Posts Tagged ‘Herman Gorter’

Edwin Fagel. Mooi (3)

Sunday, November 13th, 2011
Herman Gorter (1864-1927)

Herman Gorter (1864-1927)

Herman Gorter – Liedjes aan de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid (1930)

Met zijn bekende ‘Zie je ik hou van je’ (uit de Verzen van 1890) schreef Herman Gorter al op jonge leeftijd een gedicht dat nu nog geldt als een klassieker. Ik ken in de Nederlandse poëzie geen gedicht dat net zo direct en net zo geladen is. De eenvoud van het gedicht is verraderlijk: iedere verliefde tiener zou ze kunnen uitspreken. Maar ik denk dat geen enkele dat inderdaad zo zou kunnen. Want behalve de evidente liefdesverklaring die het gedicht verwoordt, en die feitelijk het ‘I love you, please be true’ – gehalte van een middelmatig popliedje niet overstijgt, getuigt het gedicht ook van een romantische inborst die bijna te groot is voor één man, en – wellicht daardoor – van een enorme spanning en onzekerheid. Met name de slotstrofe (‘Zie je ik wou graag zijn / jou, maar het kan niet zijn’) vormt de opmaat van de diepe wanhoop waar de Verzen uiteindelijk in eindigen.

Gorter schreef de Liedjes aan het eind van zijn leven. Hij stierf in 1927 en de bundel verscheen postuum in 1930. Na het communistische epos Pan (1916) had Gorter geen gedichten meer gepubliceerd. De verschillende postume publicaties laten zien dat hij in de laatste tien jaar van zijn leven misschien wel zijn sterkste werk schreef.

In de Liedjes laat Gorter zien dat hij nog steeds de gave had om onthutsend direct te formuleren. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Het is niet waar dat dit het zonlicht is’:

Het is niet waar dat dit het zonlicht is,

Gij zijt het.

Dit is ook niet de wind die over het water blauwt,

Die is zoo zacht niet,

Gij zijt het.

Dit is ook de aarde niet, de hemel niet,

Zoo schoon zijn die niet. Gij zijt het.

Wat bij ‘Zie je ik hou van je’ nog een bijna doorsnee liefdesverklaring van een jongen aan een meisje was, is in dit gedicht een alomvattende liefdesverklaring aan wat hij ‘de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid’ noemde. Hij drukte daar een heilsverwachting mee uit, een bijna mystiek ideaal dat hij verwachtte van de vervulling van het communistisch ideaal. De flaptekst van mijn exemplaar (bezorgd door Jacob Groot) zegt het eigenlijk wel goed: “In Liedjes lukt het Gorter tot een late, grootse synthese te komen van pure, erotische lyriek en idealistische verwachtingspoëzie, waarbinnen zijn hoofdmotieven ‘landschap’, ‘lichaam’, ‘liefde’ en ‘licht’ mysterieus versmelten.”

De bundel is opgebouwd uit drie delen van in totaal 11 reeksen, opgebouwd uit overwegend korte en zeer korte – maar tegelijk zeer rake en directe – teksten. Het hierboven geciteerde gedicht is bijvoorbeeld nog een van de langere. Niet toevallig schemert in het woord ‘blauwt’ iets van de jongere Gorter door. De Gorter van Verzen maakte wel vaker werkwoorden van zelfstandig of bijvoeglijk naamwoorden, of andersom. Hij ontwikkelde een woordenschat die het meest precies uitdrukte wat hij wilde zeggen.

Hier gebeurt iets dergelijks. Strikt genomen ‘blauwt’ de wind niet, die is kleurloos. Maar dat ene woord roept het beeld op van een oceaan waarbij het water af en toe door de wind wordt opgelicht. Het is opmerkelijk dat hij dat hier doet op een plek waarbij het hem duidelijk niet primair om de natuur is te doen, maar om hetgeen zich daarachter, of daarboven, bevindt: ‘Gij zijt het’. De formulering is, vermoed ik, bewust plechtstatig: het gedicht krijgt daardoor het karakter van een gebed.

