Posts Tagged ‘Lucebert’

Jaap Goedegebuure. Lucebert aan de Wilde Kust

Tuesday, February 26th, 2013

           ik draai een kleine revolutie af

            ik draai een kleine mooie revolutie af

            ik ben niet langer van land

            ik ben weer water

            ik draag schuimende koppen op mijn hoofd

            ik draag schietende schimmen in mijn hoofd

            op mijn rug rust een zeermeermin

            op mijn rug rust de wind

            de wind en de zeemeermin zingen

            de schuimende koppen ruisen

            de schietende schimmen vallen

 

            ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af

            en ik ruis en ik zing

Ik kan niet zonder de zee. Hoewel ik in mijn vijfenzestigjarig bestaan talloze malen verhuisd ben, woonde ik nooit verder dan een half uur van de kust. Er moet dus wel een zoutwatergen in mijn systeem zitten.

              Toch is het in Nederland behelpen voor wie zoals ik behept is met een zucht naar de zee. De stranden zijn ook ’s winters nog te vol en te vuil, de kleur van het water wisselt tussen grijs en bruin, en het allerjammerlijkste:  er moet minstens windkracht acht staan om een schuimende en ruisende branding te genereren.

            Om aan mijn trekken te komen moet ik, zoals afgelopen zomer, een tijdje domicilie kiezen aan de oevers van de Indische Oceaan, tussen Durban en East London. Terecht heet het daar de Wilde Kust. Mensen zie je er niet of nauwelijks, badkleding is overbodig, je bent er vrijwel alleen met de dolfijnen en walvissen, en met de koeien die zo uit de bergen het strand op lopen. Meerdere malen daags kun je je onbekommerd in de branding storten.

Telkens wanneer ik daar de oude wereld van me af liet spoelen, kwam er een gedicht van Lucebert bij me op, een extatische uitbarsting van wat ik, hoewel het een groot woord is, best natuurmystiek durf te noemen. Geen groter geluk dan wat hier bezongen wordt: één te worden met water en wind en je stem op te laten gaan in het machtige ruisende koor van de zee.

Jaap Goedegebuure

Jaap Goedegebuure (*1947) was tot 2012 hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden. Daarvoor vervulde hij leeropdrachten aan de universiteiten van Berlijn, Tilburg, en Nijmegen. Hij promoveerde na zijn studies Nederlandse taal- en letterkunde (Leiden) en algemene literatuurwetenschap (Utrecht) in 1981 op een onderzoek naar de poëtica van de dichter H. Marsman, Op zoek naar een bezield verband. In 1999 publiceerde hij ter gelegenheid Marsmans honderdste geboortedag een uitgebreide biografie, getiteld Zee berg rivier.

Verder schreef hij monografieën over Jeroen Brouwers (Tegendraadse schoonheid) en Cees Nooteboom (Over Rituelen van Cees Nooteboom), over de literatuur van de negentiende en twintigste eeuw (Decadentie en literatuur,1987,  Nederlandse literatuur 1960-1988,1989,  Nieuwe zakelijkheid,1992) en over de relaties tussen Bijbel, religie en literatuur (De schrift herschreven,1993, De veelvervige rok,1997, Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010, 2010). Hij is literatuurcriticus voor Trouw en Het Financieele Dagblad

 

Louis Esterhuizen. ‘n Jubeling vir Lucebert

Monday, May 14th, 2012

 

Om die afsterwe van die onoortreflike digter Lucebert agtien jaar gelede (op 9 Mei 1994) te gedenk, is daar heel gepas verlede week begin met ‘n jubeling vir die ontslape digter. Deel van dié feesvieringe is die tentoonstelling “Open de kooien van de kunst, gedichttekeningen van Lucebert” wat tot 9 September vanjaar by die Cobramuseum in Amstelveen beskou kan word: “In deze tentoonstelling wordt voor het eerst uitgebreid aandacht besteed aan de gedicht-tekeningen van Lucebert (1924-1994), de dichter en beeldend kunstenaar die lid was van de Cobra beweging en van de Vijftigers, de spraakmakende club van experimentele dichters. In zijn bevrijdende en tijdloze gedichttekeningen ontwikkelde Lucebert een vernieuwende woord- en beeldtaal. Ook wordt er aandacht besteed aan het drukwerk dat Lucebert voor anderen ontwierp, waaronder boekomslagen en illustraties voor bevriende schrijvers en dichters zoals Remco Campert en Bert Schierbeek. De tentoonstelling werpt een nieuw licht op het boeiende dubbeltalent van Lucebert.”

