Posts Tagged ‘Piet Gerbrandy’

Louis Esterhuizen. Wanneer digters begin kuier …

Wednesday, April 4th, 2012

Indien daar nou één Nederlandse digter is wat ek graag sou wou ontmoet, is dit Piet Gerbrandy; daardie man met die meer-as-voldoende weglêsnor. Want alles wat ek van en oor hom te lese kry, oortuig my daarvan dat hierdie ‘n persoon is met wie ek graag ‘n fles of twee van die beste rooikoeldrank sou wou wegwerk …

Nietemin, via ‘n skakel by ooteoote beland ek op Vrij Nederland se webtuiste De Republiek der Letteren & Skonekunsten waar daar pas ‘n onderhoud geplaas is wat Sander Pleij en Jeroen Vullings met sowel Gerbrandy as Ilja Leonard Pfeiffer gevoer het oor hul mees onlangse publikasies. (Pfeiffer is natuurlik ‘n ietwat meer kontroversiële, dog eweneens enigmatiese digter.) Hoe dit ook al sy: hierdie is beslis van die meer vermaaklike (en insiggewende) stukke wat ek die afgelope tyd op die internet te lese gekry het.

By wyse van illustrasie die volgende uittreksels:

Uw zelfhulpboek leest ook als uw literaire autobiografie.

Pfeijffer: ‘Klopt. Ik vertel álles wat ik de afgelopen veertien jaar heb meegemaakt in het wereldje. Zo werd het een professionele biografie: mijn jeugd en minnaressen blijven buiten schot.’ Gerbrandy merkt gnuivend op: ‘Dat zou bij mij heel saai worden.’

Uw professionele werkzaamheden of uw activiteiten met minnaressen?

Gerbrandy: ‘Beide! Mijn curriculum vitae is uitermate saai. Geen sappige verhalen, geen literaire ruzies, of althans te weinig.’ Pfeijffer reageert meewarig: ‘Jij bent altijd maar gewoon aan het werk, toch?’ Hij voegt daaraan toe, met een priemende vinger op het onaangeraakte vaasje voor Gerbrandy’s snor: ‘Drinkt ook niet sportief mee.’ De inhoud van zijn eigen glas verdwijnt soepeltjes achter de huig. Gerbrandy, tevreden: ‘Ja. Ik ben een schrijver die zich houdt aan het Benedictijnse stabilitas loci. Ik zit gewoon op mijn plek en vind het normaal om vijftig jaar lang hetzelfde te doen.’ Dan, op zachte toon: ‘Ik heb het literaire milieu nooit opgezocht. Ik heb het altijd een beetje op afstand gehouden. Dat bevalt me het best.’

Nee, schudt Pfeijffer, néé. ‘Ik ben even gestopt met recensies. Als je voor de derde keer een bundel van Astrid Lampe moet bespreken – ik noem expres iemand die ik erg bewonder – dan denk je: ik heb alles al gezegd. Dat wordt natuurlijk nog erger als je voor de derde keer een bundel voor je krijgt van iemand waar je niks mee hebt.’

En oor die kwessie van negatiewe resensies:

Gerbrandy: ‘Ik vind het juist leerzaam als mensen nare of boze stukken over mij schrijven. Als dichter heb je tenslotte een tunnelvisie op je eigen werk en dan is het verhelderend als lezers reageren die het naar jouw idee helemaal verkeerd begrepen hebben of er iets uithalen dat je zelf niet gezien had. Zeggen ze dat het níét goed is, prima. Op het moment dat ik mijn werk de deur uit gedaan heb en het naar de drukker is, verlies ik mijn belangstelling ervoor. Ik weet nog dat mijn eerste bundel thuisbezorgd werd in een doosje van de drukker: ik heb het niet eens opengemaakt.’
Pfeijffer: ‘Ik heb me minstens zo vaak geërgerd aan positieve recensies als aan negatieve. Ik word woedend als mijn boek niet serieus genomen wordt. En als er dan om totaal verkeerde redenen vijf sterretjes gegeven worden. Heel beledigend.’

Maar, dit is ‘n lang relaas van dié besonderse ontmoeting wat by die café de Zwart plaasgevind het. Gaan lees gerus die volledige verslag op VN se webtuiste. (Terloops, die publikasies wat ter sprake is, is: Piet Gerbrandy, ‘De gong & de rookberg. 
Intrigerende materie van H.H. ter Balkt en Jacques Hamelink‘, Historische Uitgeverij, en Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Hoe word ik een beroemd schrijver? Een literair zelfhulpboek‘, 
De Arbeiderspers.)

