Posts Tagged ‘Christine D’haen’

Christine D’haen se beker van Djamsjied

Tuesday, March 8th, 2011
Christine D'haen

Christine D

Goeie nuus is dat Christine D’haen, wat in 2009 oorlede is, se uitgewers bekend gemaak het dat hulle oor enkele maande ‘n postume bundel van haar gaan uitgee. Volgens die verklaring is dit ‘n volledige bundel wat blykbaar reeds persklaar was ten tye van haar afsterwe. Die titel daarvan is De beker van Djamsjied; eweneens die titel van ‘n gedig in haar vorige bundel, Innisfree, wat in 2007 verskyn het.

Volgens ‘n berig by De Papieren Man word die titel soos volg verklaar: “Djamsjied (of ‘Jamshid’) is een mythische koning van Perzië die volgens een legende verbonden blijft aan de ontdekking van wijn. Een vrouw, lid van de harem van de koning, viel uit de gratie. Ze moest de gifbeker drinken, maar ontdekte dat de gefermenteerde druiven in de beker toch een ander effect hadden. Ze vertelde de koning over de bijzondere bijwerkingen van de drank en werd weer in de harem opgenomen. De koning beval om alle druiven van de Perzische hoofdstad Persepolis (niet ver van het huidige Shiraz in Iran) in wijndrank om te zetten.”

Hierdie gegewe is natuurlik heeltemal in lyn met D’haen se sterk assosiatiewe digkuns wat ryk is aan verwysings na Bybelse, alchemistiese en mitologiese gegewe. Uiteraard ‘n bundel om na uit te sien …

Vir jou leesplesier volg drie vertalings van ‘n toepaslike kwatryn (die 17de) van die Persiese digter, Omar  Khayyám hieronder, met Christine D’haen se gedig uit Innesfree heelonder aan die Nuuswekker.

They say the Lion and the Lizard keep
The Courts where Jamshyd gloried and drank deep:
And Bahram, that great Hunter–the Wild Ass
Stamps o’er his Head, and he lies fast asleep.
(Vertaling: Edward FitzGerald)

De leeuw is met de hagedis te gast
Waar Djamsjied heeft gejubeld en gebrast;
Bahraam, die grote Jager – de Onager
Vertrappelt nu zijn Hoofd, maar hij slaapt vast.
(Vertaling: Paul Claes)

Ek verneem die woestynleeu, likkewaan en akkedis bewoon
nou die howe waar Yamshyd gefuif het, – met glorie bekroon
en Banrám, befaamde jagter – ‘n Kwaggatrop
trap stof op oor sy kop waar hy nou salig droom.
(Vertaling: Sebastiaan Basson)

***

Afgesien van ‘n aantal belangrike kommentare  het daar sedert gister geen nuwe bydraes bygekom nie. Gebruik dus die tyd om op agterstallige leeswerk in te haal en geniet wat die Woordfees het om aan te bied.

Mooi bly.

LE

 

De beker van Djamsjied

Beëdelsteend de beker, goudgesmeed,
kringend geïncrusteerd om gouden wand,
de wijn verrijkt geeft af een zachte zucht
alsof kristal tegen kristallen tikt,
weerschijnend de verschuivingen der lucht.
Het pronksieraad verheerlijkt in de hand,
het lied geheven, plengt de heer of snikt?
Te troebel in de spiegel ziet, niet weet…

© Christine D’haen (Uit: Innisfree, 2007: Querido)

 

Poetry International Web fokus op Christine D’haen

Friday, February 11th, 2011
Christine D'haen

Christine D'haen

Met die nuutste uitgawe van Poetry International Web word daar gefokus op die Vlaamse digter, Christine D’haen, wat in 2009 oorlede is. Hierdie erkenning is inderdaad welverdiend aangesien D’haen ‘n besonder begaafde digter was wat op haar kenmerkende stil manier ‘n beduidende bydrae tot die Vlaamse digkuns gelewer het. Volgens Patrick Peeters se oorsigartikel, die volgende: “Christine D’haen was undoubtedly the most important female poet of post-war Flemish and Dutch poetry. Her poetical work is unique in its voice, remarkable in its wide spectrum and incomparably rich in its content and form. As the first woman in the list of illustrious predecessors to that date, she was awarded in 1992 the highest literary prize possible to obtain in the Dutch-speaking area, the three-yearly Prize for Dutch Literature.”

Soos dit die geval is met Cas Vos hier ter lande, was D’haen veral bekend vir die wyse waarop sy klassieke tekste binne eietydse konteks kon herkonstrueer. Haar debuut in 1943, die lang narratiewe vers “Abélard and Héloïse”, staan steeds as ‘n indrukwekkende voorbeeld hiervan. “Her early poems at first sight looked like pre-war neo-classical poetry, with their refined ideas about form and their common theme of conflict between a sensual eroticism and an intellectual desire for spiritualisation.”

