Yves T’Sjoen. Vloek of zegen? Over de betekenis van D.J. Opperman

Vloek of zegen? Over de betekenis van D.J. Opperman

Naar aanleiding van de luisterrijke herdenking, op maandagavond 21 september in Stellenbosch, wierp ik deze week de vraag op in hoeverre poëzie en esthetische opvattingen, zoals het kalifaat van het objectief correlaat, van de gecanoniseerde schrijver en hooggeleerde DJ Opperman vandaag doorwerken in de literatuur van het Afrikaans. Nagenoeg dertig jaar na het overlijden zetten de dichters van het door Opperman geïnitieerde Letterkundig laboratorium – de Opperman-klas ─ een eigen oeuvre op de kaart. In de tussentijd manifesteren zich andere, niet-Oppermangerelateerde stemmen in de dichtkunst. De vraag kan worden gesteld of de ster van Opperman nog even fel fonkelt. Tijden veranderen. Vandaag wordt anders geoordeeld dan toen. Of toch niet? De organisatie van een herdenkingsmanifestatie is geen vrijblijvende bezigheid. Ze kan de betekenis krijgen van een statement. Statements kunnen gericht zijn op bevestiging of ontkenning. Ze dragen soms bij tot een in beperkte kring en al dan niet artificieel in leven gehouden canonieke status van een literaire persoonlijkheid.

Waar is de hand van Opperman? In literatuuroverzichten wordt “his master’s voice” als soeverein beschouwd in de Afrikaanse letteren vanaf de jaren vijftig – het debuut dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog. Hij is niet alleen de schepper van een omvangrijk dichterlijk oeuvre. Belangrijker voor Oppermans dominante positie in de Afrikaanse literatuur is de combinatie van literatuurkritiek (de rol van recensent, lector voor literaire uitgeverijen, redacteur van Standpunte enz.), anthologische activiteiten en een academische aanstelling in het vakgebied Afrikaans en Nederlands. Opperman onderhield daarenboven intensieve contacten met Nederland en Vlaanderen en beschikte dus over een breed en solide netwerk. De literair-institutionele context waarin Opperman acteerde, heeft er zondermeer toe bijgedragen dat hij vele jaren een beeldbepalende stempel kon drukken op het poëzieklimaat van het Afrikaans. De politiek-ideologische achtergrond waarin Opperman figureert is natuurlijk niet onbelangrijk, integendeel. Op het ogenblik dat hij zijn poëziedebuut maakt, komt de Nasionale Party aan het bewind. De volgende decennia is het blanke Afrikaner nationalisme een dominante factor in het maatschappelijke bestel van Zuid-Afrika. Alles wordt in het werk gesteld van het op culturele identiteit gerichte nationalistische discours een homogeen discours te maken. Die strategie zal decennialang het cultuurleven van het Afrikaans beheersen. In een land waar politiek en cultuur zo verstrengeld zijn – dat geldt zeker voor de tijd waarin Opperman zijn sleutelpositie innam – kan het bijna niet anders dan dat hij willens nillens een symbolisch icoon werd van dat Afrikaner nationalistische discours.

Het eeuwfeest kan de uitgelezen aanleiding zijn om de jarenlang als overheersend beschouwde institutionele positie van D.J. Opperman aan een onderzoek te onderwerpen. In zoverre ik het kon nagaan, is dat niet gebeurd. De waarde die zijn poëzie is toegeschreven, door collega’s in het academische bedrijf, door critici die zich in hetzelfde ideologische vaarwater bevonden, door collega-dichters (al dan niet epigonen), kan mogelijk overschat zijn. Wellicht vloek ik met deze suggestie in de kerk. Het verdient in ieder geval aanbeveling Oppermans “posture” – de wijze waarop hij zich positioneert, esthetische voorkeuren legitimeert, de sleutelrol altijd weer bevestigd ziet, zichzelf incontournable maakt – in een cultuurpolitiek daglicht te beschouwen.

