Posts Tagged ‘Erik Spinoy’

Luuk Gruwez. De laatste der Azteken

Friday, February 3rd, 2012

Erik Spinoy

Deze bespreking van het gedichtendagessay 2012 van de hand van Erik Spinoy verscheen eerder al in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. DE LAATSTE DER AZTEKEN

Het zijn barre tijden voor het genre poëzie. Dreigt de teloorgang? Volgens Erik Spinoy, schrijver van ‘As/zteken’, het jongste gedichtendagessay, is die allerminst ondenkbaar: ‘Poëzie is in Nibelungenachtige nevelen ontstaan. Poëzie zal dus, in een toxische apocalyps, beslist ook een keer verdwijnen. Volgens sommigen ligt dat moment (…) misschien niet eens meer zó ver van ons vandaan.’ Ook dit staat er: ‘De nakende verdwijning of op zijn minst de complete marginalisering van de poëzie valt niet uit te sluiten.’ Poëzie is inderdaad zijn maatschappelijke prestige kwijt en krijgt nauwelijks nog aandacht op scholen, in kranten en weekbladen.

De auteur buigt zich al in het tweede van zijn eenentwintig korte hoofdstukjes over de wisselende waarde die men aan een auteur toekent tot er uiteindelijk iets als een consensus ontstaat. Hij vernoemt daarbij Louis Paul Boon als schoolvoorbeeld. ‘Eén oordeel is het dominante geworden,’ schrijft hij. Wie daarvan probeert af te wijken dreigt zich te excommuniceren, ook al is geen enkele consensus zaligmakend. De geschiedenis van de poëzie is in hoge mate een van dichters die in tegengestelde discoursen het gelijk aan hun kant proberen te krijgen. Herman de Coninck (over wie hier wordt beweerd dat hij aan het eind van de twintigste eeuw als geen ander de Vlaamse poëzie naar zijn beeld en gelijkenis heeft geboetseerd) eigent zich op deze wijze het nieuw-realisme toe, net zoals Spinoy zelf dat in zekere zin met het postmodernisme doet door er juist afstand van te nemen. Postmodernist is hij eigenlijk in hoofdzaak door het feit dat hij zich tegen dat etiket afzet. Want wordt hij doorgaans als dusdanig omschreven, hij ziet zichzelf veeleer als een romanticus, in zijn definitie niet zozeer iemand die zweert bij de renovatie, maar bij de negatie, iemand die in opstand komt tegen het aangepaste en – zoals dat hier herhaaldelijk heet – ‘in het ongebondene gaat’. ‘Met de romantiek is iets fundamenteels in de poëzie voorgoed veranderd,’ schrijft hij. Het gaat hem hier niet zozeer om een historische stroming, maar om een proces van voortschrijdend inzicht. Hij adstrueert zijn stelling aan de hand van gedichten van Claus, Faverey, Dickinson en Gezelle.

Kon je de zogenaamde ‘postmodernen’ destijds misschien enig sektarisme aanwrijven, dan is  hier duidelijk dat Spinoy daar wars van is. Bovenal omschrijft hij poëzie als iets lichamelijks, als iets dat zich op het riskante af laat inspireren door onze diepste drift. De dichter is iemand die voor insubordinatie gaat, die zich ontdoet van de conventies waarnaar men hem probeert te kneden, het askruis van zijn voorhoofd wist en zich als een Azteek weigert te onderwerpen. Die nadruk op het lichamelijke leidt soms tot aardige constataties, bijvoorbeeld daar waar hij een affiniteit ziet tussen Gezelles gedicht ‘Ego Flos’ en het ‘Je t’aime moi non plus’ van Serge Gainsbourg. Ondanks diens reactionaire ideologie, ziet hij Gezelle als de ‘Gainsbourg van de neogotiek’. (Spinoy is een par keer niet vies van spitante, maar misschien wel ware beweringen. Bijvoorbeeld waar het om de tanende interesse van media en overheden voor poëzie gaat. Hij stelt vast dat de provincie West-Vlaanderen hierop een uitzonderig vormt en voegt daar kwansuis aan toe dat het daar is dat de bakermat van half dichtend Vlaanderen gelegen is.)

