Posts Tagged ‘Ronelda S. Kamfer’

Luuk Gruwez. Vertellen is herstellen

Saturday, September 8th, 2012

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

VERTELLEN IS HERSTELLEN

Santenkraam

Santenkraam

Het enige wat er van het Zuid-Afrikaanse vissersdorp Skipskop overblijft is een verhaal. Het is in de jaren tachtig door de apartheidsregering ontruimd voor de bouw van een militair oefenterrein. Maar als dorp hield het dus op te bestaan. De bundel die de jonge kleurlinge Ronelda Sonnet Kamfer hierover schrijft heet ‘Santenkraam’. Zij wil ermee reconstrueren wat verdwenen is. In de eerste plaats mensen. Een aantal van hen laat zij aan het woord, bijvoorbeeld haar oude opa, vlak voor zijn dood. Net zo goed als alle anderen wordt hij gedreven door het besef dat iets pas helemaal ophoudt wanneer geen mens het zich nog herinnert. Vandaar dat onuitroeibare besef: niemand mag ooit ophouden met vertellen. Iedereen moet net zolang vertellen tot het wel lijkt dat hij nooit uit Skipskop is weggejaagd en dat hij samen met de overige vertellers Skipskop is.

Kamfers bundel heeft een zeer hechte structuur. Het lijkt wel alsof zij er de ruimtelijke ordening in binnensmokkelen wil die eigen is aan een dorp. Wij krijgen een aaneenrijging van taferelen waarin de vroegere bewoners bij herhaling optreden als woordvoerders van het verlorene. De stijl is doorgaans  narratief, misschien ter wille van het volkse karakter van de personages die worden opgevoerd en die luisteren naar namen met een opvallende couleur locale: Grotevis Visser, Malle Maria, Slimme Sarah, Klippie Klipkop en Mooie Mitchy. De dichteres beoefent een soms bedrieglijk parlando, ondersteund door een sterk repetitief karakter. Haar personages behoren dan ook niet tot een ingenieus gebekte intelligentsia. Veeleer zijn zij ongeletterd: voor hen bestaan woorden uitsluitend als zij hun mond en niet hun pen verlaten. In die zin is Kamfer de geletterde woordvoerder van ongeletterde vertellers:  familieleden, vrienden en kennissen. Hoe ziet hun wereld er overigens uit? In de eerste plaats ruig en rauw. Haar vader ranselt haar moeder met de regelmaat van een klok af. Shaun, een vriendje van haar, is een junk.

Naar het eind toe transformeert het soms louter registratieve van vele gedichten in een verbaal delirium met een almaar meer weergalmende echoput van herhalingen. De historische werkelijkheid wordt helemaal ingepalmd door een mythologische. De lezer krijgt een orgie van woorden te verwerken waarvan het lijkt dat zij zichzelf niet willen verlaten, maar willen blijven hangen in de mond van wie ze uitspreekt. Dat geldt tot in de titels toe: ‘slot slot slot’ heet het laatste gedicht. (Het voorlaatste heet ‘slot slot’. De woorden echoën vanaf hier hoe langer hoe meer.) Vooral de zee wordt een mythologisch topos. Boven de bodem en zowel op als onder het wateroppervlak vinden dingen plaats die aan de empirische realiteit ontsnappen: meerminnen zingen er hun liederen over stuurloze schepen en over wat er in het rijk van het water zoal gaande is. Ook het op het eerste gezicht onbezielde blijkt er nu bezield. Hier ligt het domein van al het verlorene dat zich nog verzet tegen de vergetelheid.

Daartoe is en blijft de spraak dus onontbeerlijk. Bijna twee pagina’s lang gaat het er in het slotgedicht over dat niemand zelfs maar één enkele naam kent, niet één naam bijvoorbeeld van de schepen die op het water liggen te dobberen, maar die, ondanks de afwezigheid van een naam, toch bestaan. Daarentegen klinkt het helemaal aan het eind van de bundel als volgt: ‘stuurloze schepen zinken hier jaar in jaar uit iemand kent één naam’. Eén naam: Kamfer suggereert misschien dat dit het begin van de redding is. Vertellen, vertellen, vertellen: dat is wat je moet doen. Opdat alles zal blijven en overblijven.

Sommige verhaaltjes in deze gedichten klinken een beetje gratuit. Maar de meeste taferelen weten de lezer te betoveren. ‘Santenkraam’ is een breed uitwaaierende dichtbundel met veel sfeer, waarin je soms bij gebrek aan densiteit dreigt te verdrinken. Misschien strookt dat uitdijende karakter perfect bij de intentie van de dichteres. Haar bundel had allicht net zo goed ‘Skipskop’ kunnen heten. Ronelda S. Kamfer wil de hele santenkraam, zeg maar de totale verdreven populatie van het vissersdorp verzamelen en ze opnieuw van een stem voorzien,  met hun hele bewustzijn en onderbewustzijn. Dat vergt een zekere armslag.

Enkele reeksen liggen verspreid over de bundel: de reeks ‘gaan’ die uit drie gedichten bestaat, de reeks ‘doorvertellen’ (vijf gedichten), de reeks ‘onder water’ en ‘slot onder water’ (als je alle varianten meetelt zo’n vijftal gedichten). Structureel haakt alles hier aan alles vast. Aan de dichter is het de verloren cohesie te repareren. Daartoe is het absoluut noodzakelijk dat iedereen in beweging blijft: ‘we moeten gaan/ de hele tijd/ moeten we gaan/ tegenwind houdt/ ons hier/ maar gaan/ is wat/ we moeten/ weer gaan/ en mettertijd/ weer gaan/ we moeten’. Het is significant dat leestekens in deze verzen ontbreken: die zouden de hier gepropageerde beweging alleen maar afremmen.

Kampfer wil het verre weer dichtbij brengen. Eén gedicht gaat als volgt: ‘vergaan/ ver weg gaan/ voor even is alles/ ver heen en verweerd/ gaan is daarmee voorbij/ aftakelen is goed/ met/ de tijd die verre van goed/ was/ (…)/ zover/ zo ver’. Misschien is dit een gedicht over de verbanning uit Skipskop waartegen een soort mentale terugkeer op gang dient gebracht. Voortdurend woedt een strijd tussen weg moeten en willen blijven. Eigenlijk is blijven een plicht, zelfs als die vanuit elders weerklinkt. Om die doelstelling te bereiken, is er maar één oplossing: vertellen. Vertellen is herstellen. Achter de betrachting een heel dorp te reconstrueren, zit deze overtuiging: ‘het enige wat je hebt is overlevering’. Tegelijk is daar ook dit bewustzijn: ‘een mens vergeet maar liever omdat herinneren je opvreet’. Zo is het maar net: een overmaat aan bewustzijn is voor niemand curatief. Getuige hiervan wat de dichteres over haar vader schrijft die zich suïcideert: ‘ik kon mijn vader zien hangen/ hij hangt/ en hij hangt/ en hij hangt/ elke dag zonder te vallen/ hangt hij/ hij hangt nu nog’. Hier blijft de mens na zijn dood heel letterlijk hangen in het geheugen van een ander.

Terug naar de zee, de alles omarmende zee, de zee die ons opneemt en ons tegelijk van onszelf afneemt, de zee met haar meerminnen die ons bedwelmen met hun incantaties en die ons verplichten los te laten, ook al hebben wij het er altijd op aangelegd te onthouden en vast te houden: twee belangrijke verba, niet enkel voor wie uit Skipskop is verdreven. Want ballingen zijn wij allemaal ballingen: ‘we leven allemaal onder water/ uiteindelijk zijn we allemaal zeiknat’.

