Groenewegen oor Tadeusz Rózewicks

 

Tadeusz Rózewicks

Tadeusz Rózewicks

Raster was een van die Nederlandse lettere se langslewende en invloedrykste literêre tydskrifte. Daarom dat die nuus twee jaar gelede dat Raster sy rekenaars gaan afskakel en publikasie staak, verpletterende nuus was vir alle liefhebbers van ernstige letterkunde. Goeie nuus nou is egter dat Raster besig is om te herleef; en dit nogal via die internet …

Met behulp van die Nederlands Letterenfonds het die redaksie naamlik ‘n webtuiste tot stand gebring waar die belangrikste publikasies wat sedert 1976 in Raster verskyn het, met verloop van tyd geplaas gaan word: “Het tijdschrift zelf bestaat niet meer, maar wat al die afleveringen Raster aan literair erfgoed hebben opgeleverd is nog altijd de moeite waard, zowel vanuit een historisch als een actueel perspectief. Vele belangrijke auteurs werden in Nederland via Raster geïntroduceerd, met teksten die nog altijd relevant zijn en die ook aanleiding geven tot actuele reflectie.” Aldus die redaksionele kommentaar op die webblad.

En een van die eerste herlewings is die plasing van Hans Groenewegen se artikel oor die poësie van die Poolse digter, Tadeusz Rósewicz (1921), wat in 1992 in Raster #59 verskyn het. Rósewicz, oor wie ek al vantevore geskryf het, is natuurlik saam met Wislawa Szymborska en Zbigniew Herbert lid van die Poolse “driemanskap” wat grootliks verantwoordelik is vir die prominensie wat die Poolse digkuns op die internasionale verhoog geniet.

Dit is dan ook nie toevallig dat Groenewegen se artikel een van die eerstes is wat weer beskikbaar gestel word nie, want dit is inderdaad ‘n indrukwekkende oorsig van ‘n besonderse digkuns. Groenewegen beskryf Rózewicks se digkuns onder andere soos volg: “Hij schreef wat men later, misschien om de eigen schaamte bedekt te houden, ‘naakte poëzie’ noemde. Niet alleen in de inhoud, maar vooral ook in de vorm zocht hij naar middelen om het leven van de Europese mens, die de extremen van zijn normale bestaan had getoond, zichtbaar te houden. De klassieke vormen kon hij, zo vond hij, niet meer gebruiken om het leven van de overlevenden en de geest van de gestorvenen onder woorden te brengen. Nu zegt hij daarover: ‘Na de ervaringen van de oorlog moest ik een eigen grondvorm vinden. Het was een nieuwe vorm, een vorm van eenvoud. Niet een eendimensionale eenvoud. Ik schreef langs horizontale en verticale lijnen. In een gedicht bracht ik ondanks de eenvoud verdieping aan. Mijn poëzie was materialistisch en sensualistisch, niet mystiek; transparant niet transcendent.'”

Die volledige artikel kan hier gelees word. As leestoegif plaas ek Rózewicks se beroemde gedig oor die museum te Auschwitz wat as “Pigtail” na Engels vertaal is. Indien jy nog gedigte van dié merkwaardige digter wil lees, kan jy dit by InfoPoland vind. Nog ‘n berig, en gedigte in Nederlandse vertaling, kan by De Contrabas gevind word.

***

Vanoggend is daar niks nuuts om aan te kondig nie … Dus is dit die ideale geleentheid om in te haal op jou agterstallige leeswerk.

Mooi bly.

LE

 

PIGTAIL

When all the women in the transport
had their heads shaved
four workmen with brooms made of birch twigs
swept up
and gathered up the hair

Behind clean glass
the stiff hair lies
of those suffocated in gas chambers
there are pins and side combs
in this hair

The hair is not shot through with light
is not parted by the breeze
is not touched by any hand
or rain or lips

In huge chests
clouds of dry hair
of those suffocated and a faded plait
a pigtail with a ribbon
pulled at school
by naughty boys.

Tadeusz Różewicz

The Museum. Auschwitz 1948

 

 

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •