Posts Tagged ‘Marjoleine de Vos’

Janita Monna. Een oefening in loslaten.

Thursday, July 4th, 2013

 

Marjoleine de Vos – Uitzicht genoeg

 

Uitzicht geldt meestal als aanprijzing: een kamer met uitzicht op zee kost altijd meer dan eentje die uitkijkt op een dode muur; hoe verder het zicht, hoe beter.

Dat idee zet dichter Marjoleine de Vos op losse schroeven: zij vraagt zich in haar vierde dichtbundel of al dat staren in de verte, in ruimte en tijd, niet te veel afleidt van het leven zelf. Kijken we niet te vaak vooruit? Speelt wat belangrijk is zich niet gewoon nu af, en dichter bij huis?

 

Kijk bij je voet, maant hij, waar speenkruid

bloeit, de lucht gespiegeld blauw is in het diep.

Voel warmte op je neus, zie ’t vroege blad

van vlier. Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier.

 

Uitzicht genoeg opent met een serie gedichten waarin de vanzelfsprekende natuur menselijke eigenschappen toegedicht krijgt. ‘Mensenvragen’ over zin, toekomst, later, het al dan niet bestaan van een schepper of God worden geprojecteerd op het eerste groen in de lente of op vogeltjes die vrolijk en onbezorgd zaadjes pikken uit een vetbol: ‘Maar o mijn meesje, jij leeft op de pof./ (…)/ zo grondeloos opgaan in heden/ en almaar denken nu, nu, nu.’ – de vogel en de mens als de ‘krekel en de mier’.

Maar hoe die wens om zonder toekomst of verte te leven, te verenigen met een tijd die niet stilstaat? Want het uitzicht is ook een zicht op het einde, leven met de dood. Zoals dat wat geluk oproept in het heden, vaak verbonden is met een vroeger, met herinneringen aan een oud huis, een verloren paradijs. Terugkeer naar waar je eens was, is onmogelijk, ‘[e]lk paradijs is al voorbij’, zo toont de reeks ‘Heimwee naar de toekomst’. Bijna vermanend wordt de lezer toegesproken: ‘Pas op,/ bestemming is een toverwoord, dat achteloos/ vermoordt het ongekende dat je overkomt.’

Het is geen wonder dat de bundel, die aanvankelijk dicht bij huis blijft, in de tuin, zich steeds verder uitbreidt in ruimte en tijd. En dat ook Odysseus langskomt, die Griekse held die na zijn lange omzwervingen terugkwam in een land dat niet langer hetzelfde was: ‘Wie van huis gaat,/ komt niet weerom. De deur valt dicht, je stappen/ sterven in de straat. Je raapt ze niet meer op.’

Marjoleine de Vos formuleert haar ‘levenslessen’, want zo zou je deze gedichten kunnen noemen, op een toon die het midden houdt tussen enthousiaste verwondering en ietwat gedragen bedachtzaamheid. Waarin iets van het mystieke van de Groningse dichter C.O. Jellema klinkt, en met echo’s van Rutger Kopland, al is De Vos is opgewekter, en zijn haar beelden kleurrijker.

Uitzicht genoeg is een aanstekelijke aansporing om te zijn. Een oefening in loslaten, van denken en bewustzijn. Maar toch blijven de gedichten ook op afstand – en misschien komt dat uiteindelijk wel doordat gewone dagelijkse beslommeringen, die de omarming van hier en nu vaak zo radicaal in de wielen rijden, in deze regels afwezig zijn.

 

 

Aanzie de vogels

 

De mees op mijn vetbol waant zich

vast wel behoed al kent ze niet het woord

dat zegt dat vrij zijn, net als zij, van zorg

omdat uw Vader immers alles geeft,

het wenslijkst is voor al wat leeft.

Ze denkt niet eens eraan mij te aanbidden

die haar zaad en pinda’s schenkt.

 

Maar o mijn meesje, jij leeft op de pof.

Eerdaags vlieg ik naar Afrika en jij

krijgt spijt van je klein mystiek ideaal:

zo grondeloos opgaan in heden

en almaar denken: nu, nu, nu.