Op Cobra se webtuiste is daar dan ook ‘n bespreking van dié tentoonstelling deur Paul Demets wat gelees kan word. Uiteraard word daar in dié bespreking ook aandag gegee aan die enorme bydrae wat Lucbert tot die Nederlandse letterkunde gelewer het.

Lucebert

Lucebert

Volgens Demets bestaan daar vele voorbeelde van digterskilders, maar selde indien ooit is daar van dié ‘dubbeltalentvolles’ wat op so ‘n gefokusde manier sowel hul skryf-  as skilderwerk tot ‘n enkele kunsuitting integreer: “In zijn debuutbundel apocrief/de analphabetische naam (1952) manifesteert Lucebert zich meteen in boekvorm als dubbeltalent. Op de cover staat een tekening van hem. En ook binnenin zijn er twee opgenomen. Vanaf dat moment worden zijn spontane lijnvoering, de wezens die tegelijk op mensen en monsters gelijken, de humor en de grimmigheid typische kenmerken voor zijn beeldend werk. Ze zijn de beeldende vertaling van wat we ook in zijn poëzie terugvinden: “ik ben geen lieflijke dichter”, schrijft hij in het bekende gedicht ‘school der poëzie’ uit zijn debuutbundel […] Poëzie en beeldende kunst worden een vrijplaats voor de verbeelding én een vorm van aanklacht. Hij wil een nieuwe schoonheid scheppen, aangezien de oude haar ‘gezicht verbrand’ heeft, zoals hij elders schrijft. Hij snakt in ‘school der poëzie’ ‘naar het riool/ van revolutie’. Voor zijn onconventionele omgang met de taal wordt hij beïnvloed door de dadaïstische dichter Hans Arp en voor het mystieke aspect door de poëzie van Hölderlin. Zijn beeldend werk vertoont sporen van Paul Klee, Juan Miro en Max Ernst. Net zoals de surrealisten en de kunstenaars van Cobra huldigt hij het spontane en het naïeve dat aan kindertekeningen doet denken. Zowel in zijn beelden werk als in zijn poëzie creëert hij een aanstekelijke vitaliteit. “Verflichaam leef!”, schreef hij.”

Sjoe. Wat ‘n besonderse, onvergeetlike digter was hy nie … Trouens, sy vroeëre bundel Val voor vliegengod (1959) is tot vandag toe nog een van my absoluut gunstelingbundels. (Hier kan ‘n besonder interessante bespreking van Lucebert se digwerk gevind word; kyk veral na die aangehaalde strofers uit die gedig wat hy vir Breyten Breytenbach geskryf het …)

Nietemin, vir jou leesplesier volg ‘n korterige vers van Lucebert hieronder.

***

Hammond

 

de grote wind verlaat de kleine wegen
en alle huizen krijgen
een tastbare gelijkenis met orgels
op een stoel sterft een mond
uit een pot wordt geboren
alle mensen zijn eindelijk rond
vrij opborrelend uit de vette toongrond

© Lucebert (1924 – 1994)

 

Luuk Gruwez. Een betoverende schatkist

Tuesday, December 13th, 2011

Lucebert

 

 

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren

Lucebert

Lucebert. 1949

Uitgeverij De Bezige Bij en het Stedelijk Museum Amsterdam hebben de handen in elkaar geslagen voor de publicatie van wat in het Nederlandse taalgebied vanuit grafisch standpunt bekeken allicht een van de mooiste edities van de afgelopen jaren is: het gaat hem om een doos van 27 op 33 cm met facsimili van zeven ‘cahiers’ die het jonge dubbeltalent Lucebert tussen 1949 en 1951 heeft gemaakt. Zij bevat tekeningen van zijn hand en in totaal ook zevenentwintig gedichten waarvan later hooguit al eens een variant is gepubliceerd. Deze cahiers zijn eenmalige versies (‘unica’) opgedragen aan vrienden en vriendinnen. Vooral aan Bert Schierbeek en diens echtgenote Frieda Koch. Lucebert leefde een tijd lang samen met het paar en had een zwak voor de vrouw des huizes: niet minder dan vijf van de zeven cahiers zijn haar opgedragen. Slechts twee keer staat naast haar naam ook die van haar echtgenoot. Verder is er een cahier ter gelegenheid van het huwelijk van Paula Eisenloeffel en Ferdinand Langen. En tot slot een voor Aldo van Eyck, de architect met wie Lucebert bevriend was. De dichter had liefde en vriendschap hoog in het vaandel. 

