Posts Tagged ‘Willem van Toorn’

Luuk Gruwez. Levendige doden

Saturday, November 30th, 2013

 

Luuk Gruwez. Levendige doden

 

Weinig doden zijn zo levendig als die van Willem van Toorn. Herman de Coninck, Hans Faverey, Cor Jellema, Adriaan Roland Holst, Guillaume van der Graft en Stephen Watson: zo heten de collega’s voor wie hij in zijn jongste bundel een in memoriam schrijft. Maar ook de oorlogsdoden van de Berry, de landstreek in Frankrijk waar hij woonachtig is, memoreert hij. En familieleden: een zuster, een broer, twee schoonzusters. Bij uitbreiding eigenlijk ‘alle zielen die onze troost behoeven / omdat ze zonder woning zijn.’ Al die doden krijgen een onderkomen in taal. Meer dan een memento mori of een ars moriendi is een dichtbundel als ‘Bezweringen’ evenwel een aanmaning om toch vooral te leven. Uitgerekend het besef dat er voor iedereen een einde is voorzien, leidt hiertoe. En de gulzigheid waarmee de dichter voor het leven kiest, sluit dat doodsbesef allerminst uit. ‘Dodendans’ is de titel van de eerste cyclus: daar wordt in vier gedichten een beeld geschetst van het Duitse klooster van Bentlage in de herfst. De laatste cyclus met als slot een gedicht over een (alweer) Duits voorjaar heet ‘Naar het leven’. Hiertussen, tussen dodendans en levenshunker, tussen Duitse herfst en een Duitse lente, zopas uit een diepe winter ontwaakt, spelen alle verzen zich af.

Het lijkt wel alsof de definitieve bekering tot het leven maar goed mogelijk wordt nadat de dood eerst bezworen is. En bezweren doet Van Toorn met toewijding en empathie. De meeste mensen zijn randfiguren in andermans leven. Soms willen zij dit zelf ook zijn, zoals Wil, zijn schoonzus. Maar deze dichter weet zijn doden zo neer te zetten dat zij alvast in zijn eigen leven een kapitale rol toebedeeld krijgen. Voor elk van hen richt hij een monument op dat hen aanwezigheid verschaft. Hij geeft ze een stem, waarna ze verdomd veel lawaai kunnen maken. In ‘Amstelpark met gezelschap’ voert hij ze op ‘zo dood als een pier, / maar luid als een vrolijke schoolreis.’ Plaats van de reünie: zijn hoofd. Zolang zij daarin mogen verblijven, blijven zij ook bestaan: ‘Ik stel niemand voor, jullie kennen / elkaar uit dat hoofd van mij, / mijn doden van plezier.’

Het park waardoor hij met hen wandelt, is de plek waar de natuur bedwongen en begrepen wordt. Zo staat het er: ‘alsof we werkelijk iets / van de dood begrijpen als we lijnen / trekken waarbinnen het grote verdwijnen / draaglijk lijkt.’ Want de ‘zachte vijand natuur’ dient in bedwang te worden gehouden. Pas dan wordt het park waarin de doden zich voortbewegen, een tijdloze stolp, waaronder iemand, net als in een gedicht, voor even van zijn vergankelijkheid kan worden ontdaan. ‘Ga je dan pas echt dood / als ik straks ook omval?’ vraagt de dichter zich af in een in memoriam Herman de Coninck, waarin hij van hem overigens een herkenbaar portret schildert van iemand met altijd ‘die halve glimlach’.

Misschien speelt in de wens om doden te laten verrijzen voor de toch langzaam op leeftijd zijnde dichter ook het streven mee zo stijlvol mogelijk te sterven, zo mooi mogelijk afscheid te nemen. En daar is hij hier alvast meesterlijk in geslaagd. Hij is daarbij niet blind voor de gruwelijke aftakeling waarmee de nakende dood soms gepaard gaat. Getuige zijn gedicht over de historicus Erik Bloemen, een begenadigd spreker, die kanker kreeg, waarna zijn tong half weg werd gesneden en hij ‘alleen  nog  grommen kon als een beest.’ ‘Ik kwam langs.’ schrijft hij, ‘Hij stonk naar de dood. / Kwijl op zijn hemd.Vergeef me, / maar wat helpt het als ik het niet zeg.’  

