Posts Tagged ‘Charlie Hebdo’

Yves T’Sjoen. Ter nagedachtenis aan de redacteurs van Charlie Hebdo

Saturday, January 10th, 2015

 

Ik kon mijn ogen niet geloven toen eensklaps

Adem van de satire, “een adder voor het gras”. Plein la gueule

Opgedragen aan de redactie van Charlie Hebdo

 

Woensdag 7 januari. Een trieste bladzijde in de geschiedenis van de lach. The day after zijn wereldwijd kranten verschenen met zwarte vlakken waar anders cartoons staan. Nog méér kranten zijn uitgegeven met bijzonder indringende en spitsvondige spotprenten. Een krant zonder cartoon is immers geen krant. De gebeurtenis die wij ons zullen heugen als ‘Paris 7/1’ is niet zozeer een zwarte bladzijde in de historie van de achterbakse monkellach, van de pedante gremellach of die verbeten en wat verbitterde grimlach. Er is een brute aanslag gepleegd op de god noch gebod eerbiedigende schaterlach. De blinde radicaal-jihadistische terreur in de lokalen van het Franse weekblad Charlie Hebdo heeft in enkele apocalyptische minuten uitdagende, creatieve en intellectuele geesten voor altijd weggemaaid. Het redactieteam van hoofdredacteur Stéphane Charbonnier (1967-2015) is deze week gedecimeerd, op een beestachtige manier afgemaakt. In een interview met de Volkskrant, dag op dag twee jaar vóór de moorden in Parijs, plaatste redactiechef Charb het satirische weekblad “in de traditie van l’Assiette au beurre, een geïllustreerd tijdschrift uit het begin van de 20e eeuw”. Hij benadrukte in dat vraaggesprek de beeldbepalende rol van zijn “geweldige tekenaars”.

Wat ze maakten, was heftig. Ze namen vaak de katholieke kerk op de korrel, veel harder dan wij nu het geloof aanpakken. Dat komt simpelweg doordat godsdienst minder onderdrukkend is nu. Maar tegen de invloed die er nog is, strijden we.

Charb richtte zijn pijlen niet exclusief op de Islam of de profeet Mohammed. In het licht van het gevelde doodsvonnis is het stuitend de volgende uitspraak te lezen:

[…] of de islam samengaat met democratie hangt af van de interpretatie. Ook de Bijbel en de Tora bevatten gewelddadige teksten. Christenen en joden hebben geleerd die niet letterlijk te nemen. Het grootste deel van de moslims neemt de Koran ook niet letterlijk, anders stond de wereld er nu heel anders voor.

De strijd die Charb en zijn uitgelezen team van non-conformisten voerden tegen religieuze, politieke, etnische, seksuele en welke onderdrukking en misstanden dan ook is allesbehalve verloren. Indien we de opiniestukken en de commentaren van de afgelopen dagen in de internationale pers lezen zal dat ook morgen geenszins het geval zijn. Het is onze verdomde plicht de geest waarvan hun werk getuigt levend te houden. Journalisten en cartoonisten hebben hun eigengereidheid, de moed om geen knieval te maken en zich te conformeren, met hun aardse bestaan moeten bekopen. De geest van bladen zoals Charlie Hebdo en zijn voorganger Hara-Kiri (1960-1992) kan onmogelijk met een AK-47 van lafhartige criminelen worden geliquideerd.

‘Mourir, c’est fou rire un peu’

Il Voiler Charlie Hebdo

Geschokt, van mijn sokken geblazen door de gruwelijke gebeurtenissen, overtuigd van de zuurstof die de satire ons levert om de wereld van vandaag in de ogen te kunnen kijken, lees ik de afgelopen dagen weer de teksten van Johan Anthierens (1937-2000). De Brusselse journalist richtte in 1982 het Vlaamse weekblad De Zwijger op dat een haperend en kort bestaan beschoren was. Naar aanleiding van een herinnering aan een goede Parijse vriend bedacht Anthierens voor zichzelf, in een ‘Grafschrift’ voor de Volkskrant (29 december 1984), het epitaaf “Mourir c’est fou rire un peu”. En hij voegde toe: “Omdat zoveel mensen hier op aarde zoveel lijden dat ze het hiernamaals schaterlachend betreden”. Op die sardonische schaterlach nam De Zwijger een patent, en even later ook het nog kortstondiger project van Anthierens Gaandeweg. Opmerkelijk is dat de hoofdredacteur vooral zijn tekenaars roemde. In De Zwijger van 5 januari 1983 schrijft hij: “De eersten die De Zwijger uit het dal getild hebben, zijn de tekenaars geweest, Zak en Quirit op kop. De rest is gevolgd, schrijvend en tekenend”. Zij zijn de cartoonisten die vandaag treuren om hun “goden” met naast Charb de geroemde grafische kunstenaars Cabu, Tignous en Wolinski. Over de titel en de opzet van zijn memorabele weekblad noteerde Anthierens dat