‘Unica’ bevat een toelichting waarin zich reproducties bevinden van tekeningen uit een achtste, helaas door koffievlekken bezoedeld cahier. Suzanna Héman schetst op verhelderende wijze de historische achtergrond van de unica. Piet Gerbrandy staat in voor een interpretatie ervan. Zijn aanpak verraadt een voorliefde voor academisch chic. Maar zijn exegese klinkt, naast behoorlijk pronkerig, vaak vergezocht en zij verhoogt de toegankelijkheid van de gedichten nauwelijks.  En daarover gaat het uiteraard: over die gedichten. Is wat hier is afgedrukt wel zoveel grafische pracht waard?

Lucebert is als plastisch kunstenaar omstreden. Daarentegen is zijn poëtische renommee nog steeds onaangetast. (Dat hij zichzelf destijds met enige ironische borsklopperij tot keizer van de Vijftigers heeft gekroond, is een actuele kanttekening waard: inmiddels zijn velen er namelijk achter dat niet hij maar Gerrit Kouwenaar de titel mag voeren van belangrijkste dichter van de Vijftigersbeweging.) Wat er ook van zij, deze betoverende schatkist bevat gedichten die vanwege hun gezwollenheid soms nogal gedateerd klinken. Niettemin is Unica ongetwijfeld een uitgave die geen enkele acoliet mag missen.

___________

LUCEBERT

Unica,

Zeven unieke cahiers in facsimile, toegelicht door Suzanna Héman en Piet Gerbrandy

Uitgeverij De Bezige Bij en Stedelijk Museum Amsterdam, 99,00 euro

                    

 

AANTAL STERREN:

***

 

Edwin Fagel. Aanrakingen.

Tuesday, May 24th, 2011

Twin Brain (Tracey Emin)

Twin Brain (Tracey Emin)

Zaterdag

 

Toen ik begon klaar te komen keek je me recht aan. Het gordijn is half open, ik moet denken aan de fietser die me vanmorgen bijna aanreed. Het stoplicht sprong alweer op oranje. ‘Loop toch door man!’ had hij geroepen. Ik had niet bij mijn lichaam nagedacht. Het is nog steeds licht. Je zit over me heen gebogen, je vlecht hangt langs je wang. Ik voel met mijn vingertoppen aan je bezwete gezicht, je hals, je schouders (ik vind je niet), je borsten, je buik, je rug (ik vind je niet).

 

een liefde

 

op de drempel stond armenkruis je stem

en ik proef in huis je tranen in een vaas staan

 

ik bleef en passant aan de andere kant van de straat

er groette mij een hand en ik las dat het te laat was

 

vroeger vonden wij tegen het glas een vliegmachine

maar lachten bij elke barst achter onze zachte kieuwen

 

nu glijden wij gescheiden door azië en europa

en je zwijgen is van porselein en mijn hijgen een hamer

 

(lucebert, uit: apocrief/de analfabetische naam)

 

Twee keer per dag flos ik mijn gebit. Mijn handen zijn als klauwen. Ik heb een iets gebogen houding, ik haal zwaar adem, ik kwijl. Als een jong hert op zijn poten wankel je op je armen. De lakens zijn op de grond gevallen, de tram rijdt door de straat. Steeds, wil ik zeggen, heb ik het gevoel dat niet jij het bent die in mijn armen ligt – maar een ander. Je wenkbrauwen lijken in elkaar over te gaan als je fronst.

 

(Edwin Fagel)

My ontnugtering tot die poësie

Thursday, December 3rd, 2009

Antjie Krog     

 

(‘n Pleidooi met vrye vertalings van gedigte uit Nederlands, Duits en Zulu, gelewer tydens Versindaba 2009)

 

Antjie Krog lewer haar praatjie oor die digkuns

Antjie Krog tydens Versindaba 2009

 

Ek neem die volle wapenrusting van die gedig op, sodat ek staande kan bly teen die liste van vervlakking en dwaasheid in hierdie dae van weeklagery en onheil.

