Posts Tagged ‘Thomas Möhlmann’

Toon Tellegen se gedig vir New York

Thursday, January 13th, 2011
Toon Tellegen

Toon Tellegen

Met hul laaste uitgawe verlede jaar het Poetry International Web verras met die insluiting van die Nederlandse digter Toon Tellegen se gedig ‘A poem for Henry Hudson‘. Hierdie gedig het hy in opdrag geskryf vir die gala-aand van die herdenkingsfees ter ere van Henry Hudson in 2009. En watter indrukwekkende gedig is dit nie! Nie net is dit ‘n besonder treffende ode aan die stad New York nie, maar die manier waarop Tellegen daarin slaag om die persoonlike en alledaagse belewenisse van die gewone New Yorker met die historiese gegewe te verweef, is myns insiens briljant.

By wyse van aanvulling hou ek graag enkele aanhalings voor uit Thomas Möhlman se inleidende artikel oor Tellegen op Poetry International Web: “Tellegen experiments with human identity, and the poem is the ideal place for reflecting on the subject. This could easily be heavy-handed, except that his poetry stands out for its ligh-hearted, lucid tone and its unphilosophical, indeed extremely evocative, narrative style. Most of the poems are miniature stories, written in free verse that resembles prose but for its line distribution […] Tellegen is a master at projecting emotional states such as fear, helplessness, alienation, surrender, delight in narrative poetry. Strikingly often, he is concerned with disappearance, grief, death. He lets an apple rot slowly, he kills a mosquito, conscious of guilt, he discovers a bull in the china shop of his soul, he watches himself climb a wall on the edge of his thoughts.”

Ten slotte, iets wat Philip Fried, redakteur van The Manhattan Review, oor Toon Tellegen se gedigte gesê het: “Tellegen’s poems are parables for grown-up children. Their world is stripped-down, urgent, playful, quirky, familiar as children’s games yet strangely disorienting. They induce a mini-millennial fever, the disquieting excitement of being about to pass through the needle’s eye.”

Ai, wat ‘n digter … Op ‘n manier herinner sy gedigte ‘n mens aan Tony Hoagland, is dit nie? Nietemin, die gedig waarna hier bo verwys is, volg onder aan vanoggend se Nuuswekker.


Sedert gister is die uwe se fotobeeld tot sy embarrassement geplaas. Gelukkig is daar darem ook nog Philip de Vos se bydrae oor sy vroeë ontdekkings van musiek, plus ‘n nuwe gedig deur Johann Lodewyk Marais om te geniet.

Hê dus pret met dit alles.

Mooi bly.



A poem for Henry Hudson

My father
lay in the arms of my mother,
my brothers entered the room, asked:
‘Are we in your way?’
pulled him to his feet,
gave him a good shaking, shouted:
‘We want to know now! Are we in your way?!’ –
but my father tore himself loose
and vanished in my mother –
philosophers rushed forward, searched for him in vain,
fumbled at the gates of life,
pulled answers out of their hats in desperation

and water fell on the barren heath and between the wild corn,
sparkled in the sun, enticed butterflies, wolves,
carved itself a path through pine forest and birches,
quenched the thirst of Indians, bears and deer,
wondered at the immense silence
                                             of the world all around,
carried death and life and uncertainty along with it,
stumbled into chasms,
seethed with rage and pulled itself together again,
wrestled itself through cracks and crevices,
called out to the tiniest and most timid of brooks:
‘I am a river. Come with me!’
‘Where to?’
‘To the sea!’
‘To the sea?’
‘Yes, to the sea!’
saw the sea
and sighed the way only a river can sigh
                                            out of immortality and melancholy,
nestled itself in the arms of a bay and slept –
until one day – ships sailed by
and the river awoke, opened its mouth wide,
cried: ‘Hudson! You! I have been waiting for you! I knew you would come!’
and Henry Hudson put his telescope to one eye
                                             and called out to his sailors:
‘This is where we are meant to be!
This is the centre of the world.’

I went to the centre of the world,
I wanted to hear Thelonious Monk,
John Coltrane at the Village Vanguard
                                           playing the first notes of ‘My Favourite Things’,
I wanted to go to Minton’s Playhouse on a Monday night
and hear Charlie Parker play ‘I Got Rhythm’, each time in a different key,
I wanted to see the Yankees, witness Casey Stengel come out of the dugout,
hear the Moose call for Moose Skowron,
see Mickey Mantle hit a first pitch into the bleachers –
I would never bet against them –
I wanted to see Roosevelt Grier, Sam Huff, Dick Modzelewski, Jim Katcavage and Andy
standing unshakeable on the goal line in Yankee Stadium,
the Rocky Mountains of my imagination,
I wanted to take the ferry to Staten Island for a nickel
and eat one of Nathan’s foot-long hotdogs on Coney Island,
with chilli, pickles and extra mustard,
I wanted to see the ferris wheel and walk along the boardwalk
like the father and mother of Delmore Schwartz in an irresponsible dream once,
I wanted to be a poet, make girls look at me in wonder,
run their hands through my hair,
wake up beside one of them, one morning, for the first time,
I wanted to walk where Jimmy Walker had walked
                                          at the head of the Police Parade,
I wanted to let him know, my Jimmy, my hero,
that I would still love him in December,
even if it meant trudging through the snow,
I wanted to hear LaGuardia – O Fiorello, how I love you too! –
as he read the daily cartoons on the radio,
I wanted to think:
here Joe Louis, the ‘great brown bomber’, would saunter between two fights,
and here walked Ray Robinson in his sugar-pink coat, a girl on each arm,
I wanted to nod at Jack Dempsey through the window of his restaurant
and slowly, very slowly count to ten, without him noticing,
I wanted to sound a barbaric yawp over the roofs of Brooklyn, like Walt Whitman,
I wanted to close my eyes tight and cheer Lafayette in Fulton Street
and the GIs along Broadway in ’45,
I wanted to be in the centre of the world,
which was once in Voorstraat, at the corner of Asylstraat,
in a small town in Holland,
but had now changed places and was here –
I was just a boy, still wore the wrong clothes,
blushed each time someone asked me a question –
I wanted to see subways ride past, ‘whole cars’, ‘whole trains’
by Dondi, Lee, Rammellzee and Blade,
I wanted to know where e.e. cummings gave his capitals to the garbage man,
where Dutch Schultz drew his final breath with his head in his plate
and where on 15 June 1904 – the day before Bloomsday – the General Slocum went down
with more than a thousand children on board,
the greatest disaster in the ninety-seven years that followed,
I wanted to be here, stay here, far away
and yet nowhere so close