het met dubbele bodems wil werken, geen kanon […] voor muggen, meer een adder voor het gras, eenieder moet maar zien waar hij zijn voeten zet. Het blad heet De Zwijger opdat spinnijdigen niet langer naar een leedvermakelijke woordspeling dienen te zoeken, in geval van mislukking. […] het kan niet kapot.

Elders noemt hij “het Frans satirische weekblad Le Canard Enchaîné” als het “grote voorbeeld”.

‘Gedichten moet je lezen/onder een zachte schemerlamp.//Gedrichten/in een electrische stoel’

Johan Anthierens brengt me vanzelf bij Paul Snoek. Bekend is het interview van Anthierens voor De Periscoop (1959) waarin Snoek zich zelfbewust en vooral provocerend als de grootste dichter van Vlaanderen bestempelde. Snoeks Gedrichten. Gedokumenteerde aktualiteitspoëzie en/of alternatieve griezelgedichten (1972) en het bibliofiele Frankenstein (1973) met de “nagelaten gedrichten” bundelen teksten waarover Snoek beweerde: “Ze zijn een beetje sociaal gericht, ze zijn gedocumenteerd, ik heb ze ‘gedocumenteerde tijdspoëzie’ genoemd of ‘alternatieve griezelgedichten’. In De Standaard van 29 oktober 1971 stelde de schrijver:

Het woord Gedricht is nieuw en indien het ooit in het Woordenboek der Nederlandse taal terecht komt, waar ik sterk aan twijfel, zal het best omschreven worden als volgt: in het enkelvoud een cynisch, sadistisch gedicht dat de lezer figuurlijk en soms letterlijk kippevel bezorgt; in het meervoud de soortnaam van een nieuw genre in de poëzie, namelijk het totaal vernietigende genre, niet te verwarren met anti-poëzie, die zichzelf vernietigt. […] Voorlopig […] zou ik deze poëzie willen noemen: een soort brutale, wreedaardige, soms sadistische aftakelings- of vernietigingslyriek, waarin alle onderwerpen kunnen mishandeld worden.

Snoek wijst verder op het belang van “de ironie, scherp aan twee kanten, de schaterlach met puntige pijlen en de [H]ineininterpretierung tot aan de dikke darm” (geciteerd naar Herwig Leus in Paul Snoek).

Satire, c’est quoi alors?

Omslag

Snoeks “gedrichten” kunnen als satirisch worden bestempeld. De vraag is in hoeverre satire een stijlkenmerk of een genreaanduiding is. Standaardwerken zoals Ruben Quintero’s omvangrijke Companion to Satire. Ancient and Modern (2007, paperback 2011) en recenter nog Satire in an Age of Realism (2010) van Aaron Matz bieden weliswaar vanuit diachroon perspectief een panoramisch overzicht van de satire in de wereldliteratuur, van pakweg Jonathan Swift en George Eliot tot George Orwell, maar ze geven geen uitsluitsel. In Maarten van Buurens De boekenpoeper. Het groteske in de literatuur (1982) wordt diezelfde vraag over de/het groteske opgeworpen: stijl of genre. De auteur refereert in zijn historische overzicht van theoretische naslagwerken over grotesken aan onder meer Heinrich Schneegans’ Geschichte der Grotesken Satire (1894).

Het groteske ontstaat volgens [Schneegans] door overdrijving van bepaalde fysieke eigenaardigheden, die echter zover wordt doorgedreven dat de vertekening fantastische, monsterachtige proporties aanneemt. […] De overdreven karikatuur leidt bij de toeschouwer tot een lachreactie, waarin zich zowel lust- als onlustgevoelens ontladen.

Lust of onlust: de lezer of de toeschouwer krijgt een cruciale rol toebedeeld in de ervaring van wat satire wordt genoemd. Tijdens mijn speurtocht naar een meer bevredigende begripsomschrijving van satire streep ik ook de volgende passage aan in Herman Uyttersprots bekende studie Over Paul van Ostaijen (1972), waarin de grotesken van Vogelvrij (1927) worden bestudeerd vanuit een vergelijkend perspectief samen met Kafka’s teksten.

Algemeen wordt aangenomen dat satire en groteske groeien uit de verbondenheid van een auteur met zijn tijd; dat ze ontstaan uit de zucht om de eigentijdse maatschappij, haar instellingen en toestanden te hekelen en meteen hen, die daar verantwoordelijk voor zijn, de mensen dus met hun tekortkomingen en gebreken. De zucht dus, iets eeuwigs en algemeens, het menselijk “te kort”, te projecteren in een welbepaalde, beperkte tijdspanne, a.h.w. om de stootrichting te verstrakken en aan de aanval meer directheid te verlenen. (Haat en misprijzen hebben immers veel meer dan de polair tegengestelde, milde gevoelens een welomlijnd aanvalsobject nodig…).

De geleerde Herman Uyttersprot stelt dat precies in de bepaling van “het aanvalsobject” het groteske karakter van Franz Kafka’s en Paul van Ostaijens teksten ver uit elkaar liggen. Over Van Ostaijen merkt hij op dat

hij die, al heeft men graag het omgekeerde beweerd, volstrekt niet onverschillig was geworden voor de toén actuele problemen, wiens temperament trots verbittering en scepticisme, zeker niet lauwer of slapper was geworden [dan in de periode voor en tijdens de Grote Oorlog, yt], geen kans heeft laten ontsnappen om mensen, machten, toestanden scherp en wreed zelfs te gispen”.

Hier volgt dan “een lange en gevarieerde reeks aanvalsobjecten”.

Ten slotte verwijs ik naar een begripsomschrijving van satire in het Algemeen Letterkundig Lexicon (DBNL).

Aanduiding voor een type literatuur dat gewoonlijk naar zijn vorm, inhoud of intentie wordt gedefinieerd als een teksttype waarin de auteur door humor, komische werking of door overdrijving van bepaalde karakteristieke trekken (vgl. parodie, karikatuur en pastiche) een bepaalde zaak, toestand of menselijke fouten en tekortkomingen belachelijk maakt. Een belangrijke formele eigenschap van satire is ironie, meestal van een militante soort. Satire doet een sterk beroep op de lezer of toeschouwer om het groteske, parodistische of ironische te onderkennen, vooral omdat de auteur kan werken met subtiele dubbelzinnigheden of bekend veronderstelde omstandigheden of teksten met een soort ‘sous entendu’. Satire verschilt van het komische doordat die laatste uitsluitend de lachlust nastreeft, terwijl satire tevens een moralistische, een op verbetering van de menselijke zwakheden of fouten of een op verandering van normen gerichte doelstelling heeft. Scherp zijn deze grenzen echter niet te trekken, temeer daar de term een ontwikkeling blijkt te hebben doorgemaakt die hem ruimer doet zijn dan die van genreaanduiding alleen.

Groteske, parodie en (militante) ironie worden in deze definitie voorgesteld als stijlfiguren, of dus “formele eigenschappen” die de literatuur en de kunst bepalen die wij satire noemen. Niet alleen de (schater)lach is van belang maar ook de moraliserende aard van dit soort “littérature engagée”.

Met die laatste omschrijving in gedachten kunnen Snoeks “gedrichten”, poëticaal in het verlengde van bladen zoals L’Assiette au beurre, Hara-Kiri, Charlie Hebdo, Le Canard Enchaîné en De Zwijger als satirisch worden geduid. De afsluitende cyclus van Gedrichten, ‘Bijbelfragmenten’, omvat een tekst die vandaag bijzonder actueel is. Tegen de achtergrond van de terreurdaden en de overmoedige poging van losgeslagen gekken de schaterlach en de satire te vermoorden, lees ik Snoeks ‘De profeet ontmaskerd’.

‘De profeet ontmaskerd’

 

Ik heb het monster van Loch Ness gezien.

Het lag daar met zijn groot metalen hoofd boven water

en uit een paar patrijspoorten aan weerszijden

scheen zacht rose zolderkamerlicht.

 

Ik kon mijn ogen niet geloven

toen eensklaps boven op de muil

een mangat openklapte, waaruit een gedaante verscheen

die een pan etensresten in het water gooide

en een deuntje floot uit Hair.

 

Op zijn hoofd groeide nat glimmend zeewier

in een blijvende tooi.

Hij leek ontzettend veel op kikvorsman Crabb,

te meer daar zijn donker pak druipnat was en lekte.

 

Maar later in de felle lichtstraal

die uit het ruim als een zoeklicht omhoog spoot

zag ik aan de trekken op zijn gangsterface

dat deze zware jongen uit de onderwereld kwam

en Crabb niet was, maar Jonas.

Die van de potvis.

 

Snoek verwijst in zijn tekst naar het bekende spionageverhaal waarin de “kikvorsman [Lionel (bijgenaamd Buster)] Crabb” een tragische hoofdrol kreeg. Volgens Christopher Creighton en Noel Hynd in De Crabb Affaire (Nederlandse vertaling, 1987) voerde Crabb in 1956 een opdracht van de Britse MI6 uit. De aanleiding was het officiële bezoek dat de communistische partijvoorzitter Chroesjtsjov en de Russische minister-president Bagoenin aan Groot-Brittannië brachten. De Sovjet-Russische pantserkruiser legde aan in Portsmouth. Crabb, ingeschakeld als spion die technische informatie over de onderzeeër moest verzamelen, verdween bij die onderneming spoorloos. Veertien maanden na zijn verdwijnen, zo vermeldt de Engelse Wikipediapagina, is een onthoofd en van ledematen losgeweekt lichaam opgedoken in Chichester Harbour. Het is tot vandaag onduidelijk of het om Crabb gaat (“presumed dead”, zo vermeldt het lemma). In Snoeks ‘gedricht’ duikt ook uit het monster van mysterieuze Loch Ness “een gedaante” op die weliswaar “ontzettend veel op kikvorsman Crabb” lijkt (historische referent) maar “Jonas. Die van de potvis” is (bijbelse referent). De verwarring van het ik stoelt op het “donker pak [dat] druipnat was en lekte”. In het felle licht, rekening houdend met “de trekken op zijn gangsterface”, blijkt het evenwel om een “zware jongen uit de onderwereld” te gaan die wordt vereenzelvigd met Jonas. We kennen het verhaal over Jona(s) en de walvis uit het Oude Testament maar ook uit de Koran. De ‘soerat as-saaffaat’ (in vertaling ‘de zich opstellenden’) verhaalt over de profeet Joesoen (Yusun) die van God de opdracht meekreeg het ongelovige Assyrische volk van Ninive, thans de door Islamitische Staat ingepalmde Iraakse stad Mosoel, op het rechte pad te brengen. Overmand door ongeduld keerde de profeet het volk de rug toe en belandde in de buik van een (wal)vis. Dit zijn de regels 139-144 in de Koran:

Ook Joenoes behoorde tot de gezondenen. Toen hij naar het volbeladen schip wegliep en het lot wierp; maar hij was een van de verliezers. Toen slokte de vis hem op, laakbaar als hij was. En als hij niet tot hen die lofprijzen behoord had, dan was hij in zijn buik gebleven tot de dag waarop men wordt gewekt.

Joenoes toont in de buik van de vis berouw, wordt uitgespuwd en gaat verder met zijn bekeringsopdracht die uiteindelijk tot bekering leidt. Op satirische wijze drijft de auteur de spot. Of zoals Herman Uyttersprot het formuleert: het aanvalsobject is hier een gangster, “een zware jongen uit de onderwereld”: “Jonas./Die van de potvis”. Herwig Leus heeft opgemerkt dat de afdeling ‘Bijbelfragmenten’ “ontmythologiseert […] zonder daarbij echt blasfemisch te worden”. Ik onderschrijf Leus’ standpunt. Onder meer dit gedicht behoort tot het “hoogtepunt […] in het werk van Snoek en [heeft] een niet geringe invloed uitgeoefend op de Nederlandse poëzie”. In dezelfde rij passen schrijvers zoals onder anderen Gaston Burssens, Hugo Claus, Gust Gils, Tom Lanoye en Marcel Wauters. Claus en Lanoye publiceerden overigens in De Zwijger. Een fragment uit Claus’ Het verdriet van België (1983) is voorgepubliceerd en ook de nog piepjonge “neo-cynici” Brusselmans en Lanoye scherpten hun pen voor dit roemruchte blad.