De bundel is hecht gecomponeerd en bestaat zoals gezegd uit drie delen: ‘Bij het naderen van de revolutie’, ‘Bij het komen van de revolutie’ en ‘Bij de nederlaag der revolutie’. Er wordt bij voortduring een Geliefde aangesproken. Deze Geliefde is al direct mystiek, al wordt ze ook op diverse plaatsen zeer lijfelijk beschreven. Tot de dichter tot de conclusie komt: “Niet uw lichaam, / maar uwe ziel”. In de latere delen wordt ook het woord gericht tot bijvoorbeeld de Strijd, de Vrijheid, het Gouden Meisje, en het ligt voor de hand dat er voor de dichter geen onderscheid bestaat tussen deze zaken. De communistische revolutie wordt in de bundel verheerlijkt als de verwezenlijking van een utopie – de symbiose van het communisme, de geliefde en de natuur. Het is de concretisering van een heilsverwachting voor de hele mensheid die voor de dichter gepaard gaat met een extase die vergelijkbaar is met die van mystici als Hadewijch.

Al tijdens het leven van Gorter liep het verkeerd met het communisme (enkele gedichten uit de Liedjes drukken Gorters zorg daarover uit). Ik denk dat het idealisme van Gorter uiteindelijk niet zo heel veel meer met het communisme te maken had. Het was de uitdrukking van een menselijk verlangen naar eenheid, geluk en harmonie. Anderen noemen een dergelijke heilsverwachting Boeddha, God of Hemel. Bij Gorter was het communisme een ideaal dat hij in de werkelijkheid wilde verwezenlijken, maar waar hij uiteindelijk enkel gestalte aan kon geven in de poëzie.

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Poëzie-inspectie (1)

Friday, January 14th, 2011

Gorter

Gorter

‘Goedenavond. Vagel is de naam, van het PIK, Poëzie Inspectie Kadaster.’

‘Goedenavond.’

‘Ik zie dat u hier een gedicht van Gorter aan de muur hebt.’

‘Ja. Ja, inderdaad. Dit is eetcafé Gorter, vernoemd naar de dichter Herman Gorter, u als poëzie-inspecteur zult hem zeker kennen.’

‘Zeker.’

‘Gorter heeft hier in Bergen gewoond en was een prominent lid van de dorpsgemeenschap. Met de naam van ons eetcafé, een literair café mag ik wel zeggen, willen wij deze dichter, die van grote betekenis is geweest voor de Nederlandse poëzie, een eerbetoon brengen.’

‘Dat snap ik, dat snap ik.’

‘Kan ik iets voor u betekenen?’

‘Eén moment. Laat eens zien. Zie je ik hou van je,/ ik vin je zoo lief en zoo licht – tadam, tadam…’

‘Een zeer aangrijpend gedicht vind ik zelf.’

‘Zeker. En je neus en je mond en je haar, pom pom…Wat is dit!? Het licht is om je, je bent!?’

‘Ja?’

‘En dan begint de volgende strofe: O ja, ik hou van je, ik hou zoo vrees’lijk van je!’

‘Ja?’

‘Je bent? Je bent wát?’

‘Eh, lief?’

‘Moet dat er niet staan dan?’

‘Nou ja, het is poëzie hè.’

‘Juist. Een eerbetoon aan Gorter. Eens zien, Verzamelde lyriek, pagina 170. Het licht is om je, je bent/ nu toch wat je eenmaal bent. Waarom staat dat er niet?’

‘Nou ja weet u, dat gedicht is opgeschreven door Marjan, omdat zij zo’n mooi handschrift heeft. Ik ben bang dat ze niet veel kaas heeft gegeten van het werk van Gorter, ha ha.’

‘Is dat Marjan?’

‘Dat is Marjan, ja.’

‘Juist.’

‘We hebben er anders nooit klachten over gekregen hoor.’

‘Nee dat zal wel niet. Maar fout blijft het. Wat denkt u daar aan te doen?’

(stilte)

‘Heeft u de stift nog?’

‘Ik zal Marjan vragen…’

‘Geeft u maar. Marjan heeft al genoeg schade aangericht.’

‘Natuurlijk.’

‘Verder kan dit natuurlijk niet zonder consequenties blijven.’

‘U bedoelt?’

‘De boete voor een dergelijk vergrijp is vastgesteld op 1500 euro. Als dat u te gortig is – ha, ha, gortig… Als dat u te gortig is, zal mijn collega hier conform de poëtische artikelen in het Wetboek van Strafrecht u en Marjan het aldaar omschreven aantal stokslagen toedienen.’

