Posts Tagged ‘Mark Boog’

Janita Monna. Langs de oppervlakte van het leven

Wednesday, August 7th, 2013

 

Mark Boog – Maar zingend

Niet dat Mark Boog nu zo’n duistere dichter was, zeker niet. Somber, dat wel, z’n boodschap althans, want die die behelsde zoveel als: we leven zinloos en dat doen we ook nog eens helemaal alleen. Toch wist Boog die weinig opwekkende visie op de mens over het algemeen tamelijk monter en bijna terloops te verpakken.

Ook weer in zijn onlangs verschenen dichtbundel, Maar zingend. Daarin klinkt weliswaar nog altijd datzelfde deuntje, maar er is ook iets veranderd: Boog is directer geworden, z’n zinnen kordater en vooral, hij oogt minder gelaten. En dat klinkt dan zo: ‘Er is altijd wat te zeggen/ voor gewoon maar doorgaan/ de schrale plekken vrolijk negerend.’

Dat is wat Boog doet in deze gedichten. Ingewikkelde vragen en lastige, soms pijnlijke kwesties stipt hij aan – wij bestaan via de ander, de vrije wil – om over te stappen op de orde van de dag. Zonder al te veel omhaal van woorden laat hij zien dat het zoeken naar een antwoord op grote levensvragen weliswaar is wat mensen drijft, maar dat van dat gezoek niet te veel verwacht moet worden. Want de mens is als een reiger die stil staat naast een vijver en speurt naar vis: ‘het heldere water een verschrikkelijke spiegel – / vind zo verdomme maar eens vis// we zien alleen onszelf, vermoeden onszelf/ in het betoverd rimpelen.’

In Boogs poëzie hoor je dichters als Hans Faverey en Toon Tellegen, die laatste bijvoorbeeld in regels als ‘De twijfel marcheert dit gedicht binnen.’ Ook eigen werk herneemt hij, zoals in de reeks ‘Naast iedere wieg, waarin sprookjes voorbijkomen met feeën in de rol van de voorzienigheid. Maar ook zij komen met hun voorspellingen niet veel verder dan ‘Nou ja, we zien wel./ Ik wil mijn voorspelling/ later graag preciezer formuleren.’

Kinderen, zo laat Boog in deze serie zien, zijn geen tabula rasa, maar een ‘leeg slagveld’, waar straks alle opgedane levensindrukken slag zullen leveren. Maar tot ze dat beseffen, hebben de dingen nog zin. En ouders houden het sprookje van de zinvolheid lang in stand, met verhaaltjes over bijvoorbeeld de tandenfee, die je tand onder je kussen vandaan haalt en er iets voor in de plaats legt:

 

Van elk verlies moet iets goeds komen, dat is beloofd.

Dat het vertrouwen en de aangeboren hoop

lang bij ons mogen blijven.

 

Boogs poëzie zit stikvol regels die zó op een tegeltje kunnen:

 

Elke volgende lente is een kleiner deel

van het mooie leven.

 

Maar Mark Boog doet veel meer dan tegeltjeswijsheden in het rond strooien. In Maar zingend scheert hij scherp langs de oppervlakte van het leven. En juist door die opgewekt zakelijke benadering: ‘Dagdagelijks verlies./ Steeds onnoemelijk [ verschijnsel]’, en die bijna schouderophalende toon, valt zijn vertrouwde liedje opnieuw rauw op het dak.

 

Van elk verlies

 

De verloren tand onder het kussen, het hoopvolle

hoofd in ondiepe slaap er krachtig opgedrukt.

Alles kan ontsnappen.

 

Van elk verlies moet iets goeds komen, dat is beloofd.

Dat het vertrouwen en de aangeboren hoop

lang bij ons mogen blijven.

 

Sommige dingen weten we liever niet.

Er is de ernstige oudertaak dingen niet aan te leren.

Zelfs geen guitige toespeling over het kinderhoofd heen!

 

De slaap, de slaap, en het donker kolken van taal.

De bedoeling, de winst en de rekening.

Het kind.

