Posts Tagged ‘Wallace Stevens’

Louis Esterhuizen. Eenvoud en die trefkrag daarvan

Monday, September 3rd, 2012

Op die weblog Slate het Robert Plinsky onlangs ‘n interessante bydrae gelewer oor die skoonheid wat opgesluit lê in onpretensieuse eenvoud. Reeds met sy inleidende betoog maak Plinsky ‘n enorme stelling: “Sometimes, the most plain surfaces demand mastering the most extreme nuances. In a building or a garment, sometimes ornament and elaboration can conceal imperfect seams. Simplicity can demand perfection.” Ook noem hy Wallace Stevens se gedigte “The House Was Quiet and the World Was Calm” en “The Comedian as the Letter C.” as voorbeelde van gedigte wat in hul “plainness or simplicity” deel uitmaak van ‘n “satisfying range”. Mmmm …

Dit is egter wanneer hy hierna uitgebreid begin skryf oor Anne Bradstreet (foto) wat hy my aandag vasvang; veral omrede Bradstreet Amerika se heel eerste vrouedigter was wat in Engels geskryf het en myns insiens haar tydgenote elders in die wêreld ietwat oorskadu het … (Bedoelende vrouedigters, uiteraard.) Bradstreet is in 1612 in Engeland gebore, maar het kort hierna saam met haar familie na Massachusetts verhuis waar sy in in 1672 gesterf het. (‘n Tydgenoot van John Milton, dus.)

Nietemin – Plinsky beskryf Bradstreet se digkuns soos volg: “Her work is plain in a way that might tempt some readers to condescension, but she knew the Latin poets and writes fluently within the conventions she chose, reaching considerable intensity of emotion and idea. Sometimes, her poems enter the interesting zone where plain truth testifies to the strange extremes of life itself.”

Die gedig wat hy as toonbeeld hiervan uitsonder is die gedig “Before the Birth of One of Her Children“. Hiervan sê Plinsky die volgende: “The poem proceeds from dignified, slightly stiff acknowledgements of the great, generic truths of mortality. The application of those truths to the risks of childbirth in the 17th century gains force from the poet’s quiet, in a way pragmatic manner of dealing with the known and the unknown. And her poem ends with a striking, frank imagination of loss. In 14 well-turned couplets, Bradstreet goes from the general, traditional wisdom of her first line to the immediacy of tears and paper.”

Vanoggend dan twee gedigte: Wallace Stevens se “The House Was Quiet And The World Was Calm, gevolg deur Anne Bradstreet se “Before the Birth of One of Her Children“.

Geniet dit.

***

The House Was Quiet And The World Was Calm

The house was quiet and the world was calm.
The reader became the book; and summer night

Was like the conscious being of the book.
The house was quiet and the world was calm.

The words were spoken as if there was no book,
Except that the reader leaned above the page,

Wanted to lean, wanted much to be
The scholar to whom his book is true, to whom

The summer night is like a perfection of thought.
The house was quiet because it had to be.

The quiet was part of the meaning, part of the mind:
The access of perfection to the page.

And the world was calm. The truth in a calm world,
In which there is no other meaning, itself

Is calm, itself is summer and night, itself
Is the reader leaning late and reading there.

© Wallace Stevens

***

Before the Birth of One of Her Children

All things within this fading world hath end,
Adversity doth still our joys attend;
No ties so strong, no friends so dear and sweet,
But with death’s parting blow are sure to meet.
The sentence past is most irrevocable,
A common thing, yet oh, inevitable.
How soon, my Dear, death may my steps attend,
How soon’t may be thy lot to lose thy friend,
We both are ignorant, yet love bids me
These farewell lines to recommend to thee,
That when the knot’s untied that made us one,
I may seem thine, who in effect am none.
And if I see not half my days that’s due,
What nature would, God grant to yours and you;
The many faults that well you know I have
Let be interred in my oblivious grave;
If any worth or virtue were in me,
Let that live freshly in thy memory
And when thou feel’st no grief, as I no harmes,
Yet love thy dead, who long lay in thine arms,
And when thy loss shall be repaid with gains
Look to my little babes, my dear remains.
And if thou love thyself, or loved’st me,
These O protect from stepdame’s injury.
And if chance to thine eyes shall bring this verse,
With some sad sighs honor my absent hearse;
And kiss this paper for thy dear love’s sake,
Who with salt tears this last farewell did take.

 Anne Bradstreet (1612 – 1672)

 

 

Astrid Lampe. Poëzie en troost

Saturday, August 28th, 2010

Theorie

Ik ben wat mij omringd

Vrouwen begrijpen dit

Men is geen hertogin

Op honderd meter van een rijtuig

Dus dit zijn portretten:

Een zwarte vestibule

Een hoog bed beschut door gordijnen

Dit zijn slechts voorbeelden

(Wallace Stevens

Vertaling Peter Nijmeijer)

GELEGENHEIDSGEDICHTEN

Het zal ook heus geen must zijn maar nu ik in de rouw ben kan ik absoluut geen troostpoezie verdragen. Net zoals je je niet echt lekker kan inlezen waar het de dood aangaat. Be prepared dacht ik steeds. Maar dat beleden we hardop samen al zovaak dus daar had de geliefde beslist niet eerst voor dood hoeven gaan. F’k! Vóór zijn dood en aan zijn bed kon ik lezen, nu kan ik dat alleen mondjesmaat. Buiten mijn discipline en gezonde onhebbelijkheden is het trouwens alsof ik alles opnieuw moet leren. Ook wist Ik niet dat sterven zo’n bevalling was. En dat de wereld na zijn dood weer maagd werd maar dan zonder de (gecultiveerde) onschuldige uitstraling. Het enige wat ik goed snap en verdraag is een leeg beeldscherm. Het lichtend wit, doet me sterk denken aan die ene hamerende quote uit het Tibetaanse dodenboek (mijn ‘Edelgeborene’ had liever niet dat ik het las in zijn bijzijn): het van aangezicht tot aangezicht plaatsen.

