Posts Tagged ‘Delphine Lecompte Blinde gedichten’

Luuk Gruwez. Het systeem in de waanzin

Sunday, May 27th, 2012

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in een iets kortere versie in De Standaard der Letteren.

HET SYSTEEM IN DE WAANZIN                   

Blinde gedichten

Blinde gedichten

Delphine Lecompte krijgt de laatste jaren, in tijden waarin poëzie almaar schaarser besproken wordt, ongewoon veel aandacht. Je hebt het voor haar gedichten of niet. Je zou kunnen stellen dat zij niet dicht, maar uitbarst: zij legt alles open. Tot voor kort had ik de neiging op haar werk te repliceren met de fameuze uitspraak van keizer Jozef II die Wolfgang Mozart in de film Amadeus de woorden Too many notes! toevoegt. ‘Blinde gedichten’, haar derde bundel, hier op de cover gepresenteerd als haar eerste voldragen werk, is in volume opnieuw zo’n eruptie die 125 bladzijden oplevert.

Ook al had ik bedenkingen bij ‘De dieren in mij’ en ‘Verzonnen prooi’, haar vorige bundels, ik herkende meteen haar authentieke toon. Sommige van haar gedichten leken mij evenwel het resultaat van een te gratuite beeldenstorm en zij beschikten over een te smalle thematische basis. Iets aan haar dichterschap was vreemd contradictoir: wanneer je haar hoorde voorlezen, was zij zowel verlegen als zelfzeker, leek zij voortdurend te aarzelen, maar ook te peroreren alsof zij het orakel van Delphi was. Er zat al van bij de aanvang veel tongue in cheek in haar woorden. Alleen vroeg je je als toehoorder heel vaak af wat daar de aanleiding toe was. Sommigen vonden haar veeleer flauw, maar de meesten gingen meteen overstag en voelden zich door haar op een rare manier gecharmeerd. Dat rare aan haar, die excentriciteit, was overigens mede de voedingsbodem van haar succes. Vrijwel meteen viel ik voor haar hoge kneusjesgehalte, voor het gekke meisje in haar waarvan het duidelijk was dat het, hoe oud het ook mocht worden, van plan was elke vorm van saaie volwassenheid te weigeren.

Nu ligt hier haar derde bundel voor ons: ‘Blinde gedichten’. Opnieuw het gevolg van een ‘blinde’ uitbarsting, om het maar eens zo te formuleren. En ja: weer staan er te veel gedichten in die bij drastischer snoeiwerk gebaat waren geweest. Maar terwijl ik bij de vorige bundels nog aarzelde, geef ik mij intussen gewonnen. Lecompte is echt. Al is dit niet meteen een literaire maatstaf. Niet waarheid, maar geloofwaardigheid is waar het om draait. En het dient gezegd: Lecompte maakt ook ongeloofwaardigheid geloofwaardig. Met zoveel aplomb vindt zij alles vanzelfsprekend dat haar lezers geneigd zijn haar in haar gekte te volgen. Zij troont ze mee naar een reeks waanzinnige, maar plausibele rêverieën.

Waar is het de dichteres met het toch wel gigantische ego in de recente bundel vooral om te doen? Wat is de drijfveer achter de onstuimige gedichten waarmee zij haar egocentrische territoir afbakent? Je zou denken: eindelijk eens in het reine komen, dat rare ego van haar onderdak verschaffen, zich een positie claimen tegenover diegenen die haar het meest nabij zijn: in dezen zeker ook haar moeder, aan wie de bundel overigens opgedragen is. Lecompte wekt in ‘Blinde gedichten’ af en toe de indruk conflictwerende poëzie te willen schrijven. Vraag is: heeft zij dat niet altijd al een beetje gedaan?

Akkoord, zij wil een wereld schetsen die met de logica van dromen wordt uitgerust en daardoor geregeld botst met de realiteit van de dag. Wij komen een heel eind wanneer wij ervan uitgaan dat ons hier uit de hand gelopen dromen worden voorgeschoteld. In zijn Hamlet laat Shakespeare Polonius beweren: ‘Though this be madness, yet there is method in’t.’ Dat spanningsveld tussen gekte en de hierin herkenbare methode is ongetwijfeld essentieel. De wereld van de normaliteit (misschien wel vertegenwoordigd door de moeder) kan haar gedichten misschien als incoherent bestempelen, maar in elk geval onderstrepen haar gebrek aan directe logica en de toevalligheid van haar beelden het feit dat het haar om een alternatieve normaliteit te doen is: die van het onderbewustzijn. Gretig worden haar dromen daarbij gestoffeerd met ingrediënten uit haar biografie. Vast personage dat ook in haar twee vorige bundels met de regelmaat van een klok opduikt, is de oude kruisboogschutter met ‘zijn ballongedilateerde aders’, haar trouwe toeverlaat en veel oudere partner.

Wie Lecompte wil volgen, moet bereid zijn the method in her madness voor lief te nemen. Indien niet, dan haakt hij allicht al na enkele bladzijden af. Maar de grote hoeveelheid lang uitgesponnen gedichten is misschien ook een alternatief voor de permanente nood aan narcotica en/of alcohol. (Nooit is de apotheker of de slijter ver weg.) Het lijkt erop dat de dichteres geen moment zonder haar poëzie kan: dermate is zij eraan verslaafd. Een bestaan zonder bedwelming is onleefbaar, of het nu gedichten zijn die hierin moeten voorzien, alcohol of andere roesmiddelen. ‘Ik heb een fles gekocht om mezelf te troosten,’ lezen wij.

In het globaal al afwijkende realiteitsbesef doen zich her en der ook kleinere aberraties voor. Zij zorgen voor een vervreemdend effect. Er zijn, om maar een paar voorbeelden te noemen, het  motief  van de fecaliën en dat van de lasagne. (Het is de vraag of er tussen beide een verband is.) Er is de fascinatie voor de verkrachting en voor het suïcidale. En naast de kruisboogschutter, de vader en de moeder, duiken allerlei bizarre personages op die in feite te gek zijn om los te lopen: een Cobraschilder, een sponzenverkoper, een garnalenvisser, een Spaanse slachter, een Porto Ricaan die op een dodelijke injectie wacht e tutti quanti. Een zootje ongeregeld dus. De dichteres legt een grote belangstelling voor de dierentuin aan de dag en ook de kermis is een van haar vele favoriete pleisterplekken. ‘Ik ben de dochter van een kermisattractie en een junkie (…),’ schrijft zij overigens. En verder: ‘Mijn moeder had een baard/ En mijn vader snoof (…).’

Kleeft Lecompte in haar werk iets als een poëtisch discours aan, belijdt zij een bepaalde poëtica? Allerminst. Zij betoogt niets, is gewoon zichzelf. Haar gedichten ontstaan in een natuurlijk fluïdum dat zij zijn gangetje laat gaan, hoewel zij zich met name tegen het einde van de bundel wel bezint over de eigen identiteit en over haar gekte: ‘Mijn gekte heeft geheimen/ Zelfs voor mij (…).’ Of nog: ‘Ik ben te oud om gek te blijven/ Het is charmant wanneer je zestien bent/ Nee, het was nooit schattig/ Ik was altijd verwerpelijk (…)’. Toch breekt in haar leven blijkbaar een kentering aan en stelt zij haar identiteit ernstig ter discussie. Hoewel: ‘ernstig’? Hoeveel is er bij haar ernstig te noemen? Uiteindelijk krijgt het lukrake van haar evenveel spreekrecht als wat rationeel gewikt wordt. Er zit geen hiërarchie in haar gedachtenwereld. Haar poëzie getuigt niet zozeer van een welomlijnd programma als van thematisch anarchisme: zij zet ons een heksenketel voor met een receptuur waarvan zij zich de ingrediënten niet altijd even goed herinnert. Zodat niet alleen wie haar leest, maar ook zijzelf soms voor een verrassing komt te staan. Elk woord dwingt haar tot onderdanigheid aan haar verzen. Maar gedichten waarin zij echt kan wonen, schrijft zij niet. Veeleer vaart er een gierende storm doorheen en komt haar door de open ramen en deuren van alles aangewaaid, terwijl het frêle, duizelige meisje dat zij is, wel weet wat zij wil, maar toch naar buiten dreigt te worden geblazen.   

 

Ik word wakker wanneer ik word verwekt

 

Iedere nacht word ik wakker

Om 1u40 omdat mijn ouders mij dan maakten

Dat wisten ze niet

Dat hadden ze nooit gewild

Een dochter die eruitziet alsof ze een jutezak

Gevuld met dode katten op haar linkerschouder draagt

Ze ziet er niet uit alsof ze die katten heeft vermoord.

 

Elke dag gaat voorbij

Zonder ontmoetingen met kattenmoordenaars

Soms ontmoet ik een helft van mijn ouderpaar

Op heilige dagen de man

Mijn vader zegt: ‘Ik ben bang dat ik gek word.’

Op werkdagen de vrouw

Mijn moeder vraagt: ‘Is het waar dat je vader bang is om zot te worden?’

 

Ik wens soms dat ik later wakker word

Bijvoorbeeld wanneer ik ben geboren

Dat was om 7u

Maar ik verslaap mijn geboorte

Bijna iedere dag.

 

Mijn ouders wilden dat ik werd geboren

Het was morbide nieuwsgierigheid van de vrouw

En gezond voyeurisme van de man

Mijn vader zei: ‘Ze verdient een naam.’

Mijn moeder beval: ‘Ga om een krant, vent,

dan kunnen we iene miene mutte doen met de redactieleden.’

 

 

Delphine Lecompte

 

______________________________ 

DELPHINE LECOMPTE

Blinde gedichten

De Bezige Bij Antwerpen, 125 blz., 19,95 euro

 

AANTAL STERREN:

***