Posts Tagged ‘Toon Tellegen’

Luuk Gruwez. De lezer wordt schrijver (Toon Tellegen).

Sunday, October 23rd, 2011

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

DE LEZER WORDT SCHRIJVER

Toon Tellegen

Toon Tellegen

Er heeft altijd wel wat experimentele filosofie gescholen in de poëzie van Toon Tellegen. Filosofie in negligé, ontdaan van de plechtstatigheid van pak en das. Dit is ook hier weer het geval. ‘Schrijver en lezer’ brengt het relaas van een driehoeksverhouding tussen de schrijver, de lezer en het woord. Het is poëzie over het schrijven zelf, over de grens tussen leven en schrijven en over het spanningsveld van aantrekking en afstoting, identificatie en distantie tussen schrijver en lezer. Met tussen beiden in die vermaledijde woorden, die het hier evenzeer voor het zeggen hebben als de schrijver of de lezer. Want zo zit Tellegens poëzie in mekaar: hij legt een staaf dynamiet onder het vanzelfsprekende gezag van de dichter en laat zijn woorden naar hartenlust rebelleren. Ook al voert hij zijn potentiële alter ego, ‘de schrijver’ genaamd, telkens weer prominent op in de eerste, in het rood afgedrukte regel van bijna alle gedichten. En ook al zorgt Boris Tellegen voor een ascetisch tegenwicht door strak gestapelde kubussen te tekenen bij de meandrische verzen van zijn vader.

Dit kan niet voorkomen dat het met die woorden, gepersonifieerd en voorzien van een eigen willetje, vaak een heel gebakkelei blijft. Zij zijn namelijk te duchten medespelers: ‘er ontstaan vechtpartijen,/ voor- en tegenstanders van onsterfelijkheid gooien met modder/ naar elkaar’. Hoe vaak lezer en schrijver begrip voor elkaar proberen op te brengen, ook tussen hen is het niet altijd rozengeur en maneschijn. Vandaar dat deze bundel zich eveneens laat lezen als het verslag van een machtsstrijd. Daarbij schijnt nu eens de ene partij het te zullen halen, dan weer de andere. De dichter, beladen met schuldgevoel en plichtsbesef, twijfelt intussen zijn gedichten bij elkaar.

Tellegen rebelleert net zo goed zelf tegen de woorden en hun dwingelandij. Hij verzet zich tegen hun eis om neergeschreven te worden, streeft in minstens één gedicht naar een wereld zonder woorden, al beseft hij de vergeefsheid daarvan: ‘De schrijver schrijft:/ ik moet niets,/ maar hij weet dat hij zich vergist (…)’ Schrijven blijft zijn verdomde plicht, omdat hij ‘een kleine, maar significante en duurzame afstand/ tussen hem en de wanhoop moet scheppen – / (…) dat alles moet hij,/ moet hij nu’. Met andere woorden: door te schrijven probeert de schrijver de wanhoop te ontvluchten. Het verschil tussen schrijver en lezer blijkt verderop in dit gedicht dat tussen kunnen en niet kunnen te zijn. De lezer probeert zich op te trekken aan de schrijver, is in eerste instantie volkomen afhankelijk van diens kunnen: ‘de lezer denkt:/ ik kan niets – / hij bloost,/ zijn moeder aait hem zachtjes over zijn hoofd:/ “armoedige jongen van mij…”.’

Niettemin gedraagt diezelfde zich soms vijandig tegenover de schrijver. Misschien net doordat hij niet zonder hem kan. Bovendien blijkt hij door diens verkleefdheid aan woorden besmet. Alleen vindt hierin naar het einde toe een ommekeer plaats. Terwijl de schrijver met toenemende intensiteit naar een wereld zonder woorden streeft (‘waarin mensen geen mensen zijn,/ God geen god is’) en naar een bestaan zonder schrijven, blijkt de lezer het in het slotgedicht van de schrijver over te nemen. Hij eigent zich zijn woorden toe, wordt zelf schrijver en voelt diezelfde pijn, misschien wel de motor van de hele schrijverij.

