Posts Tagged ‘ANNEMARIE ESTOR’

Luuk Gruwez. Annemarie Estor en de afgrond

Thursday, October 8th, 2015

voorplat-estor-geen-theater-meer

Annemarie Estor en de afgrond 

De afbeelding op het omslag van Dit is geen theater meer is van de hand van de dichteres zelf. Zij laat figuren zien die op de rand van een afgrond staan of gevaarlijk op een  rotspunt. Het is niet duidelijk welke richting het met ze uitgaat. En ook binnenin de bundel worden veel gedichten voorafgegaan door zo’n icoontje waarop een figuur met die afgrond lijkt te flirten. Nee, dit is geen theater meer. Annemarie Estor beschouwt de wereld en wikt en weegt wat daar constructief en destructief aan is. Want er zijn in deze bundel, zoals in veel poëzie, duidelijk twee tegenstrijdige en haast clichématige krachten aanwezig: die van eros en thanatos. De eerste indruk is dat die laatste het zal halen: wij zijn vanaf het begin bestemd voor het einde. Estor mag in haar aanvangsgedicht dan wel een hengst laten opdraven, vol vitaliteit, in haar nogal apocalyptische slotgedicht, ‘Berijd het eind’, figureert een merrie die zich moet laten doorboren. Maar in het slotvers duikt, minder somber, een stralend lam op. Ook al registreert de dichteres een hedendaagse wereld waarin vernietiging hoogtij viert en die haar doet verzuchten dat dit geen theater meer is, maar barre realiteit, toch houdt zij ondanks alles een pleidooi voor het leven en voor de fantasie die alles in beweging zet. Haar strijd tegen thanatos is niet enkel bedoeld voor eigen lijfsbehoud, maar – wie weet misschien uit eigenbelang – ook voor de redding van min of meer de hele mensheid.

Er is soms enige verbeeldingskracht nodig is om in deze poëzie binnen te dringen, maar wie bereid is zich te laten bedwelmen door de mysterieuze sfeer wordt beloond. Jazeker, sommige van haar verzen hebben een wat sombere, soms zelfs ruige of agressieve ondertoon, maar toch blijft een minimum aan optimisme overeind. Al in het eerste gedicht krijgt de Egyptische zonnegod Ra, de scheppende kracht die pal tegenover de god van de dood staat, zijn zegje. Hij kan, hij moet regeren. Anders zijn wij reddeloos verloren. De zon speelt overigens een cruciale rol, wat niet betekent dat duisternis afwezig is. Maar met de moed der wanhoop probeert de dichteres zich te verankeren aan het licht. Zij zoekt in alles de levensvatbaarheid. Vandaar misschien de dominante aanwezigheid van flora en fauna. Hoe gruwelijk en wreed de wereld ook is, hoe kwetsbaar alle culturen ook zijn, zij pleit ervoor bedreigingen het hoofd te bieden en aan de afgrond te ontkomen of die te overbruggen.

Er valt overigens een andere poging tot overbrugging op: die tussen de dichterlijke ik en haar medemens die steevast met het bijbelse ‘gij’ wordt aangesproken, wat afstandelijkheid suggereert en een zekere oninneembaarheid: ‘Steen zijt gij./ Gij handelt in gepijnigd licht./ (…)/ Gij trekt u van mij af. Verdwijnt/ om naar uw goud te staren./ (…)/ De kluis die op u wacht:/ gij draagt er de sleutels van.’ Deze verzen staan in ‘Het dunste vlies’, een cyclus waarin een poging wordt gedaan om met behulp van woorden bij de ander binnen te dringen. ‘Nu kunnen we beginnen:/ ik heb u leren kennen,’ staat er aan het eind. Estor heeft er alles voor over om te ontsnappen aan een wereld zonder anderen, hoeveel pijn daar ook voor nodig is. In een gedicht als ‘Kamer zonder ramen’ dat een perfecte metafoor is voor isolement en uitzichtloosheid, schrijft zij: ‘Na jaren hoor ik een mens,/ pantoffels sloffen op het zeil.’ De geringste relatie is te verkiezen boven helemaal geen relatie. Tekens van leven: daar gaat het om. Van welk leven dan ook.

Het laatste wat zij wil is totaal genegeerd worden. Ook al moet zij daarvoor in een cyclus die toepasselijk ‘Rechters’ heet voortdurend beoordeeld worden en desnoods gestraft. Veel gedichten lijken een secuur relaas van dromen, niet zelden nachtmerries, met de incoherentie, het gratuite, het absurdisme en de vanzelfsprekende logica die daar nu eenmaal eigen aan is. Alles kan, alles is waar, niets is theater zolang je droomt. Estor schrijft op de grens van het mogelijke en het onmogelijke, van de waan en de realiteit. Ze maakt daartoe gebruik van verschillende taalregisters. Er gebeurt allerlei geks in haar poëzie, maar met een zeker naturel. Het lijkt of zij ervan uitgaat dat zij haar lezer niets meer hoeft uit te leggen, dat hij al haar geheimen al kent. Wat opvalt in de confrontatie van de ‘ik’ met haar rechters is dat zij zich schuldig laat verklaren om de futielste redenen: ‘Zij heeft ‘s nachts de luiken opengezet, / een ladder gepakt,/ de lichten aangedaan,/ en met enkel een hemd aan de  ramen gelapt.’ De schuld die de ‘ik’ zichzelf toedicht, maakt deel uit van haar bestaansbewijs: zij is het die het heeft gedaan, niemand anders.

In haar zoektocht naar iets als een identiteit, confronteert de dichteres de culturen die haar omringen met elkaar, plaatst zij bijvoorbeeld het Indiase Goa tegenover ‘het Westland’, haar eigen habitat. Onder de vermeende superioriteit van die laatste legt zij een bom: ‘Wij dachten altijd dat we de baas waren./ We lachten met de dommen, (…).’ Nooit komt zij er helemaal achter wat de werkelijkheid is, waar het theater begint en waar het ophoudt. En wie is zijzelf?

____________________

ANNEMARIE ESTOR

Dit is geen theater meer

Wereldbibliotheek, 61 blz.,  19,95 euro.

©Luuk Gruwez / 2015

  •