‘Dat liegt er niet om meneer de poëzie-inspecteur.’

‘Ja, het PIK is niet kinderachtig. De laatste optie is dat u mij en mijn collega één van uw befaamde maaltijden aanbiedt. Ik heb trek in de carpaccio en daarna de Portobella Pasta alstublieft. En doet u er maar een lekkere jonge jenever bij.’

 

Edwin Fagel. Ansichten van O.

Tuesday, June 22nd, 2010

Au Lapin Agile

Au Lapin Agile

 

 

 

[1]

 

Hoi Edwin,

 

Als je weer eens in Parijs bent, is Au Lapin Agile een mooie plek om naartoe te gaan. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam Picasso hier veel, en een decennium later Du Perron. Nu is het een toeristisch ding, maar het cabaret is er nog steeds heel erg goed.

 

Bij het Gare du Nord werd ik aangesproken door een man van middelbare leeftijd. Hij wilde me bekeren. Omdat deze man me heel aardig leek, en hij oprecht begaan leek met mijn zielenheil, heb ik even de tijd genomen om met hem te praten. “Als ik kon,” zei hij, en hij maakte er de bijbehorende handgebaren bij, “dan zou ik mijn geloof vanuit mijn hart in het uwe planten.” Ik heb afscheid van hem genomen omdat M. in het hotel op me wachtte, de man bleef me nakijken tot ik de straat uit was.

 

Daardoor moest ik aan jou denken. Jij vergelijkt de manier waarop jij kunst beleeft consequent met het geloof. En als het op geloofskwesties aankomt, wordt het al snel een welles nietes. Ik denk dus dat het inderdaad het beste is het bij je slotopmerkingen daarover te laten. Maar net als jij wil ik dat niet doen zonder citaat. Maar dat moet even op een volgend kaartje.

 

 

J'aime Paris

Parijs

 

 

 

[2]

 

Dit gedicht over kunst en werkelijkheid komt uit de nieuwe (prachtige) bundel van Wouter Godijn, Wiegeliederen en blaasmuziek. Het vat onze discussie tot nu toe volgens mij mooi samen. En relativeert hem tegelijkertijd:

 

De echte wereld

 

Moet je die boom zien, natuurlijk

is dat een echte boom. Daar kun je toch niet aan twijfelen?

 

            Die dikke, vaderlijke stam,

            die diepgravende wortels,

die breed uitwaaierende bladerenkroon.

 

Het summum van boom, de oerrrrrrr-boom,

zo’n boom zoals je als kind

tekende (en dus niet echt).

 

En die vrouw, moet je haar borsten zien haar tieten net de zon, als je er lang naar

            kijkt zie je niets meer behalve… behalve haar…

Zo’n vrouw, daar wil je toch mee dan ga je je toch niet zitten afvragen of zo’n

            vrouw wel echt…

 

            Wat?

            O.

            Wist ik

            niet.

            Nee,

            ik wist niet dat u er zo tegen aan keek.

            Absoluut niet.   

Nee.

Neenee… Ja,

dat verandert de zaak.

Uw redenering is me nu glashelder.

Het lijkt of ik me in een donkere kamer bevond

tot u het licht ontstak.

U hebt me volkomen, maar dan ook vól-kó-mén overtuigd.

Nederig

kniel ik voor u in het stof. Nederig. Wat

kan ik nu nog zeggen? Dat

de verschijnselen spelen?

 

met ons, trillend van hartstocht

 

verschijnen ze, maar zodra

we ze benaderen snellen ze

weg – zoals uw argumenten.

 

Kijk daar! Een echte luchtspiegeling!

 

(Uit: Wouter Godijn: Wiegeliederen en blaaskikkermuziek, Uitgeverij Contact, 2010)

 

Ik moet nu nog even wachten op M., hij staat onder de douche. We gaan straks naar het Centre Pompidou, eindelijk ga ik die Picasso waar je zo enthousiast over was in het echt zien. Het weer is hier trouwens

 

Centre Pompidou

Centre Pompidou

 

 

[3]

 

heerlijk, we hebben gisteren de hele dag rondgehangen in Montmartre, rond de Sacre Coeur.