 

Marjoleine de Vos – Uitzicht genoeg. Van Oorschot, 14,50 euro, 60 pagina’s, ISBN 9789028250079

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Luuk Gruwez. Pleidooi voor het nu

Wednesday, April 3rd, 2013

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. PLEIDOOI VOOR HET NU

In het motto van ‘Uitzicht genoeg’, de jongste bundel van Marjoleine de Vos, zet Wieslaw Mysliwski al meteen de toon: ‘Nee, je keert nooit meer terug naar dezelfde plek. Eerlijk gezegd bestaat die plek niet meer en zelfs de mogelijkheid om ergens terug te keren bestaat niet.’ Vele van deze gedichten beschrijven niettemin zoektochten, vaak gestoffeerd met mythologische referenties aan fameuze reizigers: Aeneas, Odysseus of Gilgamesj, bijvoorbeeld. De dichter realiseert zich al heel snel dat eeuwigheid niet bestaat of dat zij onvatbaar en onbereikbaar is, maar zij lijkt zich ermee te verzoenen dat het uitzicht erop al voldoende is. Voor eeuwig mogen wij dan al niet bestemd zijn, maar het volstaat ernaar te kunnen kijken vanuit ons afgebakende hier en nu. Je moet in het leven overigens niet te ver kijken. ‘Dat wat je zoekt is hier,’ staat al in het eerste gedicht te lezen. En dat is meteen het hoofdthema.

Het gaat in deze poëzie voortdurend om de spanning tussen wat groter is dan wij en de beperktheid van onze vermogens. De dichter schaart zich nooit aan de kant van de goden, maar altijd aan die van de mens. En zij levert daarbij een stevig pleidooi voor het momentane. Mensen zijn veel te vaak geneigd zich te laten ringeloren door de gedachte aan het onmeetbare dat hen omringt: ‘Wij zingen heimelijk mee maar praten / over het Niets dat ons draagt en / dat we niet begrijpen.’ Dieren als hazen hebben niet zulke dwaze obsessies en pretenties: hun gaat het er juist om vrij te zijn, vrij van ‘mensenvragen’, vrij van een soort denken dat de beleving van het heden belemmert.

Marjoleine de Vos geniet in Nederland ook bekendheid als culinaire columniste. Iets van die directe zintuiglijke belangstelling straalt misschien wel af op haar gedichten. Het onmiddellijke genot is bij haar namelijk nooit verdacht, integendeel. Ze vindt het voor een appel bijvoorbeeld geen slecht vooruitzicht in een taart te eindigen. Wij gaan er trouwens veel te dikwijls van uit dat de tijd ons vijandig gezind is, vindt zij. Vandaar dat zij alle tijden van een mensenleven verzoent, alle metafysica in het bestaan incluis. Heden, verleden en toekomst vloeien onontwarbaar in elkaar over. ‘Geef heimwee naar de toekomst / dus geen kans, je bent er immers al,’ heet het. Dit maakt dat in alle tijd een zekere tijdloosheid verscholen zit. Er zit alleen geen plan in het bestaan en dat is goed: ‘Zoals een wandeling geen doel heeft / maar wel richting kiest.’ Het levert poëzie op met een hoog Carpe Diem- en Paradise Now-gehalte. Bestemming is iets waarvan wij ons moeten zien te ontdoen. Er mag dan al geen perfect geluk denkbaar zijn in het heden, wij hoeven ons daardoor niet van de wijs te laten brengen: ‘Elk paradijs is al voorbij, precies daarom / zijn wij er zo gelukkig geweest. Maar / ‘t echte feest is altijd nu (…).’ Nogmaals: ‘Uitzicht genoeg.’ Het is precies de vergankelijkheid van de tijd die er de kracht van uitmaakt en voor wie zich zijn sterfelijkheid niet realiseert is er aan het leven ook geen enkele lol te beleven. Bovendien ondermijnt Marjoleine de Vos de eindigheid van de tijd. Iets van ons blijft kennelijk altijd overeind of komt terug. Zij ziet ook het schrijven als een (mogelijk krakkemikkige) poging om het bestaan te recyclen: ‘Er huist geen groot schandaal in leven / dat verdwijnen moet om nog onwennig / op te staan in een herschreven vorm.’