and morning came,
philosophers slept their hermetic sleep,
the sun came up
and my father crawled out of my mother,
became immense, grey and almighty,
stretched out his arms –
my brothers, my millions of brothers,
swarmed at his feet –
and he said:
‘No, you are not in my way.
You are never in my way,’

and my mother wept.


© Toon Tellegen (Vertaal deur Judith Wilkinson)


Edwin Fagel. Möhlmanns Moleskine

Monday, December 13th, 2010



Ineens stond er een nummer van het tijdschrift Raster in mijn boekenkast, nummer 119. ‘Hoe kom ik dáár nu aan,’ dacht ik (misschien zei ik het zelfs wel hardop). Het was twee dagen na de lancering van het tijdschrift op het internet ( – dat vond ik genoeg om bovenaardse inmenging te vermoeden. Ik ken Raster vooral uit mijn studententijd, waar ik het in de Universiteitsbibliotheek vaak las als afwisseling op, of soms ook vervanging van, mijn studieboeken. Maar ik kon me niet herinneren dat ik het ook daadwerkelijk had gekocht.

Ook dit keer was er geen sprake van bovenaardse inmenging. Toen ik het nummer uit de kast pakte om het eens wat nader te bekijken, viel er een papiertje uit. Daar stond een Sinterklaasparodie op van een van de gedichten uit mijn debuutbundel die ongeveer tegelijk met dit nummer van Raster moet zijn verschenen. 

Ik schaamde me. Ik schaamde me ten opzichte van de vriend die me het tijdschrift cadeau had gedaan;  ten opzichte van al die auteurs die hun best hadden gedaan een mooie bijdrage te leveren; ten opzichte van de redactie die haar best had gedaan het toen ongetwijfeld al zieltogende Raster overeind te houden. En om hun zwijgend verwijt te verzachten ben ik het nummer nog dezelfde avond gaan lezen. Raster 119 is een themanummer en draagt als titel ‘Gedicht / Geen gedicht’. De dichters werd gevraagd een gedicht te leveren en daarnaast een andersoortige tekst te leveren: essay, dagboekaantekening, verhalend proza, etc.

De mogelijkheden bleken legio. Ik bladerde en genoot, en bleef vervolgens hangen bij de bijdrage van dichter Thomas Möhlmann. Ik hou er erg van een kijkje te nemen in de keuken van de dichter en Möhlmann had de aantekeningen voor (en aanzetten tot) zijn gedichten overgeschreven en gepubliceerd onder de titel ‘Uit de kleine zwarte dummy: aantekeningen van de afgelopen tijd’.

Een wat gemakzuchtige oplossing, dacht ik eerst. Maar al lezende raakte ik ervan overtuigd dat deze aantekeningen bewerkingen moeten zijn. Als ik ze tenminste vergelijk met wat ik zelf zoal in mijn opschrijfboekjes noteer, zijn Möhlmanns aantekeningen zonder uitzondering interessant. Of hij heeft simpelweg alle onzin er tussenuit gehaald, dat kan natuurlijk ook.

Ten opzichte van de oorspronkelijke lezer van deze Raster had ik het voordeel dat inmiddels de bundel waar deze aantekeningen voor waren bestemd is verschenen (Kranen open uit 2009). Een enkele aantekening herkende ik: ‘Elke koplamp zijn konijn’ heeft het bijvoorbeeld geschopt tot titel van een gedicht. Maar het is opvallender dat voor zover ik zo snel kan nagaan vrijwel geen enkele van deze aantekeningen uiteindelijk in de bundel is opgenomen. Ik snap dat een leuke, maar algemene aantekening als ‘Landbouw is een kalme vorm van jacht’ uiteindelijk niet in een gedicht terecht is gekomen. En een sterke regel als ‘Geknor steeg op naar de hemelen, stilte daalde neer op aarde’ past ook inderdaad niet in de sfeer en toon van Kranen open. Al zou er wel wat voor te zeggen zijn geweest de regels tóch ergens in te passen. Ik hou wel van grillige bundels. Zoals ik ook hou van de grillige, eerste versies van liedjes, de onbeholpenheid ervan. Met het onvermijdelijke schaven gaat er ook veel verloren.

Het duizelt me af en toe te bedenken hoeveel mooie regels nooit in een bundel zullen verschijnen.

Niet lang na het verschijnen van mijn debuutbundel bezocht ik met vrienden een Picassotentoonstelling in het Duitse Münster. Daarna heb ik nog een paar uur in mijn eentje in het stadje rondgezworven, met mijn notitieboekje in de aanslag. Aan het eind van de dag meldde ik mijn vrienden tevreden dat ik alleen nog maar de ideeën die ik die dag had opgeschreven hoefde uit te werken, en dat ik dan de volgende bundel wel weer klaar zou hebben. Zelden heb ik me zo schromelijk vergist.

(Edwin Fagel)