De zogenaamde waardenvrije en dus boven alle partijen verheven canonieke stem van Opperman bestaat niet. Aan de dichterlijke stem is toen en nu waarde toegekend. Deze betekenisgeving geschiedt langs allerlei kanalen en volgens bepaalde strategieën en mechanismen. Waardebepaling gaat niet slechts uit van esthetische presupposities maar wordt ook extraliterair, bijvoorbeeld en vooral (cultuur)politiek, gestuurd. Zeker in een land met de geschiedenis van Zuid-Afrika waar taalpolitiek zo’n cruciale functie heeft. Dat de periode waarin de Afrikaanstalige ster van Opperman decennialang fonkelde samenvalt met de apartheidsperiode (1948-1994) moet in dat onderzoek worden beschouwd.

Waar is de hand van Opperman? Ik weet niet in hoeverre zich vandaag, in de Afrikaanstalige poëzie, nog schrijvers beroepen op of zich schatplichtig noemen tegenover de (geconstrueerde) icoon. Ik verneem dat Oppermans dichterlijke stem “uitzonderlijk” was en dat de verbeten wedijver met dat andere icoon NP van Wyk Louw heeft bijgedragen tot haar canonieke status. Canoniseringsprocessen worden door literaire instituties, tijds- en plaatsgebonden normen en cultuurpolitiek bepaald. De canon is een dynamisch gegeven. Zijn er vandaag in de academische wereld of het poëzieveld nog steeds (f)actoren die de positie van Opperman als onbetwist bevestigd willen zien? En zo ja, is dat vanuit een behoudsgezinde en al dan niet nostalgische reflex? Is rond Opperman dezelfde witte muur opgetrokken als rond het huis dat hij destijds in Jonkershoek bewoonde? Het zijn wat mij betreft legitieme onderzoeksvragen die, zonder vooronderstellingen, peilen naar machinaties die ten grondslag liggen aan de beeldconstructie van een dichterschap of de creatie van een literaire-cultuurpolitieke statuur. Opperman droeg daartoe zelf bij, gezien zijn alomtegenwoordigheid. Hij was zich bewust van de hand. Maar ook andere spelers en instanties hebben dat beeld mee gecreëerd, gerechtvaardigd, ondersteund, versterkt. Misschien gebeurt dat vandaag nog altijd? Is de hand van Opperman een vloek of een zegen voor de Afrikaanse poëzie van toen en nu.

De discussie over Oppermans rol in het literaire bedrijf van Zuid-Afrika tijdens en na de apartheidsperiode moet misschien worden gekoppeld aan een andere vraag. In een van mijn gesprekken de voorbije dagen is geopperd – no pun intended! – dat het Afrikaner nationalistische discours altijd een behoefte aan imposante figuren had. In tijden van onzekerheid en isolement grijpt men gretig en makkelijk terug naar helden die voor een gedachtegoed en een (cultuur)politieke visie stonden, ermee geassocieerd worden. Misschien had het Afrikaner nationalisme inderdaad wel behoefte aan dergelijke stakeholders, voortrekkers of opperhoofden.

In ieder geval lijkt het mij een opdracht voor de toekomstige letterkundige onderzoeker om, met behulp van het sociologische institutionele instrumentarium (literair veld- of systeemonderzoek), Oppermans functioneren kritisch in kaart te brengen. Dat wordt een studie van lange adem waaruit kan blijken dat de hand van Opperman dominant was maar niét zeer vrijgevig.

Wie raapt de handschoen op?

Ik ben mijn gesprekspartners erkentelijk voor interessante invalshoeken. – Yves T’Sjoen.

Bookmark and Share

14 Kommentare op “Yves T’Sjoen. Vloek of zegen? Over de betekenis van D.J. Opperman”

  1. Helize van Vuuren :

    Beste Yves

    Lees bietjie meer genuanseerde uitlatings, eerder as “jubilate exultate!” tipe popularisme, voor jy die baba met die badwater uitgooi:

    1989. DJ Opperman se “Egipties”: ‘n siening van die Suid-Afrikaanse dilemma. Stilet 1(2):13-18.
    1989. “Springbokke” van DJ Opperman: ‘n anatomie van Suid-Afrikaanse misère. Gilfillan en De Vries:193-199.

