Posts Tagged ‘Francis Grobler Nagblind’

Yves T’Sjoen: Leesbrillen voor bijziende lezers?

Monday, March 30th, 2020

 

Met belangstelling, noodgedwongen op verre afstand, volg ik als “binnenwaartse buitenstaander” de discussie op Versindaba naar aanleiding van de bundel Nagblind van Francis Grobler. Mijn kijk op het poëticale dispuut wordt bepaald door een themanummer van Deus Ex Machina (170, november 2019) over “Instagram”. Op het gebied van sociale media ben ik eerlijk gezegd een leek. Facebook is hoogstens een digitale variant van mijn persoonlijk literair archief, in coronatijden een leesdagboek. Mijn hashtag, of hoe heet zoiets, is “Lezen in Q”. Twitterende tweets en Instagram zijn mij volkomen vreemd. Ik lees het tijdschriftnummer doelgericht. Sedert jaren maak ik deel uit van de jury van de Melopeeprijs. De poëzieprijs, genoemd naar het canonieke gedicht van Paul van Ostaijen, bekroont gedichten in Nederlandstalige periodieken en op websites (zoals Meander, een twee powezie en Het gezeefde gedicht). In 2019 was Marc Tritsmans de laureaat. Die singende wêreld is onlangs vertaald in het Afrikaans en mocht in Zuid-Afrika gunstige reacties ontvangen. Een klassiek uitgegeven boek van een klassiek dichter.

In een bijdrage van inleider en samensteller Obe Alkema van het Deus Ex Machina-nummer worden sociale media aangeduid als “de meest invloedrijke designers van het moment”. Dat geldt ook voor de literatuur. In hetzelfde nummer presenteert de Vlaamse auteur Sylvie Marie “gramgedichten”: na een experiment met #instapoem (instagrampoëzie) knipt en plakt zij “woorden uit een misdruk van de roman Max, Micha & het Tet-offensief van Johan Harstad (1229 pagina’s)”: twee #gramgedichten – met een klassieke term: collagepoëzie – staan in Deus Ex Machina 170 afgedrukt. Ik vind er eerlijk gezegd weinig aan. Dat ligt aan mij, digibeet met verwachtingen die zonder twijfel op klassieke poëzieleest zijn geschoeid. Verknocht aan een medium – gedrukte letters in een boek waarin ik kan bladeren, waaraan ik ruik en mijn ogen de kost geef – en afkerig tegenover de vluchtigheid van de digitale snelweg. Het ligt dus aan mij dat ik er niet echt wild van word.

In de kritische commentaren op Groblers poëziedebuut (in boekvorm) lees ik dat de auteur behoort tot een uitdijende groep FB-dichters in het Afrikaans. Zij publiceert gedichten op Facebook en muzikale adaptaties van haar teksten worden via hetzelfde medium de wereld ingestuurd. De discussie over de lezensvatbaarheid van dergelijke lyriek – naar verluidt een succesnummer op FB, met een schare van jubelende engelen – laat mij denken aan performance-poëzie, slam- en vroeger rap- of hiphoppoëzie. Zoals toegelicht door Gerrit Komrij in Double Talk (1997) Double Talk Two (1998). Andere termen: “zigzag-poëzie”, “neonromantiek” (Jules Deelder). In de jaren negentig is in Nederland en Vlaanderen een soortgelijke discussie gevoerd. Kunnen digitale gedichten of dus teksten geproduceerd in en met behulp van (tools van) een ander medium, überhaupt poëzie worden genoemd? The medium is the message. Moet mijn soort, klassieke lezers van poëzie (bij voorkeur met een boekje in een hoekje), leesverwachtingen bijstellen? Hoe dan ook bestaan sinds de digital turn van de jaren negentig lyrische tendensen die mediaal-conceptueel gesproken volstrekt anders zijn geconcipieerd dan wat ik “klassieke poëzie” noem (met een boek als drager). Er is daarnaast een poëzie die zich tot een (post)digitaal gevormd publiek richt. Daar is uiteraard niets mis mee. Thomas Vaessens schrijft erover in Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd (2006). Veertien jaar later leest het boek als een anachronisme: Instagram en Twitter bestonden toen nog niet eens. Sms-poëzie is in digitale tijden alweer voorbij, in mediumtermen een archaïsme. Tweetpoëzie? Wellicht is ook dit fenomeen al achterhaald.