Vir jou verdere leesplesier kon ek gedigte van Piet Gerbrandy by De Rottend Staal opspoor en van Ilja Leonard Pfeiffer by DBNL. Ek plaas een van elk hieronder.

***

Piet Gerbrandy

Piet Gerbrandy

Hun boren valse bellen in hun oren.
Hun likken met nikkelen tong.
Hun verlakken hun brauwen en lokken.
Hun lijmen glanzende klauwtjes.
Hun lijven wie verstijven in tot zog.

In klei wroet gewei naar verblinding.

Hun raggen hitten af in gitten bedding.
Hun blazen hun tepelhof op.
Hun baarden baren haters van de vaak.

In veen hapt lijk naar ontbinding.
In turf smeedt vlam zich een ring.

Beregend zij de tucht van hun steppen
hun hoeven brandschattende schoot.

© Piet Gerbrandy, 2003
eerder gepubliceerd in Raster #101, voorjaar 2003, 186-189

***

Wat

 

Ilja Leonard Pfeifferwat als waarom van de wie ook maar wankelt

en bleek wordt berust dat rivieren niet klimmen?

wil het niet weten en stoot als een ezel

zweef als een steen door de spiegel van kan niet

met een hand voor je ogen en was in je oren

zoek draken op vleugels en dood ze met vuur

en twee machtige woorden die je nu nog niet kent

zing zachtjes en moedig op donkere paden

de ballade van helden mijn hart is mijn hart en we gaan

niet naar huis en schaaf aan je naam tot hij machtig en mooi

wordt gefluisterd zeg vrouw tegen vrouwen

probeer van mij nimmer te houden wat wacht wacht urgenter

vaag is u mijn vuur dat ik daal in de krochten

onder het dwingende vaandel van droom onder mensen

 

wat als het waar van de weet niet wat wegwuift

en rood wordt beschaamd dat mislukt wat gepoogd wordt?

weet het met trots en val fraai als een ruisende woudreus

drink bruisende drank tot diep in de nacht en lach

van verdriet tot je engelen hoort zie dauw

onder ogen en bloei als een zwijgende stokroos

tot in lengte van dagen jouw lied dat van jou is

en dat je van leven voor geen fles ooit zult zingen

verberg je in schepen naar steden die groot zijn en ver en

verander je naam want van jou zijn je fouten van jou

hun beloning dus tracht je getekend van vrouwen

te houden waardig als ober of nachtportier

en schrijf je bij vuren over dichters die dood zijn

het rijmende raadsel van baarlijke mens onder mensen

 

wat als de wie van de welke waait

en zwart wordt besloten dat mens elkaar hond is?

probeer niet te weten maar nip als een merel

ruik naar een vrouw die raadselen ruist

stil door de ogen en luistert naar bloemen

bedel met gratie spreek moordenaars aan

met twee edele woorden en zing niet op straat

van hi ha de hond fluit en hola de bola

we gaan niet naar huis hoe hard huilt mijn hart

maar fluister de namen als zou je begrijpen

dat je voet met iedere stap in de ogen van minnaars kan trappen

leeg de asbak van lompen laat voordringers voorgaan

omdat je voor dante de deur openhoudt

het wonder ter wereld heet mens onder mensen

 

© Ilja Leonard Pfeijffer

 

Janita Monna . Gerbrandy eerder de classicus

Thursday, November 24th, 2011

Piet Gerbrandy – Smijdige witheid

Piet Gerbrandy

Piet Gerbrandy

‘Eigenlijk vind ik dat alle gedichten over tieten moeten gaan,’ verkondigde Piet Gerbrandy onlangs tamelijk stellig in een interview. Dat de dichter-classicus van vrouwen houdt en graag hun rondingen, bezingt, was in zijn vroege bundels al duidelijk: ‘Dat er de vrouw bestaat/ met rondingen van zachtst/ graniet’. En al was ook hij van mening dat poëzie over enkel en alleen tieten ‘onverteerbaar’ zou zijn, zijn nieuwste bundel, Smijdige witheid (smijdig: buigzaam, lenig) gaat opnieuw over liefde. Leg je deze bundel naast de verzen van zo’n vijftien jaar geleden, dan valt meteen op dat het vele wit rond de vroegere bondige, samengebalde verzen heeft plaats gemaakt voor tekst: als meer Nederlandse dichters waagt ook Gerbrandy zich aan prozapoëzie. Alleen al in typografisch opzicht doet de titel de bundel eer aan. Een van de prozastukken, ‘Een welgeronde bol’, heeft het wit en de poëzie dan ook tot onderwerp.

