Posts Tagged ‘Jean Pierre Rawie’

Janita Monna. Nergens een lus of een knoopje of een rijm dat knelt.

Sunday, July 7th, 2013


Jean Pierre Rawie – De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag

Er is een nieuwe Jean Pierre Rawie. En ja, dat is opzienbarend. Want sinds 1999 had de Groninger dichter geen nieuw werk meer gepubliceerd, wat aan zijn populariteit overigens weinig afdeed. En bovendien verscheen wel de Rijmkroniek des Vaderlands, een episch historisch vers dat hij maakte met vriend en voormalig Dichter des Vaderlands, wijlen Driek van Wissen.
In De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag klinkt enerzijds een vertrouwde Rawie: de onmodieuze dichter wiens belangrijkste thema de vergankelijkheid is. Een die in heldere taal het raadsel van de tijd, het zinloze leven en de teleurstellingen in de liefde in vormvaste gedichten (sonnetten, kwatrijnen) giet. Een vorm die orde geeft aan wat chaotisch en ongrijpbaar is.
Toch is er ook iets veranderd. Werd Rawie eind jaren ’80 al minder ironisch en eerder melancholisch, maakte een studentikoze toon plaats voor een meer gestileerde behandeling van zijn thema, zo is deze bundel doorleefder.
Misschien komt dat ook doordat de dichter nauwelijks een jaar geleden voor de tweede keer in zijn leven door de dood op de vingers werd getikt: ‘Er ging iets binnen in mijn schedel stuk,/ waardoor een aantal dingen het niet doet.’ Hij kreeg een hersenbloeding, hij schrijft erover in De tijd vliegt…: ‘Ik ben weer op de been./ Althans. Het gaat best goed. Geen centje pijn.’ En poëzie werd, meer dan ooit, bittere noodzaak. Regels van oude Italiaanse dichters, van wie er weer enkele in vertaling in deze bundel staan, waren als een uitgeworpen reddingsboei, en maakten ‘het leven/ weer deels te dragen’.
Voelbaar is dat de dood ook werkelijk het enige uitzicht is. Het meest in de tamelijk ‘naakte’ verzen die zijn eigen ziekte tot onderwerp hebben. Maar zeker ook in de gedichten over zijn moeder, een dementerende vrouw die hij jaren achtereen in het bejaardentehuis bezocht en die uiteindelijk sterft, terwijl niets om haar heen haar nog vertrouwd is: ‘Of zij nog wist dat ik haar zoon/ was bleef onzeker, maar ze keek/ mij aan of ik op iemand leek.’
Rawies poëzie dankt zijn populariteit zonder twijfel aan zijn verstaanbaarheid en zijn helderheid. De helaas overleden Gerrit Komrij zag in het werk gedichten van een ‘terminale citeerbaarheid’, daarmee doelend op het feit dat Rawies regels nogal eens troost bieden bij Grote Gebeurtenissen. Verbazingwekkend is dat niet, want de gedichten zijn in hun levensgevoel voor velen herkenbaar, en nodigen door hun universaliteit uit tot iets als bezinning:

‘Je raakt de mensen en dingen kwijt,/ tot je het leven langzaam voelt verglijden/ en deel wordt van het raadsel van de tijd.’

Dat inzicht is niet nieuw en een gedicht van Rawie rammelt uiteindelijk niet aan de poten van je bestaan. Maar de perfectie waarmee hij zijn regels op maat snijdt, met nergens een lus of een knoopje of een rijm dat knelt, dwingt wel behoorlijk wat bewondering af.

Maar iets

Mijn moeder die haar lange laatste jaren
in een tehuis voor oude mensen sleet,
had na verloop van tijd steeds minder weet
van dingen die daarvóor haar leven waren.

Ze was haar man vergeten, lief en leed
dat zij om zijnentwille mocht ervaren,
de kinderen die zij had moeten baren
en dat ze die gevoed had en gekleed.

Alles verdween; zij ook. Het meest vertrouwde,
wat als ons lichaam eigen is, verdwijnt,
en waar wij onze ziel voor geven zouden,

het wordt als niets. Toch hoop ik op het eind
al was het maar iets vast te kunnen houden
van wat nu nog zo onontbeerlijk schijnt.

