Posts Tagged ‘Chris Coolsma’

Chris Coolsma. Drie vuvuzela’s!

Sunday, July 4th, 2010

Om te voorkomen dat de pasgeboren dichtvorm vuvuzela! een wiegedood sterft, zal ik een toeterend begin maken. Het volgende vuvuzela! trio begint weliswaar met een klacht, maar eindigt via de euforie die de verbazingwekkende overwinning van ‘Oranje’ op de ontgoddelijkte kanaries heeft veroorzaakt (op satellietfoto’s is Nederland dankzij de overwinning en een ongekend zomers hogebrukgebied nu een zinderend oranje vlekje) in een voorspelling met diepere betekenis. Want laten we wel wezen, naast het vermaak (het voetbalspel zelf is een vorm van kunst),is de enige echte rechtvaardiging voor het miljoenen verslindende circus de bijdrage aan de economische ontwikkeling en stabiliteit van Afrika. In de derde vuvuzela! is de wijze mantra van onze bondscoach, Bert van Maurik uit Deventer, verwerkt: ‘als je iets wilt, moet je het gewoon doen!’

Hoewel ze misschien die indruk wekken, zijn deze vuvuzelas!! geen droedels. Schrijven in het Afrikaans is voor mij al moeilijk, dichten met gebruik van anapesten/anapest is een schier onmogelijke opgave gebleken.

Lamentozela

Ag my

ore, my

lief ore

diggetoeterd

ure lang, deur

getoettoet van die

kore oorskreeuwend

die gesang, oorskreeuwend

die gesprekke. Nu al weke, weke

lang. Ag, my ore, my lief ore, toe-toe-

TOETeknieverSTAnietoetoeWATsegtoe

Eufozela

In P.E.

daar

dans die

mense in oranje

met die mense in

blougeel, en die mense

in groengeel met die mense

in oranje. Ke nako! dus wat jy wil,

my vriend, dat kan je, weet geelblou

in die rou, in die rou. Toet-toet-TOET-

toet pep-pep-P.E.P-pep, weet geelblou nu in die rou!

Kaapse vuvuzela

En die

Kaap kleur

straks oranje.

Ke nako! dus wat jy

wil vriend, ja, dat kan je

dans die mense in oranje

met die mense in swartblou

(hulle is ook in die rou). En in Jo’burg

dans die mense in swart-wit straks met die

mense in oranje, met die mense in geelgroen,

straks in Jo’burg dans die mense met hul hart, heel hul hart

bruin-wit-swart, bruin-wit-swart dans dan saam, altesaam en nie apart

TOETOETOETOETOETOETOETOETOETOETOETOETOETOE – TOE!

(nie)

Disclaimer: Die Afrikaans in hierdie inskrywing het slegs ‘n kommunikatiewe funksie. Die outeur ag homself verantwoordelik, nie aanspreeklik vir skade gemaak aan die Afrikaans, of toegebreng aan Afrikaanssprekende siele deur hierdie gebruik van die taal nie. Hy het die uiterste moeite gedoen om die afstand met die leser te verklein.

Chris Coolsma. Wereldpremière: een nieuwe versvorm.

Thursday, July 1st, 2010

Al jaren is het Handboek voor plezierdichters (Bzztôh, Den Haag 1983) van de hand van drs P. onmisbaar naslagwerk en inspiratiebron bij het boetseren van gedichten op wat lichtere voet. Daarnaast staat zijn heerlijke boekje Esmeralda of de macht van het woord (Wolters, Groningen 1989) op mijn bijdehandse plankje. De daarin tentoongestelde spicht hielp ooit mijn rijmbrommertje weer op gang. Voor wie het ontgaan mocht zijn, de spicht is een tot zes lettergrepen versmalde ollekebolleke.

Op een mooie

Zomerochtend

Schreef ik met

Een blij gezicht

Voor het eerst dit

Uitgedunde

Versje, kijk maar goed:

Het is een Spicht!

Een jaar lang schreef ik alle wedstrijdverslagen van mijn hockeyelftal in deze vorm en bundelde ze in het boekje Pakdiebalda! (Roden, 1991). Dat was een goeie oefening. Later inspireerde drs P. me tot de uitvinding van de Liechtensteiner, een opzettelijk versmalde sonnetvorm, waarover later misschien nog wel eens meer. Het is allemaal onschuldig vermaak. Nu is het dan weer tijd om, met een klaroenstoot, een plezierdichtvorm toe te voegen aan de verzameling. Volgens de onvolprezen systematiek die drs P. gebruikt in het Handboek, licht ik de kenmerken van deze opwindende versvorm toe. Ziehier de:

Vuvuzela!

De vuvuzela! behoort tot de klasse van de ollekebolleke, maar kan ook als seriedicht worden toegepast, door een koor van vuvuzela’s!! samen te stellen. Deze dichtvorm kent meestal 15 regels, maar het mogen er ook meer zijn, als de behoefte om anderen lastig te vallen onbedwingbaar blijkt. Het rijmschema is gelijk aan dat van de spicht, maar er mag mee geëxperimenteerd worden. Als men eenmaal lekker in het ritme zit, gaat het vanzelf. Een vuvuzela! eindigt wel altijd met het geluid  van een gekmakend getoeter. Slotwoorden kunnen variëren. Mogelijkheden zijn OET, EP,ÈÈ, maar in beginsel is ieder geluid toegestaan dat met een vuvuzela! kan worden voortgebracht en irritatie oproept. Ook het geluid dat een vuvuzelabespeler maakt als hij langzaam gewurgd wordt, zou zijn toegestaan als er al een klank voor bestond. Voorlopig moeten we het doen met ‘ùùùùùùggggg.’

Het metrum is de anapest, maar dan in het meervoud. Voor dichters met een wat traag werkende rijmklier werkt de naam van de versvorm als ezelsbruggetje. De slotregel eindigt op een zuivere anapest.

Karakteristiek aan de vuvuzela! is dat hij altijd irritant, schreeuwerig en rustverstorend is. Het is echter ook toegestaan, opeens obsceen, grappig, vrolijk of triomfantelijk te worden, als het maar hinderlijk is. Omdat deze dichtvorm nog in de wieg ligt – sommige etymologen denken dat ‘vuvuzela’ een uit het Zulu stammende term voor huilbaby is – , zijn allerlei ontwikkelingen nog mogelijk.

De vuvuzela! kent een interessante geschiedenis. De dichtvorm is ontstaan in het hoofd van schrijver dezes, op 28 juni 2010, tijdens een fietstocht van Roden naar Groningen. In die dagen was het wereldkampioenschap voetbal aan de gang in Zuid Afrika. In dat land is de vuvuzela een traditioneel instrument, dat ontworpen is om tijdens voetbalwedstrijden het humeur (en het gehoor) van anderen zoveel mogelijk te bederven ten faveure van de eigen lol. Bij gebrek aan accu’s (kostbaar) was de brandweersirene in dat land geen succes geworden. De plaats van dat neuroseverwekkende instrument werd op een dag ingenomen door een roeptoeter. Het verhaal gaat dat de eerste gebruiker van de vuvuzela na een wedstrijd op geheimzinnige wijze verdwenen is. Slechts het mondstuk van het apparaat is later teruggevonden in de toiletten van het stadion. Andere bronnen vermelden dat een fabrikant van gehoorapparaten ontevreden was over zijn omzet. Hoe dan ook, de vuvuzela is aan een oorverdovende triomftocht door de wereld begonnen. De eerste moorden op bespelers van het ding zijn al gemeld. In London, Engeland, is in navolging van de Society for the Reinstallment of the  Deathpenalty for Leaf Blowers nu de Coalition for Destruction of all Vuvuzelas opgericht. Daar staat tegenover dat in landen waar meer lawaaitolerantie bestaat, inmiddels de eerste Vuvuzela-ensembles zijn gevormd. Zo kent het beroemde Konzerthausorchester uit Berlijn een Vuvuzelasectie. http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2010/06/even-inblazen.html

Het werd dus hoog tijd om ook de dichterswereld lastig te vallen met de vuvuzela! Hoewel er verwantschap lijkt te bestaan met limerick, ollekebolleke en spicht, is dat slechts schijn, die voortkomt uit het metrum. In werkelijkheid zijn zowel de toeter als de dichtvorm op andere wijzen cultureel steviger verankerd. Het instrument vuvuzela gaat volgens sommigen terug naar een zeer oud heilig ritueel op een berg, waar slechts door uitverkorenen op een soortgelijke toeter mag worden geblazen. De dichtvorm daarentegen heeft duidelijke verbanden met het grafisch expressionisme van de Vlaamse dichter Paul van Ostaijen (zie bijvoorbeeld Bezette Stad, in Verzameld werk, poëzie 2, Bert Bakker/Daamen Den Haag 1963, met name het gedicht ‘Zeppelin’). Verder herkennen we in de slotregel van de vuvuzela! een subtiele verwijzing naar het beroemde gedicht ‘Oote, oote, boe,’ van de Barbarberdichter Jan Hanlo Sommigen hebben beweerd, dat er verwantschap is met een groeiende rij isogrammen, zoals afgebeeld op pagina ‘is’ van Battus’ Opperlans! Taal en letterkunde, Querido 2003. Er is echter nog geen vuvuzela! bekend die de strenge structuur van die vorm heeft, hoewel er een opvallende structurele overeenkomst is:

o

ot

toe

toet

stoet

roetst

stretto

testrots

strotpest

strooptest

testpastoor

oortestpasta

opspattoaster

sporttoetspaar

paardtoetssport

papatoetersdorst

De versvorm vuvuzela! heeft kortom eerbiedwaardige culturele wortels en kan worden beschouwd  als een volgend broddellapje aan het door de eeuwen heen geweven tapijt van de poëzie, zodat we tenminste ook van intertekstualiteit kunnen spreken. Nu heb ik het begrip poëticaal nog niet gebruikt, maar er moet iets over blijven voor de recensenten. Tijd om er op los te toeteren met een laatste uitleg voor de langzamen van begrip:

In een

ver en

vreemd

verleden

is de vorm

die u hier ziet

ondanks schiet-

en smeekgebeden

toch ontstaan al wou

men ‘t niet. Dit loopt uit

op moord en doodslag heeft,

zo schijnt, een man gezegd, maar

het ding is toch gekomen en moet dus

hier goed uitgelegd. Toet-toet-TOET-toet

toet-toet-TOET-toet, toet-toet-TOEOEOE

TOET!!

u had

het wel

begrepen

aan het eind

wordt er getoet

maar u mag met

toet beginnen want

dat klinkt vaak ook wel

goed. En het metrum: ja, u ziet

het: anapesten, rij na rij, verder is

het vers een geste van jolijt en toeterij.

Toet-toet-TOET-toet, toet-toet-TOET-toet

Tet-terre-TET-tet. Tet-terre-TET-tet. Poe-poe-POEOE

Chris Coolsma. Hoe het was om jong te zijn. 4 gedichten.