 

kleine Slimme Sara

 

vandaag is het mijn huildag

ik trek mijn witte jurk

aan en ga blootsvoets voor

 

de zee staan met

de parels van mijn oma

om mijn nek ga

 

ik een gat in

de grond graven ervoor

zitten en huilen

 

mijn tranen zullen opraken

en ik gooi

het gat dicht het tij

 

komt op en het

tij loopt af

 

ze mogen mijn santenkraam hebben

maar mijn tranen

krijgen ze niet

 

___________________

RONELDA S. KAMFER

Santenkraam

Tweetalige editie. Vertaling uit het Afrikaans door Alfred Schaffer

Uitgeverij Podium,Van Oorschot, 117 blz., 17,50 euro

AANTAL STERREN:

***

 

Janita Monna. IJzersterk

Friday, August 31st, 2012

Ronelda S. Kamfer – Santenkraam

Santenkraam

Santenkraam

Een andere keus dan weggaan hadden ze niet, de mensen die woonden aan de Klippenkust. Ze werden verjaagd, hun dorpen weggevaagd, maar liefde voor de plaats bleef: ‘Als je eenmaal van een plek houdt kan er wat voor shit/ ook gebeuren maar je houdt je eraan vast’. De náam Klippenkust mag een verzinsel zijn van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda S. Kamfer, maar achter die naam gaan echt bestaande, historisch beladen plaatsen schuil. Hier zette Jan van Riebeeck voet aan wal en verjoeg de eerste bewoners: ‘hiermee deel ik u mede dat ik God oftewel Jan van Riebeeck zoals m’n/ makkers me noemen jullie land kom overnemen’, aldus een van de gedichten uit Kamfers onlangs verschenen tweede bundel, Santenkraam.

Aan de kust ligt ook Skipskop, een vissersdorp dat plaats moest maken voor een militair oefenterrein. De bewoners werden ‘verhuisd’, de opa (‘oupa’) van de dichteres was een van hen. Kamfer tekende zijn verhalen over het dorp en zijn inwoners op, en mengde die met de (historische) realiteit. Een prachtige vondst, die ijzersterk wordt uitgewerkt en die Klippenkust aan de Zuid-Afrikaanse Kaap doet uitgroeien tot een plek met mythische proporties: ‘hij die de berg is/ verloor zijn concentratie/ en zo werd een stukje van zijn/ land/ door de wind opgetild en weggeblazen’.

De bewoners hebben namen als Slimme Sara, Mooie Mitchy Mitchell en ome Grotevis Visser, al hebben hun levens minder glamour dan die namen doen vermoeden. Neem het verhaal van Slimme Sara, die leeft met Kindse Terence, ooit zo teruggekeerd na vijf dagen op een woeste zee te hebben gedwaald. En zie Malle Maria met de sleutel om de nek, die noodlottig viel tijdens een rukwind.

Santenkraam is subtiel opgebouwd, steeds wordt iets aan de overlevering toegevoegd. Wordt in kinderlijke taal vertelt wat er gebeurde met Terence op de ‘verkeerde zee’. Of wordt bijna terloops de politieke situatie aangestipt, en de maatschappelijke scheidslijnen, zoals wanneer oom Grotevis Visser op een vroege ochtend langs de zee wandelt: ‘de rijkeluiskant/ is nog stil want dit type/schoonheid zo wakker in de ochtend/ is alleen bestemd voor de mensen van Klippenkust’.

Santenkraam vertelt verhalen van mensen die gedoemd waren vergeten te worden. En al is er veel onrecht geschied, nergens in Kamfers gedichten klinkt drammerigheid.

Kamfer dicht in het Afrikaans en maakte al voorzichtig naam in Nederland met Nu de slapende honden. Die bundel, waar ze in Zuid-Afrika een belangrijke literaire prijs mee won, vertelde in teder-stoere taal van het rauwe leven in Zuid-Afrika. De poëzie in Santenkraam is minder rauw. Haar veelzijdige stem brengt vertedering en verwondering, boosheid, straattaal en muziek bijeen – aspecten waarvoor ook vertaler Alfred Schaffer oog heeft. Met allemachtig mooie vondsten als ‘woorden fladderen als vleermuizen om mij heen’, wordt in Santenkraam de geschiedenis levend gehouden.

 

 

nog nog nader aan Klippenkust

 

oom Grootvis Visser staan

op van sy camping chair

en sit sy bruin Stetson op dis

vroegoggend op Klippenkust

hy stap stadig met die wit

sandklippaadjie af die lig

ruik na sout die son is ‘n medalje

wat lag die hemel is vol kindertjies

wat speel en baljaar en die groot

goeie see is grafstil oor die pad sit

die Arnistonkant die geld-mensekant

is nog stil want dié tipe

mooi so wakker in die oggend

is net vir Klippenkust se mense

oom Grootvis Visser staan stil

voor Sara die Slimvrou se hekkie deur

die venster sien hy hoe sy Kêns Terence

se baard skeer ‘n vrou wat plig

bo passie kies

is seker maar sterk

 

 

nog nog dichter bij Klippenkust

 

ome Grotevis Visser staat

op uit zijn kampeerstoel

en zet zijn bruine stetsonhoed op het is

vroeg in de ochtend in Klippenkust

rustig wandelt hij over het witte

zandstenen paadje het licht

ruikt naar zout de zon is een lachende

medaille de hemel is vol kindertjes

die spelen en dollen en de grote

goede zee is stil als het graf aan de andere kant

van het pad ligt Arniston de rijkeluiskant

is nog stil want dit type

schoonheid zo wakker in de ochtend

is alleen bestemd voor de mensen van Klippenkust

ome Grotevis Visser blijft staan

voor het hekje van Slimme Sara door

het raam ziet hij hoe ze Kindse Terence

scheert een vrouw die plicht

boven passie verkiest

is zeker maar sterk

 

 

Ronelda S. Kamfer – Santenkraam. Vertaling: Alfred Schaffer. Podium, 17,50 euro, 120 pagina’s, ISBN 9789057595172

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Yves T’Sjoen. Ronelda S. Kamfer in de Lage Landen

Wednesday, January 4th, 2012
Noudat slapende honde (2008)

Noudat slapende honde (2008)

Noudat slapende honde (Kwela boeke 2008) van Ronelda S. Kamfer (Kaapstad, 1981) kan zondermeer worden beschouwd als dé revelatie van de Afrikaanstalige poëzie van de afgelopen jaren. Andere talentvolle jonge Zuid-Afrikaanse dichters, onder anderen Loftus Marais (Staan in die algemeen nader aan vensters, Ingrid Jonker-prijs en Eugène Marais-prijs 2009) en Melt Myburgh (Oewerbestaan, Ingrid Jonkerprijs 2011), blijven voor de Nederlandse poëziewereld voorlopig verborgen in de schaduw van deze rijzende fonkelende ster. Aardig detail in het licht van deze casus: Loftus Marais ontving samen met Ronelda S. Kamfer de Eugène Marais-prijs in 2009, voor de Ingrid Jonker-prijs strandde Noudat slapende honde op een tweede plaats na Staan in die algemeen nader aan vensters.