Jean Pierre Rawie – De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag. 60 bladzijden, 15 euro, ISBN 9789035138148

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

 

Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

Tuesday, December 11th, 2012

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

 Er verandert niet veel in de poëzie die Jean Pierre Rawie (°1951) de voorbije decennia geschreven heeft. Zijn thema is en blijft de strijd met de tijd. Een vroege bundel als ‘Het meisje en de dood’ (1979) had net zo goed door de inmiddels vijfenzestigjarige dichter geschreven kunnen zijn. Ook nu weer laat die zich voeden door domme illusies, maar hij weet dat hij niet eens mag hopen op een ex-aequo. Tot daar de niet erg verkwikkende gedachte die door dichters en door bomma’s en opa’s van alle tijden geregeld wordt geventileerd, zij het niet altijd op zo’n expliciete wijze als hier. Mogelijk daardoor en ook omdat er weinig variatie schuilt in de teneur van zijn poëzie, ondervind ik enige moeite om een kwaliteitsoordeel over Rawies jongste te vellen. Zijn gedichten zijn niet vies van romantische clichés en het is al vaker opgemerkt dat de maker ervan zich in zijn jargon van eeuw heeft vergist. Enkele schaarse nuances daargelaten, zou hij zijn poëzie in de negentiende eeuw hebben kunnen schrijven of zelfs in de renaissance: daarvan getuigen de vertalingen van voornamelijk Italiaanse renaissancedichters die als slotcyclus in ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’ zijn opgenomen. De wijze waarop het Tempus fugit-motief hier wordt behandeld is nergens bijster origineel. Wat meer is: Rawie schijnt niet in iets als vernieuwing te geloven. Wat baat het, lijkt hij te pretenderen, dat je je vernieuwt? In het licht van de voortvliedende tijd lijkt dat namelijk een ijdele – om niet te zeggen dwaze – onderneming.

Toch gaat er van deze poëzie steeds weer een herkenbare charme uit, met een aanzienlijke schaar van lezers tot gevolg. Misschien komt dit wel door het feit dat er maar weinig gerenommeerde dichters meer werkzaam zijn die niet terugdeinzen voor enig discutabel geflirt met het cliché of de kalenderwijsheid. Er gaat van iemand als Rawie na lectuur van een overvloed aan cerebrale poëzie in zekere zin iets verfrissends uit. De charme is, mij dunkt, vooral aan dit adagium toe te schrijven: je zult dan wel met zijn allen voor de verdommenis zijn bestemd, het is zaak enige grandeur te behouden, met chique wandelstok in de hand en binocle aan een kettinkje in de vestzak. Want weltschmerz is hier al vanouds een appellation controlée, het dichterlijke aroma dat van het antiquariaat. De ingrediënten van het romantische wereldbeeld zijn bekend. Er is de vergankelijkheidsgedachte die steevast culmineert in de dood. In ‘Necropolis’ dat over het Venetiaanse kerkhofeiland San Michele gaat, waar tal van beroemdheden hun laatste onderkomen hebben gevonden, staat dit te lezen: ‘De meeste doden liggen hier maar kort:/ de bodem biedt geen ruimte aan zovelen./ Hun resten worden zonder rituelen/ straks naamloos in een knekelput gestort.’ En het gedicht eindigt met deze regel: ‘waar zelfs de dood nog voor de dood moet wijken.’  Rawie heeft in zijn kleurenpalet altijd wel een zwart voorhanden dat nog zwarter is dan zwart. Niettemin zou hij geen Nederlander zijn wanneer hij zijn uitzichtloosheid niet kon opleuken met romantische ironie. Zo bijvoorbeeld in deze verzen: ‘Op straat kwam ik een middelbaar/ geworden dame tegen,/ en dacht met schrik dat ik met haar/ eens samen had gelegen./ (…) Ik wist haar naam niet meer, (…).’. 

