Posts Tagged ‘Hester Knibbe’

Luuk Gruwez. Een remake van de schepping

Tuesday, July 1st, 2014


***

De auteur: Een van de grootste en meest aangrijpende Nederlandse dichters.  

Het boek: Na ‘Het hebben van schaduw’, drie jaar geleden verschenen, een dichtbundel waarin de aloude thematiek van de menselijke conditie, het verlies en hoe dit in een poging tot vitalisme om te buigen, verder wordt uitgediept.

ONS OORDEEL: Een bundel die niet alleen overtuigt door zijn vakmanschap, maar ook door de wijze waarop hij de lezer emotioneel betrekt bij de retouches van de schepping.

***

Wat is archaïsch in de poëzie van Hester Knibbe? Datgene wat mensen, zoniet met dieren, dan toch met hun voorouders gemeen hebben, simpele rituelen waarin zij een confrontatie aangaan met allerlei goden die hen de kans zouden moeten bieden uit te stijgen boven de beperkingen van de menselijke conditie. In deze poëzie worden allerlei handelingen ondernomen, offers gepleegd, kleine en grote daden gesteld waardoor een mens zich probeert te onderscheiden en uit te stijgen boven het feit dat hij in essentie ook maar een dier is.

Dat dier zelf is schuldeloos. Zo niet de mens. Hij heeft iets van zijn simpele dierlijkheid behouden, maar is daarnaast beladen met angst en schuld. Dit besef is er al vanaf het motto van Queen (‘very, very fright’ning me’). Waarom zijn wij toch zo bang en wat maakt ons zo schuldig? Daar hebben een leeuw en een lam vast geen last van.

De mens, daarentegen, is van meet af aan een dader, indien al niet een misdadiger. Tenminste vanuit onze huidige blik. Knibbe neemt evenwel diens verdediging op zich. De titel van het eerste deel van de bundel, ‘Vrijspraak voor Kaïn’, geeft daarvan blijk. Veel in deze verzen getuigt er namelijk van dat een mens een gedetermineerd wezen is. Waarom dient Kaïn vrijgesproken? Omdat hij het ook niet helpen kan dat hij een product van dierlijkheid is. Hij verschilt niet wezenlijk van een roofdier, maar heeft in feite niets kwalijks in de zin. Hij volgt alleen maar zijn natuur. Het is een kwestie die hier permanent aanwezig wordt gesteld. In een interview van eind 2013 met het tijdschrift Liter stelt de dichteres onomwonden deze vraag: ‘Wat maakt een mens tot wat hij is: een heilige of een misdadiger?’

In de hele eerste cyclus ‘Pro domo’ houdt Hester Knibbe zich bezig met de schepping. Zij herschrijft die als het ware ten behoeve van haar pleidooi voor Kaïn. En ze buigt zich over hoe het allemaal begonnen is en over hoe het straks eindigen moet. Uit de gang der natuur en de groei der vruchten leidt zij het volgende af: ‘Dus moest er wel (…)/ meer zijn onder de zon, iets/ wat je aanvang zou kunnen noemen en einde.’

Vanaf dan ontstaat er iets dat mede oorzaak van een pak ellende is: het grote weten,  instrument van de bedreiging. Zelfs dieren zijn ermee behept, want zij kunnen geluid interpreteren als een sein voor gevaar. Maar bij mensen resulteert het weten in meer dan alleen maar een dierlijke impuls. In een hele woordenschat bijvoorbeeld (en a fortiori in poëzie). Maar alwetendheid is beslist niet alleen een zegen. Zij is, schrijft Knibbe, iets wat wij ongewild mee hebben gekregen en is controversieel: zij houdt namelijk ook het besef van vergankelijkheid in.

De mens ervaart zijn lichamelijkheid op zich als schuldbeladen, of dit nu terecht is of niet. Nooit is zij geheel vrij te pleiten van vernietigingsdrift. ‘ondanks je zachtheid ben je/ geschapen voor de verwoesting,’ staat er. Die vernietigingsdrift lijkt zelfs noodzakelijk voor de bevestiging van het eigen bestaan. En in de aangrijpende cyclus ‘Zog’ blijkt hoeveel eigenlijk met de moedermelk is ingegeven. Het is in deze poëzie niet altijd even helder wie dader en wie slachtoffer is. De moeders, hier nogal talrijk present, zijn bijvoorbeeld lang niet altijd onschuldig. Zulks moge bijvoorbeeld blijken uit een gedicht over de zaak Sietske H., een moeder die vier van haar pasgeborenen heeft vermoord, in koffers heeft opgeborgen en op zolder bewaard. ‘Ik baarde/ vormfout op vormfout,’ laat Knibbe haar beweren. En ze laat haar een spel van dood en leven aangaan. Enerzijds wil zij haar kinderen niet in leven laten, anderzijds wil zij hen wel bewaren: ‘wat je in je/ (…)/ droeg wil je niet kwijt.’. Ook in Knibbes vroegere poëzie was dit al een belangrijk thema. De doden mogen nooit helemaal dood. Ze moeten weer tot leven worden gezongen in een zang die niet schuldeloos is en waarin de anderen – mens of dier –  soms dienen geslacht: alsof zij pas dan zelf tot ontplooiing kunnen komen. Allemaal goed en wel, zegt Knibbe, maar de kinderen dienen met rust gelaten. Dit is haar morele amendement: ‘Onder de Melkweg zonovergoten/ archaïsch de dieren. Maar laat/ (…)/ de kinderen met rust, zij moeten nog/ komen te weten.’

Als vanouds zitten er ook nu weer veel ingrediënten uit de bijbel en uit de Grieks-Latijnse beschaving in deze verzen. Wij krijgen een bijzonder intrigerend beeld van het Griekse Thebe, waarvan de archeologische site inmiddels verdwenen blijkt. Thebe zou de stad moeten zijn waarin men thuis kan komen en zich geborgen kan weten, maar wat hier wordt geschetst, is juist een plek die voor afwezigheid staat: ‘Waar zijn de poorten van de oude stad?/ De poorten zijn afgebroken.’

‘Er is altijd’, het tweede deel van de bundel, bevat tableaux vivants waarin de seizoenen elkaar opvolgen en waarin op zoek wordt gegaan naar het nog maar net ontstane, waaraan met behulp van verzen betekenis moet worden toegevoegd. Want dat is bij uitstek wat Knibbe fascineert: het eerste en het laatste. Zij onderzoekt wat het verschil daartussen is. Zij maakt het bestek op van wat zij ongeschonden kan overhouden en van wat dichterlijke restauratie behoeft. Zij trekt daarbij van leer tegen de menselijke geschondenheid. In absoluut fascinerende verzen.

 

Thebe

*

Waar is de oude stad?

De oude stad ligt iets verderop.

Waar ligt iets verderop?

Voorbij de splitsing, die moet je over.

Waar is de splitsing die ik over moet?

Vlak voor de plek die je zoekt.

Waar ligt de plek die ik zoek?

Binnen de poorten van de oude stad.

Waar zijn de poorten van de oude stad?

De poorten zijn afgebroken.

(c) Hester Knibbe

 

__________________

Archaïsch de dieren

De Arbeiderspers, 81 blz., 18,95 euro.

AANTAL STERREN:

****

Hester Knibbe


Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ‘n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)

 

 

  •