De recensies van Nu de slapende honden (Podium 2010), de tweetalige editie van Kamfers debuut waarvoor de dichter Alfred Schaffer de vertalingen maakte, klinken opmerkelijk unisono. Een lectuur van boekbesprekingen in literaire periodieken (Awater, Poëziekrant, De Groene Amsterdammer) en e-zines (Meander) laat zien dat Kamfers debuut is gesmaakt in het Nederlandse taalgebied. Na de lofzangen van onder anderen Joan Hambidge en Antjie Krog in de Zuid-Afrikaanse literaire media, is het Nederlandse debuut van de jonge dichteres niet onopgemerkt gebleven. De gunstige ontvangst boven de Moerdijk – in de literatuurkritiek in Vlaanderen is mij alleen een bespreking van Jooris van Hulle in Poëziekrant bekend – heeft vervolgens geleid tot nieuwe weerklank van Kamfers ontluikende dichterschap in Zuid-Afrika. Thomas Möhlmanns bijdrage is bijna twee weken na publicatie in Awater gepost op Versindaba (februari 2011) en Van Hulles beschouwing verscheen begin december 2011 op LitNet. Erik Lindners korte bespiegeling op de Dichters & denkers webpagina is een week later samengevat met een url-link en op Versindaba terechtgekomen. Ook de literaire weblog De Contrabas besteedde aandacht aan Schaffers vertaling van Kamfers dichtbundel: een beknopt signalement bevat een verwijzing naar de blog van het Nederlandse periodiek Tirade die een toelichtende tekst van de vertaler bevat. Op Versindaba vinden we overigens ook een referentie terug aan de blog van Schaffer die is geschreven ter gelegenheid van het verschijnen van Kamfers tweede bundel grond/Santekraam (Kwela boeke 2011).

Nu de slapende honden (2010)

Nu de slapende honden (2010)

De Nederlandse (en bescheiden Vlaamse) persaandacht heeft zoals gezegd geleid tot hernieuwde aandacht voor Kamfers Noudat slapende honde in de Afrikaanse literaire wereld. De overweldigende en eensluidend gunstige kritische belangstelling voor een debuutbundel is, hoewel verre van uniek, toch opvallend. Gezaghebbende stemmen in het Afrikaanse literaire veld hebben in 2008 de toon gezet. Alfred Schaffer heeft, samen met Antjie Krog wier literaire netwerken in Nederland in stelling zijn gebracht, aanzienlijk bijgedragen tot de weerklank van Noudat slapende honde in ons taalgebied. Diens bijdrage beperkt zich niet tot de materiële productie − het her en der geroemde vertaalwerk dat resulteerde in een fraai uitgegeven tweetalige editie van uitgeverij Podium. De directe zichtbaarheid van een nieuwe naam uit de Afrikaanse literatuur is evenzeer toe te schrijven aan de literaire renommee dat de dichter Schaffer in Nederland en Vlaanderen geniet. Alfred Schaffers poëziedebuut Zijn opkomst in de voorstad (2000) is destijds genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en de volgende bundels, Dwaalgasten (2002) en Geen hand voor ogen (2004), stonden op de shortlist van de prestigieuze VSB-poëzieprijs. De vierde bundel, Schuim (2006), was in de running voor enkele Nederlandstalige prijzen en werd uiteindelijk bekroond met de Hugues C. Pernathprijs in Vlaanderen. Het is maar een greep uit het symbolisch kapitaal dat Schaffers poëzie in de Lage Landen wordt toegeschreven. Daarenboven was de dichter, vóór zijn terugkeer naar de Kaap (waar hij momenteel Nederlandse taalverwerving doceert aan het departement Afrikaans/Nederlands van de Universiteit van Stellenbosch), tekstredacteur van de toonaangevende commerciële literaire uitgeverij De Bezige Bij. Met deze credits kan het weinig overredingskracht hebben gekost een uitgeverij in Nederland warm te maken voor een vertaling van het door beeldbepalende literaire actoren geroemde Noudat slapende honde. Trouwens, een van de vermelde actoren heeft − vermoedelijk méér dan Alfred Schaffer − een decisieve rol gespeeld voor de introductie van Kamfer in Nederland. Op de website van Kamfers Nederlandse uitgever Podium en eerder al in de najaarscatalogus van 2011 wordt een zin van Antjie Krog (in het Nederlands) geciteerd waarin Noudat slapende honde/Nu de slapende honden als “het beste en meest opwindende wat in de afgelopen jaren in Zuid-Afrika is verschenen” wordt aangeprezen. De advertorial heeft het zelfs over een Zuid-Afrikaanse “gekleurde” dichteres die “in de voetsporen van Ingrid Jonker en Antjie Krog” treedt. De Nederlandse vertalingen van Krogs werk verschijnen bij dezelfde uitgeverij in Nederland en op een website las ik dat zij een van de studenten was van Antjie Krog op UWK in Bellville. De institutionele relatie Krog/Schaffer-Kamfer-Podium behoeft geen verdere verklaring. Of misschien nog één verband. Voor het derde deel met Nuwe stemme hebben Krog en Schaffer – aan de uitgave ging een poëzieworkshop vooraf waarvoor (debuterende) dichters zich konden aanmelden − gedichten van Kamfer geselecteerd. Nuwe stemme, telkens met een ander redactioneel tweespan (van academici en schrijvers), zet Afrikaansschrijvende dichters in de etalage en kan vanuit die optiek een beeldbepalende en strategische functie worden toegeschreven. De werkwinkel van 2004, die Krog en Schaffer samen hebben georganiseerd, heeft het forum gecreëerd waarop Ronelda S. Kamfer vier jaar voor de debuutbundel, haar entree in de literatuur maakte. De betrokkenheid van Antjie Krog en Alfred Schaffer als mentors van Kamfer kan niet worden overschat.

De commerciële strategieën zijn bekend: een nieuwe naam wordt in de markt gezet door in dit geval twee (Afrikaansschrijvende en vrouwelijke) coryfeeën van stal te halen die in Nederland (en Vlaanderen) bekendheid genieten. Gerrit Komrij’s vertalingen van Ingrid Jonker (in de verzamelbundel Ik herhaal je met de beknopte biografie door Henk van Woerden, die in 2011 nog maar eens is herdrukt) en de vertaling van poëzie en proza van Antjie Krog − naast haar literaire optredens aan de zijde van Tom Lanoye − hebben aanzienlijk bijgedragen tot de naambekendheid van beide schrijvers in het contemporaine Nederlandse literaire veld. Ronelda S. Kamfers dichtwerk, met de tweede naam Sonnet die jammer genoeg alleen als initiaal op de covers verschijnt, wordt in de fondscatalogus van Podium, mijns inziens volkomen imaginair maar strategisch wel handig, in de traditie van de Sestiger-poëzie van Jonker geplaatst. De rebelse, onbehouwen toon van Kamfers gedichten, door Thomas Möhlmann “sociaal-realistische poëzie […] met een sterk anekdotische inslag” genoemd, kan mogelijk worden geassocieerd met de wijze waarop Antjie Krog op zeventienjarige leeftijd met Dogter van Jefta (1970) in de toen nog overwegend conservatieve literaire arena stapte en voor deining zorgde. Jonkers bedrieglijk-eenvoudige en maatschappijkritische rijmende poëzie daarentegen sluit minder aan bij Kamfers particuliere stem. Ronelda Kamfer heeft in interviews zelf aangeven dat naast Dylan Thomas, Derek Walcott (aan beider werk is een motto ontleend voor Noudat slapende honde) en Charles Bukowski ook de Zuid-Afrikanen Adam Small en Antjie Krog inspiratiebronnen voor haar dichtwerk zijn. De relatie met Smalls poëzie en het ritmisch-eclectische Kaaps-Afrikaanse idioom verdient nadere exploratie.

