Posts Tagged ‘Yves T’Sjoen’

Yves T’Sjoen. Hergeboorte van Hugo Claus in Zuid-Afrika

Sunday, January 5th, 2020

Hergeboorte van Hugo Claus in Zuid-Afrika

Het verdriet van België in Afrikaanse vertaling

.

Twee jaar geleden publiceerde ik op Versindaba een “korte notitie” over Hugo Claus en Zuid-Afrika (https://versindaba.co.za/2017/09/12/yves-tsjoen-hugo-claus-in-stellenbosch-korte-notitie/#comments). Met behulp van commentaren door Daniel Hugo, Francis Galloway, Jean Meiring en H.C. Ten Berge kon ik enkele literairhistorische puzzelstukken leggen. Claus was eenmalig te gast in Zuid-Afrika, meer bepaald tijdens de Vlaamse Week in Stellenbosch van 16 tot 22 maart 1997. Het evenement is georganiseerd door de Vlaams-Suid-Afrikaanse Kultuurstigting, in samenwerking met de Universiteit van Stellenbosch (https://www.dbnl.org/tekst/_nee003199701_01/_nee003199701_01_0037.php ). In het Zuid-Afrikaanse najaar is in aanwezigheid van de auteur nog eens ’n Bruid in die môre ten tonele gevoerd in het H.B. Thom theater (recent omgedoopt in het Adam Small theater). Initiatiefnemer van de toneelreprise was Temple Hauptfleisch, toenmalig docent van het Drama-departement in Stellenbosch.

De eerste opvoering van ’n Bruid in die môre dateert van de jaren vijftig, naar aanleiding van de vertaling door Jan Rabie van dit vroege toneelstuk van Claus. Rabies vertaling is evenwel ongepubliceerd gebleven. De Nederlandse tekst van Een bruid in de morgen (De Bezige Bij, Amsterdam 1955) circuleerde vermoedelijk vanaf de jaren zestig in Zuid-Afrika. In ieder geval is de tekst medio jaren zeventig voorgeschreven en opgenomen in universiteitscurricula voor Zuid-Afrikaanse studenten. De Nederlandstalige tekst is vervolgens in 1977 opgenomen in de reeks Literatuur van die Lae Lande in het fonds van Human & Rousseau (Pretoria-Kaapstad, Academica). André P. Brink schreef een inleiding bij die uitgave en maakte aantekeningen.

De jonge actrice Wilma Stockenström speelde mee in het toneelgezelschap dat de tekst eerst in Kaapstad en later in Bellville op de planken bracht. De opvoering had plaats in opdracht van The National Theatre Organisation en Nederlands Kamertoneel Antwerpen; ’n Bruid in die môre stond onder de regie van Athol Fugard. De bekende Vlaamse toneelschrijver en theaterregisseur Tone Brulin, directeur van NTO Kamertoneel en bevriend met Hugo Claus al sinds de jaren van de Tijd en Mens-redactie (1949-1955), is vorig jaar in maart overleden. Brulin werkte en woonde een tijdlang in Zuid-Afrika – hij voerde toneelstukken op in Afrikaans en Engels –  tot apartheid het werk onmogelijk maakte.

Vertaling door Daniel Hugo

De aanleiding voor mijn beschouwende tekst was het immense vertaalproject van Daniel Hugo. Al in 2014, in Maandblad Zuid-Afrika, is sprake van het vermetele plan om Claus’ romanesk magnum opus Het verdriet van België (1983) in het Afrikaans te vertalen. Wat aanvankelijk een getuigenis van hybris leek (“[m]y groot ideaal”), is inmiddels gerealiseerd. Eind februari of begin maart 2020 verschijnt bij Protea Boekhuis Die verdriet van België. In de Vertalingendatabase kan worden nagegaan in hoeveel talen Claus’ roman intussen is vertaald (https://letterenfonds.secure.force.com/vertalingendatabase/download?languageCode=en&type=auteurs&query=Hugo%20Claus&id=a08b00000003v1SAAQ). Het is nu voor het eerst dat op het Afrikaanse continent een vertaling is tot stand gekomen.