Simultaan gaat dit gepaard met het verlangen van de schrijver zich van zijn ik te bevrijden binnen een wereld die hem te vaak een leiband omdoet en van hem onophoudelijk engagement en betrokkenheid vereist. De schrijver ‘herinnert zich weer de schoonheid van genade/ en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,/ gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt in het grote, blauwe niets.’ Aan de basis van de wens niet langer te bestaan, ligt vermoeidheid. ‘De schrijver is het schrijven moe,’ lezen wij. En verder: ‘hij wist niet dat woorden zo zwaar konden zijn.’ Hij ziet zich voor het bekende dilemma geplaatst: schrijvenderwijs deelnemen aan de wereld of er juist afstand van nemen. Zijn onvoorwaardelijke trouw aan de woorden richt hem hier letterlijk te gronde: ‘als het donker wordt en de weg langzaam omhoog gaat/ bezwijkt hij/ (…)/ zijn “ja” wordt hem fataal.’

Waar het de schrijver in wezen om gaat, is de definitie van de eigen identiteit. Hoe ziet dat ik eruit, is het nog herkenbaar en hoe maak je het vatbaar voor verbetering? Er is een punt in de bundel waarop hij vaststelt dat hij zichzelf nog amper herkent en zichzelf nooit meer tegenkomt en daar met zijn schrijven verandering in wil brengen. Net dan is niet hij het, maar de lezende lezer die zichzelf herkent. Het wemelt in deze gedichten van wederkerige voornaamwoorden als ‘mijzelf’ en vooral ‘zichzelf’. De schrijver wil op het ene moment zijn eigen ik wel kwijt in het ‘grote, blauwe niets’ dat hem zo lokt , maar op een ander moment staat hij zijn ik niet toe dat het hem ontglipt, precies alsof hij niet goed weet waar zijn voorkeur naar uitgaat: naar bestaan of naar niet bestaan. In deze houding verschilt hij overigens niet van de lezer: ‘weten schrijvers soms niet dat lezers ook wel eens niet/ hadden willen worden geboren?’

Het is dan ook in relatie met de lezer dat de schrijver zich aan de hand van woorden zoekt te definiëren. Dit staat er: ‘Toen de schrijver de wereld had verbeterd/ rustte hij en dacht: wat zal ik nu eens gaan verbeteren? mijzelf? (…) hij dacht langdurig na over zichzelf,/ ontleedde zichzelf/ (…).’ En ook dit: ‘de lezer, (…)/ hoorde hem krassen in zichzelf/ (…) en probeerde begrip voor hem op te brengen.’ Die rustende schrijver roept natuurlijk connotaties met de scheppende God op, die na gedane taak een rustdag invoert. Maar zo overtuigd van de perfectie van zijn schepping als God in al zijn zelfgenoegzaamheid beweert te zijn, is de schrijver nooit, reden waarom hij ten slotte met scheppen moet doorgaan: nooit is het werk af. Het is uiteraard zeer verraderlijk in de schrijver niemand minder dan Toon Tellegen zelf te lezen. De vraag is: doet dit er iets toe? Eigenlijk niet. Zelfs als dat zo is, dan is hier in elk geval iemand aan het woord die afstand doet van zijn particuliere biografie en voor universaliteit opteert.

Er zit doodshunker in deze gedichten, maar net zo goed de wil om te ontkomen. De ‘schrijver’ laat zich motiveren door liefde, maar evengoed vindt hij ‘liefde’ een overbodig woord dat maar best weggegooid kan worden. Deze voortdurende twijfelzucht maakt dat de lezer uiteindelijk veel vrijheid van interpretatie wordt gegund en de dichter zowel naar het niets als naar het leven volgen kan.