Fonkelende ster

Fonkelende ster

De introductie van Ronelda S. Kamfer in de Nederlandse literatuur is oordeelkundig voorbereid. Eerst waren er de publicaties van enkele gedichten in het intussen ter ziele gegane periodiek en door Schaffers eerste uitgever Thomas Rap gepubliceerde Bunker Hill. Naar verluidt zijn de gedichten door Antjie Krog zelf geselecteerd (Joop Leibbrand in Meander/e-zine, 26 november 2008). Vervolgens zijn er de vermelde marktstrategieën van Podium die de weerklank van deze “gekleurde” Afrikaansschrijvende auteur “uit het zuidelijkste puntje van het Afrikaanse continent” hebben versterkt. Het is trouwens opvallend dat ook alle recensies in de Nederlandse pers aanvangen met een extraliteraire, louter biografische noot waarin huidskleur en professionele achtergronden van de schrijfster worden genoemd.

De hernieuwde aandacht voor Noudat slapende honde (2008) in Zuid-Afrika, na de uitgave van de vertaling in 2011, heeft de debuutbundel welhaast een canonieke status in de vroeg-eenentwintigste-eeuwse Afrikaanse poëzie bezorgd. Eerst de toekenning van de Eugène Marais-prijs in 2009, na de uitspraken van Hambidge, Krog c.s., én in een volgende fase de onverdeeld positieve beoordelingen van Nederlandse (en Vlaamse) recensenten, hebben Kamfers poëzie − na twee bundels en pas drie jaar na de eerste bundelpublicatie − in de Afrikaanse letteren een bijna onaantastbare status opgeleverd.

In dit licht kan revelerend zijn te onderzoeken op welke esthetische, etnische of zelfs linguïstische presupposities de lezersreacties in de Afrikaanse resp. de Nederlandstalige poëziekritiek zijn gefundeerd. De receptie in Zuid-Afrika en in Nederland vertoont opmerkelijke verschillen. In de reacties van Hambidge en Leibbrand − de enige Nederlandse recensent die als eerste en het meest uitgebreid aandacht schonk aan de Afrikaanse editie van de bundel – lees ik uitspraken die naast poëticaal cultureel en vooral gender-gerelateerd zijn. De grond waarop de gunstige beoordelingen zijn gebouwd, in de verschillende literaire systemen, is voer voor vergelijkend onderzoek naar poëziekritiek. Niet alleen het receptieonderzoek, ook de vertaling (of adaptatie) van Alfred Schaffer kan vanuit een vertaalwetenschappelijk perspectief interessante bevindingen opleveren. Nu de bundel is geprijsd en geprezen, kan het onderzoek naar de mechanismen die hebben geleid tot bekroningen en visibiliteit in Zuid-Afrika, Nederland en Vlaanderen een aanvang nemen.

Recensies

Chrétien Breukers, ‘Nieuwe bundel Ronelda S. Kamfer’ http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2011/07/nieuwe-bundel-ronelda-s-kamfer.html (18 juli 2011). Met verwijzing naar de Tirade-blog van Alfred Schaffer: http://www.tirade.nu/?p=6036

Jooris van Hulle, ‘Ronelda S. Kamfer: pijn is voor iedereen hetzelfde’, in: Poëziekrant 35 (2011) 7 (oktober-november), p.84. Overgenomen op LitNet < http://www.litnet.co.za/cgi-bin/giga.cgi?cmd=cause_dir_news_item&cause_id=1270&news_id=113508> (5 december 2011).

Joop Leibbrand, ‘Waar ek staan’, in: Meander/Literair e-zine < http://meandermagazine.net/wp/2008/11/waar-ek-staan/> (26 november 2008).

Erik Lindner, ‘Vertalingen (1), in: De Groene Amsterdammer (16 december 2010) < http://www.eriklindner.nl/content/view/358/461/>. Overgenomen op Versindaba < https://versindaba.co.za/2010/12/23/nederlandse-kopknik-vir-ronelda-s-kamfer/> (23 december 2010)

Thomas Möhlmann, ‘Ek staan nog steeds’, in: Awater 10 (2011) 1 (januari), p.45-46. Overgenomen op Versindaba (9 februari 2011) < https://versindaba.co.za/2011/02/09/thomas-mohlmann-nu-de-slapende-honden/>

Aanbiedingscatalogus Podium (najaar 2010): http://www.uitgeverijpodium.nl/contentfiles/eCatalogus%20Podiumlowres.pdf

Resensie: grond/Santekraam (Ronelda S. Kamfer)

Thursday, August 25th, 2011

grond/Santekraam. Gedigte. Deur Ronelda S. Kamfer. Kwela Boeke. Prys: R160. Aantal bladsye: 64. ISBN 978-0-7957-0365-2.

grond/Santekraam

grond/Santekraam

Ronelda S. Kamfer se Noudat slapende honde van drie jaar gelede het ‘n rimpeling van opwinding deur die Afrikaanse poësiewêreld gestuur.

Haar fraaiinglose, gelade uitbeelding van spesifiek die vroulike belewing van bruinmenswees in Suid-Afrika het die tonge los gehad – en tereg. Die eis wat Van Wyk Louw aangaande digterlike taal gestel het, naamlik dat dit die dringendheid van “sterfbedwoorde” moet hê, is in hierdie debuut gehoor vanuit die situasie van iemand wat al as ‘t ware by haar eie begrafnis was (soos in die gedig “Droom” verwoord is).

Die “Happy Hotnot-mentality” is onherroeplik deur haar “opgebom” (titelgedig van Noudat slapende honde).

Terselfdertyd het die bundel uitgegroei tot veel meer as die uitbeelding van die bruinmenslot. Iets van alle vervreemdes en noodlydendes se belewenis is daarin vertolk.

In grond/Santekraam word die universele geldigheid van die betrokke bestaanservaring nóg opvallender gemaak. Een van die verskeie gedigreekse in hierdie tweede bundel van haar het byvoorbeeld “gaan” (verganklikheid) as tema. Vergelyk “gaan i”, met sy knap benutting van die spanninge tussen reëlbreuke en enjambemente, tussen vers- en sinsbou, om die huiwering tussen “gaan” en “terughou” te help suggereer:

 

ons moet gaan

die heeltyd ons

moet gaan

teenwinde hou

ons trug

maar gaan

is wat

ons moet

gaan weer

en weer

mettertyd gaan

ons moet[.]

 

Die sentrale gegewe in die bundel is dié van die verskuiwing, oftewel ontheemding en resulterende vernietiging, van die Skipskop-gemeenskap (hoofsaaklik gedek in die “Klippenkust”- en “oorvertel”-reekse, maar ook in gedigte met die name van die karakters waarvan die leser die eerste keer in die gedig “Klippenkust” verneem, as titels). Dié voorbeeld van polities-gemotiveerde, gedwonge verskuiwing van nie-blanke mense tydens die apartheidsera het besonder bekend geword vanweë David Kramer se trefferlied daaroor.

In “oorvertel i” is “oom grootvis Visser”, oud-Skipskopper, minder onder die indruk van Kramer se lied:

                    

daai fokken Kramer-jong het mos

daai song gesing so long Skipskop

met ‘n Kaapse aksent nogals pure

djasgeit wit mens se sad en onse sad

is different hulle huil oor die plek

oor dit mooi was

onse mense huil oor hulle

net moet maak soos gesê was[.]

 

Van tradisionele grondbewoners en -besitters is die betrokkenes eensklaps gereduseer tot ‘n “santekraam” van ontheemdes met “afkop-kopaf-stories” (bladsy 46).

En dit kom al van ver af: van Jan van Riebeeck en Herrie die Strandloper (oftewel “Autshumao”) se tyd af, soos vertolk in ‘n reeks dokumentagtige tekste wat voorgee om korrespondensie tussen Van Riebeeck en Autshumao te verteenwoordig.

