Posts Tagged ‘Jorge Luis Borges’

Jorge Luis Borges – vertaling in Afrikaans

Monday, July 16th, 2012

Jorge Luis Borges – vertaal deur De Waal Venter

 

Aan ‘n muntstuk

 

Koud en stormagtig die nag toe ek uit Montevideo gevaar het.

Om die Cerro,

gooi ek van die boonste dek

‘n munt wat glinster en wegraak in die modderige water,

‘n stukkie lig vasgevang deur die tyd en donkerte.

Ek het die gevoel gekry dat ek ‘n onomkeerbare daad gepleeg het,

wat die geskiedenis van die planeet aangevul het

twee aaneenlopende reekse, parallel, moontlik oneindig:

my bestemming,  gevorm uit angstighede, liefde en futiele moeilikhede,

en van daardie metaalskyfie

oorgegee deur die water aan die sagte dieptes

of na die verre seë wat nog steeds

knaag aan die oorblyfsels van die Saksers en die Fenisiërs.

Elke oomblik van my, slapend of wakker

pas by ‘n oomblik van die gesiglose munt.

Partykeer voel ek berou

en partykeer afgunstig

op jou, wat bestaan, nes ons, in tyd en sy doolhof,

sonder om dit te weet.

 

[Uit Spaans vertaal deur De Waal Venter]

  

Jorge Luis Borges

Jorge Francisco Isidoro Luis Borges (24 Augustus 1899 – 14 Junie 1986), bekend as Jorge Luis Borges, was ‘n Argentynse kortverhaalskrywer, essayis,  digter en vertaler, gebore in Bueno Aires. Kenmerkend van sy oeuvre is die “eienskap van onwerklikheid in alle literatuur”. 

Sy kortverhale word met mekaar verbind deur temas soos drome, labirinte, biblioteke, spieëls, diere, fiksieskrywers, filosofie, godsdiens en God. Hy het bygedra tot die fantasie-genre, ‘n genre wat gereageer het teen die realisme en naturalisme van die negentiende eeu.

Luuk Gruwez. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges

Tuesday, November 29th, 2011

 

Luuk Gruwez besprak de verzamelde gedichten van de Argentijn Jorge Luis Borges in een vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Zijn recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

NOG BEN IK, HOEWEL GEDEELTELIJK, BORGES

Vanaf de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw verwierf de reputatie van de Argentijn Jorge Luis Borges iets pontificaals, iets onbetwijfelbaars, hoewel het Nobelprijscomité jaar na jaar aan hem voorbijging. Inmiddels is die glorieperiode enigszins voorbij. Toch bewijst de editie van zijn verzamelde gedichten, vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, dat hij met name in zijn hoedanigheid van dichter een van de indrukwekkendste schrijvers van zijn eeuw is geweest. Merkwaardig, omdat hij zijn allerbeste poëzie pas na zijn zestigste heeft geschreven, nadat hij als dichter al dertig jaar had gezwegen. Hij was toen al goeddeels blind, maar beschikte kennelijk over iets als een klare inwendige blik.

Borges is de dichter van de denkbeeldigheid. Hij is de man van de mogelijkheden, van wat hij zelf ‘things that might have been’ noemt. In zijn werk kent hij aan de droom een onschatbaar belang toe. Eén gedicht van zijn hand gaat over een man die het nogal megalomane plan opvat het heelal in letters te vatten en die, wanneer hij meent dat hij zijn taak heeft volbracht, omhoogkijkt en tot zijn schrik merkt dat hij domweg de maan over het hoofd heeft gezien.  Deze geschiedenis confronteert Borges met de vele hindernissen die zich voordoen voor wie de werkelijkheid in woorden wil vatten.

Allicht hebben enkele feiten sterk bijgedragen tot de incubatie van zijn schrijverschap. In Buenos Aires, zijn geboortestad, openbaarden zich twee totaal verschillende werelden aan hem: enerzijds de bibliotheek van zijn vader en anderzijds Palermo, wijk van messentrekkers. Daar is het dat hij het belang van moed begint in te zien. In zijn gedichten krijgen dappere militairen en vrijheidsstrijders uit zijn voorgeslacht een eminente rol. In hun voetsporen, beseft hij, zal hij nooit kunnen treden. Op school wordt hij gepest. Zijn vader, daarvan op de hoogte, voegt hem toe: ‘Laat ze weten dat je een man bent.’ De moed die hij gaat aankleven is evenwel van alternatieve aard: het is maar een literaire poging die het in zijn ogen niet kan halen van de moed omwille van de moed die van de messenvechters afstraalt.

