Posts Tagged ‘jozef deleu’

Luuk Gruwez. Een Vlaamse reus

Tuesday, May 1st, 2012

Jozef Deleu

Deze tekst verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Weinig mensen hebben zoveel verstand van verjaren als Jozef Deleu. Niet alleen is hij op 20 april vijfenzeventig geworden, bovendien gaat Het Liegend Konijn, het tijdschrift waarvan hij de enige redacteur is, zijn tiende jaargang in. Als om deze jubilea nog meer luister toe te voegen publiceert hij nu ook ‘Overboord.’, een nieuwe dichtbundel, precies vijftig jaar na zijn debuut. Deleu is altijd al een dichter geweest die op onthechting was gesteld zonder dat hij daar canonieke eigenschappen aan wenste te verbinden. Ook nu excelleert hij opnieuw in het schaarse. Op Roland Jooris na is er in Vlaanderen niemand die zo weinig ingrediënten nodig heeft om een recept te bereiden. Hij mag dan al een gul mens zijn, hij is een dichter op dieet. Opmerkelijk alleen al is in dit verband de titel van zijn bundel. Hij heeft de leeftijd bereikt waarop het zaak is afstand te doen van wat overbodig is en al dat overbodige ook overboord te gooien, zoals een wielrenner zich in het zicht van de eindmeet nog snel ontdoet van een lege drinkbus en ander nutteloos gewicht om zo kansrijk mogelijk te kunnen finishen. Ongebruikelijk, maar significant is het feit dat de titel van zijn bundel eindigt op een punt. Alsof hij zeggen wil: tot hier en niet verder; ziehier mijn dichterlijke testament, alles wat eventueel nog volgen zal, behoort al tot de toegevoegde tijd van mijn bestaan. Het is een gedachte die nauwelijks verrast als je rekening houdt met de waslijst aan lichamelijke onfortuinlijkheden die hij sinds zijn pensioen heeft weten te overwinnen. Niet dat de dichter echt gekweld wordt door dat onvermijdelijk naderende einde. Hij blijkt overtuigd van een soort voortbestaan dat voortspruit uit zijn overtuiging dat in het heelal niets verloren gaat, dat daar zoiets bestaat als behoud van energie en dat er dus geen apert verschil tussen hiernumaals en hiernamaals is:

 

HEELAL

 

oneindig

sterven

de dingen

 

een voor een

gaan zij

ervan door

 

om verloren

of herboren

verder te bestaan.

 

Deleu is in de voorbije decennia als een van de weinige werkelijk gezaghebbende pleitbezorgers van de Nederlandstalige poëzie nooit iemand geweest die zwoer bij een exclusieve poëtica. Hij beleed altijd het credo van het ongeloof, het ongeloof in het alleenzaligmakende. Dit is een kwaliteit die hij, zolang hij hoofdredacteur van Ons Erfdeel was, ook uitstekend kon gebruiken, samen met iets wat hem allicht tot het eind van zijn dagen zal blijven karakterizeren: een zekere koppigheid en onverzettelijkheid die wel eens vaker het epitheton ‘West-Vlaams’ meekrijgt. Hier is een man die weet wat hij wil, die staat op zijn gelijk, maar die tegelijk een begenadigd luisteraar is en erop aandringt verschillende stemmen aan bod te laten komen, ook als die niet overeenstemmen met die van hem. Maar er is wel één belangrijke voorwaarde: kwaliteit, altijd kwaliteit. Zonder uitzondering is dit de premisse van de voormalige hoofdredacteur van Ons Erfdeel geweest, maar ook van de gerenommeerde bloemlezer van het Groot Verzenboek en van de organisator van literaire evenementen in binnen- en buitenland die nooit met kneuterigheid gepaard gingen en juist opvielen door hun grandeur. En nu is kwaliteit dus ook zijn verdienste als soloredacteur van Het Liegend Konijn, het poëzietijdschrift dat maar twee keer per jaar verschijnt, lijviger en lijviger lijkt te worden en daarmee een zekere portee verschaft aan wat decennium na decennium, dwars door zijn toenemende leeftijd heen, een jongensdroom van hem is gebleven: de poëzie en niets dan de poëzie, de poëzie in al haar vanzelfsprekendheid en eigenlijk ook zonder de obesitas van te veel academisch discours. Het gedicht mag zijn waardigheid aan zichzelf ontlenen. In de eerste plaats zelfs.

‘Buikgevoel’: in sommige omstandigheden is dit misschien een betwistbaar, zelfs gevaarlijk begrip, maar Deleu is er – in gunstige zin en als geen ander – mee uitgerust. Het jongste nummer van zijn tijdschrift levert daar opnieuw het bewijs van. Wij treffen er net zo goed voortreffelijk werk in aan van gevestigde namen – de opsomming is een beetje willekeurig en dus onrechtvaardig:  Peter Ghyssaert, Wiel Kusters, Leo Vroman en Miriam Van hee. En van jonger talent dat luistert naar namen als Bart De Block, Y.M. Dangre, Lies Van Gasse en  Jelmer van Lenteren.

Een blad voor de mond heeft Jozef Deleu nooit genomen. De contramine heeft hij evenmin geschuwd als de verbroedering. Hoeveel sympathie hij ook mag hebben voor Van Ostaijens liegend konijn, het is allicht toepasselijker hem, zelfs nu hij al vijfenzeventig is, leeftijd die doorgaans voor de verdwerging is gereserveerd, te omschrijven als een Vlaamse reus, met – getuige zijn jongste dichtbundel – een aanzienlijke dosis Zen. Want ook dit zit in hem haast paradoxaal naast elkaar: het schaarse en het vele. En het aardige is dat die twee nog altijd kameraadschappelijk met elkaar kunnen kunnen opschieten, alsof het net hun verschillen zijn die ze eensgezind maken.

 

JOZEF DELEU

Overboord. Gedichten

Uitgeverij Van Halewyck, Leuven – Van Gennep, Amsterdam, 79 blz., 50 euro

 

 

Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu, april 2012, 1, Van Halewyck, Leuven – Van Gennep, Amsterdam, 264 blz., 20 euro

 

© Luuk Gruwez

Pa en seun se ode aan perde

Thursday, May 5th, 2011
Jozef & Lodewijk Deleu

Jozef & Lodewijk Deleu

Die bekende Nederlandse digter en bloemleser, Jozef Deleu, het pas saam met sy seun, Lodewijk, ‘n voortreflike boek oor perde die lig laat sien. Wij, paarden bestaan uit 69 gedigte oor perde wat deur Jozef Deleu byeengebring is en foto’s wat deur Lodewijk geneem is. Dit is egter nie die eerste keer dat pa en seun saamwerk aan ‘n publikasie van hierdie aard nie; trouens, hul vorige boek Het huis herinnert zich mij het direk aanleiding gegee tot hierdie loflied aan perde van hulle: “Toen ik de foto’s aan het maken was van dat boek, belandde ik in The Old Horses Lodge, een asiel voor oude en verwaarloosde paarden in Laarne. De verhalen over deze dieren troffen me zeer”, het Lodewijk Deleu aan die beriggewer van Nieuwsblad gesê. “Tijdens het fotograferen werd ik vooral geprikkeld door de waardigheid en gevoeligheid van deze dieren. Zij bezitten eigenschappen die we ook mensen toedichten. En dat is meteen een van de hoofdredenen waarom ik de laatste jaren veel paarden fotografeer. Een andere belangrijke reden om met paarden te werken, is hun indrukwekkende vorm, kracht en schoonheid.”

Wij, paarden

Wij, paarden

Oor die onbegonne taak om maar net ‘n handjievol gedigte vir dié boek te mag selekteer, het pappa Jozef die volgende te sê gehad: “In dit boek werden 69 gedichten opgenomen. Dat is niet eens de helft van de gedichten die ik voor dit boek had geselecteerd. Kiezen was hier ook een beetje verliezen. Ik heb mooie gedichten kunnen selecteren uit onze hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Ook van heel jonge dichters.”

Nou ja, toe. Soveel dae, soveel dinge. In Afrikaans bestaan daar natuurlik ook heelwat verse oor dié besonderse dier; één daarvan wat ek altyd sal geniet, is Marlise Joubert se gedig “Perde“. Vir jou leesgenot plaas ek dit onder aan vanoggend se Nuuswekker.

***

Gister het daar twee nuwe bydraes op die webblad verskyn: Andries Bezuidenhout vertel van hul onlangse soeke na water in Marquard en Bernard Odendaal resenseer die keur uit Wilhelm Knobel se gedigte, As die woorde begin droom.

‘n Lekker dag word vir almal toegewens.

Mooi by.

LE

 

perde

 

perde is konings van heuwels

en hawer van duine en torings van vuur

perde is konings met mantels van blou

oker amandel skimmel soos grou

swarter as oonde witter as talk

maanhaar verstroom in vleie van wind

 

perde is konings met keile en hoewe

wat ratel oor berge riviere en rif

savannas en kranse en skeure met drif

o konings van klip met hoewe in vaandels

wat klop ametis ametis

hoewe in steensimbaal

dolomiet dolomiet

 

robyn is die kykers van perde

robyn soos die sterre teen skemer

waar die stofwolk draai waar die sand

in kringe soos poeier verdwyn

 

bruin is die oë van perde

bruin soos die maas op modder

waar die son waterpansag

in die somer kom lê

 

perde is konings wat proes en galop

oor pleine en plato’s van mense

perde dra vragte van kinders en ridders

of oues van dae soos ‘n hut op die rug

perde runnik alleen en verruk in ritmiese bome

 

perde is visse in waterwoestyne

swiepend van links en na regs

en terug in die lug asof gode

hul koppe in nette wil vang

met hoewe in vaandels

wat klop ametis ametis

hoewe in steensimbaal

dolomiet dolomiet

 

perde is prinse wat die melkweg kantel

die oggend se as die stadige pas

perde is prinse en draf aan die hand

met spelende spiere wat dans deur die land

en klop ametis ametis

 

perde is vroue wat geheime in paaie ontdek

vroue met flanke wat glim in die sweet van die dag

kampeer tussen mane en sneeu tussen wasem en gras

wat kom lê in ‘n stal soos ‘n ster in ons pas

 

perde is konings en prinse en visse en vroue

perde is meer as salpeter van asem

 

© Marlise Joubert (Uit: passies en passasies, 2007: Protea Boekhuis)

 

 

Erotiese verse as voorspel tot jy-weet-wat

Friday, September 25th, 2009
Sharon Lynn & Paul Page uit "Just a gag" (1925)

Sharon Lynn & Paul Page uit "Just a gag" (1925)

Op Adam O’Riordan se The Guardian-blogruimte  lees ek ‘n interessante stuk oor poësie as prikkellektuur in die bed. Klaarblyklik het die Catholic Truth Society onlangs ‘n boek gepubliseer waarin paartjies aangemoedig word om eers saam te bid alvorens hulle in Bybelse terme mekaar “beken”. Die rede vir dié gebed des momentum is, volgens die skrywer  “to place within us love that truly gives, tenderness that truly unites, self-offering that tells the truth and does not deceive, forgiveness that truly receives, loving physical union that welcomes”.