    Groete
    Helize van Vuuren

  2. Yves T’Sjoen :

    Hartelijk dank, Helize. Vanmiddag wees Daniel Hugo mij op een ander kritisch artikel over ‘Joernaal van Jorik’ dat destijds in Tydskrif vir Geesteswetenskappe is verschenen. Ik heb vandaag natuurlijk vragen willen formuleren en geen uitspraken gedaan. Ik lees jouw bijdragen eerstdaags en ben jou erkentelijk voor de leestips.

    Veel groeten,
    Yves.

  3. Ek het verwys na Gerrit Olivier se intreerede oor “Joernaal van Jorik”. Is dit wel in Tydskrif vir Geesteswetenskappe gepubliseer? Wie kan help.

  4. Yves, ek het nagelaat om jou attent te maak op Opperman se artikel “Die uitdyende heelal: ‘n Blik in die toekoms” (opgeneem in sy “Verspreide opstelle”, 1977) waarin hy nogal krities is oor Afrikanernasionalisme. Ideologiese kritiek loop alte maklik uit op swart-wit-denke.

  5. Ek bedoel ideologiekritiek op die letterkunde.

  6. Yves T’Sjoen :

    Alle dank Daniel. Ik ga op zoek naar het essay van DJ Opperman. Voor alle duidelijkheid: ik voer DJO niet op als adept van het apartheidsregime of het ideologische wit-Afrikaner-nationalistische discours van de Nasionale Party. Er zijn voldoende uitspraken en teksten waaruit een kritische houding blijkt. De (cultuur)politieke context waarin hij jarenlang acteerde, een centrale plaats innam en zich wist te handhaven, is niet oninteressant om te analyseren.
    Veel groeten,
    Yves.

  7. Yves, ek het die Gerrit Olivier-artikel opgespoor: Journal of Literary Studies, vol. 8, 1992.

  8. Helize van Vuuren :

    Lees dié paragraaf, en dan die gedigte:
    Nêrens in sy poësie het Opperman hom so direk en ondubbelsinnigoor die politieke loop van sake uitgelaat soos in die opstel “Die uitdyende heelal: ‘n blik in die toekoms” in 1960 nie.Hier skryf hy oor die Afrikaner wat “n sterk wegstotende mag” ontwikkel het: “Dit is ‘n ander gesig in die kristal: ‘ngeestelike lewe oorheers en verdor deur rassespannings en rassewaardes, ‘n geestelike afsondering, ‘n geestelikeintelery, geestelike gebreklikheid en uiteindelike onvrugbaarheid” (1977:125). Aan die slot van “Stem uit die spelonk”(in Edms. bpk.) en in die gedig “Egipties” (in Komas) kry die leser meer ondubbelsinnige kommentaar op die fatale gevolge van die apartheidsbestel.

    Profiel DJO (1999): “DJ Opperman (1914-1985)
    https://www.academia.edu/3733098/D.J.Opperman_1914-1985_

  9. Waldemar Gouws :

    Beste Yves, ek wou eers net verduidelik dat Opperman se gewese huis nie in Jonkershoek is nie, en dat jy eintlik met die Panorama-roete in Jonkersoek kan stap na ontspringpunt van die Eersterivier, met die Bergrivier se beginpunt ‘n paar voet verder. En dat jy ook eintlik ‘n veel wyer blik op Opperman nodig het alvorens jy sy beeld wil beneuk.

    Maar ek versaan dat jy op hete kole is, met tyd wat soos te veel geld ‘n gat in jou sak brand. Die torpedo bult in die mou van jou T-hemp (tensy ek ‘n kramp of gewas daar gewaar).