Een van mijn lievelingsgedichten van Borges heet ‘Wroeging’. Het handelt over de discrepantie tussen leven en kunst. De dichter beseft tegen het eind van zijn bestaan dat hij te veel oog heeft gehad voor dat laatste en te weinig voor het leven dat hij als een cadeau van zijn ouders heeft meegekregen met de expliciete opdracht gelukkig te zijn. Borges realiseert zich maar al te goed dat zijn schrijven nooit zal kunnen opwegen tegen het leven. Ook al ontpopt hij zich als een auteur met een nauwelijks evenaarbare eruditie. Ook al probeert de blinde bibliothecaris die hij is met elk boek van zijn bibliotheek en met elk woord dat hij schrijft een gelukzalig paradijs te creëren. Tot dat andere paradijs, dat van het leven, krijgt hij maar geen toegang. Hij vindt dan ook dat hij het geschenk van het leven niet op de juiste manier gevalideerd heeft: ‘Ik heb de grootste van de zonden die er zijn/ bedreven. Ik was niet gelukkig.’

Toch rest hem niets anders dan een geslaagd schrijver te zijn ter compensatie van het feit dat hij een beschadigd mens is. Hij moet de vergetelheid – een van de sleutelwoorden in zijn oeuvre – te lijf, maar heeft daar onvoldoende wapens voor. Want ook dit is hier een van de klassieke thema’s: de spanning tussen eeuwigheid en vergetelheid. Wil hij overigens wel het gevecht met die laatste aanbinden? Hij schrijft namelijk ook dit: ‘Laat ons dankbaar zijn/ voor de vergetelheid en voor de wormen.’ Anderzijds blijkt hij tegen het eind van zijn leven te geloven dat alles eeuwig is. ‘Hoe kan een vrouw of een man of een kind sterven, die zoveel lentes en zoveel bladeren is geweest, zoveel boeken en zoveel vogels en zoveel ochtenden en nachten,’ schrijft hij in een prozagedicht voor een vriend. En verder: ‘(…) ik weet dat er op aarde niet één ding is dat sterfelijk is en niet zijn schaduw werpt. Vannacht heb jij, Abramowicz, gezegd dat wij de dood in moeten gaan als iemand die naar een feest gaat.’

Borges bedient zich in ‘Alle gedichten’ van een heel disparaat arsenaal: zowel vormvaste gedichten als breed uitdijende verzen krijgen een kans. Een speciale plaats is er in zijn oeuvre ingeruimd voor de milonga, zeg maar een zang die aan de basis van de tango heeft gelegen. Daarnaast verplaatst hij zich moeiteloos van de ene cultuur naar de andere en is hij bijzonder topografisch geïnspireerd. Aan talloze landen, streken, steden en dorpen wijdt hij een eloge, niet het minst aan Buenos Aires: een stad die voortdurend herkenning, maar in toenemende mate ook vervreemding oproept. Een plek die balanceert op de rand van bestaan en onbestaan, eigenlijk net als de dichter zelf, die zich afvraagt of de werkelijkheid geen schijn is en of dit mutatis mutandis ook niet geldt voor zijn eigen ik. ‘Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges,’ stond in zijn prozaboek ‘De Zahir’ al te lezen. Al is dit niet voldoende, de dichter leeft in een bestaan dat noch min noch meer uit de hele cultuurgeschiedenis is opgetrokken.

Niet voor niets stelt hij zich het paradijs voor als een bibliotheek. ‘Na al die jaren,’ schrijft hij geheel terecht, ‘heb ik begrepen dat het mij niet gegeven is de magische cadans, de opmerkelijke metafoor, het tussenwerpsel, een goed opgebouwd boek of een werk van lange adem te beproeven. Mijn lot is de zogenaamde intellectuele poëzie.’ Toch affirmeert hij op zijn zeventigste voor de zoveelste keer dat hij niet over een esthetica beschikt. Elk onderwerp vereist zijn eigen esthetiek.

Hoewel ik doorgaans vind dat een dichter niet is gebaat bij iets als een exhaustieve verzameling van zijn gedichten, misschien zelfs een reus als Borges niet, kan ik voor het minutieuze werk van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer alleen maar mijn hoed afnemen. Ook zij hebben zich hiermee op titanenhoogte gehesen.

____________________________

JORGE LUIS BORGES

Alle gedichten

vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer

De Bezige Bij, 59,90 euro

 

WROEGING

 

Ik heb de grootste van de zonden die er zijn

bedreven. Ik was niet gelukkig. Mogen

de gletsjers van het vergeten mij het ravijn

in sleuren, wissen, zonder mededogen.

Mijn ouders maakten mij voor het geduchte

maar wonderschone spel van het bestaan,

voor de aarde, het water, voor het vuur, de lucht.