In dit licht lees ik de polemiek over Groblers Nagblind. De afwijzende reacties brengen herinnering terug aan de bewering dat de meeste slam- en podiumpoëzie, succesnummers op het podium, in een gedrukt boek niet overeind blijven. Teksten zouden lijden aan effectbejag, gezochte (binnen)rijmen die een luisterend oor gewillig zijn maar een gesel voor het lezend oog. Alle middelen die een performend dichter ter beschikking staan – lichaamstaal, klederdracht, dictie, akoestiek, ruimtelijke omgeving et cetera – verdwijnen in het drukwerk. Bijgevolg kan op sonoriteit en vertolking gerichte lyriek een hedendaags (klassieke geschoold) lezerspubliek weinig boeien.

Hetzelfde euvel kan wellicht veel FB-poëzie worden geduid. Dichters profileren zich op sociale media, waar hun gedichten hits blijken afgemeten aan het aantal ‘likes’ en volgers. In een digitale omgeving functioneren dergelijke teksten anders dan in een bundeluitgave. Daniel Hugo wijst erop dat op FB schrijvers hun eigen autonome republieken oprichten, soevereine staten die niet worden gehinderd door sluiswachters of de “poëziepolitie”. Het staat eenieder vrij een leesdagboek bij te houden en met “vrienden” op sociale media te delen. Zo kan een schrijver een tuin aanleggen waarin het voor de volgzame goegemeente aangenaam kuieren is. Met bliksemsnelle ‘likes’ tot gevolg, die voor het persoonlijk gemoed van de dichtende medemens weldadig aanvoelen.

Francis Grobler heeft de stap gezet naar de boekpublicatie van eerder op FB gepubliceerde gedichten. Daarmee betreedt zij inderdaad een ander landschap: dat van het boek als drager. The medium is the message. In verschillende mediale omgevingen gelden andere afspraken. De discussie op Versindaba getuigt van die clash. Over “literaire kwaliteit” is het interessant maar lastig discussiëren. Objectieve kritiek bestaat nu eenmaal niet. Objectief is iets anders dan beargumenteerd. Feit is dat lezers uiteenlopende verwachtingen koesteren, of het nu lyriek op FB, Twitter en Instagram betreft of in een gedrukt boek. Meningen zijn vrij. De meest in het oog springende bestsellers in de poëzie – een contradictio in terminis – worden door “kenners” (journalistieke en academische critici) doorgaans argwanend bejegend. Behaagziek, kritiekloos, sentimenteel: termen die in perscommentaren te nadele van publieksuccessen worden gehanteerd. Ook in de Versindaba-discussie wordt een soortgelijke terminologie gebruikt. Was het noodzakelijk dat dergelijke FB-gedichten, goed scorend en salonfähig op de digitale weg, in een boek worden gebundeld? Schaadt de uitgave van FB-poëzie de Afrikaanse letterkunde? Brengt een dergelijke uitgave imagoschade aan het fonds van een literaire uitgeverij aan?

Bijzonder voor het fel bediscussieerd fenomeen van FB-poëzie is de wijze waarop een literair imago wordt geconstrueerd. Citaten van Antjie Krog en Hans du Plessis worden door de uitgeverij als literaire legitimering ingezet. Dat zijn behalve legitimeringsstrategieën mercantiele technieken. Op die manier wordt Nagblind een sérieux toegekend. Met als bedoeling ook in de literatuurkritiek (in de ruimte buiten FB) geloofwaardigheid te verwerven. Het is dit gezelschap dat protesteert en de artistieke legitimiteit ter discussie stelt. Vanuit literatuurwetenschappelijk oogpunt is het een interessant publiek gesprek over hedendaagse poëzie, ware het niet dat het al sinds mensenheugenis wordt gevoerd.