 

De schrijver wil niet langer over liefde schrijven –

 

waarom zouden mensen van elkaar houden?

er is daar geen enkele noodzaak toe

 

hij gooit zijn pen weg, klimt op de tafel

en roept:

‘nog niet het begin van een noodzaak is daartoe!’

 

maar telkens als hij niet over liefde schrijft,

wat een enkele keer gebeurt,

opent zich een afgrond voor hem,

net groot genoeg om in te vallen

 

en de lezer komt binnen, ziet hem vallen,

springt hem achterna.

 

 

© Toon Tellegen.

 

 

_______________________

TOON TELLEGEN

Schrijver en lezer

Met tekeningen van Boris Tellegen

Querido, 73 blz., 18,95 euro

 

 

Janita Monna. “Schrijver en lezer” (Toon Tellegen)

Wednesday, August 17th, 2011

 

Er is een opvallende overeenkomst tussen de nieuwe bundel van Willem Jan Otten en de onlangs verschenen bundel Schrijver en lezer van Toon Tellegen: beide verkennen het niemandsland tussen schrijven en lezen. Otten spreekt zijn lezer (en God als grootste lezer) rechtsreeks aan, Tellegen daarentegen voert in bijna ieder gedicht de schrijver en de lezer als personages ten tonele.

Tellegen is een dichter van reeksen, van het projectmatig uitwerken van een onderwerp, en ook deze nieuwe bundel is als zodanig te lezen. Toch leidt die reeksendwang zelden tot eentonige gedichten. Dat komt door zijn eigengereide omgang met de taal. In Tellegens poëzie – overigens ook in zijn dierverhalen en andere werk – kan eigenlijk alles. De vrede kan evengoed in een blauwe jas over straat gaan als dat de krekel zijn reuk kan breken; in zijn gedichten wemelt het van grote woorden als jaloezie, liefde, leven en dood. Die abstracta wekt hij tot leven, hij laat ze verzeild raken in allerhande onverwachte situaties, als waren het personen.

In Schrijver en lezer gunt hij ons een kijkje in zijn keuken en wordt het proces van schrijven onderzocht, vooral de plaats waar schrijver en lezer samenkomen in een fictieve ontmoeting op papier.

Verschillende stadia in het schrijven (de inspiratie, de handeling van het schrijven, de ontvangst, de impasse) komen min of meer chronologisch voorbij. In het openingsgedicht bijvoorbeeld, maakt de schrijver zich op om aan het werk te gaan. Hij houdt een paar (grote) woorden tegen het licht: ‘wroeging’, ‘spielerei’, hij trekt zijn schrijfkloffie aan, zijn ‘dagelijkse ik en mij’,  terwijl bij wijze van hond aan zijn voeten ‘zijn trouwe zelfoverschatting’ ligt. Het vers is een korte scène, zoals Tellegen ze vaker schrijft, en er wordt meteen van alles gezegd over het dichterschap. Dat de dichter zijn ‘ik en mij’ bij wijze van kleren draagt, lijkt weer eens een aansporing om de ik in het gedicht vooral niet te verwarren met Toon Tellegen zelf.

De schrijver zet zich aan zijn taak, omringt door zijn materiaal, de taal en de wereld waarin die taal een plaats heeft. Dat betekent bij Tellegen dat woorden ‘gluren door sleutelgaten,/ luisteren aan deuren’ en aan het eind van de dag (en aan het eind van het gedicht) als verloren schapen worden binnengehaald door de schrijver.  

In zijn groteske gedichten schuurt Tellegen tegen heel wat zaken aan die búiten het gedicht spelen. Zo echoot in de regel ‘de lezer wil de schrijver laten schrijven over onrecht en de onlosmakelijkheid der dingen’, de discussie om meer engagement in de poëzie. Zoals de typering ‘aangrijpend, maar qua toonzetting vooralsnog intrinsiek ontoereikend’ zo uit een recensie geplukt kan zijn. 

