Posts Tagged ‘Chris Coolsma.Billy Collins. The first night. Jiménez’

Chris Coolsma. Slapeloosheid (2). Vir J.W.

Friday, November 26th, 2010

Het schijnt onvermijdeljk te zijn dat mensen strijden over godsbewijzen.

Het schijnt zo te zijn, dat veel mensen die geloven, niet genoeg hebben aan de klemmende verzekering die hun heilige boeken hen geven. Ook de straffen die daarbij worden aangekondigd en in pakkende voorbeelden worden vertoond, blijken niet genoeg om de twijfel nu eens voorgoed uit te roeien.

Het schijnt ook zo te zijn, dat veel mensen die niet geloven, het daarbij niet kunnen laten, hoe eenvoudig dat verstandelijk gezien ook is, maar of zelf op zoek gaan naar godsbewijzen om toch weer houvast te hebben, of zich laten uitlokken door de gelovers, om nu eens en voor al ‘wetenschappelijk’ te bewijzen dat god toch echt niet bestaat, maar een bedenksel is van angstige mensen in een leeg heelal.

Verbonden met deze blijkbaar onvermijdelijke kwestie is de vraag naar leven na de dood. Is de menselijk geest nu wel of niet eeuwig? Bestaat die geest los van het fysiek systeem van het lichaam? Gaat die geest dood als het lichaam sterft, of gaat zij of hij of het dan gewoon verder, als lid van de vereniging Ghost Inc.?

Als je gelooft is dat geen vraag. Natuurlijk is er leven na de dood. Maar ja, kennelijk is er toch twijfel, en moet er dus een godsbewijs komen, een bewijs van leven na de dood, of in elk geval voortbestaan van de geest na de dood.

Als je niet gelooft in een god en je gelooft in de kracht van mensen, zoals een humanistische slagzin luidt, dan zou je het daarbij kunnen laten. Al is het wel gewoon interessant om te proberen, de weg der geesten te onderzoeken. Is er iets meetbaars na de keihard bepaalde klinische dood? Mij lijkt het niet, maar leve de verbeelding. Ik lach me dood om types als Gary Schwartz, maar dat maakt het vraagstuk op zich niet ook ineens belachelijk.

Sterker nog, het is een onuitputtelijke bron van kunst. Wat zijn er niet onderhoudende science fiction verhalen, aangrijpende horrorfilms, ontroerende liefdesverhalen van terugkerende mensen, verrukkelijke tijdmachinefantasieën en zeker niet het minst, ontroerende of geestige gedichten! Heeft het ons niet het mystiek realisme opgeleverd? Vaak een bak vol braaksel, maar soms ook heerlijke literatuur (ik denk aan Jean Echenoz z’n roman ‘Je m’en vais’ , vertaald als ‘Ik ben weg’, 1999; aan ‘Umibe no Fafuka’ (Kafka on the Beach) van Haruki Murakami, 2003 en aan onze eigen Simon Vestdijk, die ons De Kellner en de levenden’ , 1949, heeft nagelaten, of Harry helaas zaliger, met zijn ‘Ontdekking van de hemel’ .

Laat het dus vooral altyd een raadsel blijven.

Intussen heeft de heer B.Collins, verblijvend te USA, ook hier weer een gedicht over geschreven dat mij diep ontroert, dat geestig is, en dat ook nog aansluit bij mijn reeksje over slapeloosheid. Speciaal voor Jelleke Wieringa, mijn medebloggeraarster in het Afrikaans vertaald. Met veel dank aan L.E. en M.J. voor de korreksies en commentare.

 Ik voeg dit keer de Engelse versie toe. Bijzonder feestelijk dat vandaag toevallig ook net het nieuwste gedicht van Billy Collins op Versindaba valt te lezen.  

 

Die eerste nag

The worst thing about death must be
the first night.
-Juan Ramón Jiménez

 

Voordat ek jou oopgemaak het, Jiménez,


het dit my nooit bygeval hoe dag en nag


sou aanhou sirkel in die kring van die dood nie,

 

maar nou laat jy my worstel met die vraag


of daar ook son en maan sal wees


en al die dooies saam sal kyk hoe hulle opkom en sak

 

om dan, elke siel vir homself alleen,


‘n soort aaklige ekwivalent van ‘n bed te herstel.


Of sal die eerste nag die enigste wees,

 

‘n duisternis waarvoor ons nie ‘n ander naam het nie?


Hoe swak is ons woordeskat in die aangesig van die dood,


hoe onmoontlik om dit neer te skryf.

 

Dit is waar die taal sal staak,


die perd wat ons die lewe lank gery het


steierend aan die rand van ‘n duiselwekkende kloof.

 

Die woord wat in die begin was


en die woord wat vlees geword het


dié woord en alle andere woorde sal tot niet wees.

 

Selfs nou dat ek jou lees op dié toegetraliede stoep,


hoe kan ek ‘n son beskryf wat na my dood sal skyn?


Maar dit is genoeg om my daartoe te bring

 

om meer aandag te gee aan die wêreld se voldagmaan,


aan sonlig skaterblink op water

of verplinter deur ‘n laning bome,

 

en om fyner te kyk na hierdie klein blaartjies,


hierdie brandwagdorings,


met as enigste taak die bewaring van die roos.

 

The First Night

 

Before I opened you, Jiménez,

it never occurred to me that day and night

would continue to circle each other in the ring of death,

 

but now you have me wondering

if there will also be a sun and a moon

and will the dead gather to watch them rise and set

 

then repair, each soul alopne,

to some ghastly equivalent of a bed.

Or will the first night be the only night,

 

a darkness for which we have no other name?

How feeble our vocabulary in the face of death,

How impossible to write it down.

 

This is where language will stop,

the horse we have ridden all our lives

rearing up at the edge of a dizzying cliff.

 

The word that was in the beginning

and the word that was made of flesh –

those and all the other words will cease.

 

Even now, reading you on this trellished porch,

how can I describe a sun that will shine after death?

But it is enough to frighten me

 

Into paying more attention to the world’s day-moon,

To sunlight bright on water

or fragmented in a grove of trees,

 

and to look more closely here at all the small leaves,

therse sentinel thorns,

whose employment it is to guard the rose.