Zodra een schrijver de beslissing neemt om het publieke forum te treden, op FB of in de wereld van (professionele) uitgevers, redacteurs, tijdschriften en websites, critici en jury’s, dan geldt het principe dat het ieder lezer vrij staat te oorelen. Een schrijfproces wordt als afgerond beschouwd. Het is voortaan aan de lezer om te oordelen. Zowel de FB-vriend als de geschoolde poëzielezer, waarmee ik geen oppositie veronderstel. Lezers van bundels geven aandacht aan compositie, de spankracht die gedichten met elkaar laat spreken. Het lezerspubliek van het boek Nagblind beoordeelt niet langer afzonderlijke gedichten, snapshots on the screen. Literaire criteria, zoals vormen- en beeldentaal, ritme, stijl en compositie, worden in het beoordelingsproces betrokken. De bundel wordt als taalarchitectuur gewikt en gewogen, op basis van persoonlijke opvattingen over literatuur. Dat overkomt nu ook Nagblind, zoals het werk van iedere schrijver die het besluit neemt met een boek voor de dag te komen. Zodra het werk pdubliek wordt gepresenteerd, ongeacht of gedichten zijn voorgepubliceerd in tijdschriften, op internetsites of op Facebook, kan de letterkundige gemeenschap een oordeel uitspreken. Zij wordt ook verondersteld dat te doen: het gesprek over literatuur te voeren. De vraag is vervolgens of een verzameling van afzonderlijk verschenen teksten een bundelcompositie oplevert, een tekstweefsel waarin gedichten een spanningsboog tentoonspreiden. Bundels met gelegenheidsgedichten, zoals stads- of plattelandsgedichten, laten meestal dezelfde tekortkoming zien. Een verzameling gedichten is nog geen poëziebundel, een taalconstructie die op zichzelf bestaat. Uit de reacties die ik hier lees, is dat volgens recensenten onvoldoende het geval. Indien daarvoor goede argumenten, op basis van literaire criteria, worden aangevoerd, dan hebben dergelijke reacties hun rol te spelen in het (openbare) vertoog over literatuur. Ieder medium heeft eigen wetmatigheden. Door zich eraan over te leveren, mag het spel worden gespeeld.

 

 

Daniel Hugo. Haar woordpaljas laat ons steier

Saturday, March 28th, 2020

 

Dit lyk of die Afrikaanse digbedryf ’n waterskeidingsoomblik bereik het. Die voorheen selfgepubliseerde digter Francis Grobler se bundel Nagblind is deur die hoofstroomuitgewery Naledi uitgegee. Dit is haar vierde publikasie in hierdie genre. Die bundel kom vergesel van aanbevelings onder andere deur die bekende skrywers Dana Snyman en Koos Kombuis, asook die sanger en liriekskrywer Richard van der Westhuizen. Op die agterplat staan ’n uitspraak van Antjie Krog: “Daadwerklike talent wat ’n eie interne woordeskat tot stand bring.”

Die enigste onbekende aanbeveler in dié deurlugtige geselskap is Berdéhan Brand wat homself bekendstel as “digter, resensent, vryskut en keurder by hoofstroomuitgewers”. Sy blakerteks word ook as mediavrystelling gebruik deur die uitgewery.

