Frank de Crits. Korte geschiedenis van de schaduw (9 gedichten)

één

korte geschiedenis van de schaduw

 

eerst was er helemaal niets

dan was er de blauwe lucht

en de zon onmetelijk veel licht

zoveel dat iedereen naar binnen vluchtte

niemand wou in dat licht staan

want de schaduw was nog niet ontdekt

er werden zelfs een aantal straffe verhalen

over haar verteld zoals je kan nooit je

eigen schaduw zijn of je kan nooit je

eigen schaduw inhalen of nog probeer

eens je eigen schaduw te schaduwen

of haar te zien zelfs met een vergrootglas

 het lukt je niet met een verrekijker kijken

de vijand hij is een schaduw van het heden

van het verre verleden een schaduw

aanspreken is niet gebruikelijk zij

heeft nogal wat maniertjes:schaduwrijk

een schaduw wijn een zuchtje melk

een stipje pen een vermoeden lust

en dan de schaduw heeft geen geluid                 

luister eens naar haar geen zinnig antwoord

geeft ze ze wordt zelfs boos wat we uiteraard

van haar niet verwachten de zon is soms haar

bondgenoot alhoewel er is ook zoiets als een

valse schaduw onbetrouwbaar voor iemand

die wil zonnen en met getaande huid in een

vergadering van gewichtigen wil verschijnen

je kan niet in een schaduw zonnen ze is daar

 helemaal niet mee opgezet  we kunnen onver-

mijdelijk in haar staan en slechts een schaduw

van onszelf zijn dus graatmager geen zicht          

hoor hoor iedereen  ik ben  mijn eigen schaduw

niet meer                                                                                 

 

 

twee

korte geschiedenis van het knipperen met de ogen

            

eerst was er het oog dat knipperde

dan deed het onbeleefd onbeschoft dingen

onbeleefd onbeschoft deed het dingen

die de goegemeente helemaal niet bevielen

dan was er die gebroken knipoog

van het staren naar de ruimte

het storen van de oneindigheid

braad ze in olijfolie goed aan even sudderen

iemand:niemand doet iemand iets

de wimpers hadden wat anders te doen

zoals opgemaakt worden een ooglijn trekken

en kort knippen heb je dat ooit  al eens

gezien man vrouw met zonder wimpers

afschuwelijk ze kunnen niet eens knipogen

ze zijn als muggen zonder vleugels hulpeloos

kikvorsen zonder poten

die zijn overheerlijk met

een paar teentjes look overdrijf niet 

ze wenken misschien

een weinig verse room erover en dan            

knabbelen kluiven ze smaken naar

de enige hen zo vettig

knipperen zei je en ogen wijken niet af

hou daar nu toch eens rekening mee

verwaarloos de wenkbrauwen

ze kunnen niet en nooit knipperen

ha er is rook aan de horizon cherokees

wimpers smelten

verduisteren de ogen als ze een meisje zien

meisje wordt gelukkig weldra vrouw          

hoor hoor iedereen ik knipper niet met

mijn mooie ogen

 

 

drie

korte geschiedenis van de dode hond           

 

eerst was er een morsdode hond

dan de gezouten hond

uit die stokoude blues

salty dog salty dog

mag ik je met mijn pen invullen

dan die cocktail half gin

met half vers pompelmoessap en

de rand van het glas moet wel met zout omringd

zo is tequila ook te pruimen

de mescal van malcolm lowry: agavesap met suikerriet

waarmee hij overdreef doch wat is hier overdrijving

teveel fruit of teveel alcohol

fruit is ongezond ik eet nooit fruit mijn vingers lusten

geen kleverigheid

van dode honden geen schrik

ze blaffen ook nooit meer

hij kwam aangespoeld in de kreek van mijn jeugd

de meerspoort waar koeien en kikkers welig tierden

ik wierp met grint keien steentjes om hem van wal

te houden het beest stonk uren in de wind                       

er was geen wind er waren geen uren

verkeerde uitdrukking in die  prachtige zomer

waarin wij kikkers vingen met een zekere behendigheid

in hun gat een strootje propten de beestjes opbliezen

tot een rond buikje en in het water gooiden

waar ze met de dode hond verder dobberden              

platte keien zochten wij ijverig

om over de brede poel te zweven te ketsen en dan dom

plat te vallen

de behendige ik dacht met drie weerbotsen te winnen

doch de oudere andere lukte er vier en raakte nog            

vol een kikker hoor hoor  de bijna de dode hond

arme morsdode hond

 