En dis waarskynlik ook in hierdie konteks dat wat ek heel rofweg ‘n Kaapse Vlakte-reeks van gedigte wil noem (bladsye 30-39; ook bladsy 49), verstaan moet word. Gevoelens van verontregting, wanhoop, vernedering en opstandigheid staan daarin verwoord. Van die treffendste gedigte in die bundel verskyn op hierdie bladsye. Vergelyk:

           

  Martha

 

 my ma se naam is Martha as

iemand my eendag vra hoe baie ek

haar liefhet sal ek net sê dat toe

ek vier jaar oud was het ek saam

met haar in die donker trug huis toe

gestap van ‘n biduur af waar my

pa gewag het om haar te slaan

sodra sy instap my ma het altyd

vinnig gestap huis toe na haar

ander kinders en man toe

ek moes sukkel om by te bly

toe skielik toe begin ek te huil

 

alleen in die donker omdat al my

liefde vir haar niks beteken nie[.]

 

Van ‘n oënskynlik ander toonaard is wat ‘n mens die “onder water”-gedigtereeks in die bundel kan noem. ‘n Fantasiesfeer van meerminne, vermenslikte visse en “afkopskepe” (skeepswrakke) oorheers, met fragmente wat aan sprokievertellings en ook populêre liedjies herinner. Maar “afkopskepe” en “afkopstories” deel nie verniet eerste woorddele nie: dié fantasiereeks weerspieël weldeeglik sommige van die maatskaplike toestande wat in die ander reekse ter sprake kom of gesuggereer word, sy dit dan op meer speels-ironiese trant.

Trouens, dit wil algaande meer lyk of dié parallelle onderwaterwêreld simbolies word “van verledes wat nooit opgediep is nie” (soos in die uitgewersbrief  aangaande die teenwoordigheid van die skeepswrakke gestel word). Vergelyk:

 

            slot Klippenkust    

 

 soos oom Grootvis Visser die sandpaadjie aanstap stop hy en staar

na die geldmense-kant hy trek sy mond skeef soos hy probeer

om kennis te wees maar sy ou gesig laat dit nie toe nie hy staar na

“hulle” “hulle” wat kom vakansie hou “hulle” wat prentjies verf en

foto’s vat “hulle” wat dink national heritage site beteken iets “hulle”

wat vis in die restrant eet en nooit sal sien hoe sy ma gehuil het nie

vir jare staar hy net na “hulle” en wonder wat sy pa besiel het om

hom te laat glo dat ons “hulle” is en dat “hulle” ons is

 

oom Grootvis Visser het “hulle” probeer haat maar een kyk na die

hemelwatersee dan sien hy die ons van sy pa

 

ons wat stuk-stuk stukkies skepe sonder koppe saam met ons dra[.]

 

Ten spyte van die antagonisering wat deur die verontregtings van die verlede meegebring is, deel ons in hierdie suidelike wêrelddeel, in hierdie verraderlike “Klippenkust”-land van ons, miskien meer as wat ons het wat ons (steeds) skei. Kamfer gee iets van laasgenoemde weer in die taalerfenisse wat sy laat opklink: Standaardafrikaans, Kaaps (met sy flardes Engels), momente van Nederlands (byvoorbeeld in “onderblijven”) en brokkies Arabies (die Islam-nalatenskap, vanuit Indies-Indonesiese oorde).

Óns, hiér, is ‘n waarlike “santekraam”.

Die vermelde reekse in hierdie bundel staan daarom onderbroke vervleg met mekaar; van bundelafdelings is daar nie sprake nie. Vandaar dat daar ‘n opstapeling van “slot”-gedigte aan die bundeleinde voorkom: “slot onder water”, “slot Klippenkust”, “slot slot” en “slot slot slot”. Laasgenoemde twee lyk soos musikale tema-en-variasie-komposisies, saamgestel uit skaars nog sinmakende woordfrases wat oorgeneem is uit, onderskeidelik, “slot Klippenkust” en “slot onder water”. So word in die kleiner formaat van enkelgedigte spieëlbeelde verskaf van die bundelopbou as geheel.

Die genoemde “onderblijven” is nog so ‘n “tema-met-variasie”-tipe gedig. Ek kon nie verhelp om by die lees daarvan te dink aan die Vlaamse digter Paul van Ostaijen se bekende “Melopee” nie – asook aan enkele van die meer eksperimenteel repetitiewe verse in Antjie Krog se Verweerskrif van enkele jare gelede nie. Enkele strofes uit Kamfer se gedig:

 

 onderblijven skip blijft onder

onder die see blijft die skip

 

die skip blijft die see

onder onderblijven blijft

 

die see die skip die onder

God blijft die see

 

blijft onder God die skip

skop die see skip

[…]

 

Myns insiens word Afrikaans en Nederlands in hierdie gedig ietwat oorhoeks gepas op mekaar; doen dit plek-plek ‘n bietjie komieklik aan. Tewens: die “santekraam”-struktuur van die deurmekaar gepakte gedigreekse, van die taal-, spreekstem-, tema- en diksieverskeidenhede, ontsnap nie aan ‘n bepaalde indruk van gemaaktheid nie. Styl- en vormlike eksperiment pas (nog) nie naatloos by die sterk polities-maatskaplik gekleurde betekenisinhoude nie, meen ek.

Kamfer bewys egter met grond/Santekraam dat haar digterskap nie ‘n statiese, nie-innoverende een gaan wees nie. En in ‘n oortuigende mate bly sy tref. Haar digkuns bly boei; die belofte van die debuut bly springlewendig.

 

Bernard Odendaal, Departement Afrikaans en Nederlands, Duits en Frans, Universiteit van die Vrystaat

 

Andries Bezuidenhout. Onderhoud met Ronelda S. Kamfer

Tuesday, August 2nd, 2011

Mense van die dorpie Skipskop is in 1985 deur die regering uit hul dorp verskuif – baie na Kassiesbaai by Waenhuiskrans, ander na Bredasdorp en Struisbaai toe – om plek te maak vir Krygkor se missieltoetsgrond by De Hoop. Die dorp se naam kom van die wrak van die Maid of the Thames, wat rondom 1848 in die omgewing gestrand het en waarvan die “kop” vir ʼn lang tyd nog sigbaar was bo die golwe. Volgens die Surplus People Project, wat gedwonge verskuiwings in Suid-Afrika bestudeer het, was die meeste van Skipskop se inwoners nasate van drenkelinge van ʼn skip wat in 1860 in die omgewing op die rotse geloop het. Die kwessie van die verskuiwing het in die 1980s redelik dekking in die pers ontvang en David Kramer het “So long Skipskop” daaroor geskryf. Die lied is o.a. deur Sonja Herold opgeneem en dis te betwyfel of haar deursnit aanhanger besef het dat die hartseer storie oor gedwonge verskuiwings handel.

Nou het Ronelda S. Kamfer haar tweede digbundel gepubliseer – grond/Santekraam – wat met hierdie gegewens werk. Verskillende stemme word gebruik om dit te doen en om te kyk na die afstammelinge van die inwoners van Skipskop, waarvan Ronelda een is. Sy het in die omgewing gaan navorsing doen en met familielede gesels, van die gedigte rondom hul stories gebou. Die bundel sny egter ʼn veel breër tematiek aan; dit werk op vele vlakke – bo en onder die water – en word by tye heel surrealisties. Dis baie moeilik om met Ronelda onderhoude te voer, omdat sy so min weggee – ʼn bietjie soos Bob Dylan of Tom Waits. Die vrae is tipies veel langer as haar antwoorde, wat ook hier die geval is.

