Posts Tagged ‘De Reactor’

Onderhoud. Arnoud van Adrichem oor die stand van poësiekritiek

Thursday, November 24th, 2011

Arnoud, dankie vir hierdie geleentheid tot gesprek. Vertel ons ietsie omtrent jouself, by wyse van bekendstelling?

Allereerst bedankt voor de gelegenheid om mijn standpunten over de hedendaagse poëziekritiek nader uiteen te zetten. Wat betreft mijn curriculum vitae: ik ben dichter, hoofdredacteur van Parmentier en lid van de redactieraad van DW B. Daarnaast ben ik medeoprichter en redacteur van het platform voor literaire kritiek De Reactor en uitgever bij Perdu. In 2008 debuteerde ik als dichter met de bundel Vis. Daarna volgden de bundels Buiten (2008) en Een veelvoud ervan (2010). Onder de titel Stemvork bundelde ik in 2010 de essays, gedichten en vertalingen die ik samen met Jan Lauwereyns maakte. In coöperatie met Han van der Vegt werk ik aan een vertaling van het poëzieboek The Age of Huts (compleat) van Ron Silliman.

Enkele maande gelede was daar in die Afrikaanse geledere ‘n hewige debat rondom die aanstelling van ‘n Nasionale Boekeredakteur vir Media24 se drie afsonderlike dagblaaie. Tydens dié debat was die moontlikheid van ‘n blad soortgelyk aan De Reactor bespreek; ‘n internetblad wat hom uitsluitlik op literêre kritiek toespits en op dié manier poog om groter blootstelling en debat te genereer. Wat was vir júlle die redes wat aanleiding gegee het tot die vestiging hierdie grensverskuiwende webblad?

De Reactor wil de kwaliteitsvolle literaire kritiek in ons taalgebied een nieuwe impuls geven voor een breed publiek van geïnteresseerde lezers en critici. We willen ertoe bijdragen dat de literaire kritiek weer een belangrijk en gezaghebbend onderdeel van het literaire leven wordt. Dat is niet alleen wezenlijk voor de kritiek zelf, maar ook voor de vitaliteit en levendigheid van het hele literaire systeem. Gedegen kritiek is een bron van permanente reflectie en vernieuwing en zou verder moeten reiken dan het consumentenadvies en de ‘human interest’-achtige interviews met bestsellerauteurs die de traditionele, gedrukte media plegen te brengen, al zijn er uiteraard positieve uitzonderingen te noemen.

Onze website richt zich tot alle in degelijke kritiek geïnteresseerde lezers van Nederlandstalige en in zekere mate ook anderstalige literatuur en literaire nieuwe media. Kritieken over werk uit alle literaire genres en tussenvormen komen aan bod: proza en poëzie, maar ook essayistiek, toneel, literaire nieuwe media en interdisciplinaire projecten waarin de literaire tekst een rol speelt. De Reactor is steeds bereid de literaire horizon te verbreden, waarbij we ons mede laten inspireren door de standpunten en ideeën uit de cultural studies. We richten ons niet alleen tot de mensen die traditioneel tot de lezers van de boekenkaternen van de verschillende kranten en tijdschriften gerekend worden, maar ook tot groepen lezers die zich daar inmiddels buiten bevinden. Jongere generaties zijn bijvoorbeeld minder geneigd tot het kopen van kranten en weekbladen en vertrouwen meer en meer op het internet als informatiebron. Daarnaast zijn er groepen lezers die niet noodzakelijk tot de traditionele lezers van boekenbijlagen behoren, maar die wel geregeld en zeer gericht op zoek gaan naar literatuurkritiek. Tegelijkertijd is De Reactor een forum dat lezers en critici de gelegenheid geeft om op basis van de geplaatste recensies en andere artikelen publiekelijk en gemodereerd over de praktijk, de inhoud en het doel van de literaire kritiek te discussiëren. Zo krijgen ook niet-professionele lezers de kans om een kijkje te nemen in de recensentenpraktijk, die zich doorgaans achter de schermen afspeelt.

Overigens valt het met die controverse wel mee. Wel is er een aantal critici dat beweert dat De Reactor er totalitaire trekjes op nahoudt en dat wij de traditionele literatuurkritiek mordicus afwijzen. Beide is onwaar. De Reactor is nadrukkelijk opgezet als een forum, waarvoor inmiddels meer dan zeventig recensenten schrijven, van wie sommigen ook publiceren in kranten en weekbladen. In mijn optiek is De Reactor eerst en vooral bedoeld als aanvulling op en soms als correctief van de recensies in de traditionele pers, en niet als een verwerping daarvan. Integendeel: beide media kunnen prima naast elkaar functioneren. Ik denk zelfs dat ze elkaar hard nodig hebben.

Poësiekritiek is heel dikwels ‘n kontensieuse saak aangesien dit so dikwels gebaseer is op persoonlike voorkeure, aanvoeling en afkeure. In jou onlangse artikel op De Reactor neem jy juis sterk standpunt in téén dit waaarna jy as “de kwijnende poëziekritiek in de dag- en weekbladen” verwys. Verduidelik hoekom jy van mening is dat die Vlaams/Nederlandse poësiekritiek “kwijnend” is? En waarom spesifiek in die gedrukte media?

Ik zie pakweg drie problemen, die samenkomen in het commerciële format waaraan critici gebonden zijn.

In de eerste plaats is de ruimte voor poëzierecensies in de traditionele gedrukte media, die opereren vanuit een neoliberaal marktdenken, minimaal geworden. Gemiddeld genomen beslaan de recensies van nieuwe Nederlandstalige bundels maximaal 500 (de Volkskrant) tot 800 (NRC Handelsblad) woorden. Daarmee wil ik natuurlijk niet beweren dat een hoger aantal woorden per se leidt tot een betere bespreking. Maar als je meer ruimte tot je beschikking krijgt dan kun je ook dieper ingaan op het boek en de maatschappelijke context waarbinnen nieuwe titels worden uitgebracht. Daarin ligt ook het fundament en een groot deel van het bestaansrecht van een site als De Reactor die jaarlijks 100 diepgravende recensies aanbiedt van pakweg 1500 tot 2000 woorden. Recensenten mogen bij ons uitpraten en zijn niet gebonden aan een knellend format waarin de waardering voor een besproken boek moet worden uitgedrukt in een aantal sterren of balletjes.

In de tweede plaats getuigen de poëzierecensies in kranten en weekladen zelden van enige bekendheid met eerdere kritieken of algemene tendensen in de poëzie. Anders dan pakweg tien jaar geleden, toen de poëziekritiek nog een ware bloeiperiode doormaakte, treden kranten- en weekbladcritici tegenwoordig niet of nauwelijks met elkaar in debat. Ook lijken ze ingewikkelde, maar urgente vragen over wat poëzie is, wat poëzie in ons snel veranderende medialandschap kan betekenen en waarom poëzie ‘er toe doet’ bij voorkeur te mijden.

In de derde plaats bespeur ik een gebrekkige doorwerking van het poststructuralisme in de Nederlandstalige poëziekritiek. Zoals ik in het interview met De Contrabas al zei, mikt deze poststructuralistische vorm van kritiek niet zozeer op samenhang, intenties, kwaliteit, enzovoorts, maar wil het vooral de blinde vlekken in het taalgebruik en het wereldbeeld zichtbaar maken. De criticus stelt het beoordelingsproces op zich ter discussie en laat zijn lezers ervaren hoe kunst aanzet tot het heroverwegen van vooronderstellingen en vooroordelen, zowel op het gebied van de cultuur als van de politiek. Dat zo’n vorm van kritiek het debat levend houdt en een stap verder brengt, blijkt wel uit de cruciale impulsen die poststructuralistisch geïnspireerde critici als Hana Bobkova, Anna Tilroe of Jeroen Peters gaven aan respectievelijk de theaterkritiek, de beeldende kunstkritiek en de danskritiek.

Waarskynlik is dit met bogenoemde as vertrekpunt dat jy jou beswaar voor die deur van resensente lê wat heel dikwels “weigeren geëngageerde gedichten te lezen in het licht van actuele discussies over de wereld van vandaag.” Binne Suid-Afrikaanse konteks word “geëngageerde gedichten” egter meestal gesien as gedigte met ‘n sterk politiese lading. Is dit wat jy met hierdie stelling in gedagte het?

Het gaat mij niet alleen om het politieke domein, al drukt de politiek natuurlijk wel een zware stempel op de totale samenleving. Ik denk ook aan bijvoorbeeld mediarepresentatie, economie en ecologie. Engagement gaat, in heel algemene bewoordingen, over het opkomen van waarden die je waar dan ook in het gedrang ziet komen, geheel los van de vraag of daar een publiek voor is. Sterker, het publiek kan nu precies het obstakel voor de realisatie van die waarden zijn. Wie van de poëzie verlangt dat zij de schuld van een vermeende gebrekkige populariteit op zich neemt, toont slechts een principiële desinteresse in haar eventuele waarden, en legt die maatschappelijke betrokkenheid enkel uit in termen van herkenning van sappige actualiteiten. Overigens is de vrijheid van de poëzie zich ook niet te engageren, tegelijkertijd haar engagement, zoals Lucas Hüsgen mij onlangs schreef.

‘n Besonder interessante opmerking in jou artikel oor poësiekritiek is die volgende: “Het is daarbij wel goed om te beseffen dat engagement eerst en vooral in de vorm zit, die lezers dwingt, en niet zozeer in de onderwerpskeuze.” Kan jy hierop uitbrei vir ons, asseblief?

Met die opmerking refereer ik aan mijn kritische bespreking van Erik Jan Harmens bloemlezing Ik ben een bijl die ik publiceerde in Streven. Daarin citeer ik met instemming Frank Vande Veire die in zijn intrigerende studie Als in een donkere spiegel stelt: ‘het kunstwerk representeert niet letterlijk wat er zich in de maatschappij afspeelt, maar vertaalt de concrete maatschappelijke tegenstellingen en conflicten meteen in vormproblemen.’ Met Adorno kun je vervolgens stellen dat de spanning tussen het puur esthetische of autonomistische – zeg, de ivoren toren van het vormbewustzijn – en de maatschappelijke betrokkenheid onoplosbaar is, en dat die onoplosbaarheid het kunstwerk nu juist aandrijft.

Aan die einde van jou artikel sonder jy ‘n aantal resensente uit wat volgens jou verteenwoordigend is van ‘n ander ingesteldheid: “In hun recensies durven zij wel stelling te nemen en relaties te leggen tussen het besproken boek en de wereld. Ook zijn zie niet bang om hun eigen beoordelingsproces publiekelijk ter discussie te stellen en zoeken ze nadrukkelijk aansluiting bij het internationale debat,” skryf jy. Ook maak jy in die onderhoud met Chrétien Breukers (De Contrabas, 14/11/11) die opmerking dat resensente selde indien ooit onderling met mekaar in gesprek tree “alsof ze opereren in een discursief vacuüm”. Hoe kan hierdie “discursief vacuüm” volgens jou uit die weg geruim word?

Allereerst moeten er nieuwe, centrale podia worden gecreëerd voor het kritische debat. Er moeten goede moderatoren worden aangesteld, die discussies aansturen en over de grenzen van dat ene platform, of die ene Facebook-pagina heen durven te kijken. Samen met Jan Pollet, een ervaren blogger en digitale schatgraver, en Stichting Perdu, een literaire oase in hartje Amsterdam, werkt de redactie van De Reactor aan de oprichting van een nieuwe website, Ooteoote getiteld. Uiteraard zal er nog een officiële aankondiging en lancering komen. Maar ik kan wel alvast iets zeggen over onze uitgangspunten en ideeën. Ooteoote wil een online informatieknooppunt worden voor opinies en nieuws over literatuur en op een beperktere schaal over hedendaagse kunstvormen, zoals beeldende kunst, muziek en film die een relatie hebben met de letteren. De site zal fungeren als portaal en zeef die bezoekers doorverwijst naar een brede selectie van interessant literair materiaal op het internet. Dit is van belang omdat de gemiddelde literatuurliefhebber momenteel ‘verdrinkt’ in het almaar groeiende en versplinterde aanbod van – al dan niet hoogwaardig – literair nieuws en daarom behoefte heeft aan een betrouwbare digitale gids die de literaire parels dagelijks voor hem opduikt én becommentarieert. Ooteoote zal kortom de wereld die zich uitstrekt voorbij het boek en de literaire kritiek binnen het bereik van een grote groep geïnteresseerde lezers brengen. Iedereen die graag op de hoogte blijft van de ontwikkelingen in de literatuur, interesse heeft in verrassende interviews en graag aantrekkelijke stukken leest over de vaak vruchtbare relatie tussen literatuur en beeldende kunst, moet er zijn gading kunnen vinden. We zullen ook samenwerkingen met buitenlandse sites en auteurs aangaan en nodigen hierbij Versindaba alvast uit om het literaire nieuws uit Zuid-Afrika te signaleren. Daarnaast maak ik maar gelijk van de gelegenheid gebruik om literatuurexperts op te roepen om interessante links te posten op het reeds actieve Ooteoote-Twitter en onze Facebook-account.

Ten tweede dienen kranten en weekbladen zich ernstig te bezinnen op hun recensiebeleid dat nu te veel gericht is op grote namen.

Ten derde moet de poëziekritiek zich niet blind houden voor innovatieve, internationale ontwikkelingen binnen haar discipline en ook eens nieuwe stemmen aan het woord laten. Wat frisse lucht kan zeker geen kwaad. Want de dynamische Nederlandse poëzie verdient een springlevende, zich almaar vernieuwende kritiek.

Arnoud, jy is eweneens ‘n gepubliseerde digter wat reeds in 2008 gedebuteer het met die bundel Vis, wat 10 resensies ontvang het; myns insiens heelwat vir ‘n debuutbundel. Hoe het jy gevoel oor die hantering van jou debuut deur die resensente?

Vanzelfsprekend ben ik erg blij met de waardering voor mijn debuutbundel.

Watter Vlaams/Nederlandse digters, volgens jou, word nie na reg hanteer deur die teenswoordige poësiekritiek nie? Hoekom spesifiek dié digters?

In zijn algemeenheid is er in de kranten en weekbladen naar mijn smaak te weinig aandacht voor experimentele, innovatieve, of zo je wilt, avant-gardistische literatuur. Ook debutanten kunnen nauwelijks op belangstelling in de media rekenen. De focus ligt nu vooral op auteurs die toch al goed verkopen en sowieso kunnen rekenen op de belangstelling van het grote publiek.

Ten slotte, ‘n vraag oor ‘n aanverwante onderwerp. Onder aan jou artikel by De Reactor is daar ‘n kommentaar geplaas wat onder meer reageer op Ann de Cramer se onlangse artikel waarin sy die stelling maak dat poësie nie “van deze tijd” is. My vraag is derhalwe tweeledig: Ten eerste, wat is jou mening omtrent De Cramer se standpunt en tweedens, gaan jy akkoord met die kommentator se slotopmerking: “Als poëzie kritische potentie heeft, dan resulteert die waarschijnlikheid uit haar unzeitgemässe karakter.”

Wie de geschiedenis van de poëzie een beetje kent, weet dat de overlevingskansen van dit genre sinds oudsher laag worden ingeschat. Om de zoveel tijd staat er een cultuurpessimist op die de poëzie zo niet doodverklaart dan toch zeker als terminaal diagnosticeert. Onlangs nam Ann De Craemer die rol inderdaad op zich. In het vervolg op haar geruchtmakende column ‘Echte dichters huilen niet’ noemt ze de poëzie opnieuw een anachronisme. Volgens De Creamer kunnen hedendaagse lezers het geduld en de toewijding niet meer opbrengen om gedichten te lezen. Van de enkele fijne luiden die zich ooit met dit tijdverdrijf bezighielden is er klaarblijkelijk niemand meer over.

Ik deel haar analyse niet. Aandacht en geduld zijn geen verdwijnende menselijke eigenschappen. Als je ziet hoe veel concentratie en geduld bijvoorbeeld het spelen van games – die vaak ook narratieve elementen bevatten – vergt, dan zie ik het allemaal niet zo somber in. Natuurlijk zijn er wel de nodige problemen – op middelbare scholen vindt bijvoorbeeld nauwelijks serieus literatuuronderwijs plaats, poëzie verkoopt doorgaans slecht – maar in de hedendaagse poëziepraktijk ligt zeker geen Apocalyps verscholen. Kijk alleen al naar de honderden poëziebundels die er jaarlijks uitkomen, de stroom aan secundaire literatuur, al die bloemlezingen, de vele poëzietijdschriften, websites, blogs, festivals, poetryslams, debatavonden en prijzen, de nieuwe digitale verschijningsvormen van poëzie, de intermediale samenwerkingsverbanden, een instituut als de Dichter des Vaderlands, Gedichtendag en de naar verluidt 620.000 Nederlanders die regelmatig gedichten schrijven. Ook: dat De Craemer, die kennelijk nog wel over een flinke portie aandacht en geduld beschikt, tot tweemaal toe in een kwaliteitskrant als De Morgen over poëzie mag schrijven, kan wellicht al gelden als bewijs voor haar ongelijk.

Belangrijk is vooral dat het debat over poëzie een nieuwe impuls krijgt. Dichters, critici, literatuurwetenschappers, uitgevers en bloggers moeten elkaar op blijven zoeken en openlijk de dialoog met elkaar aangaan. En laten we dan ook vooral niet vergeten om over het plezier en genot van de tekst te spreken.

Nogmaals dankie vir hierdie gesprek, Arnoud. Sal jy egter so vriendelik wees om by wyse van groet ‘n gunstelingvers hieronder vir ons lesers te plaas? (Uiteraard kan dit ook ‘n eie vers van jou wees …)

Omdat ik mijn stuk op De Reactor begon met een verwijzing naar de jongste dichtbundel van Tonnus Oosterhoff, wil ik graag een gedicht uit die sublieme bundel opnemen:

Tijd voor een nieuw dier, het oorlogspaard.

Het gaat in de wereldoorlog dienen.

Het gaat onder zijn kozak uiteengereten

worden, maar zover is het nog niet.

In een tuig wordt het paard

uit het ruim van een schip getakeld.

Het kijkt om zich heen: waar is wat?

Wegwezen? Nee, zonder grond

kan het aan galopperen niet denken,

het brein slaat geen vonk.

Want vluchten slaapt onder de voeten,

hoopt woont in de ogen, humeur leeft in

mondhoeken, pijn in de rubberen

handschoen.

(c) Tonnus Oosterhoff (Uit: Leegte lacht, 2011: De Bezige Bij)

***

Vir meer inligting oor Arnoud van Adrichem en sy werksaamhede kan jy gerus sy persoonlike webblad besoek.

– Louis Esterhuizen (Onderhoudvoerder)

 

  •