 

Mark Boog – Maar zingend. Cossee, 96 pagina’s, 18,90 euro, ISBN 9789059363731

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Louis Esterhuizen. Skoonheid van die onvoltooide gedig

Monday, May 7th, 2012

 

Enkele dae gelede bevind ek my in ‘n gesprek oor die legendariese Maria Callas (foto). Die oorwerkte argument  van haar passie as wins teenoor tegniese imperfeksies word deur my aangevoer en by wyse van vergelyking swaai die gesprek na Callas se tydgenoot, Renata Tebaldi, wat tegnies weer meesterlik was, maar helaas, ten opsigte van passie veel minder inspirerend.

 

Nietemin, uiteraard kantel die gesprek verder na die digkuns, want is dit nie ook (dikwels) so dat die vernuftige en tegnies afgeronde vers dikwels ontbreek aan daardie bykans magiese “iets” wat jou laat voel asof die bokant van jou kop weggeblaas word nie? En hoe dikwels is die mees onvergeetlike gedigte nie juis gedigte met bepaalde tegniese tekortkominge nie? Asof die gedig wen aan resonansie júís as gevolg van sy eie onvoltooidheid …

 

Mark Boog

Mark Boog

En daar lees ek enkele dae later toevallig Mark Boog se blog op Poetry oor die skoonheid van die onvoltooide gedig: “Het enige wat erger is dan een gedicht dat niet af is, is een gedicht dat té af is. Elke dichter streeft daarom naar het onvoltooide. Gaat hij te ver, voltooit hij per abuis het gedicht, dan zit hij met een volmaakt ronde, glanzende kei. Er kan met bewondering naar gekeken worden, in een zorgvuldig verlichte vitrinekast doet de kei het uitstekend, maar je kunt er niets mee.”

 

Vir Boog is die hermetiese digkuns dus nié duister, onbegryplike poësie nie, maar “perfecte, geheel afgewerkte gedichten, waaraan alles klopt, vlekkeloos metrum, smaakvol rijm, die ontoegankelijk zijn: alles is dichtgeplamuurd, tot aan de kieren langs de ramen en de deuren toe.” En dan verder: “Stopt de dichter daarentegen te vroeg, uit luiheid of gemakzucht of simpelweg bij vergissing, verklaart hij zijn gedicht af voordat de juiste graad van onvoltooidheid is bereikt, dan is het resultaat alleen maar slordig. Er zijn overbodige regels, er wringen bijvoeglijke naamwoorden, beelden kloppen net niet en kraken in hun voegen, kunnen elk moment instorten: het gedicht is niet klaar.”

 

Maar wanneer is die gedig dan “klaar”? Wel, volgende Boog  wanneer die gedig “precies onvoltooid genoeg is”.  Volgens hom moet daar “rafels zijn en scherpe randen, gaten en obstakels, juist zoveel dat het onmogelijk is om het gedicht als een glijbaan te nemen: roetsj, klaar, volgende, maar niet zo veel dat het een stormbaan wordt, die zwoegend en vloekend wordt afgelegd, omdat het nu eenmaal moet. Tussen glij- en stormbaan bevindt zich het punt waarop het gedicht op zijn best is. Het nodigt tot lezen uit maar ook tot herlezen, levert genot én stof tot nadenken, sleept mee én biedt weerstand.”

 

Mmm, laat ‘n mens dink, nè? My ouma het immers hoeka se tyd al gesê dat té veel van ‘n goeie ding nooit goed is nie … Maak nie saak na watter kant toe nie.

 

Vir jou leesplesier volg ‘n gedig van Breyten Breytenbach hieronder; vir geen ander rede as dat daar verlede week ‘n hele paar prominente begrafnisse in ons dorp was nie. Een van die persone wat iets by een van dié geleenthede moes sê, het in die winkel kom soek na ‘n gedig met die reël “mag die sooie lig op jou rus” daarin. Breytenbach se vers “groetgedig vir Ampie”, natuurlik. En meteens het dié gedig my holderstebolder gegooi. Watter ongelooflike, onvergeetlike gedig is dit nie!

 

***

 

groetgedig vir Ampie

 

mag die sooie lig op jou rus

lig-lig sodat jy rustig

asem kan haal

en die wasem krul

om jou rooi tong

 

dat die ritmes jou sus

lig-lig sodat jy terug

mag beweeg bewegingloos

en sonder gewig

in eindelose plooie van die lewe

 

dat jou vlees mag bewe

met die ekstase van vergaan

want alle bestaan is stof

en word lig

 

© Breyten Breytenbach (Uit: die windvanger, Human & Rousseau: 2007)

 

 

  •