    Jy moes seker in Stellenbosch met ingeligte mense oor Opperman gesels het. Het iemand jou vertel van die afbeelding van die kruithoring (embleem van die Nasionale Party) en ‘n swart swastika wat op twee uiters private dele van die ikoon se onderlyf aangebring was iewers na 1948?

    As kruisvaarder (soos Bob Dylan se song “you’ve got to serve somebody”) het jy ‘n avontuur op hande.

    Groete

    Waldemar

  10. Waldemar, jy is buite orde met jou onvanpaste sarkasme. Yves stel relevante wetenskaplike vrae oor Opperman se plek in die Afrikaanse letterkundige sisteem. As jou opmerkings skertsend bedoel is, snap ek ongelukig nie die humor nie.

  11. Waldemar Gouws :

    Daniel, in my taksering van Yves se stuk het ek ‘n posisie ingeneem na aanleiding van sy hipotese soos vervat in die opskrif, asook in die laaste paragraaf. Al sy vrae vloei voort uit die gedagte dat Opperman se betekenis óf ‘n vloek óf ‘n seën moet wees. Van waar kry mens vloeke en seëninge? Is daar dan nog ‘n ander hand agter alles?

    Indien jy bereid is om ‘n ondersoek te doen of te ondersteun oor Opperman se rol ten einde een van daardie twee gevolgtrekkings te kan maak, is dit jou saak. Maar die terminologie en die konteks waaruit dit deur Yves ingevoer is, sowel as die openlike voorveronderstellings (bv. die oorskatte kwaliteit van Opperman se poësie, die nasionalistiese rol as imposante pop van die apartheidstaat) en die verheffing van die konsep van vrygewigheid tot maatstaf by die waardebepaling van die Oppermannalatenskap is vir my onaanvaarbaar.

    Jy kan dalk vir Yves bystaan met inligting oor Opperman se baie positiewe hantering van Blum se verse in die middel vyftigs (‘n man wat nie die profiel van Afrikaner had nie) deur dit in Standpunte te plaas en die debuutbundel vir bekroning aan te beveel; ook die plasing van Breytenbachverse in Opperman se bloemlesing vir hoërskoolkinders in die tyd toe die destydse regering vir Breytenbach eerder dood wou sien.

    Voorspoed!

  12. Desmond :

    Op die lang duur doen monumentalisering en dekontekstualisering van ‘n digter dalk meer afbreek aan sy blywende relevansie as die soort kritiese beskouing wat Yves T’sjoen hier begin – ‘n beskouing wat interessante vrae stel en tot insiggewende debat kan lei.

    Ek dink besinning oor die (sistemiese, simboliese) rol van die Groot Digters in die Afrikaner Nasionalisme is interessant, en dalk JUIS wanneer daar in die oeuvres en aksies van daardie digters aanduidinge is van ‘n kritiese bewussyn van die nasionalistiese projek en apartheid…

    Hoe ook al, die ondersoek wat Yves T’sjoen in die vooruitsig stel, na Opperman se ‘funksionering’ (sistemies gesien), kan beslis nie beperk word tot Opperman se eie opinies oor apartheid of sy persoonlike handelinge in die konteks daarvan nie.

    Ook: geen ideologie is ooit totaal eenstemmig nie; dit absorbeer en inkorporeer soms (veral interne, ‘lojale…’) verset.

    Laastens: ek gaan grootliks akkoord met Gerrit Olivier se kritiese analise van Van Wyk Louw se nasionalisme; dit verander nie my liefde vir Louw se digkuns nie. Dieselfde met Opperman. Mens hoef nie verdedigend te reageer op T’sjoen se soort vrae nie.

  13. Waldemar Gouws :

    Ek hou van jou laaste paragraaf, Desmond. Yves se moralistiese basis pla my nog. Dalk kan mens ‘n artikel verwag met die titel “Skynheilige beeste.”

  14. Desmond, stem heeltemal met jou saam – baie dankie! Ook aan Yves: baie
    dankie vir en voorspoed met jou belangrike en interessante projek.

  •