Posts Tagged ‘Menno Wigman Slordig met geluk’

Recensie: Slordig met geluk (Menno Wigman)

Wednesday, September 14th, 2016

Luuk Gruwez. SLAPEN OP EEN MES

 

De auteur: Een van de allerbelangrijkste Nederlandstalige dichters van het moment, wiens vorige bundel, Mijn naam is Legioen, terecht zes drukken mocht beleven.

Het boek: Wigman slaagt erin zijn gedichten open te stellen voor een breed lezerspubliek zonder het naar de mond te praten.

ONS OORDEEL: Het zoveelste bewijs dat geslaagde poëzie, hoe zwartgallig ook, op een onverklaarbare manier troostrijk kan zijn.

Weinig dichters hebben zo’n problematische relatie met het eigen lichaam als Menno Wigman. Zeker in Slordig met geluk. Het is van hem bekend dat hij aan slaapangst lijdt, als was hij bang zichzelf voorgoed kwijt te spelen. Hoewel het soms lijkt of hij dat wil: ‘Hoe kom ik uit dit lichaam weg?’ schrijft hij. En: ‘Hoe moet ik slapen op een mes?’ Maar er is meer aan de orde dan een medisch probleem. De angst om te slapen blijkt ook te staan voor de verscheurende vraag of het beter is te bestaan of niet te bestaan. Tot overmaat van ramp belandt de dichter op intensive care met een uiterst zeldzame en mysterieuze hartkwaal die hem twee weken lang het dubieuze voorrecht gunt in het eigen graf te kijken. Hij is ‘de man die uit een vulva viel’ in het gelijknamige gedicht. Geboren worden is een soort vallen. En tussen vulva en graf, die andere ‘vermoeide scheur’ ligt uiteindelijk niet zoveel verschil. Zelfs die ene remedie hiertegen (‘seks – veel seks’) voldoet niet. ”s Nachts spoelt hij tussen vrouwenlakens aan/ en naait hij zich nerveus de hemel in,’ lezen wij. Dat ‘aanspoelen’ impliceert dat er geen significant verschil is tussen eros en thanatos. Zelfs wie neukt bij het leven, komt ter bestemming als een lijk. De liefdessponde en het strand van de dood zijn elkaar verwant.

Niet alleen met zijn falende lijf heeft de dichter het moeilijk, maar evenzeer met het medium dat hem een alternatief bestaan moet garanderen, de poëzie. ‘Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien,’ citeert hij instemmend Slauerhoff. Hoewel hij van poëzie houdt, toch haat hij haar minstens even heftig. Zij maakt hem namelijk tegelijk het leven zuur. Zij is aanvankelijk een middel waarmee hij zichzelf probeert te verwekken in een rebellie tegen zijn ouders. Tegen de wereld van de doffe dagelijksheid die hij als adolescent ervaart (‘Je zult maar zestien zijn en lelijk. Zoals jij.’) probeert hij schrijvenderwijs een wereld vol glans te creëren. Maar helaas voldoet die nooit echt. Wigman beseft daardoor langzamerhand dat hij misschien wel de verkeerde keuze heeft gemaakt, dat hij ‘slordig met geluk’ is geweest, dat de poëzie hem verblind heeft en dat hij altijd onvoldoende oog voor het reële bestaan heeft gehad.

Slordig met geluk vangt bijzonder imponerend aan met drie gedichten die het verdienen klassiek te worden. Het openingsgedicht heet ‘Herostratos’ en beschrijft de man uit de antieke oudheid die het erop aanlegt door het plegen van een misdaad roem te verwerven. Net als Napoleon en Nero dat deden. De verleiding is groot om in deze figuur ook een dichter te zien. Poëzie is net als elke misdaad een bestaansbewijs. Wigman schenkt overigens veel aandacht aan wie onzichtbaar bestaat en die hij alsnog een geschiedenis wil verschaffen. Hij is erg op dreef wanneer hij deelneemt aan het lovenswaardige project van de Eenzame Uitvaart, waarbij aan een dichter gevraagd wordt bij de uitvaart van een onbekende overledene een gedicht te schrijven. ‘Aarde, wees niet streng,’ dicht hij. Elke dode van wie de historie zoek is geraakt, verdient het alsnog van een leven te worden voorzien.

Talrijk zijn de bespiegelingen over het schrijven. Een scharniermoment is dat van de beslissing om daarmee te beginnen tijdens de overgang van jeugd naar volwassenheid. Schrijven impliceert in de wereld van deze dichter dat de vrede van het dorp waarin men is opgegroeid plaats moet ruimen voor de grimmigheid, de hitsigheid, de intensiteit van Amsterdam, stad waarvan hij in 2012 en 2013 stadsdichter was en die zeer prominent aanwezig is, onder meer als de habitat van de literatuur die hier  zoveel gemengde gevoelens genereert. Want Amsterdam is ook de wereld van de dood. Wigman laat zich inspireren door een krantenbericht over de grachten, waarin tijdens een periode van drie jaar minstens 51 mannen zijn verdronken toen zij daar dronken stonden te plassen als werden zij het slachtoffer van een duistere vorm van narcisme.

‘Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard?’, verzucht hij. Hij beoefent een ondergangsdenken dat zowel te maken heeft met zijn omgeving als met zijn lijfelijkheid: ‘Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?’ Misschien omdat zijn lijf deel uitmaakt van de natuur, voor hem iets als ‘een kapotte tv’. En erger nog: ‘O sleep me uit dit groene braaksel weg.’ Hij ervaart de natuur als vijandig. Net zoals hij de vrouw vaak als vijandig bestempelt of als ‘iets met lipstick’ dat hem van het schrijven afhoudt en hem in drank soelaas doet zoeken: ‘De ene helft van zijn leven had hij weggezopen, de andere ging op aan katers.’. Maar in de slotcyclus heeft geluk dan toch even een adres! Het is misschien te vinden in een terugblik op de schooljaren binnen het dorp. Of het is dan toch dat  van het ouderlijke huis, toen nog geen keuze moest worden gemaakt. In elk geval eindigt Slordig met geluk niet met een complete catastrofe: ‘(…) iedereen,/ ook ik, is nog een keer een lente waard.’

 

____________________

MENNO WIGMAN

Slordig met geluk

Prometheus, 63 blz., 14,95 euro.

  •