Smijdige witheid telt vijf grotere tekstgehelen die nu eens de vorm van een theatertekst aannemen, dan weer gesteld zijn in briefvorm, of als verdedigingsrede. Daarbij worden prozafragmenten doorsneden met strofische gedichten. Maar alle teksten hebben de liefde, het verlangen, de nabijheid van een ander tot onderwerp.

 ‘Wij liggen’, luidt de openingsregel van de bundel, die gevolgd wordt door vier pagina’s proza waarin op zakelijke, weinig opzienbarende toon de situatie van het liggen wordt beschreven. Het waarom van de handeling – ‘Hoe zijn wij in deze positie terechtgekomen?’ Het doel ervan: ‘Wat kun je doen als je ligt. Tenzij je gaat vrijen is er weinig afleiding maar kun je vrijen nog liggen noemen.’ En de gevolgen van een mogelijke beëindiging van de situatie. Het is een filosofische exercitie, gedachten over verlangen, afscheid, de ander. Een exercitie die begint en eindigt met een ‘ik’, maar die tussentijds veralgemeniserend in de ‘je’-vorm is geschreven. 

Ook elders worden persoonlijke ontboezemingen afgewisseld met filosofische bespiegelingen. Zo komt een brief met een gedetailleerd en persoonlijk verslag van een eenzame kampeerder die de avances van drie Ierse vrouwen weerstaat, uit bij de overwegingen van de twaalfde-eeuwse Andreas Capellanus’ over zuivere en onzuivere liefde. Het prozagedicht balanceert tussen uiterst intiem en afstandelijk, tussen lichaam en geest. ‘De tekst staat tussen ons in, als een welgeronde bol van liefde’; het is het gedicht dat verbindt. Dat we te maken hebben met een gedicht, en niet met een dagboek, maakt de toon van de slotregel van iedere tekst wel duidelijk. Die klinkt als een meta-stem die de lezer even attent maakt op een (formeel) aspect van de tekst: ‘Waar de ziel is gebleven wordt niet opgehelderd.’ Als wil de spreker waken voor al te grote intimiteit.

Er zijn in Smijdige witheid momenten waarop je je afvraagt waar de poëzie gebleven is. Nogal eens tart Gerbrandy (opzettelijk?) de goede smaak met knollen van regels: ‘Maar elkaar kennen is door gewenning aan in elkaars bijzijn uitgevoerde handelingen op te houden te weten dat je elkaar niet kent.’ In een filosofische verhandeling kun je zo’n regel door de vingers zien, in een dichtbundel is het slikken. Maar er blijft plaats voor poëzie, zoals in ‘Een steenworp afstand’. Hier zoekt iemand een laatste rustplaats voor zijn oude fiets en vindt die in een wrakke schuur. De roestige oude fiets (metafoor voor de geliefde?) leunt tegen de muur van het schuurtje: ‘Het bouwsel heeft voorlopig weer een functie. De fiets ook. Ze lijken aan elkaar gewaagd.’ Uiteindelijk is het ook de filosofie waar de bundel op teruggrijpt, want in niet alleen in de titel, ook formeel en inhoudelijk is Smijdige witheid te zien als een ‘imitatio’ van Boëthius’ De vertroosting van de filosofie. Gerbrandy toont hoezeer een actuele denker, een denker van alle tijden is. De oude ‘vertroosting’ heeft niets aan waarde ingeboet. Die incorporatie van de vijfde- eeuwse denker heeft tot intiem essayerende prozafragmenten geleid, maar minder tot poëzie. In Smijdige witheid is eerder de classicus en wetenschapper Gerbrandy aan het woord, dan de dichter.

 

(…)

Nu liggen wij hier. Een van ons moet als eerste zijn gaan zitten en

heeft zich toen uitgestrekt op de aarde. De ander zal zich recht-

standig of zittend opgelaten hebben gevoeld en heeft zich naar

het onvermijdelijke gevoegd. Minder waarschijnlijk is een exact

synchrone uitstrekking. Moeheid kan een drijfveer geweest zijn. Of

 nieuwsgierigheid.