Sunday, June 6th, 2010

Nadat we de Ankerpunten hadden behandeld, zei dichtertje dat hij intussen gedicht had over een onderwerp dat hem was opgedragen in zijn dichterskring. ‘Ik moest schrijven over de vraag ‘hoe was het om jong te zijn?’  zei hij, toen we gezellig in de lentetuin naar het voedsel- en afvaltransport van kool- en pimpelmezen zaten te kijken. ‘De andere dichters hebben er kritiek op gegeven en daarna heb ik er nog veel aan gehakt, geschaafd en geprutst’. Hij hield zijn hoofd scheef en keek me onzeker aan. ‘Denk je dat de gedichten klaar zijn?’

Terwijl een zwartkop begon te zingen, piekerde ik over die vraag. Omdat ik niet tot een bevredigend antwoord kwam, zei ik maar: ‘als het af is, is het af!’ (Daarbij moest ik zoals altijd onwillekeurig denken aan de bedrijfsleider in de blokfluitfabriek van mijn vader, die bij het aandraaien van moeren en klemmen steevast ‘vast is vast’ zei.) De zwartkop bleef zingen, wat ik een goed teken vond. Gelukkig zijn er altijd nog tekenen waar we ons aan vast kunnen klampen. En de Ankerpunten natuurlijk. Dus controleerde ik het wit, zag ik dat de gedichten een bedoeling hebben, wist ik dat dichtertje zich helemaal open had gesteld en de gedachten had laten stromen, dat hij serieus met de vorm bezig was geweest, en gekreund en gesteund had bij het vinden van ritme en klank. Dus klopte ik hem op de rug en beloofde dat ik ze als kaart op tafel zou leggen.

In het huis van mijn grootvader

In het huis van mijn grootvader
was het zo stil dat ik alleen
de klok hoorde tikken
en mijn oudtante bijna stierf
van schrik bij de onweersflits
die mijn jongensgezicht
als wit dodenmasker van haar
lang geleden overleden broer
in de duistere kamer verlichtte.

In de huis van mijn grootvader
was het zo stil dat alleen al
het tikken van de domme hommel
tegen het glas klonk als bonken
op een trommel. De verte was
daar een torenklok in het dorp
en het loeien van de schroeven
van Harvards die joegen rond
vliegveld Soesterberg, kilometers ver.

Het was daar dat ik leerde
dat het stiller is in een kamer
als de ramen open staan naar
de vogels en de wind.
Daarom speel ik graag piano
met deuren en ramen open
zodat mijn overleden grootvaders
mij ook kunnen horen.

De tuin zweeft in de tijd

In the garden suspended in time,
My mother sits in a redwood chair
Mark Strand, The Garden

Op mijn nagelnieuwe zintuigen
zweef ik door een wereld
die te wijd zit om mijn magere lijf
Ik bezit niets, begeer alles
waarover  de pasgeboren zon
zijn spoor van vernieuwing trekt.

Achter ons verschuilt de nacht
zich in verhalen van mijn ouders.
Ik geloof in het licht van de dag
voor mij, de nacht is van gisteren.

Nog weet ik niet dat alles al oud is
want het ontstaat immers nu, in deze tuin;
alles is nieuw, het ruikt naar
het eerste zaad op zongedroogde lakens.

In de verse avond fluisteren
de volwassenen hun geheimen.

Zwei kleine Italiener

Zwei kleine Italiener
die träumen von Napoli
von Tina und Marina
die warten schon lang auf sie
Conny Froboess, 1962

In de halfdonkere slaapkamer stopt
mijn broer twee ballonnen onder zijn hemd
en betast ze lachend. Ze knerpen.

Zo moeten de zwei kleine Italiener  van Conny voelen,
zegt hij. Maar hoe zouden ze klinken?
Ik kijk naar haar guitige lachje

op de foto boven mijn bed en stel mij voor
hoe ze bemoedigend knikt, maar het duurt nog een jaar
voor het tersluiks zoekend voelen zal beginnen.

Dubbelspiegel

It was impossible to imagine, impossible

not to imagine………

Mark Strand, what it was

De tengere jongen in het familiealbum
kijkt terug naar mij zoals ik naar hem,
nieuwsgierig, met dezelfde ogen.
Hij kent mij niet zoals ik hem
al weet ik niet precies meer
hoe het was om jong te zijn.

Hij dacht soms wel aan mij, hoe
het zou zijn om oud  te zijn.
Gelukkig, hij wist het niet:
onschuld beschermt het kind
en het geweten staat niet voor niets
in de voltooid verleden tijd.

Onschuldig wilde hij wel ouder zijn
maar hij blutste zijn knieën
en stootte zijn neus en hij schaafde
zijn schenen en viel in zeven
sloten tegelijk. Voor het eerst werd hij
bedrogen, voor het eerst bestolen.

Voor het eerst loog hij en verloor
zijn onschuld en voor het eerst
ging het leven gewoon verder.

Nu kijk ik naar hem,
die tengere jongen die nog steeds
in mij leeft, vol verwachting.

Chris Coolsma. Ankerpunten: misverstanden over poëzie (1).

Wednesday, May 12th, 2010

In De Groene Amsterdammer van 21 januari 2010 staat een essay van Robert Anker, dat mij er bijna toe aangezet heeft, het dichtertje in mij in een regenjas te hullen, te voorzien van een met stenen gevulde rugzak, en een diepe rivier in te drijven. Het dichtertje in mij is namelijk een vrolijke, maar ook enigszins sentimentele jongen, zeer onzeker, verlegen en geneigd anderen zo min mogelijk lastig te vallen met zijn maaksels. Hij heeft maar een probleem, en dat is dat hij af en toe een gedicht schrijft en dat hij hoopt dat er iemand is die dat dan leuk vindt, of mooi, of heel misschien eens een keertje hilarisch of ontroerend. En nu kwam Anker en sloeg zijn stellingen met mokerslagen tegen mijn huisdeur. Mijn dichtertje heeft zich teruggetrokken in een donkere kast, handen over de oren, hoofd in de schoot. Hij roept dat hij van meneer Anker niet meer buiten mag spelen. Dat is te gek, dus ik neem het maar eens voor hem op. Wat hamert dat daar eigenlijk? Het hamert dat er veel misverstanden zijn over poëzie.