In mijn “korte notitie” (september 2017) spreek ik een vermoeden uit waarom Hugo het chef d’oeuvre van die andere Hugo al vele jaren heeft willen vertalen. Een maandenlang studieverblijf in Leuven in 1983 en een bewonderende briefje dat de Zuid-Afrikaanse beursstudent naar de Vlaamse meester stuurde, hebben er iets mee te maken. Méér anekdotiek, zoals het radio-interview in 1997 van Daniel Hugo met Hugo Claus, is opgenomen in mijn vorige blog over Claus en Zuid-Afrika.

Na een intens vertaalproces is de meesterproef thans voltooid. Daniel Hugo heeft wel al méér adelbrieven. Voor zijn vertalingen van Sprakeloos (Tom Lanoye) en Oorlog en terpentijn (Stefan Hertmans) ontving hij van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns tweemaal na elkaar de prestigieuze vertaalprijs (https://voertaal.nu/daniel-hugo-vertaler-op-campus-in-gent-en-amsterdam/). De waardering geldt natuurlijk ook Protea Boekhuis dat het aandurft deze canonieke tekst in de naoorlogse Vlaamse literatuur in Zuid-Afrika uit te geven, met productiesteun van Literatuur Vlaanderen (voorheen Vlaams Fonds voor de Letteren). Tegelijk vermeld ik dat de Universiteit Gent het voorrecht genoot Daniel Hugo gedurende twee maanden (oktober-november 2018) op campus te hebben (“vertaler op campus”), waar destijds de eerste stenen zijn gelegd van het vertaalproject. Naast vertaalwerk dat tussendoor kwam aangewaaid (Benno Barnard en Marc Tritsmans).

Onlangs sprak Breyten Breytenbach tijdens het Gents colloquium van het Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika over de vriendschapsrelatie met Remco Campert, Lucebert en Hugo Claus (https://voertaal.nu/breytenbach-colloquium-een-verslag/). Het zal ook voor Breytenbach heel bijzonder zijn de Afrikaanse vertaling van Het verdriet van België in handen te houden. De artistieke en vriendschapsrelatie tussen Breytenbach en Claus verdient beslist nadere beschouwing.

We kunnen nu al aankondigen dat met steun van de Vlaamse Regeringsvertegenwoordiging in Pretoria en Protea Boekhuis een colloquium over Hugo Claus en Zuid-Afrika wordt voorbereid. Aspecten die ik eerder al aanraakte, zullen het onderwerp zijn van een vertaalwetenschappelijke, literairhistorische en theaterwetenschappelijke benadering. Zuid-Afrikaanse letterkundigen worden uitgenodigd over de connectie tussen Claus en Zuid-Afrika te spreken. Momenteel wordt nagegaan of de boekpresentatie kan plaatsvinden bij Unisa (Pretoria) en in de Kaap. Terzelfdertijd bestaat het vaste voornemen in Gent een Claus-studiedag te plannen met aandacht voor prozavertalingen van werk van Claus, onder andere de binnenkort te verschijnen Zuid-Afrikaanse editie. Zowel voor de literatuur(studie) in Nederland en Vlaanderen als de Zuid-Afrikaanse kijk op een icoon van de naoorlogse Vlaamse letteren is deze hernieuwde aandacht voor Claus, ruim tien jaar na zijn overlijden, opmerkelijk. Binnenkort wordt een oproep verspreid voor de colloquia in Zuid-Afrika en in Gent.

