Posts Tagged ‘Sylvie Marie’

Luuk Gruwez. Binnen en buiten

Monday, November 24th, 2014


 

Het boek: ‘Altijd een raam’ is haar derde dichtbundel, waarin zij middels de confrontatie van binnen en buiten haar positie in de wereld probeert te bepalen.

ONS OORDEEL: De poëzie van Sylvie Marie heeft de roep helder te zijn. Maar deze keer is dat minder waar. Enkele transparante gedichten volstaan niet om de indruk te vermijden dat de suggestiviteit te zeer naar duisterheid neigt en de associaties te gratuit zijn.

Er is dat raam. Het is er al in de titel van de bundel en in het eerste gedicht dat aan twee cycli voorafgaat die respectievelijk ‘Binnenskamers’ en ‘Buitenshuis’ heten. Het bevindt zich op de grens tussen de besloten ruimte van de dichterlijke habitat en de uitwaaierende ruimte daarbuiten. Beide plaatsen roepen impressies op en zijn onderhevig aan de vraag naar de manier waarop de ik ze ervaart. Het is, zo zal in het slotgedicht van de bundel blijken, een vraag die hoofdzakelijk onbeantwoord zal blijven. ‘we vonden/ een vraag,/ we stelden/ (neen, we stalden)/ hem uit,’ staat er bij wijze van conclusie in verzen die ook het einde van de taal lijken te impliceren: ‘binnen was de taal gebroken/ rinkelend porselein.’ Marie beëindigt haar bundel met een antwoord dat er geen is, dat integendeel opnieuw een vraag is.

Tot een echte interpretatie van binnen- en buitenwereld komt het eigenlijk niet. De onmacht van de dichterlijke ik om zichzelf te definiëren is, zo wordt een paar keer gesuggereerd, misschien te verklaren vanuit de dominantie van een ‘vader’ die ook als lijk nog omnipresent is en die het anagram ‘daver’ oproept. Maar het is ook mogelijk dat juist de dood van die vader de wereld op zijn grondvesten laat beven, zeg maar ‘daveren’. In elk geval dringt de vader zich zelfs in gestorven toestand met veel gezag op. Het maakt dat het bestaan als erg zwaar wordt ervaren. ‘er staan/ tranen in je ogen en je zoekt een metafoor,’ schrijft Marie. En verder: ‘je snikt,/ niet omdat je pijn lijdt door het ondraaglijke gewicht,/ maar omdat het kan, naar een olifant/ op je hand kijken.’ Met andere woorden: ook de verbeelding biedt geen soelaas, want het leven blijft een last, zorgt onophoudelijk voor pijn.

Er is een verhaal van Géza Csáth, een auteur uit het voormalige Joegoslavië, dat ‘De kleine Emma’ heet. Het is een van de meest huiveringwekkende teksten die ik ken. Het hoofdpersonage, een jongen uit de tweede klas van de lagere school, is gefascineerd door  Emma, die één klas lager zit. Samen met zijn oudere broer en een paar nichtjes experimenteert hij met het ophangen van dieren. Nadat eerst een dashond er al aan heeft moeten geloven, is Emma het volgende slachtoffer. Precies dezelfde dreiging gaat er uit van wat misschien het beste gedicht van ‘Altijd een raam’ is en tevens het gruwelijkste. Zo vangt het aan: ‘mijn moeder hing gisterochtend de hond op.’ Vervolgens krijgen wij te lezen hoe de ik vreest dat die wreedaardige moeder het wel eens op haar zou hebben kunnen gemunt: ‘omdat ik ook wel eens jank,/ en blaf, en bijt.’ Het hier geschetste sadistische universum lijkt erg op dat van Csáth. Een moeder en een vader die doen daveren: de roots van de ik bevinden zich in een veld van angst.

Opvallend is het streven van Marie naar harmonie. Niet enkel tussen binnen- en buitenwereld, maar ook tussen de personages die zich erin bewegen. In de aan Gerrit Kouwenaar ontleende titel ‘totaal witte kamer’ schetst zij een paar dat in bed ‘lepeltje lepeltje’ tegen mekaar aanligt. Voortdurend is zij beducht voor wat de idylle zou kunnen verstoren, bijvoorbeeld alleen al de gedachte dat het alsnog verkeerd zou kunnen lopen: ‘we hadden die dagen zoveel geluk dat we dachten dat we droomden.’ Ongeluk vermijden is een kwestie van tactiek. Het geluk, zo wordt gesteld, mag niet naar de buitenwereld toe. Het dient opgesloten. Maar anderzijds staat er: ‘het huis werd een burcht, een ophaalbrug rees, de mazzel/ kon geen kant meer op.’ Het is maar de vraag waar geluk het minst bedreigd is: in de binnen- of de buitenwereld? De burcht kan namelijk ook een gevangenis zijn.