Misverstand 1: Dichten is gemakkelijk.

RA: Gemakkelijk dichten bestaat niet.

CC: ik wil een verschil maken tussen amateurdichten en professioneel dichten, al is de grens vaag. Wie zich als professioneel dichter presenteert, stelt zich bloot aan de criteria van het professionele dichten. Professioneel dichten is zeker niet gemakkelijk. Het is een vak, een ambacht. Het vereist talent, en kennis en vaardigheden die alleen door hard werken en veel zelfkritiek kunnen worden ontwikkeld. De meeste misverstanden die Anker aankaart, zijn misverstanden die bij niet-professionele dichters en hun lezers kunnen bestaan. Niet-professionele dichters schrijven vooral omdat ze er plezier in hebben. Ze doen vaak wel hun best, maar ze nemen het niet zo nauw met de strenge eisen. Toch hebben gemakkelijke gedichten ook bestaansrecht. Wie ze niet goed vindt, kan ze negeren. De meeste amateurdichters publiceren zelf en wie hun bundels niet goed vindt hoeft ze ook niet te lezen. Intussen hebben die dichters wel plezier in het schrijven, ze zijn blij als hun gedichten in een bundel verschijnen en zijn bereid daar kosten voor te maken. Van de reacties van hun publiek kunnen ze leren. Koopt niemand zo’n bundel, of hoort de dichter er nooit meer iets over, dan zou hij of zij genoeg moeten weten. Soms zit er echter heel goed werk tussen. Dan was de plezierdichter even onbewust bekwaam. De strengheid van Anker is terecht waar het professionele dichters betreft. Voor hen geldt wat voor alle kunstenaars geldt: kunst is alles, gaat voor alles en boven alles. De kunstenaar leeft voor de kunst en in de kunst. Intussen is er niets tegen dat miljoenen Nederlanders gedichten schrijven en publiceren. De plezierdichter mag het een beetje lichter nemen. Niemand heeft er last van en menigeen wordt er gelukkig van. Misschien moet ik een uitzondering maken voor de beklagenswaardige redacteuren van uitgeverijen, die bedolven worden onder een vloed van niet professionele poëzie. Toch durf ik te wedden dat heel veel niet professionele dichters wel degelijk heel zelfkritisch zijn en proberen zich te ontwikkelen. Ik ken er verscheidene.

Misverstand 2: Het wit is niet belangrijk

RA: een gedicht zwemt in wit. De dichter bepaalt de regellengte. De regellengte heeft een belangrijk aandeel in de adem/ het ritme van een gedicht. De regellengte maakt een gedicht vertikaal. Vroeger wees dit op God, tegenwoordig op diepte, op het innerlijk.

CC: De professionele dichter werkt voortdurend met de vorm. Hij worstelt met het wit. Maar de niet-professionele doet dat ook, al is dat soms minder bewust. Een niet-professionele dichter zal altijd ook het wit gebruiken, alleen vaak minder goed doordacht dan de professionele dichter, mogen we hopen. Toch weet ik zeker dat iedereen die meer wil dan Sinterklaasversjes schrijven, zich bewust wordt van het belang van het wit, van het ritme, van de adem, van de rusten in de dichtmuziek. Volgens mij is dit helemaal geen misverstand bij dichters die een heel klein beetje om zich heen gekeken hebben. De meeste regelmatig schrijvende dichters, ook de amateurs, weten dat het wit heel belangrijk is. Kortom: dit is helemaal geen misverstand.

Misverstand 3: Een gedicht vertelt een verhaal en moet begrijpelijk zijn.

RA: Het gedicht kent geen tijdsverloop en vertelt geen verhaal. Het is wel een tekst die over een gebeurtenis handelt. Het is mogelijk om van een gedicht te genieten zonder het te begrijpen. Andersom staat de ervaring van het lezen ver van de ontleding van een gedicht, die altijd teleurstelt.

CC: Wat is dit voor stelling? Waarom mag een gedicht geen verhaal vertellen, of is een verhalend gedicht geen goed gedicht? Is er nooit een tijdsverloop in een gedicht? Ik blader in de verzamelde werken van Kavafis. Ik lees Mark Strand. Veel gedichten van Collins beschrijven het leven uit één dag. Poëzie onderscheidt zich van proza, dat kan ik begrijpen, maar er zijn ook prachtige prozagedichten en er is boeiende verhalende poëzie. Ik begrijp dat Anker wil zeggen dat de dichter streng moet zijn, diepte moet zoeken, chronologie is misschien te gemakkelijk. Maar niet verboden! Niets is verboden in de kunst. Alles mag en alles moet mogen. Natuurlijke selectie zal het goede van het slechte scheiden.
De leeservaring en de belevenis van het begrijpen zijn twee soorten ervaringen met een eigen bestaansrecht. Net zo min als een muziekstuk of een schilderij is een gedicht verplicht begrijpelijk, gaat het allereerst om de schepping door de kunstenaar zelf, die een doel heeft of dat tijdens het schrijven ontdekt. Direct daarop volgt de pure ervaring tijdens het lezen. Maar gelukkig zijn er mensen die gedichten, muziekstukken en schilderijen in een context kunnen plaatsen, of zo kunnen ontleden, dat zichtbaar wordt wat de mogelijke betekenissen zijn. Zonder mijn leraren Nederlands, die archeologie van het gedicht bedreven en mijn kinderogen plotseling openden voor diepere lagen, historische verbanden, klankwondertjes en de functie van de vorm, was poëzie voor mij net zo’n veelbezongen maar onbereikbaar Arcadië gebleven als het voor zeer veel meer niet dichtende Nederlanders nog steeds is. Het verbod op uitleg ondersteun ik niet. Wel moet die uitleg altijd naast het gedicht staan en er niet voor in de plaats komen. De beroemde uitspraak ‘lees maar, er staat niet wat er staat’ mag wat mij betreft vervangen worden door ‘lees maar, er staat veel meer dan er staat’, in de zin van ‘er valt veel meer wonderbaarlijks te ontdekken.’ Maar ik zal het wel niet begrijpen. Zelfs mijn huidige hofdichter Collins schreef er dit over:

Inleiding in de poëzie

Ik vraag hen een gedicht te nemen
en het tegen het licht te houden
als een kleurendia

of een oor tegen zijn bijenkorf te drukken.

Ik zeg laat een muis in een gedicht vallen
en kijk hoe hij zijn weg naar buiten zoekt,

of loop rond in de kamer van het gedicht
en tast langs de muren naar een lichtknopje.

Ik wil dat ze waterskiën
over het oppervlak van een gedicht
zwaaiend naar de naam van de dichter
geschreven op het strand

Maar het enige dat ze willen
is het gedicht met touw vastbinden op een stoel
en er een bekentenis uit martelen.

Ze beginnen het met een eind tuinslang te slaan
om uit te vinden wat het werkelijk betekent.

Goed, laat ik het dan zo zeggen: het gaat er niet om dé betekenis van een gedicht er uit te wringen, maar om de betekenis, die het voor jezelf als lezer heeft, te onderzoeken. Dat vereist grote aandacht voor het gedicht, ontleden en interpreteren, wat komt naast de ervaring van het lezen zelf. Daarom ben ik zelf bijvoorbeeld gedichten gaan vertalen. Dat dwingt me om mij er in te verdiepen. Daarna probeer ik de betekenis die het voor mij heeft in mijn taal om te zetten, maar het origineel mag daarbij net zo min om het leven komen, als bij het martelen om de enige ware betekenis.

Misverstand 4: Rijm is verplicht

RA: rijm is niet verplicht! Klank en ritme wel, die maken taalconstructies tot poëzie.

CC: Dit begrijp ik, maar wisten we dat al niet? Rijm ondersteunt ritme en klank. Rijm is niet verplicht, nee, maar ook niet verboden. Rijm kan gebruikt worden als stijlmiddel, om te overdrijven, om de lach uit te lokken, maar ook om dreiging, gekte, sleur uit te drukken. Nu weet ik wat ik mis in de indrukwekkende uitleg van Anker. Ik mis de humor, de lach. Wat is die man ernstig! Het kan een misverstand zijn, misschien heb ik een ander gevoel voor humor, of misschien is er voor hem in de huidige, in veel opzichten grimmige, tijd geen ruimte voor lichtheid. Intussen is het waar: rijm is niet verplicht. Maar iedereen die zich serieus met dichten bezighoudt en dus veel leest, weet dit al lang.
Volgende keer nog meer misverstanden, al moet ik bekennen, dat ik het met de meeste die nog volgen wel eens ben.

Chris Coolsma. Sonate voor de doden

Tuesday, March 23rd, 2010

Omdat ik deze weken bijzonder gelukkig en vrolijk ben, is het een goed moment om aandacht te besteden aan drie gedichten van Billy Collins over de dood en de doden. Ik weet niet hoe dit met jou is, lezer, maar ik word daar niet bedroefd van. Deze gedichten hebben op mij dezelfde uitwerking als muziek van Franz Schubert. Ze vervullen me met aangename weemoed, misschien wel juist omdat ze bevestigen dat ik nog leef, dat mijn zintuigen op volle kracht werken en dat ik kan genieten van een ongekend geluk over zoveel schoonheid. Het is een  kenmerk van grote kunst, dat de weemoed in een compositie troost biedt, in plaats van verdriet. Trouwens: ik zou ook wel zo’n monument willen krijgen als de overledene waar dit gedicht aan gericht is. Het doet er niet zoveel toe wie het is, misschien, maar volgens mij is het de vader van Collins. Hij heeft daar nog enkele ontroerende gedichten aan gewijd, maar die zal ik later opvoeren, hoe groot de verleiding ook is om dat nu te doen.

Nee, deze drie gedichten zijn ruimschoots voldoende stof ter overdenking. Je kunt ze lezen als delen uit een sonate. Het eerste is een langzaam deel, largo mesto, denk ik zo. Het tweede is zo scherzo als het maar kan, schertsend en pijnlijk in de beste laatromantische traditie. Wij ervaren de tragedie van de dood sterker naarmate hij dichterbij ons komt. Ik heb Cincinnati en British Columbia speciaal voor mijn Afrikaanse vrienden vervangen door Pretoria en Namibië. Het derde is een lieflijk Adagio,  een schetterende finale is niet voorhanden.

 

 

 

Het wordt stil in de zaal, de lichten doven, we zijn aan onszelf overgelaten en aan de kunstenaar, die eenzaam zijn stem verheft. Verzoeke niet te applaudisseren na het slot. We genieten liever van de voortgezette stilte.