Dat de dood komt, is een zekerheid, maar behalve middels ‘dichtkunst’ probeert de dichter hem te weren zonder zich te laten afhouden van zijn queeste naar de superieure geliefde, die helaas niet zelden een femme fatale is. De geliefde? Ofwel voert zij haar minnaar naar de afgrond, of zij is zelf al jaren dood, zonder dat het met de ik-figuur iets geworden is. Dit is met name het geval in ‘Eerste liefde’, een van de mooiste en tegelijk eenvoudigste gedichten in deze bundel. Hier is Rawie niet enkel charmant en dandyesk, maar ook aangrijpend. Iedereen weet van kindsbeen af dat alles voorbij moet gaan, maar toch houdt iedereen geen moment op te verlangen naar iets wat niet komt: ‘(…) wij hebben ons een leven lang verheugd/ op iets wat levenslang op zich liet wachten.Elders staat deze parafrase op Caesars ‘Veni, vidi, vici’: ‘(…) je kwam, je zag, en er was niets te winnen.’ En nog elders: ‘Je weet wel wat je wilt, maar niet of het bestaat.’ Een mens wordt gedreven door krachten die sterker zijn dan de ratio die hem dicteert dat alles op een nederlaag uitdraait.

De dichter is gefascineerd door het onherbergzame en het nagenoeg voorgoed verlatene. Dat uit hij in een aantal verzen met het Nederlandse landschap als onderwerp. Maar ook schetst hij een aantal Venetiaanse taferelen waarin hij zijn ik-figuur laat circuleren. Daarbij komt de tegenstelling aan bod tussen die ik voor wie het definitieve einde zo langzamerhand in zicht komt en de Dogenstad waarvan delen wel eens onder water komen te staan, maar die het toch steeds weer haalt van de zee. Dat definitieve einde openbaart zich op zijn scherpst in gedichten waarin Rawie het heeft over de beroerte die hem met verwaarloosbare handicaps heeft opgezadeld. Hier heerst een zekere gelatenheid, het gevoel dat het zoveel erger had kunnen zijn. Het is zelfs alsof die beroerte enige monterheid aan de tragiek toevoegt: ‘Hoe wankel ik ook sta. Ik handhaaf mij.’  En weer is die handhaving het meest mogelijk door de literatuur. Herstellend van zijn ziekte, vertaalt de dichter verzen ‘die ooit een Italiaan/ (…) voor iemand had geschreven.’ De fictie, die mogelijke vorm van onbestaan, blijkt dan toch troost te kunnen bieden. Anders gaat het er toe in verzen over zijn stervende moeder. In twee gedichten krijgen wij een inventaris van haar leven: ‘Een zevental dozen en zakken,/ een leven van negentig jaar/ liet zich in een paar uur verpakken,/ het was in een halve dag klaar.’ Dat is wat Jean Pierre Rawie in al zijn dichtbundels doet: een inventaris opmaken van een mensenleven en tot de vaststelling komen dat er aan het eind niet veel meer is dan bij het begin.

 

 

EERSTE LIEFDE

Mijn eerste liefde is al jaren dood.

De vijfde klas. Zij telde elf, ik tien.

Een voorjaarsdag. Haar voeten waren bloot

en in haar bloes kon ik haar schouders zien.

 

Ik was een knaap, zij werd al bijna vrouw,

en dit gevoel was nog te veel voor mij.

Ik wist geen woord voor wat ik zeggen wou,

mijn hart stond stil wanneer zij zelf iets zei.

 

Ze zat schuin vóor mij, en haar nek en rug

vormden het centrum van mijn klein heelal.

Dat zij bestond, maakte mij duizelig.

Zo was de wereld vóor de zondeval.

 

Er is nooit wat geworden tussen ons;

zij werd al vrouw, ik was nog maar een knaap.

De aarde dekt haar toe. Wat ondergronds

met haar gebeurd moet zijn, verstoort mijn slaap.

 

                      Jean Pierre Rawie

 

_______________________________

JEAN PIERRE RAWIE

De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag

Uitgeverij Bert Bakker, 65 blz., 15 euro

 

AANTAL STERREN:

 

***

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

  •