Niet altijd is Sylvie Marie zo duidelijk. ‘elders zijn lakens altijd witter, zeker/ als ze er vloerverwarming hebben (…),’ schrijft ze. Dit soort rare redeneringen lijkt haar handelsmerk. Haar gedichten bevatten de absurdistische associaties van dromen. Ze zijn geschreven in een idioom dat vanzelfsprekendheid ademt, maar lang niet altijd een concreet verhaal prijsgeeft. Dingen en mensen gaan met elkaar vaak een lukraak verband aan.

Een van de motieven waarmee de bundel is doorspekt is dat van de confrontatie tussen de romantiek van bijvoorbeeld de wilde verliefdheid en de alledaagsheid van een meer gesetteld bestaan. ‘in het begin waren we eindeloos/ op elkaar en onder (…),’ lezen we in een gedicht dat eindigt met deze regels: ‘als ik thuiskom van het werk/ en je bent er en je hebt gekookt,/(…)/ dan zeg ik dat het lekker is.’ De dichteres lijkt zich welbewust van de gevaren van de totale overgave. Voortdurend vraagt zij zich af waar zij moet kruipen. In het binnenkamerse wordt zelfs nog het binnen van een lichaam opgezocht: ‘om te overleven warmen we onze handen aan de binnenkant van dijen (…).’ In deze intieme context is het samenzijn bij Marie een bron van voortdurende verwondering. ‘vreemd hoe wij soms samen zijn,’ heet het. De voor- en nadelen van alleen en samen worden afgewogen, waarna uiteindelijk voor samen geopteerd wordt. ‘tot snel’, luidt het. Want Maries ultieme doel is noch min noch meer de liefde.

mijn moeder hing gisterochtend de hond op.

ik zie haar in gedachten de strop rond de nek leggen,

het dier naar boven  hijsen.

dat ze zwijgend toekeek tot hij stopte met schudden,

dat ze hem met even weinig woorden

liet zakken, het touw lostrok en de hond begroef in het bos,

verzin ik er zonder aarzelen  bij.

ik ken mijn moeder, ik weet hoe ze dingen doet.

ook zulke dingen.

eerst dacht ik dat ik wilde

dat mijn moeder zou opkijken, iets zeggen,

nu denk ik dat ik bang ben omdat ik ook wel eens jank,

en blaf, en bijt.

Sylvie Marie

__________________

SYLVIE MARIE

Altijd een raam

Uitgeverij Vrijdag en uitgeverij Podium, 61 blz., 16,50 euro.

AANTAL STERREN:

***

Louis Esterhuizen. Die band tussen poësie en musiek

Thursday, December 1st, 2011

Die grense wat die Den Haagse kunsfees Crossing Border jaarliks wens om oor te steek, is naamlik die grens wat daar tussen musiek en poësie bestaan. Tydens dié fees, wat verlede week ten einde geloop het, word die verhoog dan uitsluitlik deur digters en musikante gedeel. Vanjaar, ten aanloop tot die fees, het die webblad 3Voor12 onderhoude gevoer met vier van die digters wat tydens genoemde fees opgetree het. Hulle is die Vlaamse digters, Sylvie Marie, Floris Schillebeeckx en Marc Tritsmans, asook Nyk de Vries, ‘n digter vanuit Friesland. Die onderhoud het spesifiek op die gewaande kruisbestuiwing tussen musiek en poësie gefokus.

Op die vraag “Welke muzikanten gelden als belangrijke inspiratiebron voor je, en op welke wijze uit zich dat?” het die vier digters soos volg geantwoord:

Sylvie Marie: ‘Ik weet niet of ik muzikanten heb die doorgaan als ‘belangrijke inspiratiebron’. Ik denk het niet. Soms kan een film of een lied me wel op een poëtisch idee brengen, maar dan maakt het niet echt uit van wie dat lied of die film komt. Zelfs een lelijk lied kan me inspireren. Ook tijdens het schrijven zelf verdraag ik maar weinig muziek. Als ik al iets opleg tijdens het schrijven, is het instrumentale, klassieke muziek en die kan dan wel een invloed hebben. Probeer bij wijze van spreken maar eens iets sombers te schrijven bij Vivaldi’s ‘Lente’.’