Yves T’Sjoen: Lijnenspel in beeld en taal

Tuesday, December 24th, 2019

 

Het multimediale project la pose voilée van de fotograaf Malou Swinnen en Door de handen van Amor van een adem voorzien van de dichter Inge Braeckman doet mij bij een eerste aanblik en lezing denken aan een gedicht van Antjie Krog. In Kleur kom nooit alleen nie verwijst de titel ‘The Particularity of Nakedness’ naar het gelijknamige schilderij van Marlene Dumas. Op het doek is een achterover liggende man te zien, naakt en kwetsbaar. Krog schreef een tekst, een sonnet,  waarin met lichamelijke metaforen het visuele beeld adem wordt gegeven. Ik citeer de slotstrofe: “maar jy lê so sag en weerloos uitgestrek / dat ek vir die eerste keer in jare / kan asemhaal in die bloute van jou nek”. In de vertaling van Robert Dorsman: “maar je ligt zo zacht en weerloos uitgestrekt / dat ik voor het eerst sinds jaren / kan ademhalen in het blauwe van je nek”.

In elf titelloze en genummerde gedichten van Braeckman, gecomponeerd bij de fotoreeks la pose voilée, worden beelden van vrouwelijke naakten en bloemen beademd. De combinatie van diptieken en triptieken – twee naakten en een bloem, twee bloemen en een naakt of de afwisseling van bloem en gevoileerde vrouw – wordt telkens geflankeerd door een gedicht. De eerste gedichten zijn nog klassiek gecomponeerd– drie kwatrijnen respectievelijk vier disticha. Daarna wijkt de dichter af van die vaste versstructuur. De klassieke vorm – kwatrijnen, terzinen, disticha – wordt vanaf gedicht 3 verstoord door een slotregel die helemaal geïsoleerd staat, uit de mal schiet. De ademhaling is niet gelijkmatig; het ritme en de beweging die in de beelden te zien zijn, bepalen de deining van de ademhaling.

Over de fotografie van Malou Swinnen merkt kunsthistorica Ruth Hommelen aan het eind van haar inleidende beschouwing op: “de geportretteerde vrouwen en bloemen [horen samen], […] ze [vullen elkaar aan] en versterken [elkaar]”. En verder: “Malou Swinnen combineerde op basis van een gelijkaardige pose of vorm, textuur of motief, lijnenspel of compositie. Het spanningsveld dat hierdoor ontstaat roept vragen op rond vrouwelijkheid en sensualiteit”. In de coproductie met de hoofdtitel la pose voilée horen naast naakten en bloemen, in een dwingende relatie, ook de gedichten van Braeckman. Ze versterken de fotografische beelden, ze geven zoals gezegd adem. In geen geval zijn de teksten ekfrastische of dus beschrijvende teksten van het beeldmateriaal. Ik heb de reeks gelezen als ritmisch-pulserende monoloog van een ik-verteller die zelf buiten beeld blijft, niet wordt genoemd. Een jij-figuur wordt aangesproken: de geportretteerde vrouw, het beeld van de gesluierde vrouw, de taal zelf. In een sensitief idioom, muzikaal en ritmisch, soms een opeenstapeling van metaforen, worden de foto’s bewasemd, asem gegeven.

Het openingsgedicht is veelzeggend:

 

Naaktheid behoeft geen achtergrond, en geen verklaring.

Hoe anders spreekt het lichaam zonder de verleiding van

het gelaat. Door de handen van Amor van een adem

voorzien – zoals zijn pijlen altijd raak. De muze is om

 

te begeren, in wit- en grijstinten gespannen. De kreet

in het masker gesmoord creëert een pose doorheen

eeuwen. De lijnen van het lichaam als geheugen van

het geleden leven. De fotografische blik schept het

 

naar haar eigen ogen. Venushaar als mededogen

voor wat het innerlijk niet tonen wil. Vruchtpluis

om over de werkelijkheid uit te blazen – de wereld

te bedekken met een wollige laag, even teder als je huid.