Andries: Ronelda, baie geluk met grond/Santekraam. Dit het reeds ʼn paar golwe veroorsaak, ook hier op Versindaba. Eers iets oor die titel. Ek sien uit een van die onderhoude met jou dat die woord “Santekraam”  ʼn Nederlandse woord is wat jou ma ook herken het – dit beteken “die res”. Die bundel se titel sê m.a.w. dat dit hier gaan oor “grond en die res”. Enige opmerkings oor die titel? (En moet ASB. nie net sê “nee” nie!)

Ronelda: Nee… Ek wou nie ʼn boek skryf net oor grond of verskuiwings nie, dis waar die santekraam inkom. Ek was ook besig met my honneurskursus en het baie Nederlandse poësie gelees. Dit was vreemd toe ek my ma vra of sy weet wat santekraam beteken en sy sê, ja sure dis ʼn baie outydse woord.

Andries: Die omslag is werklik treffend. Die illustrasie is deur André en Nathan Trantraal. Dit het my aan “stille waters, diepe grond” laat dink. Dalk iets oor hoe die omslag met die gedigte praat?

Ronelda: Ek haat die vraag Andries.

Andries: Goed, volgende een. Die eerste gedig (“gaan i”) lees amper soos ʼn raaisel – “moet ons gaan” word “gaan ons moet”. Dit lees soos ʼn tipe refrein wat subtiel verander, maar die subtiele verandering gee ʼn hele nuwe betekenis. Hoe kies jy ʼn bundel se eerste gedig?

Ronelda: Met die bundel was dit maklik om ʼn eerste gedig te kies omdat dit ʼn begin en ʼn einde het, dit was die struktuur waarop ek vooraf besluit het. Ek het geweet watter gedigte kom waar nog voordat ek begin skryf het.

Andries: Die woord “Santekraam” het jy uit die verlede gaan opdiep. Ek kry die indruk dat die gedigte die verlede deels deur taal na die oppervlak bring, maar nie ʼn verlede met net een storie nie. Die briefwisseling tussen Jan van Riebeeck en Autshumao lees vir my soos kabaret (met Autshumao wat Eliot quote) – dis skreeusnaaks, maar dit tref jou ter selfde tyd soos ʼn vuishou tussen die oë. Ek is nuuskierig oor die verskillende stemme in die bundel. Daar is historiese karakters, soms mense waarmee jy gesprekke gevoer het, soms is dit jy (of die digter se eie stem, ten minste) – soos as jy oor jou oupa se dood skryf. Lang aanloop, maar my vraag gaan oor die klank van hierdie stemme. Jy gebruik verkillende aksente – van iemand wat met sy “mô” praat, tot Autshumao, wat jy met ʼn eietydse aksent laat praat. As jy sulke gedigte skryf, hoe gaan jy te werk om ʼn stem te ontwikkel, veral in gevalle wanneer jy in karakter dig?

Ronelda: Ek skep karakters wat vir my geloofwaardig is, in my kop lees Autshumao Eliot en Van Riebeeck is ʼn gangster. Beide soort gedigte persoonlik en karakter gebeur op dieselfde manier. Ek dink nie te veel aan hoe ek goed doen nie, dit gebeur net.

Andries: Met die “oorvertel” reeks vertel jy letterlik oor wat ander mense sê – met datums waarop jy gesprekke met hulle gevoer het. Jy bind daarmee as’t ware hulle stemme aan ʼn plek en ʼn datum en gee vir hulle erkenning. Hoe gaan jy te werk om ander mense se woorde in gedigte om te sit?

Ronelda: Ek kom uit ʼn familie/gemeenskap  van storievertellers, my ma kon goed vertel oor haar kinderjare wat my verbeelding dae lank op hol kon sit. Daar is nie ʼn metode of proses van hoe om dit te doen nie, jy volg jou ‘onthou’ en jy haal daaruit die gedig.

Andries: Musiek speel ʼn groot rol in die bundel. Reeds in noudat slapende honde het jy byvoorbeeld met Radiohead en Tupac Shakur gepraat. In grond/Santekraam lees baie van die gedigte soos musiek – refreine, herhaling – daar’s selfs een gedig met rymende koeplette en ʼn vaste metrum. Dan tree jy in gesprek met van Koos du Plessis tot Die Stem. Hoe sien jy die gesprek tussen jou eie werk en musiek? Gaan jy ʼn album opneem, soos byvoorbeeld Breyten Breytenbach?

Ronelda: Musiek is my grootste invloed, ek luister meer musiek as wat ek lees, die musiek in die bundel was heeltemal onbeplan, as jy aan Skipskop dink, dink jy aan David Kramer se song, wanneer ek skryf dink ek aan musiek, meer aan die emosie wat gewek word deur die song. Ek het nie geweet Breytenbach het ʼn album opgeneem nie. Ek sal as die musiek reg is.

Andries: ʼn Vraag oor invloede. Bukowski, die dirty old man, is steeds baie sterk. Maar wie anders lees jou op die oomblik?

Ronelda: Ek lees steeds net Bukowski.

Andries: Laaste vraag: Volgende bundel?

Ronelda: Sodra iets my lank genoeg pla, skryf ek daaroor.

Verwysing:

Laurine Platzky en Cherryl Walker, The Surplus People: Forced Removals in South Africa (Ravan Press, 1985), p. 47.

Louis Esterhuizen. Alfred Schaffer skryf oor Ronelda Kamfer se nuutste bundel

Wednesday, July 20th, 2011

Die afgelope maande tree Alfred Schaffer op as gasblogger vir Tirade. In sy mees onlangse aflewering skryf hy onder andere oor Ronelda Kamfer se nuutste bundel, grond/Santekraam, en omrede daar tans heelwat in die media berig word oor dié besonderse publikasie, hou ek graag enkele aanhalings uit Schaffer se stuk voor.

By wyse van inleiding maak Schaffer die volgende opmerking: “Die (bundel) heet grond/Santekraam, en is een adembenemende, zeer persoonlijke en ook zeer Zuid-Afrikaanse bundel. Maar er staat niets achterop vermeld. Geen foto, geen beschrijving, geen citaten. Terwijl dat makkelijk had gekund: haar debuut Noudat slapende honde (2008) is terecht overladen met lof, hier en buiten Zuid-Afrika. Maar Kamfer is, zoals ook J.M Coetzee, een voorbeeld van een schrijver die wars is van dikdoenerij of geschreeuw.”

Omslag

Omslag

Na ‘n anekdotiese vertelling van die ooievaarstee wat in Seepunt vir Ronelda aangebied was, lewer hy die volgende opsommende kommentaar op die bundel: “De gedichten in grond/Santekraam gaan echt ergens over, zonder prekerig, simplistisch of pamflettistisch te worden. Zoiets is razend knap. Over identiteit, over groepen achtergestelde landgenoten – het lot van de gewone, arme bruine medemens. Er worden personages ten tonele gevoerd die als metafoor dienen voor het onrecht dat veel landgenoten is aangedaan. Mensen die uit hun bestaan werden weggerukt en verplaatst, overgebracht naar een vreemde plek, krijgen hier een stem. […] grond/Santekraam is een verslavende, veelkantige en soms ingewikkelde bundel, vooral vanwege de verwevenheid met andere Zuid-Afrikaanse teksten. “

Inderdaad. Of, soos Danie Marais dit volgens Schaffer in ‘n sms aan hom gestel het: “Mens kan dit eintlik nie eers kuns noem nie. Dis iets ergers.”