Dit is egter Peeters se opmerkings ten opsigte van tyd as tema in D’haen se werk, wat my oog gevang het: “From the beginning, time has been the central theme of her poetry. Christine D’haen has always been fully aware of the short time people were given during their life span. With her poems she sought to erect little monuments of perfection that could withstand time. About her favoured form, the elegy, she once said in an interview: “Every elegy is a sort of eternalisation.” At the same time, she was convinced that nearly all her poems were in fact imperfect, and therefore could be affected by time.”

As huldeblyk aan hierdie besonderse digterskap, plaas ek haar gedig “Dodecaëder Twaalf Douzains, I”  onder aan vanoggend se Nuuswekker. (Terloops, op die webblad by Poetry International Web is daar nog etlike ander gedigte wat gelees kan word.) En – indien dit jou interesseer – kan jy ook Yves T’Sjoen se essay oor D’haen se gebruik van peritekste lees. Om ook nie van Zandra Bezuidenhout se vertelling van haar ontmoeting met Christine D’haen te vergeet nie …

***

Sedert gister het twee bydraes bygekom. In die Buiteblik het Marie-Alice Boshoff ‘n stuk geplaas oor Alice Nahon, ‘n relatief onbekende Vlaamse digter, terwyl Andries Bezuidenhout weer oor landskappe skryf in sy stuk oor die paradys deur motorvensters.

En daarmee is die naweek op hande. Nuuswekker hervat weer Maandag.

Mooi bly.

LE

 

Dodecaëder. Twaalf douzains, I

 

Als Tijd was, zaten, praatten wij, zolang tijd was:
over de dood. Tijd had alles, maakt tijd, aan tijd
bestaat steeds meer. Je bent een baby’tje, nu schreit
je stemmetje natuurlijk nog, je bent er pas.
Elk ogenblik word ik in zijn, wist ik, altijd
wist ik mijn wortel daar, hier nu moet uitgerukt,
uit aardes voet: het oog en brein, nog zo verrukt
blijven; wat was blijft, zijn wij ‘t niet geweeste kwijt?
Als Tijd was, zaten wij, zo vol geluk, en praatten
over ‘t gedicht: dat daar de tijd, door ons geteld
stolt, fonkelt, van al ‘t niet geweeste zwelt,
dus zitten wij daar samen nu zoals wij zaten.

Zurbarán
Hiëronymus met Paula en Eustochium
Washington

 

© Christine D’haen (Uit: Miriors. Gedichten vanaf 1946, 2002: Querido Uitgevers)

 

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (6) Christine D’haen

Wednesday, March 17th, 2010

Christine D’haen en sporen van (vermoede) auteursintenties

Christine D'haen

Christine D'haen

In de receptie van de poëzie van Christine D’haen (1923-2009) is alleen een zeldzame keer aandacht besteed aan de semantisch sturende aantekeningen die onder de gedichten (zoals de referenties aan beeldende kunst in Dodecaëder. Twaalf douzains, 1998) en vooral achterin het merendeel van de bundelpublicaties voorkomen. In zijn bespreking van Dantis meditatio/Dodecaëder (1998) heeft Hans Vandevoorde gewezen op de uniciteit van intertekstualiteit in D’haens reeks Dodecaëder ‘omdat zowel het geschreven woord als het plastische kunstwerk erin omvat worden’. D’haen voegt bewust ‘een tweede dimensie’ aan de teksten toe ‘door een geheel ander referentieveld’ aan te boren. Het kader wordt in Dodecaëder aangeleverd door de expliciete reminiscenties aan plastische kunst en de plaatsen waar de werken worden geconserveerd. Ook Paul Claes heeft wel eens belangstelling getoond voor D’haens strategische inzet van de peritekst. In Kwadratuur van de Onyx refereert Claes in zijn analyse van het vaakst gebloemleesde gedicht van Christine D’haen, ‘Daimoon megas’ (opgenomen in de vijfde dichtbundel Onyx, 1983), naar het lemma dat in het bibliografisch apparaat is opgenomen waarmee de bundel afsluit. Hij stelt dat het Griekse motto ‘de origine [van de titel] onthult’. Bij de keuze voor het werkwoord ‘onthullen’ (in de betekenis van een raadsel dat wordt prijsgegeven) kunnen in het licht van de werking van periteksten in Christine D’haens artistieke artefacten enkele bedenkingen worden geformuleerd. In beide eerste drukken van ‘Daimoon megas’, respectievelijk in Gedichten (1951, niet in de handel verschenen) en in Gedichten 1946-1958 (1958), ontbreekt nog een toelichting bij de titel. Vanaf de uitgave in de verzameling Onyx, een hoogtepunt in de naoorlogse poëzie van het Nederlandse taalgebied, is voor het eerst een titelverklaring opgenomen. Het gedicht kreeg vanaf deze derde druk het Griekse motto waaraan Claes refereert, ontleend aan Symposium van Plato. Achterin het boek vermeldt de dichteres aanvullend:

daimoon megas (Gr.) – Machtig demon. Citaat uit Platoon, Gastmaal, 202 D, waarin Sokrates aan Diotima vraagt wat dan toch de liefde is.