De bundel is geïllustreerd met tekeningen van zoon Boris Tellegen. Op één tekening is een mannetje te zien dat is opgebouwd uit blokjes, zittend aan een tafel met een leeg wit vel voor zich. Het is een uitdrukkingsloos mannetje, dat toch iets levends heeft.

Tellegens grote woorden gaan, eenmaal tot levens gewekt, meteen hun eigen gang. Die woorden doen de schrijver worstelen, ze maken dat hij zich gevangen voelt in de taal, én ze kunnen gewelddadig zijn: ‘Huurwoorden sporen de schrijver op’. Ervan overtuigd dat hij helemaal geen schrijver is, gooit hij zich het liefst in ‘de gierput van zijn verbeelding’.

Tegen het eind van de bundel verdwijnt de schrijver langzaam uit beeld, weg van het papier en neemt de lezer zijn plaats in.

Schrijver en lezer poogt in ieder gedicht opnieuw het braakliggende terrein tussen schrijver en lezer in kaart te brengen. Tellegens fantastische logica doet je daarbij van de ene verbazing in de andere tuimelen.

Toch laat deze bundel je onbevredigd achter. De processen die Tellegen beschrijft lazen we van hem al vaker – niet zo sprookjesachtig en grotesk misschien, maar nieuw is het niet. En dan: zijn deze gedichten uiteindelijk wel voor een echte lezer bedoeld? Of is deze exercitie toch vooral poet’s poetry, en zien we een schrijver aan het werk die grip probeert te krijgen op zijn eigen schrijven en de rol van de lezer daarin? 

 

Liefde, wat een woord…

 

de schrijver gooit het weg

met een gebaar van diepzinnige verachting

en de lezer vindt het, onder het raam van de schrijver,

waar hij dagelijks op iets overtolligs wacht,

kan zijn geluk niet op,

koestert het, streelt het,

fluistert:

‘woordje, woordje, als ik jouniet had…’

 

verliest de laatste resten van zijn verstand.

 

 

Toon Tellegen – Schrijver en lezer. Querido. 78 blz. 18,95 euro, isbn 978 90 214 3963 1

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

 

Toon Tellegen se gedig vir New York

Thursday, January 13th, 2011
Toon Tellegen

Toon Tellegen

Met hul laaste uitgawe verlede jaar het Poetry International Web verras met die insluiting van die Nederlandse digter Toon Tellegen se gedig ‘A poem for Henry Hudson‘. Hierdie gedig het hy in opdrag geskryf vir die gala-aand van die herdenkingsfees ter ere van Henry Hudson in 2009. En watter indrukwekkende gedig is dit nie! Nie net is dit ‘n besonder treffende ode aan die stad New York nie, maar die manier waarop Tellegen daarin slaag om die persoonlike en alledaagse belewenisse van die gewone New Yorker met die historiese gegewe te verweef, is myns insiens briljant.

By wyse van aanvulling hou ek graag enkele aanhalings voor uit Thomas Möhlman se inleidende artikel oor Tellegen op Poetry International Web: “Tellegen experiments with human identity, and the poem is the ideal place for reflecting on the subject. This could easily be heavy-handed, except that his poetry stands out for its ligh-hearted, lucid tone and its unphilosophical, indeed extremely evocative, narrative style. Most of the poems are miniature stories, written in free verse that resembles prose but for its line distribution […] Tellegen is a master at projecting emotional states such as fear, helplessness, alienation, surrender, delight in narrative poetry. Strikingly often, he is concerned with disappearance, grief, death. He lets an apple rot slowly, he kills a mosquito, conscious of guilt, he discovers a bull in the china shop of his soul, he watches himself climb a wall on the edge of his thoughts.”

Ten slotte, iets wat Philip Fried, redakteur van The Manhattan Review, oor Toon Tellegen se gedigte gesê het: “Tellegen’s poems are parables for grown-up children. Their world is stripped-down, urgent, playful, quirky, familiar as children’s games yet strangely disorienting. They induce a mini-millennial fever, the disquieting excitement of being about to pass through the needle’s eye.”

