Posts Tagged ‘P.C. Hooft-prijs 2021 Alfred Schaffer’

Alfred Schaffer. P.C. Hooft-prijs 2021

Tuesday, December 15th, 2020

 

 

JURYRAPPORT

Alfred Schaffer is de eerste voorgedragen P.C. Hooftprijs-laureaat die debuteerde in de 21e eeuw. In 2000, toen zijn bundel Mijn opkomst in de voorstad verscheen, viel onmiddellijk op hoezeer de dichter uitblinkt in het schrijven van autonome, soms onheilspellende scènes. In deze poëzie is men ontheemd, alleen, verward, misplaatst. Het is er soms zo mistig dat je als lezer ‘geen hand voor ogen’ ziet. Zeker in de bundels Schuim (2006) en Kooi (2008) is alles wazig, onzeker – een metafoor voor hoe het leven is. Schaffer verwoordt het zelf treffend in Kooi: ‘Zo onleesbaar werd het onderschrift en natuurlijk zijn we weer / volkomen alleen, deel van de geschiedenis. Het roer moet om.’

Schaffers gedichten laten zich in eerste instantie vaak lezen als willekeurige passages uit een oneindige stroom observaties – maar die willekeur is schijn. Zijn poëzie omvat zeer precies gekozen momentopnames, met zinnen die ogen alsof er een scalpel aan te pas is gekomen. De dichter is volkomen aanwezig, maar houdt voortdurend afstand. Zo vormt de poëzie van Alfred Schaffer een boekhouding van de uiterst veranderlijke manier waarop we informatie verzamelen, selecteren, afwegen en combineren. In deze verzen vermengen brokstukken werkelijkheid zich met flarden gesprek en rake commentaren, net zolang tot een talig universum ontstaat waarin de personages tastend op zoek zijn naar houvast.

Dat laatste geldt ook voor ons, lezers. Wie Schaffer leest, ervaart de snelheid van social media, de achteloosheid van toevallige passanten en de amusementswaarde van de mens in al zijn onbeholpen dierlijkheid. De dichter plaatst daar zowel woede als mededogen tegenover: ‘Hier staan wij met verhalen, // onze monden vol met tanden. / Wat wij wel hebben bereikt / versmolt met ons en zie, / wij hebben hard gelachen.’ In dit soort verzen spreekt een bevlogen, parlando stem – een signatuur die krachtig doorklinkt in de negen bundels die Schaffer tot nog toe publiceerde. De dichter schuwt het daarbij niet om de grenzen van de lyriek op te zoeken door weerbarstige collages te creëren waarbij de verbanden tussen regels en strofen ook een zaak voor de lezer zijn. Hij lijkt wat dat betreft op de leerling uit zijn bundel Dwaalgasten (2002): ‘Tot zover is hij de enige die op een groot podium voorwerpen durft te gebruiken die slechts hij kan onderscheiden.’

Het spel met de grenzen van de poëzie voert Schaffer op het scherpst van de snede. Bij elke bundel die hij schrijft, laat hij los wat hij van poëzie weet of wat anderen van poëzie verwachten. Daarom is hij in de kern van zijn auteurschap een experimentele dichter. Schaffer blijft principieel een leerling van zijn eigen kunst. Hij durft merkwaardige bundels te maken, die niet lezen als conventionele dichtbundels of prozaboeken. Het zijn vaak rare dingen die hij de wereld instuurt, en daar zitten we dan mee.

Dat laatste bedoelen we in positieve zin: Schaffers spitsvondige en dubbelzinnige poëzie nodigt uit tot eindeloos herlezen. Zijn oeuvre onderscheidt zich door een sprankelende veelstemmigheid waarin je je steeds weer  verliest. Deze dichter heeft de bijzondere gave om ogenschijnlijk onbeduidende zinnetjes in een context te plaatsen waardoor ze plotseling veelbetekenend worden – een verademing in een tijd vol holle frasen. Het bijzondere is dat dit taalspel ook uiterst persoonlijk is, mede omdat Schaffers oeuvre volstrekt oprecht en zonder pretentie is. Zeker in zijn laatste twee bundels Postuum, een lofzang (2016) en Wie was ik (2020) maakt de dichter ruimte voor persoonlijke expressies vol mededogen.

Alfred Schaffer is een dichter die zonder met modes mee te waaien midden in deze tijd staat. Dat uit zich in zijn neus voor moderne communicatievormen, maar vooral ook in de oprechte betrokkenheid met  de wereld die uit zijn verzen spreekt. Schaffers poëzie is nooit los te zien van de context van Zuid-Afrika, het land waar hij sinds 1996 – met een onderbreking van enkele jaren – woonachtig is. In zijn gedichten resoneert de verhouding tussen wit en zwart regelmatig , ook vanwege de persoonlijke achtergrond van de dichter, die een Arubaanse moeder heeft. Ook voor die thematiek geldt dat Schaffer naarstig op zoek blijft naar experimentele vormen waarin hij zijn eigenzinnige stem kan gieten. In zijn talige verzen vermengt hij moeiteloos afschuwelijke taferelen met kritiek op het koloniale verleden en kleedt hij het moderne consumentisme op zo’n speelse manier uit, dat hij zelfs de banale werkelijkheid in poëzie verandert. Misschien wel het meest virtuoos doet hij dat in zijn meesterwerk Mens dier ding (2014), een herschrijving van de geschiedenis van Shaka Zoeloe in de context van de 21e eeuw. Zoeloe zit op een gegeven moment in een spelshow en toont een nummer op een bal terwijl hij met de presentator in gesprek is. Shaka Zoeloe in Lingo: het is een onwaarschijnlijk scenario, maar Alfred Schaffer is in staat het je te laten geloven. In deze poëzie lijkt alles even vanzelfsprekend dankzij [de]  hyperpersoonlijke vermenging van spot, fantasie en geschiedkunde.

In zekere zin staat de poëzie van Alfred Schaffer dan ook boven de waarneembare werkelijkheid. Zij is een werkelijk op zich, gecreëerd door een uitzonderlijk intelligente dichter die schrijft als een regelrechte aanval op de historische feiten en de ingesleten communicatiepatronen. Op grond van deze en eerder genoemde overwegingen draagt de jury Alfred Schaffer unaniem voor ter bekroning met de P.C. Hooft-prijs 2021.

De jury
Jeroen Dera
Janita Monna (voorzitter)
Ester Naomi Perquin
Carl De Strycker
Michael Tedja

Aad Meinderts (ambtelijk secretaris)