 

‘Wat is het dan toch, Diotima?’

 

 

 

 

‘Een machtig demon, Sokrates. Immers, al het demonische staat tussen het goddelijke en het sterfelijke in.’

Miroirs

Miroirs

Hoe en in welke mate Christine D’haen peritekstuele aantekeningen hanteerde, teneinde de betekenisgeving van haar teksten te begeleiden (en ook wel te beheersen), mag bijvoorbeeld blijken uit een poëticaal veelzeggende annotatie in Morgane (1995). Bij de vijfde ‘neuvain’ in de afdeling ‘Psychomachia’, voorzien van een Italiaans motto ontleend aan Michelangelo, tekent de auteur op: ‘De vraag van dit gedicht is: waartoe bestaat de menselijke “liefde”?’  D’haen biedt haar lezer, in de lijn van de marginalia die in de lectuur van de Dodecaëder-poëzie kunnen functioneren, een eigen referentiekader en schuift zelf een semantische kern van het gedicht naar voren (niet een vraag staat er, maar ‘[d]e vraag van dit gedicht is […]’).

‘Daimoon megas’ is een twintigregelige, strak geritmeerde en, zoals Claes omschreef, een incantatorische ‘litanie van het niets, een offer van de vernietigde god voor de vernietigende god’.  Met betrekking tot een zingeving van dit klassiek geworden gedicht heeft de interpreet zich laten inspireren door, of minstens toch verlaten op, D’haens expliciterende extraliteraire toelichting. Al moet er meteen aan worden toegevoegd dat Claes – als D’haens direct betrokken collega-dichter en eerste exegeet – de schrijfster zelf de bundeltitel Onyx heeft ingefluisterd, met alle referenties en connotaties die hij vervolgens in zijn tekstanalyse (in de Kwadratuur) in de verf zet en die hij aanduidt met ‘glossolalie’. Naast de vermelding van de aantekening in Onyx refereert hij in zijn lezing ook nog eens aan D’haens (ook al) expliciete commentaar bij een bloemlezing van haar gedichten (gepubliceerd in Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1968). In deze becommentariërende poëticale epitekst heeft D’haen zelf toegelicht dat ‘daimoon megas’ de machtige demon is die de ‘negatie van de liefde’ personifieert. Claes voegt eraan toe dat de platonische aanhaling in het begin jaren tachtig toegevoegde motto bij het gedicht ‘in destructieve zin’ door D’haen van commentaar is voorzien. Claes’ analyse bouwt trouwens niet alleen verder op deze verwijzing naar Plato’s Symposium. De analist werkt ook de door Diotima in het gesprek met Socrates aangehaalde  tweedracht tussen het goddelijke en het sterfelijke verder uit. Hij stelt dat tegenover het Niets (van de Doodsdemon) ‘de slapende gestalte van de geliefde’ staat. Constructie haalt het finaal van destructie, Eros verslaat Thanatos. Niet alleen een psychologische bespreking van deze mythologische betekenislaag biedt een kijk op D’haens (filosofische) visie. Claes wijst tegelijk op een andere, eventueel complementaire, productieve lezing die vanuit een Freudiaans perspectief kan worden ondernomen. Hiervoor baseert hij zich op Jenseits des Lustprinzips (1920) en hij ziet, op voorwaarde dat ‘we de metapsychologie van het min of meer mythologiserend karakter ontdoen’, de centrale tegenstelling in het gedicht als een conflict tussen doods- en levensdrift, tussen ‘het oude regressieve ik’ (daimoon) en ‘het nieuwe progressieve ik’ (de verliefde). Aristophanes verhaalde immers over het androgyne wezen dat door de godheid wordt gescheiden. Eros is de begeerte die de twee onderscheiden helften altijd weer naar elkaar doet verlangen. D’haen beklemtoont zelf, in het autocommentaar bij het (vertaalde) tekstfragment uit Plato’s Gastmaal, de rol van het ‘demonische [dat] tussen het goddelijke en het sterfelijke in[staat]’. De toelichting van D’haen vermeldt woordelijk dat ‘Sokrates aan Diotima vraagt wat dan toch de liefde is’ (mijn cursivering). De weifeling van het lyrische ik, zoals Claes ‘de stelling’ van het gedicht parafraseert, tussen zijn en niet-zijn, tussen levens- en doodsdrift echoot precies de voorstelling van zaken in (of D’haens toelichting bij) de peritekst. De beeldbepalende functie van D’haens aantekening wordt hiermee al meteen duidelijk. Het is vanzelfsprekend de verdienste van Claes, als direct betrokkene bij de genese van D’haens gedichten en dichtbundels maar ook als zelfverklaard exegeet van haar poëzie, de verschillende semantische lagen van het gedicht te exploreren zoals hij dat in De Kwadratuur heeft ondernomen. De basis waaruit hij vertrekt, en die voor de betekenistoekenning mijns inziens fundamenteel is, is evenwel aangereikt door de auteur zelf. Christine D’haen liet blijkens de annotaties uiteindelijk niets aan het toeval over. Het Niets, waarover Claes spreekt en dat in het gedicht zo een cruciale rol krijgt toebedeeld, wordt in D’haens werk door het woord en de poëzie gecounterd. De ruimte die voor de aantekeningen is gebruikt, is inderdaad het tegendeel van dat gevreesde niets.