Nou ja, toe. Uiteraard is die poësie nét so geskik vir hierdie moment van vertedering en gedeelde selfloosheid, want poësie betrek immers nie net die emosionele landskap tussen twee geliefdes nie, maar ook nog die verbeelding. Nietemin, na ‘n uiteensetting van erotiese poësie in die klassieke digkuns, stuit O’Riordan uiteindelik teen die volgende kwessie: “Our concern with the erotic and recurring desire to condemn or re-evaluate the boundaries of what constitutes good taste or acceptable content leads us to a wider issue: is poetry something we come to be civilised by or is it a place where we go to unleash our desires and to hear them echoed? It strikes me this conflict is always being played out in poetry where the desire to contain, to formalise, to make safe with words comes up against an impulse towards the mind’s wilder imaginings.”

Mmm, laat ‘n mens dink, nè? En verbaas dit ons werklik? Poësie is immers tog ook die kunsvorm wat die gelyktydige naasbestaan van teenstrydighede vier, is dit nie? In die Afrikaanse digkuns bestaan daar hoeka ‘n baie lang, en stewige, tradisie van erotiese verse; dink byvoorbeeld aan die bloemlesing Die dye trek die dye aan (1998: Tafelberg/Human & Rousseau) wat deur Johann de Lange en Antjie Krog saamgestel is. Maar na die beste van my wete is die die kwessie van erotiese poësie nog nie indringend nagevors en geboekstaaf nie; miskien as gevolg van bogenoemde kwelvraag?

Hoe dit ook al sy, as lusmaker vanoggend plaas ek een van die allermooiste erotiese verse in Afrikaans hieronder: H.J. Pieterse  se gedig “Artisjok”. (Goed, toegegee: eie aan Dr. Death handel hierdie vers uiteraard oor véél meer as die erotiese; maar hel, wat ‘n skitterende vers!)

***

Vorige plasings op die webblad wat jou aandag verdien, is Bernard Odendaal se skitterende stuk oor die digter en wat hom of haar dryf tot die maak van ‘n gedig. Ook Uti Bodenstein se stuk oor Barend J. Toerien, is ‘n uiters roerende en gepaste huldeblyk aan ‘n geliefde vriend. En dan natuurlik, Yves T’Sjoen se nuwe blog oor Jozef Deleu as samesteller van die Groot Verzenboek. Hierdie bloemlesing van die Nederlandse digkuns het talle raakpunte met André P. Brink se gelyknamige bloemlesing oor die Afrikaanse digkuns en die kontroversie wat daar rondom ontstaan het.

***

Geniet dit alles en oortreef alle verwagting hierdie naweek.

Mooi bly.

LE

 

Artisjok

 

Laatnag vleg ’n skielike ritseling

My stadig los

Uit swaar arms van my geliefde,

Donker suster van my dood.

 

Dou sak heeltemal te vroeg vanjaar

Op my grasperk en plante neer.

Takke en blare ril nog waarskuwend

As ek deur die wind na my groentetuin beur.

 

My flitslig skok die grootste plant

Wat haar lang, silwergrys blare vou,

Ritselend toe, dig

Om die geheime, pers, glinsterende vrug.

 

Raak my aan, asseblief,

Raak my nie nou al aan nie.

Uit hierdie bitter grond gebore

Tussen windhande wat my wil klief.

 

Ek vou die stingels versigtig weg,

Pluk ‘n paar blare en proe,

Huiwerig om my tong,

Donkergroen, suursoet parfuum van die nag.

 

Net een maal het ek jou so sien lê

Ná ‘n laatnagmaal van artisjok.

Jou hande was lig oor jou borste gevou,

Jou bene terughoudend gekruis.

 

Laag vir laag het ek jou afgeskil

Met ‘n versigtige, moedelose tong,

Tot by die diep, geheime, bitter vrug

Wat weer terugtrek tussen jou dye.

 

Deur strelende hande van jou geliefde,

Jou lokkende suster van die slaap

Kon ek hoor: raak my aan, asseblief,

Raak my nooit meer aan nie;

 

te lig om ’n groen hart finaal te klief.