Vir jou leesplesier volg die twee aangehaalde gedigte hieronder:

***

 

Jeppe
 
Jeppe wens hy was dood
elke dag
elke oggend
ons het saam taxi gery tot by Medi-Clinic
hy was 35 jaar oud
en ek 25
hy het sommer een oggend besluit
om my sy hele life story te vertel
so
tussen squeal met die taxi guard oor kleingeld
 
sy pa was ‘n alkoholis
dis hoekom hy drink
en sy ma was ‘n moeilike vrou
hy wou nie uitbrei nie
die bottom line het hy elke dag elke oggend
gesê
ek wens ek was dood
elke dag
elke oggend
het ek gesit en luister
 
een oggend vertel ek hom van my lewe
en hoe ek wens ek het nie so dood gevoel nie
en as ek kon
as dit van my afhang
as dit in my hande was
as ek regtig kon sou ek hom doodgemaak het
dan het ons albei se wens waar geword

ná daai oggend het ons nie meer met mekaar gepraat nie

dit vat ‘n kat om ‘n muis te vang
 
ek het my pa gaan soek
eers buitekant
waar mens mos begin
in die tuin tussen sy rankrose
toe in sy motorhuis
waar hy altyd in stilte besig is
laaste het ek binne gaan soek
waar mens mos eindig
drie kloppe
een
twee
drie
op jou merke gereed weg
my hand het sy asem opgehou
al vyf vingers se oë was toe
met die oopdraai van die handvatsel
het die deur gekreun
my vingers het my probeer waarsku
een
twee
drie
op my merke gereed weg
my oë was toe
maar ek kon hom sien
ek kon my pa sien hang
hy hang
en hy hang
en hy hang
sonder my
elke dag sonder om te val
hang hy
hy hang nou nog 

 

© Ronelda S. Kamfer (Uit: grond/Santekraam, 2011: Kwela Uitgewers)

 

Onderhoud: Ronelda S. Kamfer

Sunday, January 10th, 2010

Die wakker honde van ‘n digter

Ronelda Kamfer in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Ronelda Kamfer

Ronelda Kamfer

Ronelda S. Kamfer is in 1981 in Kaapstad gebore. Sy bring haar grootwordjare in Blackheath en Grabouw deur. Sy matrikuleer in 1999 aan Eersterivier Sekondêre Skool. Sy was al verpleegster, kelner en administratiewe assistent by ‘n bemarkingsmaatskappy. Van haar gedigte verskyn in Nuwe Stemme 3, My ousie is ‘n blom en Bunker Hill. Haar debuutbundel, Noudat slapende honde verskyn in 2008 by Kwela. Die bundel is 2009 bekroon met die Eugène Marais-prys.

 

Ronelda, met jou debuutbundel, Noudat slapende honde (2008: Kwela Boeke) het jy jou summier gevestig as een van ons mees opwindende nuwe digters. Van jou gedigte het ook in Nuwe Stemme 3 en My ousie is ʼn blom (2005: Snailpress) verskyn.  Was daar spesifieke individue of instansies wat ʼn vormende invloed op jou digkuns gehad het?

Ek dink nie ek sou ooit gepubliseer geword het sonder Nuwe Stemme 3 nie, so almal wat daarby betrokke was het ‘n invloed op my gehad, veral Danie Marais , Loftus Marais, Thérèse Hulme en natuurlik die samestellers Antjie en Alfred.

Wat was die aard van hierdie invloed? Was dit merendeels aanmoediging of het hulle jou ook met tegniese aspekte gehelp?

Ek dink dit was meer aanmoediging, ek het maar eers onlangs die tegniese dinge van digkuns begin leer.

Op die webblad is ons Blog-fokus vir Januarie die kwessie van hoe jy tot die poësie aangetrokke geraak het. Hoe het dit gebeur dat die digkuns vir jóú meer as ʼn terloopse belangstelling is?

Presies, hoe wat en waar kan ek nie onthou nie, dit was net altyd deel van my, skryf is heeltemal natuurlik.

Op 14 Januarie neem jy saam met Antjie Krog deel aan die Winternachten-fees in Den Haag. Wat is die belang van hierdie internasionale blootstelling vir jou?

Ag, ek wil net graag sien wat ander skrywers doen, lees en hoe digters voorlees.

Indien ek dit nie mis het nie, was jy verlede jaar betrokke by Thérèse Hulme se projek Piemp. Hoe voel jy oor projekte van hierdie aard waar skryfkuns as vorm van terapie gebruik word? Skep dit nie dalk onrealistiese verwagtings by die deelnemers nie?

Piemp was nooit die projek nie, dit was die resultaat van jare se werk. Ek dink Thérèse en die kinders het hulle eie verwagtinge oorskry, sy wou die kinders committed kry. Aan die lees kry. 

Tydens ʼn onderhoud met Danie Marais het jy te kenne gegee dat jy Charles Bukowski en Antjie Krog as rolmodelle vir jou eie digkuns beskou. Lees jy wyd in die wêreld van poësie of beperk jy jou uitsluitlik tot enkele gunstelinge?

Ja, ek lees wyd. Ek het my studiejaar afgesluit met ‘n leeskursus onder Antjie en het weer besef hoe belangrik dit is om veral ander digters te lees. Ook hoe ryk Afrikaans in taal en stories is.

Watter digter(s) lees jy op die oomblik?

Adam Small, Dylan Thomas en ook “Die Sterre sê T’sau” van  Antjie krog

Watter digters beskou jy as die meer opwindende digters in Afrikaans vandag? Is daar enige jonger, ongepubliseerde digters waarvan jy weet?

Danie Marais. Loftus is major vir my en ook ander soos Andries Bezuidenhout. Ek hou  ook baie van Quentin Jitsvinger Goliath wat tans nog ongepubliseer is.

Ronelda, ʼn enorme prestasie wat jy onlangs behaal het, is die gedigte van jou wat deur Pierre-Marie Finkelstein in Frans vertaal en in Missives gepubliseer is. Het jy enige terugvoer van Franse lesers hieromtrent gehad?

Nee, geen terugvoer ontvang nie, maar dit is beslis ‘n helse voorreg.

Met jou debuutbundel het jy lof en aanprysing uit alle oorde ontvang. Is dié gloeiende kommentare iets wat jou aanmoedig, of ervaar jy dit as ʼn inhiberende faktor?

Dit is wat dit is, met die lof kom die kritiek ook so, dit pla my nie juis nie.

Ten slotte, jy is bekend as iemand wat in die eerste plek mens is en daarna digter. Vertel ons ietsie omtrent jou ander belangstellings en aktiwiteite?

Op die oomblik het ek baie meer tyd vir skryf, so ek gaan seker binnekort bekend raak as eerstens digter en dan mens (grappie). Nee, ek skryf deesdae bietjie meer so hopelik het ek iets om te wys daarvoor binnekort.

Nou, dít is skitterende nuus en beslis iets om na uit te sien. Maar vertel ons ietsie meer omtrent jouself? Watter musiek luister jy byvoorbeeld na?

Musiek, waar begin ek, okay ek hou van alles, ek is mal oor Tupac, Eminem en MIA. Maar ek luister ook deesdae baie Bruce Springsteen, Elbow, Muse en locally hou ek van Die Antwoord, Skatta Kamp, Jack Parow. Die lys verander elke dag.

Dankie vir die geleentheid om met jou te kan gesels, Ronelda. Sal jy dalk so vriendelik wees om van jou nuwe verse vir ons lesers hieronder te plaas?