Ek staan dan vas, my lendene met metrum omgord, met die borswapen van beeldspraak. En as skoene aan my voete die bereidheid van die versreël met sy grenskuiwende enjambement. Behalwe dit alles neem ek die skild van gefokuswees op waarmee ek al die vurige pyle van die te-lui-om-te-dinkers sal kan blus. Ek laat sak die helm van klank oor my kop en neem in my regterhand die swaard van die metafoor.

 

 

 

(lucebert)

ek trag op poëtiese wyse

dit wil sê

eenvoud se verligte waters

die ruimte van die volledige lewe

tot uitdrukking te bring

 

was ek geen mens gewees nie

soos baie ander mense

dan was ek wat ek was

klippe of vloeibare engel

geboorte en ontbinding het my dan nie aangeraak nie

of die weg van verlatenheid na gemeenskap

die klippe klippe diere diere voëls voëls pad

sou nie so bevuil gewees het

soos hulle nou in my gedigte is nie

die momentopname van die pad

 

in hierdie tyd het wat mense altyd genoem het

skoonheid skoonheid het haar gesig verbrand

sy troos nie meer die mense

sy troos die larwes die reptiele die rotte

maar die mens verskrik sy

en tref hom met die besef

‘n broodkrummel te wees op die rok van die universum

 

nie meer alleen die kwade

of die doodsteek maak ons opstandig of deemoedig nie

maar ook die goeie

die omarming laat ons wanhopig aan die ruimte

morrel

 

ek het daarom die taal

in haar skoonheid opgesoek

hoor daar dat sy niks meer mensliks het

as die spraakgebreke van die skadu

as die van die oorverdowende sonlig

 

Hoe meer ‘n mens daaroor dink, hoe minder kan jy jou ‘n vyand van die poësie voorstel. Valse vriende ja, verraaiers, misbruikers, uitbuiters miskien, maar iemand wat poësie aanval as ‘n vyand wat uit die weg geruim moet word? Om ‘n saak uit te maak vir poësie, is soos om my ruggraat te verdedig, dink ek, maar ouderdom is besig om my ruggraat aan te val; dis soos om suurstof te verdedig, dink ek, maar besoedeling is besig om suurstof aan te val. Dit is soos om ‘n Godheid te verdedig, maar nouja, alle godhede het fanatiese vyande. Dus is poësie daardie unieke entiteit, op ‘n bepaalde manier selfs unieker as die persepsie van God. Omdat niemand haar kan meet of bepaal nie, kan niemand ‘n slagorde teen haar opstel nie. Ideoloë vryf hulle hande, politici lek hulle lippe, sentimentaliste oefen hulle traankliere, maar voordat jy kan sê rymelary, het poësie haar hieruit losgewriemel en skud sy haar hare vry in die wind.

 

(C.T. Msimang)

ek sal opstaan met die Môrester

en ‘n liefdesdrank meng

ek sal katdoring en palmwyn inroer

totdat jy vir my ja sê

ek sal uitgaan as die son sy eerste blink blink

wanneer die dag die dou breek

en ek sien hoe jy uitgelei word

deur die geur van die oggend

ek sal vir jou wag by die fontein

en vir jou wag en wag en aanhou wag, ek sal op jou wag

 

jou siel sal ek sien

as dit verrys saam met die digte oggendmis

wanneer die seekoeie kom lê

my hoop sal saam daarmee rys

as ek sien dat jy die bierpot dra

donker en rond

op die sierlike ronding van jou kop

die rondings van jou wenkbroue

laat my duisel

sodat ek jou aanhou pla

jou aanhou pla totdat jy my van jou water laat drink

 

geduldig sal ek die bult op loop

sorgvuldig die skuinste uit sny

en met my zuluviool die tradisionele lied van verwagting sing

langs die berge loop ek en sing

die berge bring my dig by jou

my lied hoor jy in die tydelike skuiling langs die tuine waar jy werk

dit hamer teen jou bors

maak oop sodat ek kan ingaan

 

jy wat bokant die wolke is

my siel sal uitbars in bloeisels

my siel sal vlerke groei soos ‘n arend

sodat ek vinnig oor die uitspansel wiek

sodat ek die golwe van die wind sny

my siel sal ek span soos vlot

jy wat my lewe is

laat my van jou water drink

                              

Poësie gebruik die prag van taalspanning om iets te sê. Poësie gebruik estetika as etiese bril. Hoe skerper en skoner die estetiese lens, hoe skerper en skoner die lem. En omdat poësie inhoud en medium so intiem omvat, lê die vertwyfeling oor wat presies die betekenis van poësie in jou lewe is of behoort te wees, ook dikwels in jouself. Soms staan jy op die kruispad: jou verweefdheid met poësie word deursny met jou geweefdheid as mens binne taal en tyd. Soms kan jy gewoon induik, soms is daar ‘n tyd wat aandring dat jy nie langer vanuit die integriteit van die stamelende voornaam ‘ek’ kan praat nie, maar die ‘ons’ moet word van die gemarginaliseerdes. 