 

© H.J. Pieterse (uit: Die burg van hertog Bloubaard, Tafelberg, 2000)

 

Yves T’Sjoen. Deleu & de bloemlezer

Thursday, September 24th, 2009

Deleu & de bloemlezer

‘De enkelen wier adem licht in mij ontsteekt’. Een klassiek Groot Verzenboek van Jozef Deleu

 

Anthologieën van dichters leveren steevast gefundenes Fressen voor lezers. Hiermee doel ik niet alleen op bloemlezingen uit een dichterlijk oeuvre. Ook selecties die de samensteller bezorgt in zijn hoedanigheid van lezende dichter zijn meermaals onderwerp van gesprek en voorwerp van onderzoek. De dichter die grasduint in de poëzie van een bepaalde periode of een taalgebied zoekt veelal naar poëticaal verwanten en biedt met graagte een forum aan schrijvers/teksten die er toe doen. Daarin verschilt de scheppende kunstenaar niet van de criticus, die ook zijn eigen poëticale uitgangspunten en institutionele positie laat meespelen in de gemaakte keuzes. Maar dichters lezen toch opmerkelijk graag hun eigen werk, de poëticale premissen van de eigen schrijfpraktijk, in werk van anderen. De resultaten van dergelijke selectieprocessen doen meestal stof opwaaien. De receptie van Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie (2008), samengesteld door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters, en daarvoor ‘de dikke Komrij’ (De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten) en ‘de vette Breukers’ (25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005), en ook het Verzenboek van Deleu, laat zien dat alle keuzes en premissen altijd weer onder schot komen te liggen.

Een aspect dat in het breed uitwaaierend debat in Nederland en Vlaanderen rond het verschijnen van HNF centraal stond, is de focus van de samenstellers op het Vlaamse literaire systeem in de periode 1945-2005. Op de achtergrond van sommige kritieken, en soms ook nadrukkelijk op het voorplan, galmde een Groot-Nederlandse gedachte. Het is de redacteuren van de bloemlezing kwalijk genomen dat zij zich beperkten tot de literaire productie die in Vlaanderen tot stand kwam (‘de Vlaamse poëzie’), zonder rekening te houden met de dynamiek eigen aan een literair systeem. Systemen bestaan vanzelfsprekend niet autonoom, maar staan in een voortdurende correlatie met andere systemen. Dat Nederlandse ‘paradigmatische’ dichters als Gorter en Nijhoff, Lucebert en Faverey ontbreken, is omdat ze niet tot het Vlaamse literaire systeem worden gerekend. Gezien de impact van hun werk op ontwikkelingen in het poëzielandschap in Vlaanderen leidt een dergelijk uitgangspunt tot een reductie van het beeld.

Bloemlezingen nodigen uit tot kritiek, alleen al omdat de criticus van de verzamelde oogst het wellicht gewoon anders had aangepakt. Zelden worden bloemlezingen op hun merites en binnen de contouren van hun beperkingen beoordeeld.

Deleu en de traditie

doctor honoris causis in Gent

doctor honoris causis in Gent

In 1976, op een moment van revival van de traditionele poëzie in Vlaanderen, verscheen de eerste druk van Jozef Deleu’s Groot Gezinsverzenboek. Aanvankelijk luidde de subtitel voluit: Vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood. Een thematische bloemlezing uit de Noord- en Zuid-Nederlandse poëzie van de twintigste eeuw. Het Gezinsverzenboek is opgevat als thematisch geordende bloemlezing (van geboorte tot dood) uit de literaire oogst van de twintigste eeuw. De overwegend conservatieve kritiek in Vlaanderen heeft Deleu’s particuliere keus altijd opmerkelijk gunstig bejegend. In het ‘woord vooraf’ van de veertiende druk licht de samensteller nog eens de ingezette indelingscriteria toe: ‘De gedichten zijn gegroepeerd rond de grote en elementaire thema’s in ons leven: verwachting en geboorte, kinderjaren en jeugd, liefde, samenleven, huwelijk, vriendschap, het ouderhuis en de herinnering eraan, vragen die onbeantwoord blijven, eenzaamheid, ziekte en dood’. Het levensbrevier zoals door Deleu in een eeuw Nederlandstalige poëzie gelezen. Die thematische clustering van gedichten uit een periode van intussen meer dan honderd jaar zegt alvast veel over de leesopvattingen van Deleu. Zo hanteert hij in de inleidende tekst het beladen begrip ‘evenwicht’ en specifieke esthetische (of ‘kwaliteits’)criteria die het classicistische normerende principe van de leeswijze illustreren.