Hier is die teks:

“Francis Grobler skuif die sluier van ’n verskuilde wêreld met ’n afgerigte werklikheid en konformiteite oop met ’n moderne benadering tot digkuns. Die digbundel se outentieke benadering dra by tot ’n skaars, maar nodige kommoditeit in Afrikaanse poësie. Nagblind is ’n kragtige, eiesoortige en eenmalige lesers-ervaring. Die woord word verhelder deur retoriek en metafore wat vonk en word sterk beeldend verwoord. Dit delf in die geestelike dimensie en verfyn en rond die eindproduk tot ’n ‘andersheid’ af wat ver verby die grense van konvensies gaan en aan die geskrewe woord ’n nuwe betekenis gee. Nagblind breek behoorlik die skedels tot nuwe denke.”

Hierdie wartaal (soos metafore wat “beeldend verwoord” word) klop met die troebel segswyse en gedagtegang van die verse self:

            Denke is abstrak

            ’n terminale oomblik van iets wat saakmaak –

            tydelik of terloops

            geen blinde nag haal asem nie.

In ’n resensie op Moerala Media skryf die digter, romanskrywer en taalkundige Hans du Plessis onder meer: “Vir my is Nagblind van Francis Grobler een van die opwindendste debute (sic) van die afgelope tyd, nie net om die pragtige poësie daarin nie, maar ook om die diepte van die dink in die bundel.” Verder herinner die verse hom aan dié van Ingrid Jonker.  As ’n voorbeeld van die voortreflikheid van haar poësie haal Du Plessis onder meer die gedig hier bo aan.

Gewone denke is inderdaad abstrak, soos wat Grobler in die gedig beweer. Digterlike denke daarenteen is meestal konkreet beeldend van aard en hierdie vier reëls bevat inderdaad beeldspraak.

Maar maak dit sin?

Sy omskryf denke as ’n “terminale oomblik”. Dit verdwyn dus net so vinnig as wat dit verskyn. Wat “saakmaak” bestaan dan in ’n oogwink nie meer nie. Denke is dus by implikasie nutteloos. Waarop “tydelik of terloops” moet dui, is glad nie duidelik nie. Die sprong na die “blinde nag” wat nie “asemhaal” nie, bly duister. In elk geval is die personifikasie van ’n nag wat sou kon asemhaal as hy nie blind was nie hopeloos vergesog.

Ek is dus glad nie soos Du Plessis oortuig van die “diepte van dink” by Grobler nie.

Terloops, Du Plessis is nie ’n gereelde resensent van digbundels nie. Dieselfde geld vir Koos Kombuis, Dana Snyman en Richard van der Westhuizen. Om nie eens te praat van Berdéhan Brand nie. Krog en Du Plessis is wel erkende begeleiers van aspirant-skrywers.

Hoe is dit moontlik, vra jy jou af, dat soveel groot name in die literêre wêreld so oorboord kan gaan. Wat het geword van ’n nugter oordeel? Intussen plaas die digter die een video ná die ander op Facebook waarin haar gedigte voorgelees word.

Toe, op Versindaba verskyn ’n oorwoë resensie deur ’n ervare en belese resensent wat self ’n digbundel by Naledi die lig laat sien het: Nini Bennett. Sy wys onder meer op die volgende gebreke van die bundel: “’n Logiese poëtikale verloop ontbreek en botsende metafore vier hoogty.” Sy praat van “amorfe poësie” wat herinner aan – met verwysing na J.C. Kannemeyer se uitspraak in sy literatuurgeskiedenis – die Afrikaanse digkuns van die 1970’s. Sy tipeer die gedigte met die volgende frases: “stilistiese armoede en gebrek aan verstegniese beheer”, “potsierlike sameflansings van woorde” en die “mildelike gebruik van poëtiese clichés en die gesogte woord of beeld.”

Onmiddellik bars ’n storm los. Die digter se ondersteuners sak so hewig op die resensent toe dat die webmeester, Marlies Taljard, verplig voel om van die felste kommentaar te verwyder omdat die resensent persoonlik aangeval en beledig word.