Is er dan geen enkel moment waarop getwijfeld wordt aan de waarde van een leven dat gedoemd is te eindigen? Toch wel. Op zeker moment krijgt Nestor, een oude man, het woord. Hij evalueert het parcours dat hij heeft afgelegd niet als dat van een zinvolle reis, maar als een gependel tussen niets en niets. Zijn conclusie leidt niettemin tot een duidelijke directive aan wie jonger is: ‘Spaar niet. Leef hevig. Hoepel op. Jij met je levensvreugd.’ In een gedicht over een in heimwee verdrinkende Odysseus, weerklinkt dezelfde doelloosheid van elke reis en de onmogelijkheid van elke terugkeer: ‘Wie van huis gaat, komt niet weerom.’ Toch lijkt de dichter ons te willen voorspiegelen dat er iets is dat de eindigheid overtreft. In het allerlaatste vers van de bundel lezen wij namelijk dit: ‘De liefde van Indroe en Gilgamesj was groter dan de dood.’ Het is alsof hier wordt gesuggereerd dat het moment, als er maar voldoende intensiteit aan toegekend wordt, zich ontdoet van wat vergankelijk is. Daar is alleen maar liefde voor nodig.

_______________________

MARJOLEINE DE VOS

Uitzicht genoeg

uitgeverij Van Oorschot, 59 blz., 14,50 euro

 

STERREN:

****

 

KRINGLOOP

 

En steeds is alles op zijn mooist: van start

in volle bloei tot rood en krachtig kaal.

Er huist geen groot schandaal in leven

dat verdwijnen moet om nog onwennig

op te staan in een herschreven vorm.

We spreken over ons bestaan, we lachen

willen hier zijn, altijd hier. Zoals de vlier

heel oud al in zijn ziel, maar graag bereid

tot flierefluiten voor wie wil.

 

Marjoleine de Vos

Vrydag, 19 Junie 2009

Friday, June 19th, 2009
Marlise, Marjoleine, Ad Zuiderent & Tom van Deel

Marlise, Marjoleine, Ad Zuiderent & Tom van Deel

Op haar gereelde rubriek De Thuiskok in die NRC Handelsblad skryf Marjoleine de Vos onlangs oor die wenslikheid van ‘n resepteboek met gedigte daarby. “Een bloemlezing van gedichten met recepten erbij, zou dat nu niet eens iets leuks zijn?” vra sy en voeg dan by: “Maar dan moeten die dichters natuurlijk ook wel een beetje eten in de gedichten van ze, want anders ben je snel klaar met je recepten …” Nou is dit ook so dat ek en Marlise net die mooiste herinneringe het van Marjoleine en haar man, Tom van Deel, soos die foto hiernaas getuig. Nie net is hulle albei digters van vele bundels nie, maar Marjoleine is inderdaad ‘n voorslagkok. (Terloops, die foto hiernaas is geneem tydens ‘n ritueel toe elkeen teenwoordig ‘n heildronk moes instel op ‘n bepaalde wërelddigter. En glo my, die hele alfabet is deurgewerk van Yehuda Amichai tot by Adam Zagajewski. Kliek gerus op die foto indien jy dit wil vergroot.)

Nietemin, dié versugting deur Marjoleine het my onwillekeurig laat dink aan hoe bevoorreg ons is met twéé publikasies deur formidabele digterskokke: C. Louis Leipoldt (Polfyntjies vir die proe, Cerderberg Uitgewers, 2004) en George Weideman (Verskombuis, Protea Boekhuis, 2006). Voeg nog daarby Marlene van Niekerk se wonderlike kosrubrieke van enkele jare gelede – wat hopelik eendag nog uitgegee sal word! – plus DJ Opperman se bekende Grondstowwe by die siklus van seisoene, en ons besef dat eet en drink en poësie eintlik nog altyd stalmaats was in ons digkuns.

 

So, maak ‘n spesiale gereg hierdie naweek en geniet dit saam met jou gunstelingdigter … (Ter inspirasie, die slotreëls uit Marlise Joubert se gedig Ballade vir die minnaars hieronder.)
Lekker eet! Nuuswekker hervat weer Maandag.
LE
 
En sy sal die versugting van sy verse in die vlees toevou
En die mes en die vurk van jarelange saamwees
En hulle sal die woorde geniet wat brood geword het
Soos brood sal hulle mekaar bly eet en vermeerder
Want hy het besluit om sag te wees
(c) Marlise Joubert (passies en passasies, Protea Boekhuis, 2007)
  •