 

Ruth Hommelen stelt dat “[d]e afgebeelde vrouwen [van Malou Swinnen] versmelten […] met het portret van een bloem, die de exploratie van vrouwelijkheid verderzetten. Er is in wezen geen verschil in de manier waarop bloemen en vrouwen weergegeven worden”. Vanuit cross-mediaal standpunt gezien, de relatie tussen woord en beeld, doen de gedichten iets soortgelijks: ze verkennen in taal vrouwelijkheid. De lichaamshouding – frontaal, zijaanzicht, voorover of achterover gebogen – krijgt in de vormgeving van de gedichten een pendant. De gedichten laten zich niet in een vormelijk keurslijf dwingen, maar deinen en buigen mee met de fotografische beelden. De geportretteerde vrouwen staan daarenboven afgebeeld tegen een “neutrale achtergrond”: daarbij moet ik denken aan dat ontbrekende ik in de gedichten, de zegging waarin het ik niet zozeer of expliciet particuliere gevoelens portretteert, maar de ander als focus heeft. Zoals Cupido, of dus Amor, in het Romeins mythologische verhaal met de pijlen gericht op de ander.

Zowel beeld als tekst verhaalt over de schoonheid van het vrouwenlichaam, met aandacht voor huid en textuur: “krachtig”, “zelfbewust” en “ongenaakbaar”, naakte vrouwen met de hoofden gesluierd, in bepaalde gevallen zelfs helemaal onherkenbaar. Het “universeel vrouwelijke” wordt uitgedrukt, “das Ewig-Weibliche”. Tegelijk spreekt natuurlijk en zelfs nadrukkelijk een ik in de gedichten (het geïmpliceerde ik), precies zoals de fotograaf met naakten en bloemen een hoogstpersoonlijk verhaal vertelt. Hommelen zegt hierover: “Bij elke foto wordt de toeschouwer deelgenoot van het moment waarop de persoonlijkheid van de kunstenares [mijn onderstreping], het universeel vrouwelijke en de eigenheid van het model samenvalt in één beeld”. Iets vergelijkbaars kan ik opmerken over de gedichten in deze uitgave.

Over vormgeving is wel nog wat méér te zeggen. De foto’s worden miniaturen genoemd, “9 op 9 cm, vergelijkbaar met de afmetingen van een polaroid”. Ik heb de gedichten van Inge Braeckman ook zo gelezen: symmetrische structuren (strofen van vier, drie en twee regels) – hoekig, afgemeten, strak. Zoals de foto’s in de omkadering groeien de teksten uit hun rigide gebonden structuur. De teksten zijn van wisselende lengte met een slotregel die de beperking systematisch doorbreekt. En dus voor adem zorgt.

De “epiloog” van la pose voilée – een titel die verwijst naar de reeks De Pose (2002) van Malou Swinnen en thematisch in verband staat met Personae (1995), de kiem waaruit haar fotografisch levenswerk is gegroeid – [de epiloog] heeft de titel Antichambre. Le mouvement figé. Uit de toelichting bij deze reeks van vijf foto’s – vier naakten en één bloem – leid ik af dat dit project er éérst was. la pose voilée is uit deze fotoreeks ontstaan. Le mouvement figé is een reeks met bewegingssequenties (“deelsequenties van een beweging”), een beeldenreeks van bevroren of statische beelden. Klaarblijkelijk refereren de verzamelde momentopnames aan een aquarel van Auguste Rodin: Femme nue aux longs cheveux, renversée en arrière. Het statische van ieder beeld benadrukt de kracht en de spanning van het lichaam dat geportretteerd is. Bij deze reeks Antichambre schreef Braeckman één gedicht: het elfde waarmee een numeriek afgeronde reeks van tien gedichten wordt doorbroken. Niet alleen micro-structureel, op het niveau van het afzonderlijke gedicht, maar ook bundel-compositorisch wordt de regelmaat verstoord en spanning opgewekt.

 

De tekst heeft een toegevoegde waarde voor het gepresenteerde beeldmateriaal, hij voegt een dimensie toe aan de krachtige beeldenconstellatie. In taal zijn sensuele miniaturen gecreëerd, taalmuzikale en ritmische adems. De gedichten hoor je hardop te lezen teneinde cadans en ritme lijfelijk te ervaren. Ze voegen zonder meer een dimensie toe aan la pose voilée en Le mouvement figé.