Anderzijds troosten de doden en de stervenden soms ook de levenden. Zoals de stervende broer Rien, die het volgende stelt: ‘wat maakt het uit, een mens weet toch / zijn leven lang al dat hij dood moet. / Niemand onmisbaar. Mijn tijd is op. / (…) / En jij hebt straks de foto nog.’ Van Toorn weet het moment inderdaad te vatten en het stil te zetten in een gedicht, stiller nog dan een foto. Hij slaagt erin ogenschijnlijk lukrake taferelen en anekdotes te bevriezen en te laten uitstijgen tot iets universeels.

Onvermijdelijk is daarbij de vraag hoe hij tegenover het transcendente of het bovenmaanse staat. Welnu, hoewel hij ongelovig is, voert hij toch goden op, maar dan als een soort fantasiewezens met metaforische lading. Hij laat ze ‘uit de losse pols’ bepalen wanneer iemands levensdraad dient doorgeknipt. Zij mogen ‘bezorgd onderzoeken / hoe toch de loterij werkt / van het nooit aflatend sterven.’ Dit is natuurlijk ook wat in deze verzen gebeurt. De dichter ontpopt zich als concurrent van de goden die hij zelf opvoert.

Waarom richt Van Toorn monumenten op? Uit een soort anticipatie op het moment dat hij zelf aan de vergetelheid wordt prijsgegeven? Misschien. Maar allicht ook uit ergernis aan de toenemende vluchtigheid. In een in memoriam Adriaan Roland Holst heeft hij het over het feit dat de eens alom geprezen dichtersvorst gedateerd dreigt te raken ‘in dit land zonder memorie’. Misschien is dít wel zijn ultieme drijfveer: zijn strijd tegen de teloorgang van het geheugen.

___________________________

Willem van Toorn

Bezweringen

uitgeverij Querido, 64 blz., 17,95 euro

 

Brief uit de Berry

 

           in memoriam Cor Jellema, weer

 

Motregen op de tuin vandaag. Je ziet

nauwelijks diepte. De grijze boerderij

van madame H. is in een wolk gehuld.

Middeleeuws landschap, net als daar bij jouw graf.

 

Even ontwaar ik jouw tuin door deze heen.

Je zit achter het huis. Je leest. Ik zie niet wat,

maar wil graag dat het Rilke is: Wie soll

ich meine Seele halten, daβ sie nicht

 

an deine rührt – en dat je dan vooral

aan je geliefde tuinman denkt. Alles is maar gedacht

dus mag dit ook. Dat ik je soms zo mis –

je zachte stem, een zeer precies citaat, je glimlach –

 

als ik hier onder de bomen zit, hoef ik toch niet

te zeggen. Lichter wordt het. Ik zie madame H.

op het pad naar haar moestuin. Honderd haast,

moeizaam en brekelijk, maar ze was er al

 

toen van ons nog geen moeder had gedroomd.

Ik zou niet weten waarom dat mij troost.

 

Willem van Toorn



Bernard Odendaal.Willem van Toorn se digterlike blik op 2 Suid-Afrikaanse skilderye

Friday, March 19th, 2010

Willem van Toorn, doyen van die Nederlandse digkuns, sluit hom na wat verneem word binnekort as blogger aan in die Wisselkaarten-portaal van die Versindaba-webtuiste.