 

Sny Sannie

 

sannie sê

sy

sal sewe snye sny sodat sy seerkry sien

sy

skelm skarlaken skenk

                                           skeiding sonder skel

 

sy

 

 

sny

sag       

 

 

 

Thomas Daniel Granfield

 

dis vandag my oupa Thomas

se verjaardag

 

dit sou gewees het

 

hy is dood toe ek in matriek was

dis al wat ek regtig onthou van matriek

 

die oggend toe die telefoon lui

het my ma nie kom sê nie

sy en my pa het opgestaan

en is weg hospital toe

 

al die grootmense, my oupa se kinders

en hulle mans en vroue is hospitaal toe

 

ek wou saam gaan

ek wou net my oupa belowe dat ek

okay sou wees

dat ek eendag ʼn boek gaan skryf

en hom sal vergeet nie

en dat ek die liefste vir hom was

 

my ma het ʼn paar uur

later gebel om te sê dat ek vir

my en my suster en niggie

moet kos maak

sy het niks gesê van my oupa nie

haar woorde het soos vlermuise om my gevlieg

 

ek het gewag vir iets

gewag vir pappa is dood

of dis verby of hy’s oorlede

maar sy’t aanhou praat oor kos

toe ek haar uiteindelik stop en vra

het die vlermuise aanhou vlieg

 

“ja, vroeg vi oggend”

 

 

die swaarste vir my was nie

dat my oupa dood was nie

maar dat die aarde aanhou draai het

dat ek aanhou leef het

dat alles wat verkeerd was nog steeds

verkeerd is

dat ek kon slaap en wakker word

ek kon matriek slaag

en die ergste van alles was

dat ek alles kon doen wat ek moes doen

en al wat ek wou doen

was om te huil

ek wou vir dae aaneen huil

ek wou sy leeftyd uit huil

ek wou huil vir wie my oupa was

en vir wie hy kon wees

ek wou huil oor die onregverdigheid

en ek wou huil omdat hy regtig lief was vir

my en dat ek geweet het dat hy lief was vir my

 

vandag

jare na sy dood

onthou ek eending  van oupa Thomas

 

“niemand kan jou seerder maak as jy jouself nie”

 

 

 

 

Jeppe

 

My vriend Jeppe wens hy was dood

elkedag

elkeoggend

ons het saam taxi gery tot by

Medi-Clinic hy was 35 en ek 25

hy het sommer eenoggend besluit om sy

lewensverhaal  te vertel so tussen squeel met

die taxi gaurd oor kleingeld, sy pa

was ‘n alkoholis dis hoekom hy drink

en sy ma was ‘n moeilike vrou

hy wou nie uitbrei nie, die bottomline is, het hy

elkedag

elkeoggend

gesê, ek wens ek was dood

 

 

elkedag, elkeoggend het ek gesit en luister

toe eenoggend vertel ek hom my storie

en hoe ek wens dat ek nie 

so dood gevoel het nie, en as

ek kon, as dit van my afhang

as ek regtig kon, sou ek hom

doodgemaak het dan het ons albei se

drome

waar

geword

 

na daai oggend het ons nie meer gepraat nie

 

 

(© ronelda s kamfer)

Krog & Kamfer by “Winternachten”

Monday, December 28th, 2009
Antjie Krog & Ronelda Kamfer

Antjie Krog & Ronelda Kamfer

Fantastiese nuus hier aan die einde van die jaar is dat twee van ons voorste digters op 14 Januarie aan volgende jaar se Winternachten-fees in Den Haag gaan deelneem, te wete Antjie Krog en Ronelda S. Kamfer.

Dit is vanjaar die vyftiende Winternachten en die program betrek tagtig skrywers, kunstenaars en musici uit vyftien lande. Op die amptelike webblad word die tema vir vanjaar se fees soos volg verwoord: “Het thema van dit jaar is ‘Het spel van de regels‘. U hebt het wereldleiders vast wel horen zeggen: de wereld verkeert in crisis, en daarom is het tijd voor nieuwe regels. Fatsoensregels, omgangsregels, regels voor burgers, bankiers en politici. Een ideaal onderwerp om met schrijvers te bespreken. Schrijvers zijn de wereldbeeldslopers, taboebrekers en universumbouwers van onze cultuur.”

Boonop gaan Antjie Krog die gebruiklike Winternachtenlezing lewer. Haar opdrag vir die lesing is om oor Die Universele Verklaring van Menseregte te praat. Die lokteks op die webblad lees soos volg: “In haar lezing wordt meteen duidelijk dat in de nieuwe tekst de oorspronkelijke regels van de verklaring niet meer echt te herkennen zijn. Sterker nog: er zijn zelfs helemaal geen regels meer in opgenomen. Waarom? Omdat, volgens Krog, de derde wereld nooit met regels op de proppen komt. Regels zijn iets voor de eerste wereld. De derde wereld doet suggesties. Of ze brandt. Want de eerste wereld luistert altijd naar vuur.”

Die paneel wat op haar lesing repliek sal lewer, bestaan uit die Indiese skrywer Tarun Tejpal en die Chinese skrywer Xue Xinran.

Sjoe, wat ‘n prestasie! Alle voorspoed aan dié twee vir die besonderse rol wat hulle het om te speel op daardie uitsonderlike breë verhoog. Vir jou leesplesier vanoggend, Antjie Krog se pragtige “Abecedarium vir Afrika” wat onlangs in haar gedigtekamer geplaas is.

***

Op die webblad is dinge maar aan die stillerige kant. Carina Stander het wel ‘n Kersfeesvers op haar blog geplaas, terwyl Daniel Hugo weer vertalings van twee haikoe deur Matsuo Bashö vir plasing ingestuur het. Maar, om jou besoek darem die moeite werd te maak, het ek die Klikbord met heelwat nuwe berigte en skakels gelaai. So, wees vrypostig en snuffel na hartelus rond.

En geniet darem die lae intensiteit van die week wat op hande is, hoor.

Mooi bly.

LE

 

Abecedarium vir Afrika

 

Aardvark Armadil Alikreukel Akkedis

Buffel Bradysourus Bokmakierie Blaasopvis

Cape Cobra Cactoblastis Camembert Codlingmot

Damaralandse Dik-dik Diederik Duif Dikkop

Eekhoring Engelvis Elsie Eland

Feniks Fiskaal Flamink Fisant

Gapermossel Giraffa Gaboenadder Gemsbok

Hartebees Hiëna Hadida Hotnotsgod

Ietermago Impala iMpevu Ibis

Jakkals Janfrederik Jagluiperd Jellievis

Klaasneus Kakelaar Kwena Korhaan

Lelietrapper Leeu Lystrosaurus Likkewaan

Muskeljaatkat Mahem Manatee Maraboe

Nagmuis Nonaap Njala Ghnoe

Ouvolk Oorbietjie Otterjasie Otterjou

Pylstert Pietjoutjou Pofadder Pou

Quagga Quil snuif op Engels aan die lot

Ratel Roerdomp Rinkhals Rot

Speg Selekant Songololo Saagvlerkswael

Tiptol Tsetsevlieg Troupand Tarentaal

Uil Ungulungu Unicorn (Kalahariduin sy huis)

Vlakvark Vlindervis Vader-langbeen Volstruis

Wildebees Waaierstert Wulk Wildehond

Xhama laat in Xhosa spore op die grond

Yellowtail Yellowfinch en Yslike Ystervark

Zambesi-haai Zambenenje Zoeloelandse kruipmol met baard

 

Ja alles van hier van huis en van haard

Alles wat kruip volgens suidelike kaart

Alles wat fladder, doodle of dool

Wag reikhalsend op die koms

     van die Amazi-voël

 

 (c) Antjie Krog (uit: Versindaba 2009, Protea Boekhuis)

 

 

  •