 

Tekst en beeld. Ik denk in de Nederlandstalige poëzie bijvoorbeeld aan Hugo Claus’ bundel Oktober ’43 (en foto’s van Rik Selleslags) of Eva Gerlachs bundel Wat zoekraakt, met zwart-wit foto’s van de Franse fotograaf Willy Ronis. Of aan de vele bundels waarin tekst en beeld gecombineerd voorkomen en voor een intensief spanningsveld zorgen. Beeldlyriek – je hebt ze in vele soorten en maten. De foto-expositie van Malou Swinnen presenteert kleine afdrukken die van de toeschouwer een intense blik veronderstellen, een scherpe focus. Bij elke lectuur van de beelden ontstaat een nieuw verhaal. De blik van de toeschouwer is fundamenteel. Zoals de lezer van de gedichten stem en dus telkens weer “asem” moet geven aan de beeldentaal door haar telkens opnieuw, in het leesproces, tot leven te brengen. Tekst en beeld gaan een bijzonder verbond aan in deze bijzondere uitgave.

 

Toespraak tijdens de boekvoorstelling in Casa Argentaurum (Gent) op zondag 22 december 2019.

 

Malou Swinnen & Inge Braeckman, la pose voilée. Uitgeverij P, Leuven, 2019, 95 p. ISBN 978-94-92339-79-9

Yves T’sjoen. op weg na gû (variant op kû)

Monday, September 16th, 2019

op weg na gû (variant op kû)

(een gelegenheidsfragment memorabilia)

Yves T’Sjoen

Ik herinner mij het voorval alsof het de dag van gisteren was. Aan de Universiteit Gent doceer ik intussen enkele jaren een introductiecursus, een soort panorama, van de Afrikaanse letteren. Naast de studenten Talen en Culturen (Afrikanistiek) krijgen de neerlandici in de bacheloropleiding de kans zich te verdiepen in de Afrikaanse taal- en letterkunde en ze worden verondersteld aan Afrikaanse taalverwerving te doen. Ieder academiejaar wordt aandacht besteed aan de politieke en maatschappelijke geschiedenis van Zuid-Afrika, historische ontwikkelingen van het Afrikaans, cultuur en literatuur. Met behulp van de taalverwerving moeten studenten in staat zijn een Afrikaanstalig boek te lezen. Zij schrijven daarover een persoonlijk leesverslag.

In mijn cursus is uitgebreid aandacht voor de Sestigers. Naast een profielschets van de groep die begin jaren zestig een nieuwe impuls gaf aan de Afrikaanse literatuur, belicht ik enkele canonieke figuren, onder wie Breyten Breytenbach, André Brink, Etienne Leroux, Jan Rabie en Adam Small. Op 3 december 2014 was ik in de collegereeks toegekomen aan het hoofdstuk over Sestig. Het was een uitzonderlijke dag. Niet omdat ik buitenzinnig geïnspireerd was of de studenten liet delen in een zeldzame epifanie. Het was omdat die avond in de Aula de plechtigheid plaatsvond waarnaar de universitaire gemeenschap al zo lang uitkeek: de uitreiking van de eredoctorstitel aan Breyten Breytenbach. Ik weet nog precies welk boek in de besprekingsfase in aanwezigheid van mijn decaan aan de toenmalige rector is overhandigd: End Paper (in Nederlandse vertaling: De andere kant van de vrijheid) van Breytenbach. Het hybride boek, aangeduid als “Essays en werkboek”, neem ik sindsdien geregeld mee om verder te grasduinen, mij te laten inspireren, gedachten van Breytenbach met anderen te delen. De rector heeft het verzoek ruimhartig gehonoreerd zodat de lange voorbereiding van het feestelijke moment van start kon gaan. De ceremonie had plaats aan de vooravond van het colloquium “die taal se stiltes”, naar een gedicht van Breytenbach, de start van een reeks met symposia, schrijversoptredens en workshops. Sindsdien heeft in Gent elk jaar in oktober een conferentie plaats van het Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika.