Ai, wat ‘n digter … Op ‘n manier herinner sy gedigte ‘n mens aan Tony Hoagland, is dit nie? Nietemin, die gedig waarna hier bo verwys is, volg onder aan vanoggend se Nuuswekker.

***

Sedert gister is die uwe se fotobeeld tot sy embarrassement geplaas. Gelukkig is daar darem ook nog Philip de Vos se bydrae oor sy vroeë ontdekkings van musiek, plus ‘n nuwe gedig deur Johann Lodewyk Marais om te geniet.

Hê dus pret met dit alles.

Mooi bly.

LE

 

A poem for Henry Hudson

My father
lay in the arms of my mother,
my brothers entered the room, asked:
‘Are we in your way?’
pulled him to his feet,
gave him a good shaking, shouted:
‘We want to know now! Are we in your way?!’ –
but my father tore himself loose
and vanished in my mother –
philosophers rushed forward, searched for him in vain,
fumbled at the gates of life,
pulled answers out of their hats in desperation

and water fell on the barren heath and between the wild corn,
sparkled in the sun, enticed butterflies, wolves,
carved itself a path through pine forest and birches,
quenched the thirst of Indians, bears and deer,
wondered at the immense silence
                                             of the world all around,
carried death and life and uncertainty along with it,
stumbled into chasms,
seethed with rage and pulled itself together again,
wrestled itself through cracks and crevices,
called out to the tiniest and most timid of brooks:
‘I am a river. Come with me!’
‘Where to?’
‘To the sea!’
‘To the sea?’
‘Yes, to the sea!’
saw the sea
and sighed the way only a river can sigh
                                            out of immortality and melancholy,
nestled itself in the arms of a bay and slept –
until one day – ships sailed by
and the river awoke, opened its mouth wide,
cried: ‘Hudson! You! I have been waiting for you! I knew you would come!’
and Henry Hudson put his telescope to one eye
                                             and called out to his sailors:
‘This is where we are meant to be!
This is the centre of the world.’

I went to the centre of the world,
I wanted to hear Thelonious Monk,
John Coltrane at the Village Vanguard
                                           playing the first notes of ‘My Favourite Things’,
I wanted to go to Minton’s Playhouse on a Monday night
and hear Charlie Parker play ‘I Got Rhythm’, each time in a different key,
I wanted to see the Yankees, witness Casey Stengel come out of the dugout,
hear the Moose call for Moose Skowron,
see Mickey Mantle hit a first pitch into the bleachers –
I would never bet against them –
I wanted to see Roosevelt Grier, Sam Huff, Dick Modzelewski, Jim Katcavage and Andy
Robustelli
standing unshakeable on the goal line in Yankee Stadium,
the Rocky Mountains of my imagination,
I wanted to take the ferry to Staten Island for a nickel
and eat one of Nathan’s foot-long hotdogs on Coney Island,
with chilli, pickles and extra mustard,
I wanted to see the ferris wheel and walk along the boardwalk
like the father and mother of Delmore Schwartz in an irresponsible dream once,
I wanted to be a poet, make girls look at me in wonder,
run their hands through my hair,
wake up beside one of them, one morning, for the first time,
I wanted to walk where Jimmy Walker had walked
                                          at the head of the Police Parade,
I wanted to let him know, my Jimmy, my hero,
that I would still love him in December,
even if it meant trudging through the snow,
I wanted to hear LaGuardia – O Fiorello, how I love you too! –
as he read the daily cartoons on the radio,
I wanted to think:
here Joe Louis, the ‘great brown bomber’, would saunter between two fights,
and here walked Ray Robinson in his sugar-pink coat, a girl on each arm,
I wanted to nod at Jack Dempsey through the window of his restaurant
and slowly, very slowly count to ten, without him noticing,
I wanted to sound a barbaric yawp over the roofs of Brooklyn, like Walt Whitman,
I wanted to close my eyes tight and cheer Lafayette in Fulton Street
and the GIs along Broadway in ’45,
I wanted to be in the centre of the world,
which was once in Voorstraat, at the corner of Asylstraat,
in a small town in Holland,
but had now changed places and was here –
I was just a boy, still wore the wrong clothes,
blushed each time someone asked me a question –
I wanted to see subways ride past, ‘whole cars’, ‘whole trains’
by Dondi, Lee, Rammellzee and Blade,
I wanted to know where e.e. cummings gave his capitals to the garbage man,
where Dutch Schultz drew his final breath with his head in his plate
and where on 15 June 1904 – the day before Bloomsday – the General Slocum went down
with more than a thousand children on board,
the greatest disaster in the ninety-seven years that followed,
I wanted to be here, stay here, far away
and yet nowhere so close