‘Superieur-sarcastisch geselen’ en ‘bekampen’

Omslag

Volgens Uyttersprot leidden drie moeilijk te scheiden drijfveren Paul van Ostaijen naar het schrijven van satire en grotesken. De derde drijfveer die hij opsomt, is de volgende.

[…] zijn agressiviteit, de als voorheen aanwezigen, uit zijn persoonlijkheid moeilijk weg te denken behoefte, lucht te geven aan wrevel, rancune, verontwaardiging; de wens, ook polemisch-kritisch actief te blijven, door een verachte maatschappij, een gehate staat, instellingen, personen, verschijnselen uit de toenmalige samenleving snijdend, superieur-sarcastisch te geselen en dus te bekampen. Bijgevolg op deze wijze toch mede deel te nemen aan het leven van tijd, volk en staat, zich niet aan deze opdracht des schrijvers te onttrekken […].

Die “opdracht des schrijvers” en tekenaars is cruciaal. Charb en alle anderen mogen dan niet meer onder ons zijn, de geest waarvoor zij staan kan niet worden kapot gemaakt. Anthierens schrijft er over in ‘De smaak van het schrijven’ (Knack Magazine, 14 oktober 1981). Hij sprak in zijn ‘wekelijkse woensdagbrief van Johan Anthierens’ voor Gaandeweg, naar aanleiding van een Matisse-tentoonstelling, over Robert Combas die behoorde “tot de Kamagurka- en Cabu-school”. Wat mij betreft bedacht Anthierens in het opstel ‘Met pingelvingers’ (9 april 1986) de fraaiste formulering ter aanduiding van – variërend op een bundeltitel van Gust Gils – deze zangers zónder zuurstofmasker: “esthetische woelwaters met diepgevoelige ondergronden” ().

Een doek van Combas heet Echange de chaussettes, échange de coups de feu. Plein la gueule, plein la tête. Nauwelijks te vertalen […]. Ik zou het zelf ook niet weten, plein la gueule betekent zoiets als met verstomming, verbijstering, met jubel geslagen worden. Iets met open mond van (verbijstering, verstomming, vul maar in) ondergaan”.

Ongeacht stijl of genre is satire bovenal een kunstvorm. Een uitdrukking, wel eens verbonden met ‘littérature engagée’, die niet voor iedereen is weggelegd. Zelfrelativering, ook zelfspot, en verbeelding zijn alvast basisvoorwaarden. Zieke geesten en fanatieke geweldenaars denken in hun onmacht satire te kunnen vermoorden. De moordenaars behalen keer op keer een Pyrrusoverwinning. Mensen sterven door kogelregens maar we moeten weten dat kogels geen gedachten zullen vernietigen.

Bronnen

Johan Anthierens, Niemands meester, niemands knecht. Leve mij. Autobiografische teksten. Brigitte Raskin (ed.) i.s.m. Karel Anthierens. Van Halewyck, Leuven, 2003.

Herwig Leus, ‘Inleiding’, In: Paul Snoek. Een keuze uit de poëzie van Paul Snoek samengesteld en ingeleid door Herwig Leus. Dichters van nu 2. Poëziecentrum, Gent, 1991, p.5-64.

Paul Snoek, ‘De profeet ontmaskerd’. In: Idem, Gedichten. Yves T’Sjoen en Christophe van der Vorst (ed.). Lannoo/Atlas, Tielt/Amsterdam, 2006, p.448.

Maarten van Buuren, De boekenpoeper. Het groteske in de literatuur. Van Gorcum, Assen, 1982.

Herman Uyttersprot, ‘Paul van Ostaijen en zijn proza’. In: Idem, Over Paul van Ostaijen. Willemsfonds, Gent, 1972, p.81-127.

Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands door Fred Leemhuis. Het Wereldvenster, Houten, 1989 [1990, vijfde, herziene druk].

(c) Yves T’Sjoen / Januarie 2015

  •