(…)

 

Piet Gerbrandy – Smijdige witheid. Contact, isbn 978 90 254 36025, 56 pagina’s, 19,95 euro

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

De kunst van het dichten

Friday, December 18th, 2009
Omslag

Omslag

In Nederland het daar onlangs ‘n baie interessante boek verskyn. Dit is naamlik De kunst van het dichten wat deur Henk van der Waal en Erik Lindner saamgestel en deur Querido uitgegee is. In ‘n poging om beter begrip te verkry oor die stand van die Nederlandse poësie en haar seggingskrag, het hulle naamlik onderhoude gevoer met agt van die mees toonaangewende digters. Hulle is: F. van Dixhoorn (1948), Anneke Brassinga (1948), Astrid Lampe (1955), Arjen Duinker (1956), Esther Jansma (1958), Piet Gerbrandy (1958), Anne Vegter (1958) en Nachoem Wijnberg (1961).

Graag wil ek vanoggend by wyse van Nuuswekker enkele van dié digters se uitsprake met jou deel.

Esther Jansma: ‘Het grootste vooroordeel over poëzie is dat het een ingeving zou zijn. Dat je een geïnspireerde opwelling hebt en die opschrijft en klaar bent. Terwijl poëzie iets is dat je maakt in interactie met de taal. Je hebt een paar woorden of regels en je denkt na, je kijkt naar die tekst en daardoor ga je weer verder. Je reageert op wat er al staat. Het is niet zo dat je van tevoren een kant-en-klaar plaatje in je hoofd hebt.’ (p. 60) Verderaan sê sy ook: ‘Ik ben een poppenspeler. Ik moet die poppen zo aansturen dat het publiek iets voelt bij hoe die poppen bewegen. Als regisseur van hun spel val ik niet samen met de emotie die mijn poppen vertolken.’ (p. 61-62). Volgens Willem Thies, wat die boek op Poeziekrant bespreek, “Ziet (Jansma) zichzelf als een dichter die zich ophoudt tussen het domein van de beschouwing, de reflectie, en dat van de romantiek.”

Daarteenoor tree Astrid Lampe weer op as samesteller. Haar gedigte is “collages, assemblages, montages,” aldus Thies. ‘Een dichter is altijd aan het samenstellen; ik construeer en componeer, ik assembleer en sample. Ik zet iets in elkaar met woorden. Iemand als Tinguely doet dat met radertjes en schroot dat hij overal vandaan opduikelt. Bij mij is dat niet anders, textuur en stoffelijkheid maken een wezenlijk onderdeel uit van mijn werk.’ (p. 89) En verderaan: ‘Ik vind het heel mooi om zinnen als verbindingsstukjes en losse mechaniekjes te behandelen. Taal in onderdeeltjes uit elkaar te prutsen en dan weer in elkaar te zetten.’ (p. 98)

Ten opsigte van taal het Piet Gerbrandy die volgende te sê gehad: “We hebben zo’n prachtige taal en die taal moet je eren. Dat kun je doen door de taal zodanig te vervormen dat die de aandacht naar zich toe trekt. Een voorbeeld van de bekende de-automatisering uit de theorie, maar zo werkt dat. Door woorden een beetje te vervormen raak je gefocust op de taal en wordt die taal ook iets fysieks, iets dat je voelt in je mond. (…) Daardoor celebreer je de taal. (…) Ik wil het geconcentreerd en flink klankrijk.”

Inderdaad ‘n interessante boek, lyk dit my. Boonop met ‘n hele aantal aanvullende essays. Terloops, bogenoemde is net as lusmaker bedoel. Gaan lees die volledige berig op Poezierapport se webblad. Daar’s sommer nog baie (en langer) aanhalings. En lees dan sommer ook weer die gesprek met Andries Visagie wat onlangs op die webblad geplaas is. Heelwat van bogenoemde kwessies is hoeka deur Andries geopper en bespreek.

Nietemin, die besonderhede van die boek is soos volg:

De kunst van het dichten – Henk van der Waal & Erik Lindner
Em. Querido’s Uitgeverij BV, Amsterdam/Antwerpen, 2009
ISBN 978 90 214 8759 5 – € 15,00

***

Op die webblad het Philip de Vos ons verras met ‘n tweede blog gister. En watter treffende huldeblyk is dit nie aan Nellie du Toit wat gister 80 geword het nie! Pittig, vermaaklik en eie aan die De Vos-idioom.

Lekker lees en geniet die naweek wat op hande is. Nuuswekker hervat weer Maandag.

Mooi bly.

Louis

 

 

  •