 

(Hugo Claus)

Ek sou vir jou ‘n lied in die landskap van woede wil sing

Livia, wat jou sou indring, jou bereik deur al nege jou openinge

Blond en rekbaar, en hard

 

Dit sou ‘n vrugteboordlied wees en ‘n gesing van die vlakte

‘n eenmanskoor van skande

Asof my stembande my losbind, ontspring en jou roep

Asof

In die landskap wat my verneder, in die verblyf wat my skaad

(waarin ek op vier voete dwaal) ons nie meer ongelyk verskyn

En ons stemme sluit nie.

Nader my wat nie te naby is nie

Wees nie vreemd vir my soos die aarde nie

 

Vlug nie vir my nie (al die mankes)

Ontmoet my, voel my

Plooi, breek, breek

 

Ons is die weerwind, die reën van dae

Sê my wolkloos

Vloei oop woordeloos, word water

 

Ag die lig is koud en druk sy horingrige hande

In ons gesig wat haper en op en oopvou

 

Ek sou ‘n vrugteboordlied wou sing Livia

Maar die nag word voleind en gevul

 

My vlakte steeds digterend aan die dig – jou bereik kan ek

Maar nooit onvervuld nie

Want die keel van die manlike herte groei tot by die daeraad.

 

In Wes-Afrika ontmoet ek ‘n digter uit die Saharah. ‘n Berber. Hy dra sy gedigte voor en dis asof jy die geluide van wind en kamele daarin kan hoor. In my kultuur, sê ek, word ‘n digter gemeet aan hoe nuut hy dinge kan sê. In my kultuur sê die Berber word ‘n digter gemeet aan hoe jy dinge kan bewaar. Poësie is ons liriese siel, jy leer wie jy is en waar jy vandaan kom uit ons oral poësie. En jy mag dit nie verander nie want dan verskeur jy die geskiedenis van die siel.

 

Dit is aand op die rand van die woestyn. Die hoof van Tuareg gemeenskap druk sy vuis tussen die swaar plompe sterre in en roep uit oor die mikrofoon:

 

‘Selfs al breek hulle my pen, my woorde vat vlam;

selfs al vernietig hulle my perde en kamele,

my tande hang van hulle gewrigte.

Selfs al roof hulle my laaste asem, skroei ek in hulle nek.

Ek is die rewolusie.

Die woestyn maak my vry.

 

Die Egiptiese digter sê:

 

Jy slaap in die tent, nie ‘n enkele roos nie, maar jou geopende hart

en sy beloftes.

Ek buig oor om jou toe te maak met geur

en vind hom daar tussen ons met sy swart tulband.

Hy deel ons kussing. Ek sien hom op die rand van ons slaapmat.

Hy het tone.’

 

Hier veg jy nie vir poësie nie. Hier veg poësie saam met jou. Hier help die oeroue onverwoesbaarheid van poësie jou om te oorleef in plekke waar water, honger en ‘n gewelddadige dood die grootste vyande is. Hier kom lê ‘n gedig soos die skoon snit van ‘n duin in jou keel. Jy kan nêrens so diep asemhaal as in ‘n gedig nie.

 

Ek dink nie, ek sing. Ek is die digter van stilte,

 

Ek slenter met die woord saam. Ek is die swerwer van die woord.

Ek swendel met die stilte van woorde want ek leef daarin.

Dit is my tent en my watergat. Ek hoort in die woord.’

 

Bambara: ‘Poësie het altyd te make met lig.

Poësie gloei vanuit die binnekant.

Poësie is die ritueel om klank oor lig te span.

Sodat jy geopend kan leef.

Sodat jou siel sigbaar geskrynwerk word

 

Anders as Amerika, of God, of Islam, benodig poësie nie dat mense vir haar veg nie.  In daardie opsig is poësie magtiger as God omdat sy niemand benodig om haar te verdedig nie. Sy verwag nie dat iemand haar blindelings dien nie. Dié wat haar liefhet doen so uit eie lyf en onmiddellik maak sy jou vry.