 

In de trein hier naartoe trouwens een lange discussie met M. gehad, over onze briefwisseling. M. vindt dat je, als je het in je brieven over poëzie hebt, het alleen over een bepaald soort poëzie hebt. Bij veel dichters is de interpretatie wat minder problematisch dan jij voorstelt. Dus: hoezo heeft de dichter geen invloed op hoe de lezer zijn gedicht begrijpt? Dat komt natuurlijk neer op die ellendige Verstaanbaarheidsdiscussie (hoe denk jij daar trouwens over?). Ik heb geprobeerd jouw standpunt uit te leggen, maar daarbij merkte ik dat ik een aantal zaken niet goed kan plaatsen.

 

Je schrijft bijvoorbeeld dat je als dichter niets met je lezer hebt te maken. Houd er dan ook rekening mee, zou ik zeggen, dat de lezer zal vinden dat hij niets met je gedichten heeft te maken – en dat hij ze links zal laten liggen. En zonder lezer ben je geen dichter. Je identiteit wordt door je omgeving bepaald, niet door jezelf. Dat weet jij ook. Mij kun je dus niet wijsmaken dat het jou niet kan schelen wat andere mensen van je gedichten vinden. Ook jij trekt je de reacties van lezers aan. En dat lijkt me logisch. Me dunkt dat de dichter alles met zijn lezer te maken heeft. Anders lult hij maar wat in de ruimte.

 

Weet je trouwens dat ik Pan aan het lezen ben? Dat komt door Kees ’t Hart,

 

Picasso, Au Lapin Agile

Picasso, Au Lapin Agile

 

 

[4]

 

(mijn laatste kaartje), Kees ’t Hart dus, die er tijdens de Gorter-avond op Poetry International een heel bevlogen verhaal over hield. Ik weet niet meer precies wat hij zei, maar hij somde een reeks kritiekpunten op die altijd worden genoemd in het betoog waarom Pan zo’n gedrocht is (pathetisch, politiek onjuist, onsamenhangend, etc.). Toen zei hij: als ik al die eigenschappen zo eens bekijk: dat zou best eens een verdomd goed gedicht kunnen zijn! Dat vond ik interessant.

 Je bedoelt dus zeker, als je zegt dat je niets met de lezer te maken hebt, dat een dichter het lef moet hebben rücksichtslos zijn eigen weg te gaan? Daarin geef ik je natuurlijk gelijk. Maar het is volgens mij zo goed als onmogelijk, als je tenminste niet als een blind paard alle reacties en recensies naast je neer wil leggen. Je kunt ook een volkomen verkeerde weg inslaan, namelijk, en dan heb je niet zoveel aan je lef.

 

M. staat naast me ongeduldig te zijn, ik sluit af. Leuk trouwens je weer te spreken op Poetry, maar veel te kort weer natuurlijk. Ik bel je zodra we terug zijn!

 

Groetjes uit Parijs dus (zou ik die nog bijna vergeten..)

O. (& M.)

 

(Edwin Fagel)

 

 

 

           

 

 

 

Edwin Fagel. Antwoord van O.

Friday, April 2nd, 2010

 

Hoi Edwin,

 Er worden in Moskou mensen opgeblazen in metro’s. Mensen in Haïti creperen in tentenkampen. Het schandaal binnen de katholieke kerk wordt grotesk. De PVV dreigt een machtige partij te worden. Een meisje in Dordrecht wordt op een doordeweekse avond zomaar vermoord. Dit is een ontzettend heftige tijd, op meerdere gebieden. Waar denk jij de luxe vandaan te halen om op je kamertje te gaan zitten mijmeren over zoiets als de verhouding tussen kunst en werkelijkheid? Sta je dan niet juist los van de werkelijkheid die je zoekt? 

C.O. Jellema (1936-2003)

C.O. Jellema (1936-2003)

Je vraagt me wat ik denk dat het ‘waarheidsbeginsel’ van Jellema is. Je hebt je bedenkingen bij zijn term, maar spreekt ook het vermoeden uit dat jij en Jellema ongeveer hetzelfde bedoelen. Welk antwoord verwacht je van mij? Wil je dat ik je uitleg wat Jellema bedoelde, terwijl hij er zelf een heel oeuvre over heeft gedaan om dat onder woorden te brengen? Ik kan je alleen vertellen waarom ik je dat bundeltje toestuurde.