Ik stelde hen teleur. Ik voldeed niet aan

hun jonge wil. Ik heb alleen geleefd

voor koppige symmetrieën van de kunst

die onbeduidendheden samenweeft.

Zij gaven me de moed. Ik heb die gunst

versmaad. Dit achtervolgt mij nog het meest:

ik ben een ongelukkig mens geweest.

 

Jorge Luis Borges

Desmond Painter. Borges in Afrikaans

Wednesday, April 14th, 2010
A Life

Borges: A Life

Ek het Jorge Luis Borges as ‘n kortverhaalskrywer ontdek, en dit nogal in Afrikaans! Ek verwys natuurlik na Sheila Cussons se vertaling, Die vorm van die swaard en ander verhale, wat in 1981 by Tafelberg verskyn het. Seker ook al vir jare uit druk. Ek het dit op skool by die dorpsbiblioteek uitgeneem, en later my eie kopie tweedehands in Langstraat aangeskaf — daar was ‘n wonderlike boekwinkel waar die Longstreet Cafe vandag is: ek het stapels Afrikaanse boeke op uitverkoping daar aangeskaf toe hulle vroeg in die 1990s hulle deure gesluit het.

Cussons se vertalings van ‘n handvol Borges-verhale is regtig uitstekend, net jammer daar was so min van hulle! Wat sou ek nie gee om tien of twintig meer van daardie meester se betowerende prosatekste in Cussons se digterlike Afrikaans te kon lees nie… Sommige van die meer onlangse vertalings van Borges se tekste in Engels is juis by tye ‘n bietjie tam. Die skynbare ‘saaklikheid’ van Borges se styl is nie ‘n verskoning vir slap, generiese prosa in die vertaling nie. Hulle is digte tekste, en verlang ‘n soort talige gedrongenheid. Cussons, as digter, het dit uitstekend reggekry. 

Borges was natuurlik self ook ‘n produktiewe digter. Trouens, hy het homself eerstens as digter, en dan eers as kortverhaalskrywer gesien. Tans lees ek Edwin Williamson se biografie, Borges: A life (Viking, 2004). Dit is ‘n meeslepende oorsig oor hierdie hierdie briljante skrywer en komplekse individu se loopbaan en lewe. En meer: dit bied ‘n blik op daardie glinsterende maar dikwels gefolterde stad, Buenos Aires, in die twintigste eeu.

Enkele jare gelede het ek die geleentheid gehad om, op pad na ‘n kongres in Kuba, vir twee dae in Buenos Aires rond te dwaal. Nie genoeg tyd nie; dit is ‘n stad om na terug te keer. Natuurlik wou ek ook, soos alle toeriste, La Bocca en die tango sien; maar dit is eintlik Borges se spoor wat ek wou volg. ‘n Volgende keer skryf ek iets daaroor. Vandag volstaan ek met ‘n gedig van Borges (‘Limits’) in Engelse vertaling. Dit herinner my aan boeke wat uit druk is, boekwinkels wat nie meer bestaan nie, en stede wat ‘n mens dalk nooit weer sal besoek nie…

 

Limits – Jorge Luis Borges
Of all the streets that blur in to the sunset,
There must be one (which, I am not sure)
That I by now have walked for the last time
Without guessing it, the pawn of that Someone

Who fixes in advance omnipotent laws,
Sets up a secret and unwavering scale
for all the shadows, dreams, and forms
Woven into the texture of this life.

If there is a limit to all things and a measure
And a last time and nothing more and forgetfulness,
Who will tell us to whom in this house
We without knowing it have said farewell?

Through the dawning window night withdraws
And among the stacked books which throw
Irregular shadows on the dim table,
There must be one which I will never read.

There is in the South more than one worn gate,
With its cement urns and planted cactus,
Which is already forbidden to my entry,
Inaccessible, as in a lithograph.

There is a door you have closed forever
And some mirror is expecting you in vain;
To you the crossroads seem wide open,
Yet watching you, four-faced, is a Janus.

There is among all your memories one
Which has now been lost beyond recall.
You will not be seen going down to that fountain
Neither by white sun nor by yellow moon.

You will never recapture what the Persian
Said in his language woven with birds and roses,
When, in the sunset, before the light disperses,
You wish to give words to unforgettable things.

And the steadily flowing Rhone and the lake,
All that vast yesterday over which today I bend?
They will be as lost as Carthage,
Scourged by the Romans with fire and salt.

At dawn I seem to hear the turbulent
Murmur of crowds milling and fading away;
They are all I have been loved by, forgotten by;
Space, time, and Borges now are leaving me.

  •