 

Poësie is die groot Ongekontamineerde. Dit is seëvierend anderkant oppermagtig omdat dit die mens in ‘n verhoogde staat van bewussyn plaas altyd met verhelderende gevolge. Dis asof jy vir ‘n moment deur ‘n spieël  tot ‘n raaisel breek. Asof jy op die drumpel van asem staan. Asof jy suurstof uit koel bome kry en skielik vorentoe gaan. Dis waarom digters skryf, om te kan lewe. Dis waarom lesers lees, om te kan lewe. Verhelderend. Om iets van die sterflike lewe te ontruk. En daar is niks magtigs genoeg wat poësie hiervan kan beroof nie.

 

(NP Van Wyk Louw)

Kom, aand. Kom, nag. Dan is ek weer alleen.

Ek eers in jou, my half-silwer aand:

half van die wereld, ek, en half van jou;

iets soos April: lente en hongerig, want

 

ervaring van oop-maak, van die groot-

en blinker-word in die kastanjeboom,

en half nog: trug-van-hunkering,

in Desember en die donker en die sneeu.

 

En dan: my nag, my nag: vervulling

volmaakter as die wereld wat ek weet:

kinderlose, vreugdelose en ondroewige

getyelose maat van my, my nag.   

 

Mense kan stry oor of poësie relevant of persoonlik moet wees, of praisepoetry, rap en poetry-slam werklik poësie is. Daar is digters wie se werk geweldig gewild was, selfs die Nobel prys gekry het maar kort na hulle dood vergete is, daar is ander wat onbekend in hulle leeftyd was, maar wie se werk ewig bekend sal wees. Daar is aangrypende werk wat in ander tale gedoen word, daar is gedigte wat vir vyf minute iemand in die allergrootste nood of verdriet gehelp het, daar is lang indrukwekkende gedigte wat deur niemand gelees word nie,  daar is gedigte wat net deur musiek onthou word, daar is geskiedenisse wat net in gedigte bewaar gebly het, daar is gedigte wat onder orale tonge of in lessenaar-laaie lê en nooit gepubliseer gaan word nie maar gesorg het dat die vingers om die digter se keel hulle greep vir ‘n moment verslap het. Hieroor kan ‘n mens debateer en wonder, maar die suurstofgewende eienskap van poësie kan nooit van haar weg geneem word nie. Want poësie is fundamenteel ‘n selfverhelderende vindingrykheid, iets wat met louter vreugde taal gebruik om iets onbegrypliks van die wêreld vas te vang.

 

Poësie verwissel nog altyd triomfantlik van gedaante na gelang van getye, modes en node, maar sy is onvernietigbaar. Lank nadat ek en u verby gegaan het, lank nadat die beskawings en tale waaraan ons deel was tot niet gegaan het, sal poësie voortgaan. Want die woord wat in die begin was, was natuurlik die skeppende woord, die woord van oorlewing.

 

Poësie is die eerste aankondiger dat ‘n kreoolse mengsel ‘n waaragtige taal aan’t word is. Mens sou dus kon aflei dat indien die digkuns verdwyn in ‘n taal, dan sterf daardie taal. ‘n Mens is dus bly vir elke gedig in Afrikaans, maar moet ook waak om ‘n tuisnywerheid letterkunde te kweek waar anything goes terwyl die ou bekende weer eens opgedis word maar nou met kitsmagarine en foproom. ‘n Taal moet ‘n slagaar hê en poësie moet kan skreeu uit haar gut.

 

(Paul Celan)

Naby is ons, Here

naby en grypbaar.

 

Reeds gegryp Here

inmekaar in verklou, asof

elk van ons liggame

jou liggaam is, Here

 

Bid Here

Bid tot ons

Ons is naby

 

Windskeef slinger ons vorentoe

slinger ons vorentoe, ons buk

oor krater en massagraf

 

Om te drink gaan ons Here

 

Daar was bloed, dit is

wat jy gegiet het, Here

 

Dit glans.

 

So groei jou beeld in ons oë, Here.

Oë en mond staan so oop en leeg Heer.

Ons het gedrink, Heer

Die bloed en die beeld wat in die bloed was, Heer.