 

 

Of jouw ‘werkelijkheid’ overeen komt met de ‘waarheid’ van Jellema kan ik je niet zeggen. Je hebt niet gezegd wat jij met die term bedoelt. Ik zou zeggen dat Jellema’s ‘waarheid’ volgens mij in de kern religieus is – maar zonder dat het zich voegt naar de een of andere kerkelijke doctrine. Je zou het dus heel wel ‘God’ kunnen noemen, als dat woord niet zo beladen was geweest. Gorter noemde het ‘communisme’, Hadewijch noemde het ‘Minne’, Duinker noemde het ‘De waarheid waarover ik niets weet te zeggen’. Allemaal noemden ze het anders, maar volgens mij bedoelden ze ongeveer hetzelfde. En allemaal probeerden ze het via de poëzie te bereiken, of ten minste te vatten.

 Ik ben ervan overtuigd dat al deze noties ficties zijn. Kennelijk hebben mensen een dergelijke fictie nodig om hun leven draaglijk te houden. Ze bedenken stuk voor stuk een ideaal en gaan daar naar op zoek. Waarom? Het dagelijks leven heeft ook zonder dat voldoende te bieden, lijkt me zo.

 In een interview zei Jellema eens:

 Een gedicht maken is een vorm van werkelijkheidsbeleving. Het is een manier van ‘er zijn’ die heel intens is, die ik ook heel intens beleef. Ik denk dat ik zelden zó het gevoel heb er te zijn als bij het maken van een gedicht. In die zin is het een soort creëren van een werkelijkheid.

 Daar moest ik aan denken toen wij elkaar laatst spraken. En ik herhaal mijn vraag: waarom zou je een extra werkelijkheid creëren? Is de werkelijkheid die we hebben niet voldoende?

 In een ander interview noemde hij het een behoefte aan ‘ontgrenzing’:

Het verlangen volledig op te gaan in mijn omgeving. Het verlangen naar het opheffen van het ik.

Ook dat roept de nodige vragen op, vind ik, want het opheffen van het ‘ik’ lijkt me tegengesteld aan het ‘er zijn’. En waar komt dat verlangen naar het opheffen van het ‘ik’ vandaan? Het is kennelijk een behoefte die meer dichters en mystici voelen – jij dus ook al. En ik snap wel dat ook dit een ‘vorm van werkelijkheidsbeleving’ is, dat hij de werkelijkheid zo intens wil beleven dat hij erin op wil gaan. Maar dan nog: is deze vorm van werkelijkheidsbeleving niet net zo goed een fictie?

 De citaten van Jellema die je aanhaalde lijken me overigens helder genoeg. Als het schrijven van een gedicht het creëren van een werkelijkheid is, dan is het noodzakelijkerwijs alleen een werkelijkheid (of waarheid) binnen de grenzen van het gedicht zelf – en alleen ‘werkelijk’ of ‘waar’ voor degene die het gedicht leest (vooropgesteld dat die het óók als ‘werkelijk’ of ‘waar’ ervaart). Het gedicht kan misschien een algemeen geldende waarheid verwoorden, of dat pretenderen, maar het kan nooit een algemeen geldende waarheid zijn.

 

Is dat een beetje een antwoord op je vraag?

 

Ik sluit – net als jij- af met een gedicht. Het komt uit een bundel van Jellema die jij dus minder goed kent, namelijk In de koude voorjaarsnacht (1986), en ik kwam het vannacht – een koude voorjaarsnacht- weer tegen. Volgens mij zal het je wel aanspreken:

 

Ben ik jou aan de dingen kwijtgeraakt?

Weer die verstrooiing die geen woord kan bannen

voorgoed, hoe ook mijn zinnen zich inspannen

jou te beogen als een ongemaakt

 

beeld van aanbidding dat over mij waakt.

Boaz. De dragende. Uit vele mannen.

Aren te lezen, de korrels te wannen

van verre komend en tot nu genaakt,

 

zie ik je staan, de hoge, in het veld

met hoofd en schouders tot de sterren reikend

bijna, dit land bezit, jij eigenaar.

 

Erf, erfgenaam: in mijn vertaling waar

zolang ik het geloof, zolang ik kijkend

jouw beeld als landschap ken. En zo gespeld.

 

 

Als altijd hartelijk,

 

Je

O.

 

(Edwin Fagel)

 

  •