 

De draden van de nacht

 

Ik dacht zoveel uren na over zijn dood,

verward in de draden van de nacht,

dat die een lichaam en dimensies kreeg,

meer dan een trillende stem over de telefoon

of de vette zwarte rouwletters van naam en adres.

 

Nu had zijn dood ingang en uitgang, deuren en trappen,

ramen en luiken die de bewegingloze vleugels zijn

van ramen. Zijn dood had een hoofd en kleren,

het witte overhemd en de wijde broek van de dood.

 

Zijn dood had bladzijden, een donkere leren band, een index,

en de letters waren voor iedereen te klein om te lezen.

Zijn dood had scharnieren en bouten, geolied  en versloten,

een luide motor, vier banden, een antenne die luisterde

naar de wind, en een spiegel waarin je het verleden kon zien.

 

Zijn dood had scharnieren en sleutels, muren en balken.

Hij had een handgreep die je niet kon vasthouden en een vloer

waar je niet op kon liggen in het holst van de nacht.

 

In het griezelige roze en grijs van de ochtend nam ik

zijn dood mee naar bed en zijn dood was mijn bed

en in elke hoek van de kamer schuilde hij voor het licht,

 

en toen was het licht daar van de dag en de volgende dag

en alle dagen die volgden, en hij bewoog de toekomst in

als de scherpe punt van een pen die over een lege bladzij beweegt.

 

(‘The wires of the night’, uit: Sailing Alone Around the Room, blz 35)

 

Mijn nummer

 

Is de Dood mijlen verwijderd van dit huis,

op het punt een weduwe in Pretoria te grijpen 

of hijgend in de nek van een eenzame rugzaktoerist

in Namibië?

 

Is hij te druk met zaken regelen,

knoeien aan remmen,

kankercellen verspreiden als zaden,

de houten balken van een achtbaan lostrillen,

 

om zich in te laten met mijn verscholen huisje

dat bezoekers zo moeilijk kunnen vinden?

 

Of stapt hij nu uit een zwarte wagen

geparkeerd aan het donkere eind van de laan,

schudt hij de bekende mantel open,

zet hij zijn kap omhoog als de kop van een kraai,

en haalt hij de zeis uit de kofferbak?

 

Kon u het gemakkelijk vinden?

zal ik vragen, als ik begin mij hier uit te praten

 

(‘My number’, uit Sailing Alone Around the Room, blz 15)

 

 

De doden

 

Men zegt dat de doden altijd van boven op ons neerkijken,

terwijl wij onze schoenen aantrekken of een boterham smeren,

ze kijken op ons neer door de glazen bodems van de hemelse boten

terwijl ze zich langzaam door de eeuwigheid roeien.

 

Ze kijken hoe de daken van onze hoofden over de aarde bewegen,

en als we gaan liggen in een veld of op een bank,

wellicht verdoofd door het gezoem van een warme namiddag,

dan denken ze dat we naar ze terugkijken,

 

heffen hun riemen, vallen stil

en wachten, als ouders, tot wij onze ogen sluiten.

 

(‘The dead’, uit Sailing Alone Around the Room, blz. 33)

 

 

Chris Coolsma. A poets work is never done

Wednesday, March 10th, 2010

In het Amsterdam van de jaren zeventig zinderde het van de bevrijde verbeeldingskracht. De gevestigde schrijvers, componisten, toneelspelers en musici werden openlijk aangevallen als ze niet meebewogen met de drang naar nieuwe vormen. Ik was een braaf en conservatief jongetje uit de provincie, maar gelukkig sleepte mijn veel avontuurlijkere broer me mee naar het Concertgebouw, sprak vol vuur over de spannende beelden en installaties in het Stedelijk Museum en nam gedichtenbundels van Hans Verhagen en Hanlo mee naar huis. Er sloeg een vonk over van de pioniers op een hele generatie, die vaak vurig aanhanger werd van het ongewone, verrassende en absurde. Ik besefte dat er meer werkelijkheden zijn dan de direct zichtbare, alledaagse werkelijkheid. Ik besefte dat twijfel noodzakelijk is voor vernieuwing van de veilige, maar uiteindelijk afstervende status quo. Dat geldt niet alleen voor de scheppende kunsten, maar ook voor de uitvoerende, leerde ik wat later. De uitvoerende kunstenaar moet beslist zoeken naar vernieuwing, naar voortdurende verbetering van zijn instrument en naar telkens opnieuw interpreteren van de composities die hij vertolkt, zelfs al zijn ze talloze malen uitgevoerd. Hij inspireert bouwers van instrumenten om mee te ontwikkelen en kan zo zelf ook weer verder onderzoeken. Ik heb het van dichtbij meegemaakt. In 1958 stopte er een Porsche voor ons huis in een burgerlijke laan in Zeist. Een man als een rietstengel betrad onze voorkamer om met mijn vader te praten. Spoedig daarna zag ik tekeningen op ruitjespapier van een nieuwe blokfluit. De bezoeker had de blokfluitbouwer overtuigd dat hij een instrument voor de concertzaal kon en moest ontwikkelen. Weer wat later zaten wij met z’n allen met het oor tegen de krakerige luidspreker van de radio – een Philips met zwart bakelieten voorkant – om Frans Brüggen in een Engelse concertzaal een blokfluitconcert van Vivaldi te horen spelen. Dat was ongehoord voor die tijd.