In de jaren tachtig, toen uitgeverij Lannoo een eigen poëziereeks uitbouwde (‘De golfbreker’ was een voortzetting van ‘Den gulden veder’ van Orion in Brugge) en verzamelde werken van neoklassieke dichters als priester-dichters Gery Helderenberg en Anton van Wilderode verschenen (naast onder anderen Decorte, Hensen, Van Herreweghen), is in korte tijd  de ene na de andere druk van het Groot Gezinsverzenboek  op de markt gebracht.  Het boek met de ruimhartige gedichtenkeuze van Deleu, in het voorwoord van de jongste editie voorgesteld als het product van een levenslange omgang met poëzie, verwierf in geen tijd een canonieke status. En siert in zijn ingebonden (en thans ook ingenaaide) omvang bijgevolg menige boekenplank in Vlaamse huis- en studeerkamers. Vandaag is de veertiende herziene en vermeerderde druk verschenen.

De leuze van Deleu

Jozef Deleu, ‘citoyen de la frontière’, is natúúrlijk geen onbeschreven blad. Als oprichter van het tijdschrift Ons Erfdeel (1957), later ook van Septentrion (1972) en periodieken als De Franse Nederlanden/Les Pays-Bas Français en The Low Countries: Arts and Society in Flanders and the Netherlands), én van de gelijknamige Vlaams-Nederlandse Stichting (vanaf 1970) beheerde hij sinds de jaren vijftig een belangrijk cultureel instituut in de lage landen. Bekend zijn de cultuurpolitieke standpunten van Deleu, aanvankelijk gericht op Nederlands-Vlaamse integratie, maar al geruime tijd met de focus op de dynamische ontwikkeling van het culturele en intellectuele leven in Vlaanderen. Zonder nog van dat achterhaalde ‘integratie’ te gewagen. Deleu is een flamboyant en betrokken cultuurpoliticus die een gloeiende hekel heeft aan bekrompen denken en eng cultuurflamingantisme. ‘Flandrocraten en yuppies’ verdienen zijn banbliksems. Bekende titels zijn De pleinvrees der kanunniken (1985) en Een beetje Columbus zijn (1989). In de lijn van Vermeylen bepleit hij vandaag nog steeds een open geest en een pluralistisch intellectueel debat. Hij blijft, zoals in 1985, waarschuwen voor ‘zelfgenoegzaamheid en bekrompenheid’. Vlaming worden om Europeëer te zijn.

Het spreekt vanzelf dat een dergelijke uitgesproken visie en een rol in het sociaal-culturele debat ook de selectie van gedichten mee stuurt. Maar Deleu is niet alleen agitator of tijdschriftredacteur. Hij is ook prozaïst en dichter van overwegend intimistische poëzie. Deleu is inderdaad als speler in het literaire en algemeen-culturele veld in het Nederlandse taalgebied geen maagdelijke bruidegom. ‘En wie is maagd nog maagdelijke bruidegom in deze branding?’