Floris Schillebeeckx: “‘In de eerste plaats Leonard Cohen. Ik leerde hem toevallig kennen rond mijn vijftiende via een cd van mijn moeder (Songs From A Room). Op één of andere manier trok die erg onhippe muziek me toen aan. Het bezwerende lage zingen op afstandelijk betrokken wijze, de diepgravende teksten met metafysische reikwijdte, het verklankte mededogen en de subtiele humor. Ik had van hem makkelijk dertig songteksten kunnen selecteren voor de vorige vraag. Zeker omdat zijn teksten veel meer omvatten dan het voor songschrijvers gebruikelijke romantisch-esthetische wereldbeeld. Het is ook een denker en een profeet. Hij is net als ik begonnen als dichter en daarna is hij begonnen met het schrijven van nummers, zonder al te veel muzikale bagage. Het is een schoolvoorbeeld van iemand die zich binnen zijn beperkingen maximaal ontwikkeld heeft. Naast hem noem ik graag Nick Cave, 16 Horsepower, Bob Dylan, Brel, Ferré…”

Marc Tritsmans: “Voor mij is het schrijven/lezen van gedichten iets totaal anders dan het beluisteren van muziek. Beide zijn voor mij complementaire, maar toch ook totaal afzonderlijke kunstgenres. Het is zelfs zo dat ik, wanneer ik echt naar hedendaagse muziek luister, niet eens probeer om de tekst te ontcijferen. Die is – voor mij althans – meestal van secundair belang. Zelfs als ik naar Bob Dylan luister, ben ik vooral geïnteresseerd in zijn heel persoonlijke frasering – er is niemand anders die zingt zoals Dylan – en veel minder in de inhoud van zijn teksten. Al zijn die volgens sommigen Nobelprijswaardig. Ik wil daar niet eens over oordelen, want eigenlijk worden deze songs aan mij gepresenteerd als muziek en niet als literatuur… En gedichten: daarvan vind ik nog altijd dat je die best thuis leest. In alle rust. En op muziek moeten die gedichten al helemaal niet worden gezet. Daar komt overigens nog bij dat het Nederlands zich veel minder dan het Engels leent om op muziek te worden gezet. Maar ín de gedichten zelf zit vaak een muziekje dat de lezer maar voor zichzelf moet ontdekken. En als ik me dan toch al eens door muziek laat beïnvloeden of inspireren, gaat het om klassieke muziek – en niet toevallig alleen maar instrumentale klassieke muziek. Ik hoop dat het echter duidelijk is dat dit aanvoelen geen enkel waardeoordeel – noch ten opzichte van de muziek, noch ten opzichte van de poëzie – inhoudt. Voor mij zijn het dus doodgewoon aparte dingen. In die zin voor mij dus toch niet echt ‘Crossing Border’, maar dat hoeft toch ook helemaal niet? Laat ons gewoon van beide genieten, zoals je kan genieten van eten én van drinken.”

Nyk de Vries: “Ik maak ultra korte teksten, nooit langer dan 120 woorden, zogenaamde prozagedichten. Ze zijn grappig, maar ook wrang. In een bepaalde periode waren de verhalende nummers van Tom Waits een sterke invloed. Bijvoorbeeld het nummer ‘Franks Wild Years’, waar de verteller aan het eind de zaak in de fik steekt met daarop volgend de zin: ‘Never could stand that dog.’ Dat is prachtig, die compactheid gecombineerd met een twist, dat is wat ik nastreef. Ik maak zelf ook muziekversies van mijn prozagedichten. Ik werk op dit moment aan de cd-versie van mijn eerste bundel Motorman, gecombineerd met nieuw materiaal, die uit gaat komen bij Excelsior.”

Nou ja, toe. Vir jou leesplesier volg Sylvie Marie se gedig “evolutie” hieronder. Dit is die gedig wat sy vir toonsetting voorgelê het.

***

evolutie

omdat ik geen vis meer wou zijn, wierp
ik me ooit uit het water, kreeg benen, ruilde
schubben voor huid en begon met longen
te ademen.

nu kijk ik van op de oever
van het land naar de zee,
onderhandelend met de golven of terugkeren
mogelijk is.

ik wil ook weten wat dat is:
benen die verdwijnen, verschubbende huid
en ademen dat weer happen wordt. wat is dat
krampachtige happen toch goddelijk.

de zee zou de zee niet zijn als ze
mij niet schuimbekkend verwelkomde.
ik heb inderdaad naar adem
gehapt.

(c) Sylvie Marie