Verlede jaar het Van Toorn, wat oor dekades heen bekendheid verwerf het as onder meer boeiende landskapsdigter, saam met die Vlaming Luuk Gruwez (eweneens ‘n blogger in Wisselkaarten) ‘n besondere bydrae gelewer tot die visuele en woordkunsuitstalling ALLOOI. Ek het in vorige blogbydraes een en ander oor dié uitstalling geskryf wat, behalwe by verlede jaar se eeufeessimposium van die SA Akademie vir Wetenskap en Kuns en die Volksbladkunstefees van 2009, by vanjaar se Woordfees op Stellenbosch te siene was.

Van Toorn, wat Suid-Afrika al meer as een keer besoek het, is genooi om gedigte te skryf na aanleiding van die twee skilderye uit die kunsversameling van die SA Akademie wat hierna vermeld en afgebeeld word. Ek het hom ook voorsien van beskikbare sekondêre materiaal oor die twee skilders, hul oeuvres en die betrokke twee werke.

Die resultaat was “De andere blik”, ‘n reeks van drie gedigte wat nie net met die betrokke skilderye en/of skilders in gesprek tree nie, maar ook met Johann Lodewyk Marais, voorste “groen” digter in Afrikaans.

Van Toorn se landskapgedigte verklap telkens ‘n besef van die meervoudige gelaagdheid van die (deur sowel kultuur- as natuurkragte gevormde) omgewing – asook van die veelvoud van moontlike perspektiewe daarop. So ook hier.

  • Deel I vertolk die blik, déúr die visioenêr-simboliserende raam van Skotnes se werk, van ‘n nog haas onbegrypende, maar verwonderde uit die “geordende” noordelike halfrond (wat Van Wyk Louw die “helder Weste” sou noem) op die “donkere landschap” van “magiese Afrika” (om weer Van Wyk Louw aan te haal). Die stokstertmeerkat-beeld suggereer die versigtigheid én vereenselwiging wat sy verkenning van dié suiderland vol skreiende teenstrydighede kenmerk.
  • In deel II word die perspektief verbeeld van ‘n inheemse blanke wat bewapen én belas is met historiese en wetenskaplike, maar ook digterlike (ge-)wete. Hy is ‘n gekwelde, “verlegen geleerde” wat dus óók ‘n klap weghet van die “helder Weste”, maar ontredderd leer staan het voor die Afrika-geweste wat sig as ‘t ware teen sy blik verset. Hy streef in alle erns om ‘n nuwe, liefde stigtende houding daarteenoor te verwerf, terwyl hy byna naïef bly glo dat “denken / en de zachte kracht van de poëzie” tog nog ‘n deurslaggewende rol hierin te speel het.
  • Dan, in deel III, volg iets teenoorgestelds: ‘n kolonialistiese perspektief. Die gemaksugtige, selfversekerd dominerende, eintlik ewe naïewe houding van die “meester” (kolonialis én kunstenaarsubjek), wat skaars bewus is daarvan dat hy daardeur ‘n buitestander bly. Dit verteenwoordig ‘n blik uit die verlede: “Hoe het toen was.” En dié soort kyk behoort tot daardie verlede. ‘n Nuwe tydvak het onherroeplik aangebreek.

 

De andere blik

  • I. Bij Mountain fastness van Cecil Skotnes
Mountain fastness. Cecil Skotnes
Mountain fastness. Cecil Skotnes

 

 

 

 

 

 

 

  (more…)

Bernard Odendaal. Allooi van woord en beeld

Thursday, July 9th, 2009

ALLOOI

van woord en beeld

Uitstalling: Volksblad-kunstefees, 14-19 Julie 2009

Produksies waarin woord- en toonkuns saamspan, is redelik bekend op Afrikaanse kunstefeeste. Minder algemeen tot dusver was egter produksies waarin tweegesprekke gevoer word tussen beeldende en woordkunswerke.