Deleu’s veelzijdigheid

Recent verscheen een keuze uit Deleu’s verzamelde geschriften: lyrisch proza, gedichten en cultuurpolitieke opstellen. Voor Het gaat voorbij. Poëzie, lyrisch proza, redevoeringen (2007) heeft Dirk de Geest een brede selectie uit deze genres gemaakt en voorzien van een uitleiding. Vermeldenswaard zijn ook Monologen met Jozef Deleu (samengesteld door Filip Rogiers, 1993) en de monografie die Anne Marie Musschoot in de ‘VWS-cahiers’ aan Deleu wijdde (2001). Daarin staat hij getypeerd als ‘vrijmoedige, provocerende en bevlogen cultuurpoliticus’ die als alter ego optreedt van de stilte en inkeer zoekende schrijver. Nog niet zolang geleden verscheen de bundel Onbeschut (2009) met korte en eenvoudige, maar vooral weerbare, levenslustige miniatuurgedichten over leven en vergankelijkheid, stilte en vergetelheid.

Dichter, prozaïst, cultuurpoliticus, tijdschriftredacteur, bloemlezer.  Met dat palmares kun je geen onbeschreven blad in het culturele veld zijn. Nadat hij als afgevaardigd bestuurder en hoofdredacteur van Ons Erfdeel een stap opzij zette, en door Luc Devoldere is opgevolgd, is Deleu in 2003 begonnen met een poëzietijdschrift: Het liegend konijn. Twee keer per jaar presenteert hij als enige redacteur een (al dan niet thematische) waaier aan nieuw werk van zowel gevestigde als debuterende dichters in Nederland en Vlaanderen. Deleu volgt de poëzieproductie op de voet en beheert een forum waar hij zijn eigen voorkeur en selectie kan tentoonspreiden. Daarenboven kreeg hij, na zijn aftreden als hoofdredacteur,  in Ons Erfdeel (afl. 2005/5, 2006/5, 2008/4) meermaals de gelegenheid een kleine poëziebloemlezing uit recente bundels te presenteren (‘De keuze van Jozef Deleu’).

Deleu en Brouwers

Deleu en Brouwers

Neen, het blad van Deleu is niet onbeschreven. De machtspositie die hij met dergelijke activiteiten inneemt (en velerlei functies daarbuiten), ook ten aanzien van de Vlaamse culturele overheid, mag niet worden geringschat. De eerste prijs voor Vlaams-Nederlandse Culturele Samenwerking die hij samen met Jeroen Brouwers in augustus 2009 uit handen van de toenmalige Vlaamse minister van cultuur Bert Anciaux mocht ontvangen, zegt iets over het renommee van Deleu. Brouwers, een fervent tegenstander van de ‘culturele integratie’-retoriek,  publiceerde trouwens in 1997 voor de zestigste verjaardag van Deleu De rode telefoon

Deleu, verzenteler en bloemlezer

Enkele weken geleden rolde de veertiende druk van de thematische anthologie uit de Nederlandstalige poëzie twintigste (en nu ook begin eenentwintigste) eeuw van de persen. Met meer gedichten (nu 555, een surplus van 55), met meer jonge namen (van Al Galidi en Anker tot Vegter en Verzett), volgens een andere samenstelling. Het liegend konijn blijkt een dankbaar platform voor Deleu, teneinde bij te blijven en materiaal te verzamelen voor nog meer vermeerderde herdrukken van het Groot Verzenboek. Hoe salonfähig de volgehouden inspanning van de bloemlezer ook is, toch twee randbemerkingen.

Over namen en teksten kun je eeuwig redetwisten. De gustibus et coloribus…  Ja, natuurlijk ontbreken namen en in sommige gevallen is het onbegrijpelijk dat ze niet in het verzenboek voorkomen. Het valt me moeilijker gedichten tot een thema gereduceerd te zien. Vaak tref ik gedichten aan die voor mij méér zijn dan het existentiële thema waartoe Deleu de teksten reduceert. Betekenismogelijkheden worden soms bruut afgesneden, een inherente (talige) veelzijdigheid wordt in een eendimensionale mal gedrongen. Ook ritme en compositie krijgen in een dergelijke samenstelling, vanuit die op inhoud gefixeerde visie, weinig aandacht. De lezer wordt hoe dan ook gestuurd in zijn lezing van zoveel gedichten. Dat kan in vele gevallen jammer zijn.