and morning came,
philosophers slept their hermetic sleep,
the sun came up
and my father crawled out of my mother,
became immense, grey and almighty,
stretched out his arms –
my brothers, my millions of brothers,
swarmed at his feet –
and he said:
‘No, you are not in my way.
You are never in my way,’

and my mother wept.

 

© Toon Tellegen (Vertaal deur Judith Wilkinson)

 

Erik Lindner. Vechten met een engel

Friday, June 4th, 2010
Toon Tellegen

Toon Tellegen

De poëzie van Toon Tellegen vormt een minimalistisch theater. Zijn gedichten lijken zich op een podium te bevinden. Daar staan twee figuren, een man en een engel. Af en toe is er een klein atribuut, een lichtflits, of klinkt er geroffel. Soms zijn er meer figuranten, maar ze beelden in principe hetzelfde uit. De engel wil met de man vechten. Dat is de hoofdzaak. Bijzaken zijn abstracties: ‘schaamte en vergeefse moeite woeien op / en verspreiden zich als stof / over de grijze aarde.’ Het maakt Toon Tellegen een tovenaar, die materie maakt van emotie.

De bundel met de fraaie titel Stof dat als een meisje groepeert de gedichten rond de engel en de man, waarvan Tellegen er een aantal eerder publiceerde. Ze verschenen in de bibliofiele uitgave Een man en een engel bij Herik en in de gedichtendagbundel Kruis en munt. De bundel heeft een uitgekiende volgorde die tot een apotheose leidt: over ieder gedicht valt iets te zeggen. Tellegen blijft met al zijn minimalisme gevoelig, zie de derde regel van het volgende gedicht: ‘Een man had tranen in zijn ogen, / wist niet waarom / (wist zelden of nooit waarom)’. Even denk je dat de engelen bij hem vrouwen zijn en de man niet de mens in het algemeen maar daadwerkelijk de man. Maar dat is niet zo, blijkt gaandeweg uit de bundel. Het kale decor is mythisch: man en engel dansen samen ‘in de verregaande stilte van ergens / waar het nergens was’. De gedichten hebben spanning, verticaliteit: ze bewandelen een heldere lijn van begin tot eind. En zijn wijsheid is haast komisch:

 

eens, bijtend op zijn verschrikkelijke nagels

zag God dat het goed was,

maar niet eerlijk

 

de man keek op

en de engel sloeg hem neer.

 

Even zou je denken dat Toon Tellegen een klein palet heeft. Een man slaapt ‘onder een dunne deken van verachting en overmoed’. Weer die abstracties! Maar wat hij ermee doet is roekeloos en weergaloos. In wezen zijn de gedichten metafysisch. De engel geeft de man vrede en geluk en de man zegt: ‘ik geloof je niet’. Het zijn ideeën, uitprobeersels experimenten. Het is alsof de dichter 54 keer zijn man en engel opvoert, alsof het een soort dierproeven zijn. De man vechtend met de engel ‘verklaarde de smoezeligheid’ van het bestaan van passanten. De omstanders worden participanten en de hoofdrolspelers druipen af. Maar niet voor lang. De man zegt dat hij zelf de engel is – maar het lukt hem niet hem na te vliegen.