Hier is ’n voorbeeld van so ’n reaksie. Ene Estelle skryf: “Hierdie sg. ‘resensie’ het my sprakeloos gelaat. Ek het nog nooit so ’n wrede, gevoellose en vernederende aanval op ’n digter gelees nie. Was dit nou werklik nodig? Die hele betoog is weersinwekkend en negatief en laat ʼn bitter smaak in jou mond. Hierdie begaafde digter verdien dit nie. Ek stel voor dat dit onmiddellik onttrek word. Dis onaanvaarbaar en gemeen.”

En Alida braak soos volg haar gal: “Aarde sluk dié gekots tog in. Wat op dees aarde het ek sopas gelees? Die enigste ooglopende afleiding wat mens kán maak, is die volgende. Hoofstromers, Ressesente (sic), die hooggeplaasdes (sic) m.a.w., sluk swaar aan die golf van núwe, briljante en geliefde Digters, waarvan hulle nie hou, op húlle uitgediende speelveld waarvan die gras verbleik het, nie.”

Nadat Engela O probeer het om die logika en geldigheid van Bennett se redenasie te ontsenu, kom sy tot die volgende slotsom: “Bennett se resensie is uiters persoonlik en ongegrond. Dit dui op haar persoonlike gevoelens en daar is ’n duidelike gebrek aan insig. Die resensie steun swaar op Kannemeyer se konsepte, en daar is dus ’n ook ’n gebrek aan relevansie en oorspronklikheid. Bennett sluit af met: ‘In Nagblind is daar té veel voetwerk en te min poësie’. Dit is sogenaamde ‘resensies’ soos hierdie wat die beste digters van ons tyd probeer stilmaak en hulle digterlike vryheid wil versmoor.”

Die probleem is dat sosialemediadigters almal deur ’n hoofstroom-uitgewer gepubliseer wil word, maar nie die spelreëls van die gevestigde literatuursisteem wil aanvaar nie. Hulle en hul akoliete verwag louter akklamasie en bewondering.

En dan vra Elmarie Viljoen-Massyn die vraag wat my ook laat wakker lê: “As ’n mens Hans du Plessis se resensie op Maroela Media lees, sou mens nie sê dit is dieselfde bundel wat Nini Bennett onder oë gehad het nie. En as Antjie Krog sê iemand het ‘daadwerklike talent’, wie’s ek om te stry? Dus: Waarom sê Krog en Du Plessis sus en Bennett so?”

Inderdaad. Het die hoofstroom-digters, die gekanoniseerdes, die poëtiese kluts kwytgeraak? Is hulle almal verblind deur Nagblind? Of is Francis Grobler se gedigte wel iets nuuts en opwindends in die Afrikaanse literêre arena?

Die literator Helize van Vuuren dink klaarblyklik so in haar kommentaar. Sy verwys na ’n gedig wat Bennett in haar resensie aanhaal: “’Kopklank’ is vir my ’n skitterende vers. Kyk met ʼn vars oog, gebruik ʼn vars taal, hang nie moeg en verkreukeld aan ou tegnieke soos eindelose rym en ou vorme nie. Strik nie mooi prentjies nie. Slaan ʼn bres in verlepte sienings van die mens en sy maniere van ‘syn’…”

Die enigste erkende digter en literator wat Bennett ondersteun, is Gisela Ullyatt (wat die afgelope tyd uitstekende resensies vir haar debuutbundel, Die waarheid oor duiwe, ontvang het): “Bennett se resensie is uiters relevant, juis omdat sy nié die digter aanval nie, maar uiters professioneel die mankemente in die bundel aan die hand van gestaafde voorbeelde uitwys.”

Boerneef het ’n vers geskryf oor digters wat hy as pretensieus en onverstaanbaar ervaar het: “sy woordpaljas die laat my steier”. Die slotreëls van dié vermaaklike gedig lui só:

            Babel se toring staan hand in die sy

            en skud soos hy lag oor die gektalery.

Ek staan aan die kant van Boerneef, Bennett en Ullyatt op hierdie waterskeidingspunt.

Daniel Hugo

28 Maart 2020

  •