Betwistbaar zijn de bronnen waaruit Deleu zijn keur heeft opgediept. Hoewel van nogal wat dichters (Achterberg, Bloem, De Haes, Elsschot, Leopold, Nijhoff, Pernath, Snoek, Van Vliet, Van de Woestijne en vele anderen) intussen betrouwbare tekstedities van het volledig of verzameld dichtwerk beschikbaar zijn, blijft de verzenverzamelaar putten uit vaak weinig betrouwbare, zelfs gedateerde tekstuitgaven (meestal auteursedities). Die bronnenlijst vergt een update. Het is niet alleen vanzelfsprekend dat bij elke herdruk nieuwe namen figureren in het gezelschap. Ook de teksten zelf verdienen een accurate en geactualiseerde bronnenopgave. Wellicht een suggestie voor druk 15.

Een bloemlezer laat altijd in zijn kaarten kijken. Ook al betracht hij ‘een evenwichtig beeld [te] geven van onze moderne poëzie’. En ja, wat heet ‘evenwichtig’? Het zelfgeschapen beeld van een volleerd equilibrisme is natuurlijk niets anders dan een handige strategische constructie.

Deleu als cultuurpolitiek denker, als dichter, als prospecterend poëzielezer gooit zijn kaarten gedicht per gedicht op tafel. Het is vorige week in een Vlaamse krant nog opgemerkt: Deleu houdt van het klassiek getoonzette, introspectieve gedicht over leven en dood (De Standaard der Letteren, 18/09/09). Taalautonomistische en meer formalistische poëzie-experimenten (Deleu spreekt over ‘al te hermetische poëzie’) zijn duidelijk niet aan de bloemlezer besteed. Marc Reynebeau, journalist van De Standaard, heeft de nieuwe editie van het Groot Gezinsverzenboek op basis van enkele parameters in de weegschaal gelegd. Uit de vergelijkende kwantitatieve tabellen blijkt onder meer dat ‘de gemiddelde leeftijd […] met ruim twintig jaar [is gezakt]’, dat er meer Noord-Nederlandse dichters dan in vroegere edities zijn gebloemleesd, dat ‘directe zegging [wordt geprefereerd] boven talige of eerder formalistische gedichten’. En ook dat Hugo Claus met elf gedichten het ruimste vertegenwoordigd is in de bloemlezing. Vóór M. Nijhoff en M. Vasalis. Dichters als Jan van Nijlen en Adriaan Roland Holst zouden in Deleu’s achting zijn gedaald, want hebben gedichten moeten inleveren.

Het nieuwe boek met 555 gedichten is dus in menig opzicht een klassieke bloemlezing. Er is voor continuïteit gezorgd – behalve een kleine aanpassing van de titel heeft het concept van de anthologie in drieëndertig jaar geen noemenswaardige wijzigingen ondergaan – en nog steeds liggen dezelfde premissen aan de grondslag van het nieuwbakken Verzenboek. Nieuwe namen of meer Nederlandse dichters, meer Claus dan Van Nijlen, kunnen niet verhelen dat de eerste druk van 1976, tot stand gekomen in een andere epoche, en de druk van 2009 weinig verschuivingen laten zien. Er is een publiek voor statische bloemlezingen. De bloemlezer is ook nu weer de poëticale opvattingen van de dichter in Deleu trouw gebleven. Standvastigheid is ook een merite.

 

Jozef Deleu, Groot Verzenboek. 555 gedichten over leven, liefde en dood. Veertiende, herziene en uitgebreide druk. Lannoo/Podium, Tielt/Amsterdam 2009.