Hoe vaak ik ook zei, literaire belangstelling, hij vervloekte het. De Tau mocht wel. En voor nu waarschijnlijk ook best een troostgedicht, als het aan hem lag… Nee, dán ga je pas dood! (had ik gezegd).

Je wordt er rustig van, denk ik nu, Wallace Stevens lezen, aan deze still werken. Hoe zwaar rouw ook naar zwart neigt, zonder de poëtische pleisters biedt dit me de troost. Een helder hoofd.

Praktijk

op nog geen meter van het hoge bed

vrouwen

beschut door gordijnen

(voorbeelden?)

wat mij omringd

honderd studies van een rijtuig

de hertogin begrijpt dit

in theorie dus: zwart

slechts een verlichte vestibule

(still Astrid Lampe)

Wallace Stevens oor komplekse poësie

Tuesday, October 13th, 2009
Wallace Stevens

Wallace Stevens

In sy laaste blog-inskrywing aktiveer Johann Lodewyk Marais weer een van die vroegste gesprekke wat op hierdie webblad gevoer is, naamlik die tweespalt tussen toeganklike poësie en “moeilike” poësie. Is ons Afrikaanse digkuns té moeilik vir haar lesers, vra hy. Ook Bernard Odendaal het in ‘n vroeëre blog hieroor geskryf in reaksie op Jaybee Roux se gewraakte opmerkings in Die Volksblad. Daarom dat ek my oë op ‘n spits getrek het toe ek op Edward Byrne se weblog One Poet’s Notes sy inskrywing oor Wallace Stevens se korrespondensie te lese kry. Inderdaad is Wallace Stevens seker een van die mees begaafde digters wat ooit sy hand aan die woordploeg geslaan het, en saam met TS Eliot en ander tydgenootlike digters, iemand wat telkens weens sy “komplekse poësie” gekritiseer is.

Daarom wil ek vanoggend graag die volgende twee aanhalings uit Wallace Stevens se korrespondensie met jou deel:

Oor verbeelding: “When a poet makes his imagination the imagination of other people, he does so by making them see the world through his eyes. Most modern activity is the undoing of that very job. The world has been painted; most modern activity is getting rid of the paint to get at the world itself. Powerful integrations of the imagination are difficult to get away from.”

Oor kompleksiteit in die poësie: “Sometimes, when I am writing a thing, it is complete in my own mind; I write it in my own way and don’t care what happens. I don’t mean to say that I am deliberately obscure, but I do mean to say that, when the thing has been put down and is complete to my own way of thinking, I let it go. After all, if the thing is really there, the reader gets it. He may not get it at once, but, if he is sufficiently interested, he invariably gets it. A man who wrote with the idea of being deliberately obscure would be an imposter. But that is not the same thing as a man who allows a difficult thing to remain difficult because, if he explained it, it would, to his way of thinking, destroy it.”

***

Nuwe plasings op die webblad vanoggend is ‘n artikel deur Deon Knobel oor sy broer, Wilhelm Knobel, se politieke gedigte; asook twee nuwe verse deur Hennie Aucamp. Nog iets waarvan beslis kennis geneem moet word, is die verskyning van Piemp, ‘n selfpublikasie deur jong skrywers van Scottsville. In die Brieweboks is daar ‘n brief wat van Thérèse Hulme, samesteller van dié bloemlesing, ontvang is. Nog ‘n inligtingstuk is by Publikasies geplaas. Dan het Jelleke Wierenga ‘n brief op LitNet geplaas na aanleiding van die gesprek wat gevolg het op Bernard Odendaal se resensie van haar bundel, Bloot mens, en toe op LitNet voortgesit is. In dié brief maak sy ‘n aantal opmerkings rakende resensies en die ervaring daarvan deur die betrokke digter. Gaan lees dit gerus op SêNet. En moenie vergeet nie – vanaand om 22:00 is dit weer tyd vir Vers & Klank op RSG. Carina Stander gaan verse uit haar nuutste digbundel, woud van nege en negentig vlerke voorlees.

Ter afsluiting, ‘n toepaslike aanhaling; iets wat Carl Sandburg gesê het: “Poetry is a spot about half-way between where you listen and where you wonder what it was you heard.”

Met as toegif – natúúrlik, ‘n gedig deur Wallace Stevens …

Mooi bly.

LE

Of Modern Poetry

The poem of the mind in the act of finding
What will suffice. It has not always had
To find: the scene was set; it repeated what
Was in the script.
Then the theatre was changed
To something else. Its past was a souvenir.

It has to be living, to learn the speech of the place.
It has to face the men of the time and to meet
The women of the time. It has to think about war
And it has to find what will suffice. It has
To construct a new stage. It has to be on that stage,
And, like an insatiable actor, slowly and
With meditation, speak words that in the ear,
In the delicatest ear of the mind, repeat,
Exactly, that which it wants to hear, at the sound
Of which, an invisible audience listens,
Not to the play, but to itself, expressed
In an emotion as of two people, as of two
Emotions becoming one. The actor is
A metaphysician in the dark, twanging
An instrument, twanging a wiry string that gives
Sounds passing through sudden rightnesses, wholly
Containing the mind, below which it cannot descend,
Beyond which it has no will to rise.
It must
Be the finding of a satisfaction, and may
Be of a man skating, a woman dancing, a woman
Combing. The poem of the act of the mind.

(c) Wallace Stevens

  •