 

 

 

 

 

 

Dantis meditatio/Dodecaëder

Dantis meditatio/Dodecaëder

Paul Claes’ mythologische, psychologische en ook compositorische duiding van ‘Daimoon megas’ is kortom sterk geënt op de gevatte en geconcentreerde aantekening die D’haen bij de derde druk van het gedicht opnam. De lexicografische verklaringen en voornamelijk de talrijke intertekstuele vermeldingen van derrideaanse traces (lectuurnotities, bibliografische verwijzingen, mythologische en andere literaire toelichtingen), zoals geregistreerd in D’haens bundels, zijn kortom veel méér dan ‘gewone’ opsommingen van referenties of ‘neutrale’ annotaties bij bepaalde tekstplaatsen. Ze werken méér dan alleen drempelverlagend. Ze zijn méér dan vertalingen en hebben méér dan referentiële waarde. D’haens geprononceerde intenties kunnen mijns inziens niet (alleen) worden begrepen als een gebruiksaanwijzing voor de onachtzame en onwetende lezer. De commentaren bieden een surplus voor een begrip van  deze ‘intellectualistische’ poëzie (zoals Hugo Brems D’haens poëzie ooit typeerde). De beeldvorming van de gedichten, die wordt bepaald door of is gestuurd vanuit die vele bondige addenda is een niet te verwaarlozen aspect. De opname van aantekeningen zegt iets over de wijze waarop de dichter het eigen werk ‘onder controle’ tracht te houden. Er spreekt een geïmpliceerde auteursintentionaliteit uit, die in de gedichten zelf hoogstens gefictionaliseerd kan zijn. In poëzie spreekt een vertelinstantie (lyrisch subject), in de appendix met auteurscommentaar is het nadrukkelijk de schrijver die het woord voert. Het concept ‘auteursintentie’ vertaalt zich uiteraard niet anders dan in een retorische constructie. Als we ‘intentionaliteit’ van ‘de auctor’, zoals toegelicht door Gérard Genette in Palimpsestes, op die wijze invullen, dan kunnen we D’haens verzamelde aantekeningen als even zoveel bewust geconstrueerde en strategisch ingezette expressies van een manifeste auteursintentie lezen. De verdienste van Claes’ analyse is weliswaar dat hij het gedicht ‘open leest’, door allerlei mogelijke referentiekaders bij de zingeving van de tekst te betrekken. Want het moet gezegd, in zijn onderzoek naar daimoon-representaties in de literatuur betrekt de classicus naast Plato ook Homeros, Socrates, voorstellingen van de daimoon-persona in extrafilosofische geschriften en in de moderne literatuur. Toch kan de dominante rol van de auteurscommentaren, en dus de dwingende manier waarop D’haen telkens weer periteksten voor haar poëziepublicaties doelbewust aanwendt niet worden onderschat. Naast de keuze voor meerduidige titels (meestal maar een weinig courant woord) wijs ik op de motto’s en de aantekeningen, de opdrachten, typografische en boekvormelijke bijzonderheden (zoals in Bérénice (1998), een bundel met ‘vier-en-twintig neniën’).  

 

Van de vijf gedichten die deel uitmaken van de afdeling ‘L’Esprit consume la Vie’ (in Onyx, p.15-19) vertoont de drukgeschiedenis van ‘Daimoon megas’ de meest markante verschuiving. In Gedichten, alsook in het officiële debuut Gedichten 1946-1958, omvat de reeks nog negen gedichten (met ‘Akme’, ‘Klacht van den worm’, ‘De nacht’ en ‘Het offer’). De toevoeging van motto en toelichting is, zoals hiervoor aangegeven, geen te miskennen ingreep in een tekst. Claes wijst in zijn hermeneutische benadering van het gedicht op een narratieve structuur van de reeks, met ‘Daimoon megas’ als de tekst waarin ‘deze raadselachtige Daimoon […] zelf het woord neemt’. Hij vermeldt in zijn structuuranalyse overigens maar vier gedichten. Van het verzamelde kwintet, in de derde bundeluitgave, kreeg het gedicht waaraan ik deze beschouwing wijd de meest uitvoerige annotatie. Er wordt op die manier minstens gesuggereerd dat de machtige demon, waarover Diotima dus vertelt, gelijk staat met de (ingebedde) ‘daimoon’ die in het middengedeelte van het gedicht spreekt als ‘obsederende gedachten die het ik bekruipen’ (P. Claes). D’haen tekende zelf al letterlijk op, helemaal aan het begin van de toelichting: ‘Machtig demon’. Claes neemt in zijn typering Diotima’s monstering van ‘daimoon’ als het demonische ‘tussen het goddelijke en het sterfelijke’ helemaal over.