 

Bid Here

ons is naby

 

 

(Paul Celan)

Tel die amandels

tel, wat bitter was en jou wakkerhou

tel my daarby

 

Ek soek jou oog, toe jy uitgekyk het en niemand jou oog gesien het nie

ek span die geheime garing

wat jy verbind het met die dou toe dit waaraan jy gedink het

teruggeglip het in die kruike

vergesel van spraak wat niemand se hart kon aantref nie

 

Eers daar tree jy die naam binne wat jy is

met vaste tred stap jy na jouself toe

swaai jy die hamer vry in die kloktoring van stiltes

styg die afgeluisterde na jou toe op

daar lê die dode nou sy arm ook om jou

en julle drie stap deur die aand

 

Maak my bitter, tel my

Tel my saam met die amandels   

 

 (C) Antjie Krog

Lucebert se toespraak gevind

Monday, September 14th, 2009
Lucebert se toespraak van 5 November 1949

Lucebert

“Geachte aanwezigen – Hier sta ik … in een opvallend schuchtere houding voor U … omdat ik uiters verlegen ben met de taak die voor vanavond op mijn schouders rust. Ik heb nl. bij u in te leiden een groep jonge dichters die de pretentie heeft de Nederlandse literatuur te vernieuwen.”

So het Lucebert sy toespraak wat hy tydens die “dichtersavond” op 5 November 1949 in die Stedelijk Museum (Amsterdam) gelewer het, begin. Die groep “jonge dichters” waarna hy verwys het, het buiten homself ook nog Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek en Jan Elburg ingesluit. Maar by voorlees het dié aand nooit uitgekom nie, want ná die 25-jarige Lucebert (L.J. Swaanswijk) se openingsrede het dié geleentheid in totale pandemonium ontaard met algemene geskreeu en vuisgevegte.

Chaos. Maar CoBrA was gebore. En saam daarmee die groep digters wat later as die “Vijftigers” bekend sou raak. Nie net die Nederlandse digkuns nie, maar inderdaad die Europese digkuns sou hierna nooit weer dieselfde wees nie.

Die goeie nuus is egter dat dié historiese toespraak nou na 60 jaar opgespoor is en deur die Neerlandikus Peter Hofman in die publikasie Hollands Maandblad gepubliseer is. (Die inleidende paragrawe kan hier gelees word.) Die waarde van hierdie toespraak lê natuurlik daarin dat Lucebert  “het verzet van de nieuwe generatie dichters en schilders tegen de ‘letterdames en letterheren’ van het naoorlogse Nederland voor het eerst openlijk verwoordde.”

Uiters vermaaklik is die berig op De Contrabas se webblad waar hulle verwys na die media-reaksie destyds op Lucebert se openingesrede. De Waarheid het byvoorbeeld verwys na ‘n ‘Trotzkistische rel’ terwyl Het Vrije Volk weer die volgende siening gehuldig het: ‘Wie deze tentoonstelling gezien heeft, heeft geen hoop meer, dat er uit Karel Appel en Corneille, uit Constant en Théophile Wolvenkamp, uit Gerrit Kouwenaar en Lucebert ooit iets anders zal groeien dan wat ze nu al zijn: knoeiers, kladders’.

Na ja, toe. Dat ‘n mens só deur die geskiedenis verkeerd bewys kan word, nè …

***

Vanaand is dit die amptelike bekendselling van Mathews Phosa se bygewerkte digbundel Deur die oog van ’n naald wat verlede Vrydag in die boekwinkels afgelewer is. Die bekendstelling gaan op ‘n wynplaas buite Stellenbosch wees. Lees gerus die onderhoud wat met dr. Phosa gevoer is, asook die inligtingstuk oor die bundel.

***

Dan is dit vir ons aangenaam om Desmond Painter as blogger te verwelkom. Desmond is een van die veelsydigste intellektuele in die land en ons kan beslis uitsien na sy “buite-blik” op die poësie. Mag dit vir jou ‘n plesierige affêre wees, Desmond!

***

Ten slotte, nog ’n aanhaling uit Lucebert se legendariese toespraak: “Wil men in de chaos, de snelle gang van zaken volgen en er een werkzaam aandeel in hebben, dan moet men de stoute schoenen aantrekken, de moed hebben avonturier en beelden stromer te zijn. Voortdurend het verleden vernielen moet men in het heden staan als in het laboratorium der toekomst.”

Lekker knoei en klad hierdie week.

Mooi bly.

LE

  •