 

Een man was alleen,

de tijd verstreek

en de man fluisterde:

engel, waarom heb je met me te doen…

waarom troost je me en praat je me altijd moed in…

waarom vergeet je me niet…

 

en een engel verscheen,

zag de man,

tilde hem voorzichtig op,

streelde hem, wiegde hem, fluisterde:

nu vergeet ik je, nu.

 

Af en toe neigt het naar slapstick. De engel wordt kleiner dan een stofje, de man kan hem niet meer vinden en bam! daar slaat de engel de man neer. Ieder gedicht is een kleine parabel. De gebeurtenissen gebeuren ‘niet noodzakelijkerwijs in die volgorde’. Voorbijgangers verlustigen zich aan de schoonheid van het gevecht. In het ene gedicht is de engel het geweten van de man. In het volgende is hij zijn engel des doods. Dan weer is de engel het innerlijk van de man. Alles wat de man zegt dat hij niet kan, kan hij wel, behalve het gevecht verliezen. Soms is het vechten een metafoor voor het denken dat de man constant blijft doen: ik vecht ergens mee. En dat maakt van veel gedichten een perpetuum mobile: eeuwig vechten man en engel met elkaar. Verlaat de engel de man, dan raakt die verpletterd door een neerdwarrelend blad. Of waait hij zelf weg, omdat de engel hem niet meer vasthoudt.

De man vraagt van de engel hem dingen voor te doen: kermen, smeken, sterven. En als de engel dan ook daadwerkelijk sterft, huilt de man. Even lijkt het helemaal geen dichtbundel meer, maar een krachtmeting, een optelsom van gevechten, een bokswedstrijd waarin elk gedicht een ronde is die het beste de strijd wil weergeven. De man draagt alle leed van de wereld en breekt zijn rug. Een man wordt zo nietig dat hij over een afgrond heen kan vliegen. De engel wordt voorgesteld als soldaat die op de oorlogstrompet blaast. Het lijken taferelen van de mens, door engelen uitgebeeld. De engelen zijn overal en ongezien in het dagelijks leven. De mantraregel ‘en de engel sloeg hem neer’ die de hele bundel lang herhaalt wordt, gaat nooit vervelen, blijft betekenisvol.

Halverwege de bundel zegt de man tegen de engel ‘dat ik je elke keer weer helemaal van voren af aan / opnieuw moet verzinnen.’ Dan verbergt hij zich voor de engel, dan weer is de engel de verzorger. De man ‘sloeg tot hij niet meer kon / en de leegte zich om hem sloot / en hem langzaam wurgde’. Hij kijkt in de spiegel en vindt zich op de engel lijken – maar ook dan slaat de engel hem neer. Zijn die engelen dan toch niet gewoon mensen? Als de passanten het gevecht hebben gezien en doorlopen, noemen ze het een vergissing, een zinspiegeling, ze zijn ‘slaven van hun verbeelding’. Maar ook zij gaan eraan, ooit. Alleen een vallende, van zijn troon stortende koning wordt door de engelen met rust gelaten. De engel kleineert de man. De engel laat de man, als die niet in hem gelooft, los met ‘verbeten onverschilligheid’. De engel censureert de man, slaat hem neer en weerhoudt hem opmerkingen te maken. Als een man door vragen overmand door een engel wordt aangeraakt en wegwaait, zien kinderen hem ‘dansen / op de stralen / van de ondergaande zon.’