 

 

 

 

Het lijkt me evident dat een schrijver met dergelijke ‘verklarende’ intrusies tussen het gedicht en de lezer in gaat staan. Alleen al de intratekstuele explicitering bij de afdeling ‘L’Esprit consume la Vie’, met name de toelichting bij het derde gedicht ‘Psyche’ (‘daimoon (Gr.) – Zie volgend gedicht’), is voor de lezer een opzichtige vingerwijzing dat voor deze auteur de gedichten in een betekenisvol reeksverband figureren. De verwijzing naar een annotatie bij een volgend gedicht in de reeks is in D’haens laatste geautoriseerde verzamelbundel Miroirs. Gedichten vanaf 1946 (2002) trouwens weggelaten.

Christine D'haen

Christine D'haen

De invulling van de rubriek ‘Aantekeningen’, zoals vermeld in de inhoudsopgave van Onyx, is in deze casus veelzeggender dan het bibliografische begrip lijkt aan te geven. Deze dichter voorziet haar gedichten veelal van (summiere) aanvullende commentaren die meer dan encyclopedische weetjes (willen) zijn. D’haen is de commentaarstem die haar poëzie offscreen, maar duidelijk zichtbaar in de regieaanwijzing, begeleidt. In de voorstellingswijze, zoals in de formulering, maar ook in de selectie van datgene wat wel en wat niet wordt geannoteerd, is telkens de stem van D’haen prominent aanwezig. Het is wat mij betreft geen didactische, laat staan een belerende of een onbescheiden stem. De periteksten zijn functionele instrumenten in handen van de dichter, en de werking ervan kan zeker en vast op een semantisch niveau worden gesitueerd. D’haens poëzie is wel eens omschreven als ‘neoclassicistisch met maniëristische accenten’, en in de jaren tachtig als ‘postmodernistisch’. Dat is een kwestie van benadering en typering. Waar we als lezer echter niet omheen kunnen, is hoe Christine D’haen als ceremoniemeester haar eigen voorstellingen tot in de kleinste details heeft in scène gezet en alle mogelijkheden exploiteert om de (theatrale) voorstelling, haar eigen opvattingen zo getrouw mogelijk, naar eigen plan te laten verlopen. Met dit doel voor ogen wendt zij de ‘zone between text and off-text’ optimaal aan. Dit is wat Gérard Genette in Paratexts: Thresholds of Interpretation de ruimte tussen de tekst en het werk heeft genoemd.

 

Van D’haen is bekend dat zij zelden of nooit een interview gaf, dat gedichten volgens haar geen nood hebben aan buitenliteraire bemoeienis van een terzijde uitleggend auteur. Daar had zij geen behoefte aan. Een bepaalde (buitenliteraire) visie gaat immers schuil in haar werk zelf. Niet alleen de retoriek, de metrische taal of de zich toe-eigenende verwijzingen in de teksten, ook en vooral het gebruik dat ze maakt van de peritekstuele ruimte laat een contemplatieve en controlerende poeta faber zien. Een dichter die in elk compartiment van het werk, en de perspectieven die het boek als artefact biedt, beredeneerd te werk gaat. Zo bevat Onyx ook een ‘Alfabetisch register der beginregels’, wat nogal ongebruikelijk is voor een (verzamel)bundel die als auteurseditie wordt gepresenteerd. Ook de ‘Aantekeningen’ kunnen we, samenvattend, als onderdeel van een doelbewuste strategie van D’haen lezen. Ze kunnen worden gepercipieerd als (aanzetten voor) interpretaties die de schrijver zelf naar voren schuift, als indicaties van hoe zij zelf verkoos dat gedichten betekenis worden gegeven. Niet alleen notities die in haar autobiografische prozaboeken voorkomen, ook wat ze zelf in het scheppend poëtische oeuvre op metaniveau aanlevert, kan in een lezing van deze gedichten worden verdisconteerd. Omdat wat daar staat nooit op toeval kan berusten. Paul Claes heeft de nagelaten sporen van een auteursintentie op hun merites weten te beoordelen.

 

 

 

 

Paul Claes, De Kwadratuur van de Onyx. Over de dichtkunst van Christine D’haen. Dimensie. Stichting voor letterkundige en wetenschappelijke uitgaven, Leiden 1986 (Leidse opstellen 1).

Christine D’haen, Gedichten. Snoeck-Ducaju & Zoon, Gent 1951.

Idem, Gedichten 1946-1958. Meulenhoff, Amsterdam 1958.

Idem, Onyx. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1983.

Idem, Miroirs. Gedichten vanaf 1946. Querido, Amsterdam 2002.

Gérard Genette, ‘Introduction’. In: Idem, Paratexts: Thresholds of Interpretation. Cambridge University Press, Cambridge 1997, 1-15.

Hans Vandevoorde, ‘Dante D’haen’. In: Ons Erfdeel 41 (1998) 5, 661-669.

 

Brugge, een oggend

Thursday, November 19th, 2009

Zandra Bezuidenhout

 

 

 

 

Die poësiefees in Oostende was agter die rug. Dat die dae somber en mistig was, die bome nog vol wintertreurnis en die stede spookagtig stil, was van minder belang. Dit was tyd vir `n reis na binne in die boekwinkels van Antwerpen, die Letterkundemuseum in Hasselt, die Poëziecentrum in Gent. Maar dit was in Brugge dat iets onvoorsiens dié Februariedag sou verhelder – meer nog as die kordate klein  narcisse, trompettergeel aan die oewer om die Begijnhof.

 

In die binnestad het die ouwêreldse handwerk in `n uitstalvenster my opgeval. Dalk was dit die geborduurde motiewe op `n tafeldoek, of die spel van lig deur `n kantsluier wat my na binne gelok het. Toe die swaar koperhandvatsel agter my klik, was dit soos `n vreemde tuiskoms, soos herkenning soms deurtrek is met huiwer. Die winkel sou ek `n warm skulp kon noem, of `n uitgesponne droom. My vingerpunte het langsaam die kronkelinge van sy en lint oor roomwit linne nagetrek, en ek het gewonder oor die hande wat eenmaal hieraan gearbei het. Elke item was `n tasbare gedig wat een na die ander voor my oë ontvou.

 

Christine D'haen

Christine D'haen

Meteens was my gedagtes by Christine D’haen, grande dame van die Vlaamse poësie. Dit was háár stad, Brugge, en op die ingewing van die oomblik besluit ek om na haar te gaan soek. Iewers agter die grysbruin klipmure van hierdie ou Middeleeuse stadjie, iewers aan `n straat van keistene, moes sy haar bevind. Sy was reeds gevorderd in jare. Sou sy nog leef? Dit was my laaste kans om hierdie merkwaardige vrou wie se digkuns ek so bewonder en nougeset bestudeer het, te ontmoet. Ongevraagd, onaangekondig, en teen alle reëls van burgerlike fatsoen.

 

Maar waar sou ek begin? Die verkoopsdame het nog nooit van dié mens gehoor nie, en van die poësie wis sy nog minder. Net daar kry sy van my D’haen se poësie in `n neutedop. Effe onthuts haal sy die telefoonboek uit en begin halfhartig maar simpatiek rondblaai. Nee, geen D’haen in Brugge nie. Saak afgehandel, flits haar blik. Maar toe onthou ek wat die veelbekroonde digteres eenmaal in `n onderhoud kwytgeraak het: dat sy die toeriste se nimmereindigende koetsritte en die geklap van perdepote voor haar deur nie meer kan verduur nie. Hulle dawer glo daagliks by haar huis verby.

 

“Watter roete sou die koetse volg?”, vuur ek my volgende vraag af, volkome bereid om agter `n koets of twee te drafstap – die ritte was veels te duur –  tot iemand my kon uitwys waar die digteres woon. En toe die oomblik van Aha: “O sy!”, giggel my gespreksgenoot, “daardie kunssinnige vrou wat altyd so mor oor die perdepote! Ek weet waar sy woon.” 

 

d'haen-huis

D'haen-huis

Die winkelvrou word `n medepligtige. Sy teken vir my `n kaart op `n papiersakkie; enkele strate daarvandaan sal ek die huis vind, maar die nommer ken sy nie. Sy skat dis so vyf tot tien minute se loop. Teen daardie tyd bewe ek van my wolberet tot in my stapstewels, die loom warmte van die winkel ten spyt. Wat gaan ek vir Christine D’haen sê as ek haar te siene kry?  Sal sy die deur oopmaak, en sal ek haar herken? Moontlik gaan sy my by haar huis uitboender, moeilike dame wat sy is. Op daardie oomblik skeel dit my niks. Ek voel so braaf soos Dulle Griet. Al moker D’haen my met `n besemstok, sou dit heilige houe wees.

 

Dis ysig as ek in op die middaguur voor die deur staan. My oë knipper terwyl ek haar naam en getroude van op die posbus se balkie lees, en die nota in dieselfde oumens-handskriffie: “Geen ongevraagde pos in de bus doen a.u.b.” Geld dit ook vir my? Net nog `n lastige flenter rommelpos? Ek bel nietemin aan, en loer na die boonste verdieping. Die son is uit; die gewel kunstig geklad teen `n skaamblou Laaglandse lug. `n Sleutel draai in die slot; dan gaan die deur behoedsaam oop. Dit is sy! Kompleet soos op die foto’s; nou klein en grys met `n tjalie om die skouers, maar steeds die dogtertjiegesiggie met die helder oë.

 

Dit is tyd vir vinnig praat. Soos `n lam ter slagting plaas ek alles op die spel in my noodhulp-Nederlands: “Goeie dag, Mevrouw. Vergeef mij, u kent mij niet, maar ik ben een Zuid-Afrikaanse en een groot bewonderaar van uw werk, en een deel van mijn promosie-onderzoek ging over uw poëzie…” hoor ek myself veraf voortrammel. 

 

Sy bly staan in die halfoop deur. Sy glimlag innig, steek haar hand na my uit, en hou dit `n rukkie vas. Sy vra weer my naam en ons wissel `n paar woorde – vra my nie meer wat dit was nie. “Wat lief van u”, sê sy dan. Sy maak verskoning dat sy my nie kan innooi nie, maar sy en haar dogter is albei baie siek. Ons groet weer; plegtig, hoflik, beslis. Die deur gaan ferm op slot.

 

Met die wegstap klop my hart in my keel soos toe ek in Sub. A die hardloopresies gewen het. `n Rukkie later draai ek terug om `n foto van haar huis te neem, en nog een, vir ingeval. Ek weet nie wat in die ure daarna gebeur het nie, behalwe dat ek iewers gaan sit het. Met koffie, en nog koffie, vir die floute terwyl die ervaring heen en weer in die gedagtes terugrol. Byna twee jaar later probeer ek vir die eerste keer daaroor skryf: oor die klein ewigheid wat hom in `n oogwink voltrek het.

 

Christine D’haen is in September vanjaar oorlede. Op `n Kaapse lente-oggend neem ek een van haar bundels uit my boekrak en lees weer die klassieke gedig, “Domus”. Om my slaan affodille op, soos een oggend in Brugge, in Februarie 2008.

 

 

Jan Pollet. Dat was wel even anders in 1830.

Tuesday, September 8th, 2009
Illustrasie Broodthaers
Illustratie: “Fémur d’homme belge” and “Fémur de la femme francaise” van de Belgische dichter en beeldend kunstenaar Marcel Broodthaers.

 

Net als Contrabas-collega Chrétien Breukers ken ik  Zuid-Afrika door de literatuur. Zelf ben ik er nooit geweest. Vlamingen van mijn generatie associëren jullie tot de verbeelding sprekend land spontaan met Tom Lanoye die parttime in Kaapstad verblijft en wiens werk in het Zuid-Afrikaans vertaald is. Samen met zijn buurvrouw Antjie Krog trok hij in 2008 op tournee door Vlaanderen. (youtube)

Onlangs was  ‘de grootste kenner van Potchefstroom op het noordelijk halfrond’ , zoals de Vlaamse dichter Luuk Gruwez  zichzelf noemt, in Zuid-Afrika te gast.  In zijn reisverslag merkt hij het volgende op
“Frederik Willem de Klerk, Zuid-Afrika’s laatste apartheidspresident, houdt er een sereen pleidooi voor de Afrikaanse taal. Ik heb mijn stekels opgezet, maar luister naar een zinnige toespraak die er vooral op gericht is de taal van haar politieke bezoedeling te ontdoen. ‘Het Russisch’, zo oreert De Klerk, ‘moet toch ook niet onder smetvrees blijven lijden omdat het de taal van Stalin is geweest?’
Het mag geen wonder heten dat uitgerekend een Vlaming extra gevoelig is voor de taalproblematiek in een multilinguaal land. In geen enkel ander land is de taal zo’n beladen onderwerp als in België. Het Nederlands is nu een officiële taal in België maar dat was wel even anders bij de (artificiële) stichting van dit koninkrijk in 1830. Toen was het Frans de officiële taal. Vlaanderen was op dat ogenblik een amalgaam van ontelbare dialecten die zo sterk van elkaar verschilden dat een Antwerpenaar een inwoner van de kust 5O km verderop onmogelijk kon verstaan. Door die vergaande verbrokkeling van de taal was het Vlaams in de ogen van de Franssprekende hogere klasse een ‘patois’ een ‘bastaardtaal’ een ‘boerentaal’ (niet te verwarren met de Zuid-Afrikaanse Boeren).

Hadden, in de loop van de 19e eeuw,  schrijvers als Rodenbach en Gezelle en intellectuelen als Vermeylen en Jan Frans Willems  niet gepleit voor de erkenning van het Vlaams als volwaardige taal, dan sprak men nu misschien wel Frans in Vlaanderen. Maar zo ver is het dus niet gekomen.  Het Nederlands is nu de officiële taal in België naast het Frans en het Duits.

Intussen is de splitsing van België weer een hot item. Deze week zorgde een Vlaams popgroepje voor een kleine rel: hun ode aan België viel niet in goede aarde bij de Vlaamsnationalistische partij N-VA, die voor een scheiding van België ijvert. Dichter en professor literatuur Geert Buelens plaatste het  voorval in het ruimere kader van de propagandaliteratuur.
“Want sinds wanneer heeft de Vlaamse Beweging een probleem met negentiende-eeuwse propagandaliedjes? Het volkseigen prototype ervan ligt op de lippen van de beleidsman bestorven: ‘Zij zullen hem niet temmen, zolang een Vlaming leeft, / Zolang de Leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft’.”  waarmee Buelens refereert naar de Vlaamse Leeuw, het heraldisch symbool van de Vlaamse strijdlust. Toch moet ik hier opmerken dat deze bij wijlen heftige taalstrijd nooit tot enig bloedvergieten heeft geleid. Op een uitgestoken klauw na, is de tegenstelling tussen Vlamingen en Walen bij verbaal gebrul gebleven.

Hotel New Flandres
Hotel New Flandres


Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken staat ook het Nederlands in Vlaanderen op gespannen voet met het Nederlands dat in Nederland gesproken wordt. Nederlanders en Vlamingen kunnen elkaar taalkundig perfect verstaan, ook al verstaan ze elkaar vaak niet…  Deze (separatistische) poëziebloemlezing die dit jaar voor flink wat controverse zorgde tussen Nederland en Vlaanderen illustreert nog maar eens hoe ver de Groot-Nederlandse gedachte van wijlen Jan Frans Willems van ons af ligt. Maar dat is een ingewikkeld verhaal waaraan ik meer dan één speciale bijdrage zal wijden.

Ook over de poëzie van onze Franstalige landgenoten heb ik het nog niet gehad. En ook daar kom ik zeker op terug.

Illustratie: Dhaen
Christine D”haen

Deze maand was het belangrijkste poëzienieuws uit Vlaanderen het overlijden van dichteres Christine D’haen. Ze stierf op 85-jarige leeftijd na een slepende ziekte.  In 1958 verscheen haar eerste bundel Gedichten 1946-1958 die opviel door een grote, klassieke vormbeheersing. Op dat moment bepaalden de uitbundige vormvrije Vijftigers echter het klimaat. Toch zou Christine D’haen nooit toegeven aan de grillen van de tijd. Haar leven lang bleef ze trouw aan haar classisistische opvattingen. Dat maakte haar tot een monumentale dichteres in het Nederlandse taalgebied.  Ze werd bekend bij het grote publiek door haar biografie van priester-dichter Guido Gezelle, ‘De wonde in ‘t hert’, (‘hert’ een West-Vlaams dialectwoord voor ‘hart‘). In 1992 kreeg ze de Prijs der Nederlandse Letteren. Marc Reynebeau schreef in De Standaard het volgende over haar: “Naarmate ze steeds scherper het gevoel kreeg dat ze met die ideeën dwars op haar eigen tijd stond, werd ze steeds meer een angry old woman. Symbolisch daarvoor is haar strijd tegen de geluidshinder van de toeristenkoetsen die onafgebroken voorbij haar huis in het volgens haar versuikerde Brugge klepperden.
Alle I.M.’s  naar aanleiding van haar overlijden heb ik verzameld in dit bericht.

Hier

      Hier was ik nu, ongaarne, maar hoe graag
      zag ik het duisterend licht, binnen, van glans
      tot grijzen, zwart met wit; landschap dat langs
      het glas voorbijgleed, groen en laag en traag;

      een zucht aan huid en bloem, adem, orkaan
      in bomen. Schotse lucht; wat daar rondom
      de aardbol draait, wolk, sterrentrans, de maan,
      een moniale door de nacht gaand, stom;

      vreugden te veel (gamba, papier, pastel;
      dat vrienden ver zijn; glimlach, stilte, taal;
      stemmen, buigzaam; schrift, dans, toneelspel, lied).

      Braakland, auto’s in regen; en totaal
      vreemd zijn: dromen, gedachte, ik wil het wel,
      wat weerkeert, nog, nog – en ik wilde niet!

      Christine D’haen (1923-2009)
      uit: Merencolie (1992)

 

Jan Pollet

Jan Pollet
Jan Pollet

 

http://jjpollet.wordpress.com/

http://www.decontrabas.com/

  •