Ik schreef dit op na het bijwonen van een recital door Kristian Bezuidenhout. Hij vertolkt muziek op (kopieën van) historische fortepiano’s. De muzikale beweging die destijds onder andere in Amsterdam begon, is nooit tot stilstand gekomen. Telkens weer blijken er jonge kunstenaars in staat tot vernieuwen van de vernieuwing. Zo hoorde ik nu overbekende sonates van Beethoven alsof ze ter plekke werden gecomponeerd. Je hoort wel vaker dat dit gezegd wordt, maar het is een zeldzaamheid. Het maakt een concert tot een onvergetelijke gebeurtenis. Teruggrijpend op mijn eerdere gedachten over bevroren momenten: Bezuidenhout is in staat om telkens weer emoties in de luisteraars op te roepen, die ze niet meer zullen vergeten. Ik zal vanaf nu, als ik een sonate van Beethoven hoor, even in de Lutherse Kerk in Groningen zijn en Bezuidenhout zien kijken naar een plek ergens in de ruimte, waar hij de klanken vandaan lijkt te halen. Het is echt waar: mijn eerste commentaar op zijn optreden was: ‘hij is een dichter!’ Vanwaar die vergelijking? Eerlijk gezegd misschien wel allereerst omdat hij speelt alsof hij een verhaal vertelt, dat hij ter plekke verzint. Maar ook omdat hij door gebruik van stiltes (rusten) en ritme met klanken aan het dichten is. In beide gevallen ‘vertolkt’ hij het verhaal van de componist met de stiltes en ritmes die in de muziek zijn gegeven, maar toch klinkt het alsof het nieuw is. En dat is het ook, want hij voegt er zijn eigen unieke interpretatie aan toe.

Vandaag worden deze drie dagen geleden neergeschreven gedachten schitterend onderstreept. Veertig jaar na die opwindende jaren in Amsterdam is de interpretatie van de oude muziek verder ontwikkeld. De instrumenten zijn aangepast aan nieuwe inzichten, maar de speelwijze ook. Naar analogie van de singer-songwriter horen we een bouwer-speler die de blokfluitbouwer Hans Coolsma en het genie Frans Brüggen voorbij is. Losgesprongen van the shoulders of giants. Heiko ter Schegget verrukt en verbaast. Ik geloof mijn oren niet. Zelfs die ouwe blokfluit, een van de weerbarstigste en primitiefste instrumenten, kan door gepassioneerd, aandachtig en intelligent doorploeteren worden geperfectioneerd. Kan? Moet!

An artists work is never done.

Chris Coolsma. Bevroren momenten

Saturday, February 27th, 2010

Bevroren momenten

Dikwijls verbaas ik me over de hardnekkigheid van ingeslepen beelden bij herinneringen aan plekken en personen. Het eerste beeld dat bovenkomt als ik aan een pianostuk van Bartok begin, is een grijs stenen gebouw in Utrecht, waarvan ik vroeger dacht dat het Utrechts Conservatorium er gevestigd was. Als ik aan mijn ouderlijk huis denk, zie ik eerst de zanderige bostuin voor me, met klimbomen en een schommel. Onmiddellijk klinkt in mijn hoofd het geluid van het stemwijsje van mijn vader uit de werkplaats waar blokfluiten werden gebouwd. De plaatsnaam Zeist (mijn geboorteplaats) start de film van een blauwe tram die het treinstation uitrijdt. Amsterdam werpt licht op de van Baerlestraat voor het Concertgebouw, waar een toevallige ontmoeting de loop van mijn leven voorgoed veranderde. Herinner mij aan Zuid Afrika en ik zie een dreigende massa van okergele rotsen boven me, een rondawel en een weg die voor en achter ons als bij toverslag verdwenen is.

Twee van deze bevroren momenten zijn vals. Het Conservatorium was niet in dat gebouw gevestigd en na de Tweede Wereldoorlog reed er geen tram meer door Zeist. Toch verschijnen de beelden telkens weer als eerste en, sterker nog, ik geloof meer in hun waarheid dan de waarheid die waar is. Nu is dat wel bekend, we construeren ons eigen verleden en die constructies vervangen de werkelijkheid. Dat gaat nogal willekeurig in zijn werk. Zoals Cees Nooteboom schreef: het geheugen is een luie hond, die gaat liggen waar hij wil.

Al deze eerste beelden worden direct weggevaagd door tal van andere. Ze zijn indringend maar vluchtig en er aan blijven denken wist ze uit. Er zijn maar een paar beelden die zo krachtig zijn, dat ze het altijd winnen van alle andere. En dat ze los blijven staan als een monument van een moment. De eerste keer dat ik mijn latere vrouw zag. Ze droeg haar donkere haar in vlechten en gluurde vanaf een balkon naar mij, zoals ik naar haar gluurde. We waren 14 jaar oud. De eerste keer dat ik het klaslokaal van de lagere school binnenstapte (maar dat is vooral de herinnering aan een geur van lijm en inkt). Het moment waarop ik hoorde dat ik geslaagd was voor mijn eindexamen (ik stond aan een langgatboormachine in een stofwolk onderstukken van blokfluiten uit te boren).

Swartbergpas

De werking van zo’n eerste beeld doet mij erg denken aan de eerste zin van een nieuw gedicht. Ook die dient zich aan als eerste gedachte en wordt, als ik hem niet snel noteer, onmiddellijk overspoeld door andere. Ook die heeft een intensiteit die alleen de eerste ervaring van een bijzondere gebeurtenis heeft. Waarschijnlijk is het juist die intensiteit die er voor zorgt dat zulke openingsbeelden voordringen in ons geheugen. Ze zijn verbonden met een heftige emotie. Zonder er nu studies op na te slaan (Douwe Draaisma schreef er fascinerend over) geloof ik erg in wat ik hier schrijf. En ik geloof ook dat schrijven van dichten heel veel te maken heeft met het zoeken naar beelden met die intensiteit. Wat onherroepelijk effecten heeft op de lezer. Als een gedicht geslaagd is, roept het emoties bij de lezer op, die de schrijver wilde oproepen en die aanvankelijk tot het schrijven van het gedicht leidden. Als die eerste zin een bevroren moment was, wordt de zin op zich dat voor de lezer.