 

vier

korte geschiedenis van droefheid om dood

 

moeders zijn altijd boos wanneer een dochter of

een zoon voor hen sterft

dat gebeurt toch wel  regelmatig zeker

overal in die benauwde wereld

van ons die verschrikking dat afgrijzen die wanhoop

van het wenend doodongelukkig moedertje

vergeten wij hier de buitenzinnige vaders

die razend rondtollen soepel kopje rol doen niet

ook zij zijn triest droef en niet meer van hier

ze kunnen een stuk in hun voeten drinken

verdwalen zwerven naar Brussel vluchten

sommige Vlamingen vinden dat een uitweg

een uitdaging de zonde opzoeken de vreemden zien

couscous eten feta proeven  raki drinken donker pools brood

met kielbasa en linzen wanneer heeft de Vlaming nog eens

linzen gegeten turend door zijn dure lenzen

spraakverwarring in verschillende talen                                           

sommige eten hun droefenis weg anderen zouden durven

met volle flessen en lege glazen omgaan alsof het een slechte

gewoonte is zoals nagelbijten

of neuspeuteren boerenlaten en ja flatulentie

zelfs wind drijft geen treurnis weg 

waarom ironie om tristesse

lelijk van mijnentwege slechte inborst heb ik

beter platte borst dan dikke nek 

verwarring alom  zwijgzaam word ik “mute”

een engels adjectief dat wil zeggen wat het wil zeggen

stom “stoem” in mijn Brussels dialect dat ik nooit zal kunnen

 spreken omdat ik :een boer ben zoals mijn eeuwige vriend

het terecht opmerkt wat niet wil zeggen dat droefheid om dood

een sinecure is  of simpel komaan

wees ernstig: geen mens weet om te gaan met  droevigheid          

hoor hoor waarom zou dood om droefenis geven

en mij doen zingen

                                                                   

 

vijf

korte geschiedenis over stukjes

 

eerst waren er stukjes en nog meer

dan waren er o opluchting

halfgare stukjes halverwege stukjes

gekke stukjes van een puzzel half om

half het leven dik over de helft van mijn leven

daar legt men geen verloren stukjes meer

in het rond  honderd stukjes

in de weide waar één boom wijd staat

en er overheen buigt met een schors als het

gezicht van mijn grootvader groeven

kreken streepjes spleten op zijn voorhoofd

en een neus gekleurd als brokjes aardbei

en lippen door de winter gekloven ge-

kwetste geblutste krieken uit schaarbeek

afstappen in schaarbeek bij de ezels

en de ogen met zijn verbrijzelde stukjes   

van de bril ze glinsteren als diamanten

verbranden tot korrels zand

glazen stukjes zie ik denk ik van sneeuw

op gras gras groei niet meer roep ik dan

nooit meer pousse herbes pousse herbes

kreten van de tuinman om minder werk

ik haat groeiend gras beloer het

als mijn siamese poes de rare huismus

afgesneden grassprietjes die huilen zoals

takken bij de jaarlijkse winterkap

stukjes gras kittelen mijn naakte rug               

bij het begin van het bewegen kwetsten ze

later worden ze door een enig lief meisje

geplukt gras na spriet

alsof ze denkt: hij houdt van mij hij houdt niet van mij    

hoor hoor waarom zijn er stukjes                              

die mij achtervolgen stalken

 

 

zes

korte geschiedenis van het naar de regen kijken

 

eerst was er de opmerking

daar ben je niet zo goed in

in het naar de regen kijken

door een raam het venster van het verleden

dan voelde je geen verwondering voor horizontale druppels

geen miezel maakte je melancholisch

geen dansen in de plassen geen hinkelspel

maakte een gene kelly van je

hoe lang houdt die vlaag je binnen

zijn die pijpenstelen je grens

zal het je lukken tussen de druppels te lopen

zoals donald fagen zingt                                           

zal het je lukken het tranen

van je wijnglas te verschalken

chasse spleen verdrijft je saudade

gigondas en sterke koffie om alert

te blijven deed balzac zijn cousine bette schrijven

en whisky vinicius de moraes la garota de ipanema

“de whisky is de beste vriend van de mens   

het is een hond in een fles”schreef hij                            

het Braziliaanse dichtertje o poetinho

“van de regen word je nat nooit zat”

zei de brusselse dichter freddi smekens telkens hij

druipend onze kroeg binnenstapte

en later toen hij op één straat pinten keek luidkeels riep

zoals arthur rimbaud “la poésie c’est de la merde”

dan keken wij samen naar buiten en zagen

oostende in de regen eupen met vlagen            

telden druppels tot honderd vijfendertig

hoor hoor waarom moeten wij                                    

de rekening maken van  de regen

en van ons leven  hoor hoor wat is er toch

aan de hand met die regen

 