In opvolging van die visuele en woordkunsuitstalling “Uit die palm van die land” wat tydens die Volksblad-kunstefees van 2008 groot getalle toeskouers gelok het, word ’n soortgelyke uitstalling vir 2009 se fees beplan. Dis geïnisieer deur my en Ben Botma (hoof: Beeldende Kunste aan die Universiteit van die Vrystaat) en die titel daarvan is ALLOOI.

Vanjaar se deelnemende kunstenaars is gevra om indiwidueel en/of in pare (van 1 beeldende kunstenaar en 1 woordkunstenaar elk) telkens 2 nuwe kunswerke te lewer waarin beeld en woord geïntegreerd funksioneer. Laasgenoemde is wat die uitstallingtitel wil aandui. Dit gaan om ’n “samesmelting” van woord en beeld.

Ek hoop om mettertyd visuele materiaal oor die uitstalling op my blog te wys.

Geen riglyne t.o.v. tema, media, styl, en derglike is voorgeskryf nie. Die enigste voorwaarde wat gestel is, is dat elemente van sowel visuele as woordkuns in elke kunswerk moet voorkom. 

Waar net Vrystaatse kunstenaars aan verlede jaar se uitstalling meegewerk het, word die net hierdie keer wyer gespan. Bekende Afrikaanse kunstenaars uit ander dele van die land, asook twee digters uit België en Nederland, het ingestem om mee te werk.

Een van hulle is Ingrid Winterbach. Sy is al herhaaldelik vir haar Afrikaanse romans bekroon, maar is ook as beeldende kunstenaar werksaam. Dieselfde geld vir Carina Stander, ’n opgeleide beeldhouer wat in 2006 met die geprese bundel die vloedbos sal weer vlieg as digter gedebuteer het. Hulle lewer op indiwiduele basis werke waarin woord en beeld “saampraat”. (Een voorbeeld is te sien in ’n onlangse blogbyrae deur Carina op die Versindaba-webwerf hiernaas.)

Die Kaapse digter Danie Marais het drie pryse vir sy debuutdigbundel in die buitenste ruimte gekry, en span met die animasiekunstenaar Diek Grobler saam om twee van die verse daarin visueel voor te stel.

Luuk Gruwez en Willem van Toorn, die een uit België en die ander uit Nederland, het reeds baie louere ingeoes vir hul digwerk. Gruwez munt onder meer as portretdigter uit. Hy is gevra om Nederlandse woordkunsekwivalente daar te stel van twee Suid-Afrikaanse portreskilderye uit die kosbare versameling van die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. Dieselfde uitdaging is aan Van Toorn gestel, maar na aanleiding van twee Suid-Afrikaanse landskapskilderye.

Uit die groep Vrystaters wat verlede jaar met “Uit die palm van die land” vorendag gekom het, het die volgende dié keer as pare saamgewerk: Ben Botma en ek; Markus Steinmann en Hennie van Coller; Pauline Gutter en Jaco Jacobs; Janine Allen en Gilbert Gibson.

My en Ben se werk dra die titel Vlugskrifte uit ’n onverklaarde burgeroorlog. Dit bestaan uit pare selfoonbeelde en –tekste wat oor net 12 onlangse voorvalle van ernstige geweld in die sentrale Vrystaat-streek ‘berig’. Die essensie van koerantberigte is telkens as haikoes in sms-taal vasgelê. So wou ons, d.m.v. die ‘geweld’ van die gedronge vers- en taalvorme, iets vergestalt van die fisiese en psigiese geweldpleging wat mense moes ervaar.

In my gedigtekamer elders op die Versindabawerf is die 14 sms-haikoes te sien wat ek met die oog op die projek geskryf het.

Die uitstalling was reeds te sien tydens die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns se eeufeessimposium op 24-27 Junie 2009 in Bloemfontein (soos Carina reeds op haar blog vertel het). Die moontlikheid bestaan dat die uitstalling na afloop van die Volksblad-kunstefees na Stellenbosch vervoer sal word vir ’n uitstaltydperk by die Universiteit van Stellenbosch.

 

  •