Heb ik nu erg veel woorden gebruikt om het amandelkoekjeseffect van Marcel Proust uit te leggen? Misschien, misschien. Daarom weer snel terug naar die avontuurlijke reis over de Swartbergpas. Wie de weg vervolgt naar het Noorden, raakt al snel verward in grillige ravijnen tussen hoge bergen. Tijdens onze rit stopten we ergens bij een rondawel. Rond ons rezen overhellende rotswanden op. Mijn echtgenote verzuchtte: ‘Hier is God wel erg kwaad geweest’. Die zin en de beelden van die plek bleven haken in mijn geheugen en een maand later ontstond dit gedichtje:

Na de Swartbergpas voor Prins Abert

In de kloof met de verwrongen wanden

zei je dat Hij hier wel erg kwaad was geweest

 

Ik dacht aan miljoenen jaren stuwing

van magma, aan miljoenen jaren kabbelen

en slijpen van een rivier

 

Maar ik zweeg

want ik wist niet zeker

of Zijn woede wel over is.

**

Is dit eigenlijk wel een gedicht? Of beter gezegd: behoort dit gedicht niet tot de 99% terecht niet gepubliceerde gedichten van de 1 miljoen rijmelende Nederlanders waar Robert Anker op doelt in zijn artikel in De Groene Amsterdammer van 21 januari 2010 (‘Het schandaal van de poëzie’)? Daarover een volgende keer. Als ik durf.

 

(Chris Coolsma)

 

 

Chris Coolsma. De liefde voor poëzie

Sunday, January 24th, 2010

Blokfokus

  

Er wordt wel gezegd dat meer dan de helft van de Nederlanders gedichten schrijft. Ik durf wel te beweren dat meer dan driekwart van mijn landgenoten zingt. Gelukkig voor de anderen gebeurt dat meestal binnen de muren van het woonhuis – en blijft het zingen dan nog verder beperkt tot de badkamer of andere ruimten waar het ruim klinkt. Dit wijst volgens mij op het oerkarakter van dichten en zingen. Onze verre voorouders zongen eerst, daarna zijn ze gaan dichten, al heette dat nog niet zo, en uiteindelijk ontstond zo de taal, soms losgezongen van het innerlijke draaiorgel, maar daar vaak nog innig mee verweven. Dat hoor je als een Chinees spreekt, maar dichter bij huis ook als de Limburger zijn singsong uit.

De liefde voor poëzie, want zo mag ik mijn relatie met gedichten en dichten wel noemen, is in mijn geval ook begonnen met rijm op muziek. Als heel klein jongetje schijn ik tijdens het spel met de blokken al heen en weer schommelend ‘zumWetterzum Tonner, zumWetterzum Tonner’ gezongen te hebben, tot grote vreugde van Bachminnende ouders. Niet lang daarna moet Annie M.G.Schmidt mijn leven zijn binnengerijmd. Op ons kinderboekenplankje verscheen een kleine bundel met een fluitketeltje op de omslag. ‘Meneer is niet thuis en mevrouw is niet thuis, het keteltje staat op het kolenfornuis, de hele familie is uit en het fluit en het fluit en het fluit’. Sommigen zullen dit geen poëzie noemen, maar rijmelarij. Het heeft echter een onuitwisbare indruk, een groot geluksgevoel en een behoefte aan spelen met woorden achtergelaten. Want laat ik daar direct duidelijk en eerlijk over zijn, mijn liefde voor poëzie is op drie zaken te herleiden: verslaving (het geluksgevoel telkens willen opwekken), ritme (het spelen met woorden) en klank (de verwantschap met muziek).

Later kwam daar nog iets bij. Op de middelbare school werden we veel te weinig met poëzie in aanraking gebracht, ik kan me niet herinneren dat ik ooit opdracht kreeg om een gedicht te schrijven, maar er was op een dag wel een enthousiaste leraar die vol vuur gedichten voorlas. Voor meer moest je naar het gymnasium en niet naar de HBS. Het enthousiasme van de leraar maakte echter iets wakker en eenmaal voorbij de puberteit (waarin ik bij voorkeur geen gebruik van mijn hersenen wilde maken) en in de vierde klas (we waren nu bij de moderne tijd aangekomen) ging het gordijn open en betraden Gorter, Roland Holst, Leopold, Nijhoff en Vasalis het podium. Vooral Vasalis, wiens bundels ik als studentje kocht en ook las. Wat er bij kwam was de helderheid van het licht dat deze dichters op de werkelijkheid richtten en de ontdekking dat er vele werkelijkheden zijn. Ik ging dus van dichters houden en van hun scherpe blik. Vroman betrad mijn wereld, of moet ik zeggen dat ik de wereld van de geestige Vroman betrad.

Wat me bij de vijfde pijler van mijn liefde voor de poëzie brengt, die ik zoëven vergat: de humor, wat natuurlijk de hoogste vorm van luciditeit, of zo u wilt intelligentie is. Dat zei onlangs RayKurzweil, de futuroloog, in het televisieprogramma ‘Wintergasten’ van de  VPRO (ook een vaste leverancier van genot en geluk). Wat de cirkel rond maakt, want humor, ritme, klank en verslaving zijn de eigenschappen van de poëzie van Annie M.G.Schmidt. Laat uw kinderen dus zoveel mogelijk rijmelen. Er is nog tijd genoeg voor het geluk van de duik in de diepte.

 

 

 

 

Chris Coolsma

  •