Al dreigt poëzie onmogelijk te worden, toch beweert de auteur dat ‘haar onmogelijkheidsvoorwaarde tegelijk haar mogelijkheidsvoorwaarde’ is. Of om het simpeler te stellen: uit het onmogelijke wordt het mogelijke geboren. Hij beëindigt zijn essay dan ook met een onversneden eloge aan de dichter, die laatste der Azteken: ‘Saluut daarom aan de dichter, aan zijn lezer: eeuwige Azteek, niet te stuiten zombie. Geest die niet uitgedreven raakt.’

Het is onmogelijk om dit rijke essay, dat nog over zoveel meer gaat, binnen een kort bestek als dit recht te doen. Een enkele keer klinkt het te wollig en te academisch en is het te frequent gelardeerd met termen uit het Engels, het Frans of het Duits. De titel klinkt bovendien wat geforceerd inventief. Maar voor de rest is het gedichtendagessay 2012 een ‘grand cru’ en bevat het een visie die uiterst verdedigbaar is en niets dan applaus verdient.

 

(Luuk Gruwez, 2012)

 

 

Louis Esterhuizen. Erik Spinoy skryf Gedichtendagessay vir 2012

Wednesday, November 9th, 2011

 

Luidens ‘n berig op Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) se webblad is die digter Erik Spinoy aangewys om die Gedichtendagessay vir 2012 te skryf.  Volgens dié inisiatief, wat deur die VFL in samewerking met die Poëziecentrum en De Besige Bij (Antwerpen) bedryf word, word  ‘n digter versoek om ‘n persoonlike pleidooi ten gunste van die digkuns te lewer. Spinoy is die vyfde digter wat dié eer te beurt val. Vorige bydraers tot hierdie publikasiereeks was Paul Bogaert (2008), Luuk Gruwez (2009), Charles Ducall (2010) en Jan Lauwereyns (2011).

By wyse van bekendstelling, die volgende oor Spinoy: “Erik Spinoy is hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Luik, dichter en essayist. Steevast tot het postmodernisme gerekend, maakt zijn poëzie echter een heel eigen ontwikkeling door. Vanaf ‘Boze wolven’ (2002) behandelen zijn gedichten de manier waarop individu en maatschappelijke vertogen een complexe wisselwerking aangaan. Een nieuw hoogtepunt in zijn oeuvre vormt ‘Dode kamer’ (2011), waarmee hij genomineerd is voor de VSB-poëzieprijs 2012. Volgens de jury verzamelt de bundel ‘drie heel verschillende cycli van een homogeen hoge kwaliteit, waarin de blik op de wereld van regel tot regel verschuift en elk woord die wereld onmerkbaar doet gloeien. Nu eens is zij exotisch gekleurd, dan weer is zij benauwend van aard en ten slotte wordt zij unheimlich met de kindertijd verbonden.”

En as voortydige reklame, die volgende aanhaling geneem vanaf die essay se flapteks:

Aswoensdag: wereldwijd zetten priesters op de voorhoofden van miljoenen katholieke gelovigen een askruisje. Zo, en op vele andere manieren, worden menselijke lichamen opgenomen in dwingende constellaties, die richting geven en betekenis.

Ook poëzie werkt met de as-tekens die samen de taal uitmaken en het werkelijke doodmaken – maar ze gebruikt ze, uit de aard der zaak, ook op slinkse en onverwachte manieren tegen zichzelf. In poëzie komt het lichaam opnieuw tot spreken: mateloos, buitenissig, ontketend, aan onze eerste diepste drift ten prooi. In poëzie rebelleert, tegen de gelovige conquistadores, de heidense en exotische Azteek, die geen boodschap heeft aan het: kniel en pas u aan of verdwijn.

Poëzie: een blijde boodschap!

Die Gedichtendagessay 2012 verskyn op 26 Januarie 2012.

Lees gerus ook die resensie wat Luuk Gruwez vroeër vanjaar geskryf het oor Erik Spinoy se bundel Dode kamer. Vir jou leesplesier volg ‘n vers uit dié bundel hieronder.

***

 

Die avond klonk er salsa op

uit elke bar.

 

We aten

hete kip en zoute aardappel

we dronken ijskoud bier en

whisky en doorzichtige rum

 

en vlak naast ons stak uit een muts

een aangezicht nog bruiner dan

en rimpelig als een walnoot.

 

We waren peilloos moe nadien

en sliepen in een kaal convent

en plots was het geen zeven graden meer.

 

Met rillen hield zij, de Maleise, niet meer op.

 

Er werd een ketel hete thee gezet.

Ze droeg je zeemansblauwe trui.

 

(c) Erik Spinoy