Posts Tagged ‘Willem Jan Otten’

Janita Monna. Willem Jan Otten

Tuesday, July 26th, 2011

 

 

In de vorige bundel van Willem Jan Otten, Welkom, werd de lezer – de titel zei het al – uitgenodigd binnen te treden in zijn wereld en deelgenoot te worden van zijn zoekende gedachten over geboorte, leven, dood en geloof.

Anders is dat in de recent verschenen Gerichte gedichten, daarin is Otten vooral in gesprek met God, met zichzelf en met zijn eigen werk. Al is de aangesprokene een ‘u’, kleine letter, waardoor de lezer zich niet buitengesloten hoeft te voelen.

Wie Ottens werk in de afgelopen jaren gevolgd heeft weet dat zijn bekering tot het katholieke geloof daarin een steeds grotere plaats in is gaan nemen. In eerdere gedichten schemerde nog enige twijfel door, en werd met woorden als ‘Zo u bestaat’ nog een zeker voorbehoud gemaakt.

Die twijfel is er niet meer. Deze Gerichte gedichten zijn belijdenisgedichten van een dichter die ‘ja’ gezegd heeft tegen het geloof, tegen God, zonder dat die daarmee overigens kenbaar is geworden: ‘Hoeveel weet ik van u’, is te lezen in een gedicht dat in z’n geheel ook in Welkom stond.

Dat ‘ja’ zeggen is als ingaan op de wens van een vrouw die een kind wil. Conceptie, ontvangen en vrucht dragen spelen in vele betekenissen een rol: het in de kiem aanwezig zijn van leven, van geloof, van poëzie. Dat kan jubelend klinken, zoals in het steeds herhaalde ‘Draagt vrucht’. Het is aangrijpend in de verzen over de eerste bevruchting en het dochtertje dat dood ter wereld komt. ‘Sterven is een heel groot woord,/ voor cherubijntje dood.’ Rampspoed die al voor de conceptie geopenbaard leek te zijn in een leeg kinderfietsstoeltje.

Het is of Otten in deze moderne belijdenissen zijn nieuwe vorm heeft gevonden. Via de poëzie spreekt de dichter met God – en met zijn lezer – zijn schrijven is als een opdracht:

 

U hebt mij gesneden

naar uw stilte. Waarom mij dan niet stom,

maar juist van almaar taal gemaakt?

 

Hij doorbreekt de stilte met mummelende taal die een zekere gedragenheid en rust kent die aan Nijhoff doet herinneren, naar wie op veel plaatsen wordt verwezen. Het zijn gedichten in kort afgebroken regels, ergens wel ‘mijn dagelijks rag/ van brekende zinnen’ genoemd, nu eens vragend, dan berustend of constaterend. De dichter blijft dicht bij het dagelijkse. Een telefoongesprek met zijn oude moeder dat wordt verstoord door een overvliegende Boeing, een uitje met zijn oude vader die nog eenmaal het fragiele jongenskopje van Jan Mankes – ooit familiebezit – wil zien. En in die dagelijksheid is God een allengs vanzelfsprekender aanwezigheid, een die zich op vele manieren toont. Als vader en zoon op weg terug van het museum worden overvallen door slecht weer lezen we:

‘Moest me concentreren op de weg/ want er brak een noodweer uit/ u was bepaald op dreef’.

Deze Gerichte gedichten leggen rekenschap af van een persoonlijke geloofsbeleving – één die op momenten als bovenstaande ook een zeker animistisch element heeft. Er spreekt geen bekeringsdrang uit. Al had ik moeite met een gedicht als dat over oom Rob Ferguson. Die zat als kind met zijn moeder in een Jappenkamp. Op zeker moment moesten jongens van elf het vrouwenkamp verlaten. De jonge, toen dertienjarige Rob kruipt bij zijn moeder op de brits, en bidt samen met haar. ‘Er was in de familie nooit gebeden/ toch wilde Rob uw woorden weten.’ Als de jongen later het kamp wordt uitgereden in een vrachtwagen, prevelt hij. Hij overleeft. Wil Otten hier naïef, en enigszins zalvend zeggen: bid en het zal goed komen? Of is het de taal en de kracht daarvan die vertrouwen moet schenken?

En wie is er in het laatste vers aan het woord? God die de dichter met zijn laptop op schoot ziet schrijven, zittend in de duinen? Of de dichter die God als zijn evenbeeld ziet? Of is dit uiteindelijk het beeld dat de lezer van de dichter heeft?

Die dubbelzinnigheid houdt Otten in stand. En de lezer kan zich aangesproken voelen, of toeschouwer blijven.

Een eik van duizend jaar maar één keer wortel schiet.

 

U kon niet ongedaan gedacht,

wel gemeden als een ziekte,

verraden als een huidskleur,

ontwend als een sigaret.

 

Wind heeft ons niet verlaten

als geen blad beweegt.

 

Ook als heel de slobberende dromedaris is gelest

bestaat de dorst.

Men kwam per leven één keer uit op u, één keer.

Willem Jan Otten – Gerichte gedichten. Van Oorschot. 14,50 euro, 56 blz. isbn 9789028241732

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ‘n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)

 

 

  •