Dan wil de man vallen, valt ook en wordt opgeraapt. ‘ik kom je pijn doen, zei de engel, / ik kom zielsveel van je houden.’ En hij vliegt ‘terug / naar waar hij niet bestond.’ Een man schaamt zich dat hij zich in zijn geweten kan vergissen. Het zijn sketches, stuk voor stuk. Een engel kan een man niet vinden, die is een ‘stofje op een stofje op dat stofje’. Een engel ontkent zijn aanslag op de man en laat hem op de rand van de afgrond leven. Een man die zegt dat er geen engelen bestaan wordt door de vleugels van een engel verstikt. Een engel zoekt naar onmenselijkheid, dat zich telkens voor hem verstopt. De engel laat de man niet met rust, laat hem niet slapen, het is zijn eigen geestelijke verwarring. Doodgaan is niets, zegt de engel en vliegt naar ‘God, / die tot walgens toe dobbelde / en verloor.’ Dat doodgaan dat ‘heeft alle tijd van de wereld’. Dat gaat er bij zitten en ‘alleen nog even wijzen naar het stof dat als een meisje / in het zonlicht tussen de gordijnen danst’.

Dan, in de laatste vier gedichten, is de man de engel. ‘ik spaar en haat mijzelf niet,’ zegt hij en na al het voorgaande is dat geen paradox meer. ‘ik ben de engel, ik ben de man’. En opnieuw vechten ze en verliest de man, ligt op de bodem van een ravijn en ziet de zon ondergaan. Wat een prachtig dichter is Toon Tellegen. Ik vecht met deze bundel zoals een man met zijn engel. En wat een krachtig en aangrijpend leeg toneel.

 

Toon Tellegen. Stof dat als een meisje. Querido, 2009. 64 blz. €16,95

Staatshulp en sulke dinge …

Friday, July 17th, 2009

 

Toon Tellegen

Toon Tellegen

Die Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds het pas bekend gemaak dat die Britse Arts Council 35,000 euro bewillig het ter bevordering van die Nederlandse letterkunde in Groot Brittanje. Dit is die grootste bedrag wat nog ooit vir ’n projek van hierdie aard toegestaan is. Volgens die NLPVF is hierdie buitengewone toekenning volkome geregverdig aangesien soveel soos 5 persent van die Britse boekmark bestaan uit vertaalde Nederlandse tekste. Die projek sal van Augustus vanjaar tot Junie 2010 duur en ’n hele aantal Nederlandse skrywers betrek wat op deurlopende basis by die Britse literêre feeste betrek sal word. Verdermeer sal hulle op gereelde basis besoek bring aan leeskringe en biblioteke . Volgens De Papieren Man is die skrywers wat op dié tydstip betrek word, Tommy Wieringa, Joris Luyendijk, Arnon Grunberg, Geert Mak, Frank Westerman, Cynthia McLeod, Toon Tellegen en Otto de Kat. ’n Mens kan maar net hande klap vir ’n inisiatief van hierdie aard; wat my egter hinder, is die feit dat daar net één digter (Toon Tellegen) te bespeur is onder dié groepie uitverkorenes. En dan wonder ek oor presies wat die kulturele samewerkingsooreenkomste wat ons met bykans al die vernaamste lande ter wêreld het, behels … Ek meen, ons hét immers ‘n ministerie vir Kultuursake, maar ek het nog nooit gehoor of gelees van fondse wat bewillig word vir die bevordering van Suid-Afrikaanse letterkunde in ander lande nie. Wat dóén hulle met die geld wat elke jaar aan hulle bewillig word?!

As toegif hieronder een van Toon Tellegen se kinderverse. En mag al jou vraagtekens hierdie naweek in uitroeptekens verander. Nuuswekker hervat weer Maandag.
Mooi bly.

LE

 

De rivier is bevroren

De rivier is bevroren op een vaargeul na,
en ver weg schaatst mijn broer
die op mij passen zou.
De lucht is grijs en dicht,
twee eenden zitten in de sneeuw
en lopen voor mij weg.
Ik moet nu eindelijk eens weten of ik verdrinken kan.
Een palingvisser ziet mij gaan
en komt op tijd
of net te vroeg.
Als iedereen weer slaapt roep ik zó hard
dat niemand er wakker van worden zal:
ik wist het wel. Ik wist het wel.

(c) Toon Tellegen

 

 

  •