 

zeven

korte geschiedenis van een masker 

 

eerst was er een masker opzetten

dan een masker afrukken

daartussen een gans mensenleven

anarchisten dragen er geen

politici meestal wel al weten ze het niet

schijnheiligheid is hun kenspreuk

voor de waarheid

koosnaampjes stoplappen:

schuiloord voor schaamte

lampenkap voor het licht

slip voor de liefde

schild voor de schrik

het baasje past de snuit van zijn hond            

nooit omgekeerd

het masker van Oostende is dat van

van Brussel en omgekeerd

tijdens het carnaval van Aalst

schijten maskers burgers uit

wat hun goed recht is

eindelijk loontje om zijn boontje

de varkens zijn nooit ver weg

in de stad

trout mask replica don van vliets

dwarse ode aan de vreugde

clown pierrot heeft een wit vel                

van de melk die niet meer bestaat

op zijn huid gekleefd

en het toppunt van schoonheid

zijn geisha’s maskers

hoor hoor een masker huppelt verder    

alleen zonder de angst

van de drager

 

 

acht

korte geschiedenis van een dag in de zomer

 

eerst was er een zomer

en dan een dag met een zalige warmte

ga toch eens buiten eten van

vlees dat in de hitte braadt

drink nog eens roze wijn op de

dorpel kijk in de straat en

wees de eigenaar van liefde

zie de amper bruine bladeren van een

beukenhaag lig in het gras dat nooit

meer gemaaid moet

zoek geen zonkant meer mijn kind

maar wees blij en vermei je

met je poes die nooit naar je omkijkt    

schreeuw je keel schor schat

zo dat de buren opschrikken

vermoord de weerman hij

voorspelt zijn ongelijk

rook nog één sigaret de eeuwige laatste en

luister aandachtig naar het ruisen van je longen

weet dat de dagen korter en de dagen lang

zich verkneukelen van het lachen

voel dat je op de glijbaan naar kerstmis zit

lees in de zon alleen maar verzamelde 

werken van foute dichters

die oden aan  stalin hitler en de paus schreven

lig languit op de bank sla de kussens bol

luister naar de zwaluwen die hier

al lang niet meer zijn jij bent

de man die met een jachtgeweer paasklokken

en kerstmannen aan gevels afschiet     

een laatste zonnige dag hoor hoor er zijn geen seizoenen

meer mijnheer

 

 

negen

korte geschiedenis van plotseling

 

eerst was  plotseling een mens

en dan een woord

ze ontmoetten mekaar voor het eerst in een

eethuis annex café

in de tijd toen er in die plaatsen nog

gerookt mocht worden

dus in lang vervlogen tijden

toen de dieren nog sigaretten rolden

en de vlaamse leeuw sigaren rookte

plotseling loenste en linkshandig  was 

wat voor de goede menselijke orde

 obstakels waren

stel je voor dat hij ook nog anderstalig zou zijn

en plotseling “soudainement” zegt

en verder gaat met “je ne veux…”

daar straks kwamen de mens en het woord

in dat café annex eethuis

gevaarlijk dicht bij elkaar

we moeten er ons voor hoeden dat ze niet verliefd

op mekaar worden

het is met het

hetzelfde geslacht en als het ware onzijdig

dat zie je niet dikwijls in de etablissementen

onbekenden die onbekenden benaderen

en dan zit het spel op de wagen

de cinema kan beginnen:

heb ik je al niet eens ontmoet

in de colruyt den delhaize of de gb nu carrefour

of op tram vier in een flits

jij miste je aansluiting naar halte liefde

je terminus was gebroken                           

 hoor hoor de plotselingen voerden nooit gesprekken

met hun eigen

 

                                                   

©  Frank de Crits.  Junie 2011

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •