Posts Tagged ‘edwin fagel’

Edwin Fagel. Constellaties.

Sunday, May 8th, 2011

Vrijdag

 

Ze keken me allemaal aan.‘Jij zou toch het eindrapport maken?’ Ik groef in mijn geheugen. Er viel iets in de kamer ernaast. Een vaas? De voorzitter had tijdens de stilte zijn das iets losser gedaan. Hij glimlachte. Het leek logisch, een eindrapport. En ook dat ik het zou schrijven. Ik roerde in mijn koffie. Buiten schoof een wolk voor de zon, de ruimte werd plotseling donkerder. In gedachten zag ik jou je benen over elkaar slaan, waardoor je rokje iets omhoog kroop. Mijn rug werd nat.

 

SCHELP

 

Ze hebben mij een schelp gebracht.

 

Binnenin zingt

een landkaartzee.

Mijn hart

loopt vol water

met visjes

van schaduw en zilver.

 

Ze hebben mij een schelp gebracht.

 

(Frederico Garcia Lorca, vert: Bart Vonck. Uit: Liedjes, Meulenhoff)

 

Rond half vier ‘s nachts sloeg ik met een hamer op mijn duim. Onder de nagel ontstond een bloedblaar. Er kwam maagzuur door mijn slokdarm omhoog, ik slikte. Op datzelfde moment hingen tientallen vliegtuigen, met daarin honderden mensen, boven een oceaan. Een vreemde gedachte.

 

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Ontkenningen.

Tuesday, April 26th, 2011

Donderdag

 

De etalagepop droeg een geel jurkje dat je niet slecht zou staan. Eindeloos had ik voor de etalage staan twijfelen. Ik ging naar binnen, merkte dat ik tegen mezelf aan het praten was. Of preciezer: tegen jou. Een moedeloosheid overviel me. Wie houd ik eigenlijk voor de gek. De sfeer was uitgelaten, buiten leek de regen te zijn opgehouden. De verkoopster vroeg me of ik het koud had. Ze had kraaienpootjes bij haar ogen. Onder het gordijntje van de paskamer zag ik twee voeten met sokken aan.

 

Gelijken

 

Wanneer ze een jurk aan het passen is

haar weerbarstige haar aan het kammen

met vriendinnen grappen maakt over

de hulpeloosheid van hun mannen

zingt er een meisje zich los uit haar

zwijgzaam lichaam gedrongen ootmoed

schittert over haar gerimpeld gelaat

wanneer ze aan het bidden is en ik

kom storen waar ligt de sleutel die brief

dit dat er op je wordt gewacht waar

blijf je toch slaat ze soms haar ogen op

‘herkent me niet’

glimlacht

 

‘onpeilbaar’

 

‘samenzweerderig’

 

‘geamuseerd’

 

een glimlach die duizelt die glimlach is stout!

 

een soort flirt

 

ik haar

zij mij

naamloos

gelijken

vrij

 

(Mustafa Stitou, uit: Varkensroze ansichten)

 

Terwijl ik om me heen keek, maakte ik grapjes in mezelf – enkel om mezelf te amuseren. Wat zeg je als je er ineens geen zin meer in hebt, wat is dan de groet? Ik kocht eens tijdens een koopavond een grappig klein pennetje, terwijl ik eigenlijk een notitieblokje afrekende. Je kwam achter me staan, bekeek mijn aanwinst. Toen ik naar buiten liep, bleek het toch nog te regenen.

 

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Capitulaties.

Thursday, April 14th, 2011

 

Woensdag

Aan het eind van de beursdag schudde ik een man die me vaag bekend voorkwam de hand. ‘Je komt nooit eens langs,’ zei hij. Ik verontschuldigde me. Toen ik me wilde omdraaien, hield hij me bij mijn schouder vast en zei: ’Wees nu eindelijk eens eerlijk!’ Er liep daar ook een vriend die pasgeleden is geëmigreerd. Ik was verbaasd hem te zien, hing minutenlang huilend in zijn armen. Hij rook naar benzine. Het was rond het tijdstip dat ik wist dat jij op het station aan moest komen. Je fiets zou zoeken in het rek. Mensen hebben vaak de neiging eindeloos tegen me aan te ouwehoeren. Ik veins aandacht omdat ik bang ben.

 

En wij, laf als we waren,

die hielden van de fluisterende

avond, van de huizen,

de paden langs de rivier,

de groezelige, rode lichten

van die plaatsen, de verzachte

en verzwegen pijn –

trokken toen onze handen los

van de levende keten

en zwegen, maar ons hart

schrok op van bloed,

en er was geen tederheid meer,

en ook geen overgave

aan het pad langs de rivier –

niet langer dienstbaar, wisten we

dat we alleen waren en leefden.

 

23 november 1945

 

(Cesare Pavese, vert. Willem van Toorn en Pietha de Voogd. Uit: De dood zal komen en jouw ogen hebben).

 

Buiten het beursgebouw stonden de auto’s in de rij. Ik stopte mijn parkeerkaart in de automaat. Hij werd teruggegeven, ik duwde de kaart weer terug. Na dit drie keer te hebben herhaald, bleek dezelfde man achter me te staan. Hij groette me, zijn ogen verrieden een heimelijk plezier.

 

(Edwin Fagel)

 

Edwin Fagel. Oefeningen.

Tuesday, April 5th, 2011

Dinsdag

 

‘Wacht anders maar even,’ zei ik. Er stond een witte Ford te keren. Hij reed langzaam achteruit. Je wachtte niet. ‘Er was genoeg ruimte,’ zei je toen ik kwaad werd. Dat was afgelopen weekend. Vanmorgen drukte je je als een kat tegen mijn buik. Het was tijd om op te staan. Deze regenachtige dag breng ik op de bank door, in het halfduister. Ik stel er een eer in heel rustig in en uit te ademen. Mijn hartslag regelmatig te houden. Te glimlachen telkens als de klok slaat. Je leek zo sterk toen je boos was. Zo zeker van je zaak. Je gaf gas, de bomen trokken steeds sneller voorbij. Maar even later, toen je bij het stoplicht op wilde trekken, sloeg de motor af.

 

De griezelige precisie waarmee hij het had voorzien – ‘Ik rijd

levensgevaarlijk hard en binnenkort rijd ik me dood’…

 

Bedwelmend uiig is de geur van het witte, omtrent mei

en juni volop bloeiende daslook

 

op de plek waar hij in zijn roekeloosheid toen

uit de bocht vloog, zoveel voorjaarsavonden verder

 

al van zijn leven verwijderd intussen –

 

[Hans Tentije, fragment uit ‘Bergen NH, Eeuwigelaan‘, Deze oogopslag.]

 

Ik drijf de slaap in en uit. In gedachten hoor ik je de sleutel in de voordeur steken. Hoor ik je in de hal je jas ophangen. De deur van de huiskamer opendoen. Hallo! Het begint al donker te worden, hoe laat zou het zijn? Waar ben je nu? Degene die u probeert te bellen neemt niet op. U kunt geen voicemail inspreken. Hij of zij zal een melding van de gemiste oproep ontvangen.

 

(Edwin Fagel)

 

Edwin Fagel. Bewegingen.

Thursday, March 24th, 2011

Maandag

 

De kast opendoen en niet meer weten wat ik wilde pakken. Was ik daarnet verstrooid, of ben ik het nu? Een motoragent rijdt met zijn sirene aan tegen het verkeer in door de straat. De overbuurman loopt zijn tuinpad af om te zien wat er aan de hand is. Zijn krullen gaan op en neer in de wind. Aan zijn gezicht te zien ziet hij niets. Op de hoek van het aanrecht je broodtrommel. Je bent hem vergeten mee te nemen. Ik denk aan hoe je in de trein zit en naar de weilanden kijkt. In het kastje in de gang ligt nog een koekoeksklok, een erfenis. Je ontbijtbord glimt in het bleke ochtendlicht. Ik laat het zo staan. You and me, that is an awful lie, zingt Bright Eyes op de nieuwe cd. It’s I and I. Ik ga op de bank zitten, leg mijn hoofd in mijn handen.

 

Hoe smaakt de slaap?

Als het binnenste van de zee

en koele lucht,

het tegendeel van hunkeren

en snakken naar je komst.

 

– Chr. J. van Geel, uit: ‘Het Zinrijk’

 

De zaterdagkrant ligt op de grond. De kat wordt wakker. Het is het moment vlak voordat de telefoon overgaat. Ik doe de deur op slot. Ik sluit de gordijnen.

 

(Edwin Fagel)

 

Edwin Fagel. Poëzie-inspectie (2)

Thursday, February 3rd, 2011

Gedichtendag 2011

Gedichtendag 2011

 

 

‘Hallo?’

‘Hallo? Spreek ik met de kunstredactie van Radio 1?’

‘Ja, spreekt u mee.’

‘Ja. Hallo! U spreekt met Jansen van het PIK, Poëzie Inspectie Kadaster.’

‘Dag meneer.’

‘Afgelopen donderdag zat ik in de auto tussen twee poëzie-inspecties in en ik luisterde naar het interview dat een van uw medewerkers hield met Arthur van den Boogaard, naar aanleiding van diens boek De slipstroom – een boek met literaire verhalen over wielrennen.’

‘Wat leuk.’

‘Ja leuk, wat u zegt. Al maakte uw gast zijn zinnen zelden af. Het was eigenlijk de interviewer die interessante opmerkingen maakte. Waar uw gast dan weer overheen praatte, met opmerkingen over de overeenkomst tussen wielrennen en schrijven enzo.’

‘Wilt u ter zake komen?’

‘Ter zake. Natuurlijk. Dat kan dus helemaal niet.’

‘Wat niet?’

‘Een interview met een samensteller van een literair boek over wielrennen. Dat kan wel, maar het kon niet afgelopen donderdag.’

‘Waarom niet?’

‘Dat was toch Gedichtendag.’

‘O, dat.’

‘Er is al zo weinig aandacht voor poëzie. En dan juist op die ene Nationale Gedichtendag die we kennen, zendt u op prime time zo’n interview uit.

‘Tja. Wij geloven niet zo in de Nationale Gedichtendag. En al helemaal niet in de gedachte dat mensen die 364 dagen per jaar geen interesse in poëzie hebben op die ene dag warm zullen worden gemaakt voor de poëzie. En we geloven ook niet dat er ook maar één bundel extra zal worden verkocht als er een kermis omheen wordt georganiseerd.’

‘Aha! U ontkent de kracht van propaganda!’

‘Ach. Wij vinden het eerder onzinnig dat er zo’n dag nodig is. Net zo onzinnig dat men medemenselijk is op Kerstmis en net zo onzinnig dat men moeder een bloemetje brengt op Moederdag. Als het écht op die dag aankomt, dan zit er iets heel erg fout.’

‘Wat! U bent een tegenstander van Gedichtendag! In dit specifieke geval is dat wat u nu zegt volgens de Poëtische artikelen van het Wetboek van Strafrecht een strafbare mening. Daar hebben wij van het PIK…’

‘Meneer, dat interesseert me niet. Al was u van het Vaticaan.’

‘Dat vind ik geen leuke woordspeling.’

‘Goedenavond.’

‘Eh…’

 (Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Poëzie-inspectie (1)

Friday, January 14th, 2011

Gorter

Gorter

‘Goedenavond. Vagel is de naam, van het PIK, Poëzie Inspectie Kadaster.’

‘Goedenavond.’

‘Ik zie dat u hier een gedicht van Gorter aan de muur hebt.’

‘Ja. Ja, inderdaad. Dit is eetcafé Gorter, vernoemd naar de dichter Herman Gorter, u als poëzie-inspecteur zult hem zeker kennen.’

‘Zeker.’

‘Gorter heeft hier in Bergen gewoond en was een prominent lid van de dorpsgemeenschap. Met de naam van ons eetcafé, een literair café mag ik wel zeggen, willen wij deze dichter, die van grote betekenis is geweest voor de Nederlandse poëzie, een eerbetoon brengen.’

‘Dat snap ik, dat snap ik.’

‘Kan ik iets voor u betekenen?’

‘Eén moment. Laat eens zien. Zie je ik hou van je,/ ik vin je zoo lief en zoo licht – tadam, tadam…’

‘Een zeer aangrijpend gedicht vind ik zelf.’

‘Zeker. En je neus en je mond en je haar, pom pom…Wat is dit!? Het licht is om je, je bent!?’

‘Ja?’

‘En dan begint de volgende strofe: O ja, ik hou van je, ik hou zoo vrees’lijk van je!’

‘Ja?’

‘Je bent? Je bent wát?’

‘Eh, lief?’

‘Moet dat er niet staan dan?’

‘Nou ja, het is poëzie hè.’

‘Juist. Een eerbetoon aan Gorter. Eens zien, Verzamelde lyriek, pagina 170. Het licht is om je, je bent/ nu toch wat je eenmaal bent. Waarom staat dat er niet?’

‘Nou ja weet u, dat gedicht is opgeschreven door Marjan, omdat zij zo’n mooi handschrift heeft. Ik ben bang dat ze niet veel kaas heeft gegeten van het werk van Gorter, ha ha.’

‘Is dat Marjan?’

‘Dat is Marjan, ja.’

‘Juist.’

‘We hebben er anders nooit klachten over gekregen hoor.’

‘Nee dat zal wel niet. Maar fout blijft het. Wat denkt u daar aan te doen?’

(stilte)

‘Heeft u de stift nog?’

‘Ik zal Marjan vragen…’

‘Geeft u maar. Marjan heeft al genoeg schade aangericht.’

‘Natuurlijk.’

‘Verder kan dit natuurlijk niet zonder consequenties blijven.’

‘U bedoelt?’

‘De boete voor een dergelijk vergrijp is vastgesteld op 1500 euro. Als dat u te gortig is – ha, ha, gortig… Als dat u te gortig is, zal mijn collega hier conform de poëtische artikelen in het Wetboek van Strafrecht u en Marjan het aldaar omschreven aantal stokslagen toedienen.’

‘Dat liegt er niet om meneer de poëzie-inspecteur.’

‘Ja, het PIK is niet kinderachtig. De laatste optie is dat u mij en mijn collega één van uw befaamde maaltijden aanbiedt. Ik heb trek in de carpaccio en daarna de Portobella Pasta alstublieft. En doet u er maar een lekkere jonge jenever bij.’

 

Edwin Fagel. Möhlmanns Moleskine

Monday, December 13th, 2010

Raster

Raster

Ineens stond er een nummer van het tijdschrift Raster in mijn boekenkast, nummer 119. ‘Hoe kom ik dáár nu aan,’ dacht ik (misschien zei ik het zelfs wel hardop). Het was twee dagen na de lancering van het tijdschrift op het internet (www.tijdschriftraster.nl) – dat vond ik genoeg om bovenaardse inmenging te vermoeden. Ik ken Raster vooral uit mijn studententijd, waar ik het in de Universiteitsbibliotheek vaak las als afwisseling op, of soms ook vervanging van, mijn studieboeken. Maar ik kon me niet herinneren dat ik het ook daadwerkelijk had gekocht.

Ook dit keer was er geen sprake van bovenaardse inmenging. Toen ik het nummer uit de kast pakte om het eens wat nader te bekijken, viel er een papiertje uit. Daar stond een Sinterklaasparodie op van een van de gedichten uit mijn debuutbundel die ongeveer tegelijk met dit nummer van Raster moet zijn verschenen. 

Ik schaamde me. Ik schaamde me ten opzichte van de vriend die me het tijdschrift cadeau had gedaan;  ten opzichte van al die auteurs die hun best hadden gedaan een mooie bijdrage te leveren; ten opzichte van de redactie die haar best had gedaan het toen ongetwijfeld al zieltogende Raster overeind te houden. En om hun zwijgend verwijt te verzachten ben ik het nummer nog dezelfde avond gaan lezen. Raster 119 is een themanummer en draagt als titel ‘Gedicht / Geen gedicht’. De dichters werd gevraagd een gedicht te leveren en daarnaast een andersoortige tekst te leveren: essay, dagboekaantekening, verhalend proza, etc.

De mogelijkheden bleken legio. Ik bladerde en genoot, en bleef vervolgens hangen bij de bijdrage van dichter Thomas Möhlmann. Ik hou er erg van een kijkje te nemen in de keuken van de dichter en Möhlmann had de aantekeningen voor (en aanzetten tot) zijn gedichten overgeschreven en gepubliceerd onder de titel ‘Uit de kleine zwarte dummy: aantekeningen van de afgelopen tijd’.

Een wat gemakzuchtige oplossing, dacht ik eerst. Maar al lezende raakte ik ervan overtuigd dat deze aantekeningen bewerkingen moeten zijn. Als ik ze tenminste vergelijk met wat ik zelf zoal in mijn opschrijfboekjes noteer, zijn Möhlmanns aantekeningen zonder uitzondering interessant. Of hij heeft simpelweg alle onzin er tussenuit gehaald, dat kan natuurlijk ook.

Ten opzichte van de oorspronkelijke lezer van deze Raster had ik het voordeel dat inmiddels de bundel waar deze aantekeningen voor waren bestemd is verschenen (Kranen open uit 2009). Een enkele aantekening herkende ik: ‘Elke koplamp zijn konijn’ heeft het bijvoorbeeld geschopt tot titel van een gedicht. Maar het is opvallender dat voor zover ik zo snel kan nagaan vrijwel geen enkele van deze aantekeningen uiteindelijk in de bundel is opgenomen. Ik snap dat een leuke, maar algemene aantekening als ‘Landbouw is een kalme vorm van jacht’ uiteindelijk niet in een gedicht terecht is gekomen. En een sterke regel als ‘Geknor steeg op naar de hemelen, stilte daalde neer op aarde’ past ook inderdaad niet in de sfeer en toon van Kranen open. Al zou er wel wat voor te zeggen zijn geweest de regels tóch ergens in te passen. Ik hou wel van grillige bundels. Zoals ik ook hou van de grillige, eerste versies van liedjes, de onbeholpenheid ervan. Met het onvermijdelijke schaven gaat er ook veel verloren.

Het duizelt me af en toe te bedenken hoeveel mooie regels nooit in een bundel zullen verschijnen.

Niet lang na het verschijnen van mijn debuutbundel bezocht ik met vrienden een Picassotentoonstelling in het Duitse Münster. Daarna heb ik nog een paar uur in mijn eentje in het stadje rondgezworven, met mijn notitieboekje in de aanslag. Aan het eind van de dag meldde ik mijn vrienden tevreden dat ik alleen nog maar de ideeën die ik die dag had opgeschreven hoefde uit te werken, en dat ik dan de volgende bundel wel weer klaar zou hebben. Zelden heb ik me zo schromelijk vergist.

(Edwin Fagel)

  •