,
    maar ik kan niet alles vertellen, dat begrijp je –
    de manier waarop ze haar ogen sloot voor de boomgaard,
    hoe haar haren vrij vielen van de spelden,
    hoe er plotselinge stiltes vielen
    als we al spraken.

    Ik kan je wel vertellen
    dat het doodstil was in Amherst
    die middag van de Sabbath,
    niets dan een passerende koets,
    een hommel bonzend tegen het vensterglas.

    Dus ik hoorde heel duidelijk haar adem stokken
    toen ik het bovenste haakje
    van haar korset losmaakte.
    en ik kon haar zucht horen toen het eindelijk los was,
    zo’n zucht die sommige lezers slaken als ze beseffen
    dat Hoop veren heeft,
    dat Rede een plank is,
    dat Leven een geladen geweer is
    dat je aanstaart met een geel oog.

  •