Met Breyten was vooraf een afspraak gemaakt. In de vooravond zou ik hem ophalen in het hotel en met de taxi naar de Aula brengen. Ik veronderstel dat wij elkaar nog niet eerder hadden ontmoet. Toen ik in het auditorium voor de studenten sprak over Sestig, de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika en eindelijk enkele gedichten van Breytenbach voorlas, gebeurde iets bijzonders. Ik had er niet bij stilgestaan dat de schrijver al in de vroege namiddag in de stad was – we hadden immers onze afspraak. Het ging boven mijn veronderstelling dat de schrijver op de campus aanwezig zou zijn, in dat labyrint van leszalen en auditoria. Je moet immers al goed wegwijs zijn om de leslokalen te vinden. Net toen ik over Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf uitweidde, de bundel die bij Meulenhoff (Amsterdam) verscheen en het Nederlandse debuut van Breytenbach is, ging de deur van het statige auditorium in de Rozier open. Het was een openbaring, in de meest fysieke zin van wat een openbaring kan zijn. De schrijver Breyten Breytenbach trad binnen en ging discreet tussen de studenten plaatsnemen. De aanwezigen waren zich niet bewust van dat bijzondere moment. Ik onderbrak mijn verhaal, perplex en nog helemaal verrast door de blijde intrede. Ik heette Breyten Breytenbach van harte welkom, en liet de studenten verstaan dat zij getuige waren van een even bizar als spectaculair ogenblik, iets onvergetelijks. De schrijver, over wie ik met gloed college stond te geven, was in levenden lijve aanwezig in het leslokaal. Het was mij niet eerder gebeurd en het zal ook nooit meer gebeuren. Het voorwerp van de uiteenzetting, de auteur van die prachtige gedichten, de man met een levensverhaal als een spannende roman, was deelgenoot van een universitair college waarin de intussen bedeesde docent over diens werk sprak. Natuurlijk had ik Breyten moeten vragen enkele gedichten te lezen, en om evidente redenen had ik hem het woord moeten verlenen. Het zijn gedachten achteraf. Voor een optreden was de schrijver niet langsgekomen. Na een poosje stond hij in alle discretie weer op en verliet met de zachte tred waarmee hij het auditorium had betreden de intussen gewijde ruimte. Het was in dat auditorium, zoals Paul Snoek dichtte, “een beetje bijna heilig zijn”.

Deze anekdote draag ik sindsdien mee als een levende warme herinnering. Het blijft ongelooflijk dat de eminente schrijver, niet vertrouwd met het grondplan van de universitaire gebouwen, mijn collegezaal überhaupt heeft gevonden. Dat hij op het tijdstip van dat college, op het moment dat Sestig aan bod kwam, is komen opdagen. Dat hij op zoek is gegaan. Ik spreek met studenten wel eens over het oeuvre van levende schrijvers, maar ze komen niet onaangekondigd langs – laat staan uit Parijs – wanneer het hoorcollege plaatsheeft waarin hun werk ter sprake komt.

Die avond in de Aula, wanneer Adriaan van Dis zo schitterend sprak en Laurens van Krevelen gedichten las, heeft voor mij een bijzondere betekenis. Niet uitsluitend omdat Breyten Breytenbach aan mijn alma mater de titel van doctor honoris causa ontving, of omdat hij na een indrukwekkend dankwoord intussen gekoesterde beschilderde “klippe”, met een ongelooflijke symboolwaarde, aan de rector en mij overhandigde. Wat niemand in de Aula wist, behalve de bevoorrechte studenten Afrikaans, was die vreemde ontmoeting enkele uren eerder.

Nog steeds kan de audiovisuele opname worden geraadpleegd van de plechtige avond. De foto’s dateren van die avond in december. De informele en niet geplande ontmoeting van Breytenbach met de Gentse studenten is evenwel niet vastgelegd. Voor mij blijft dit een herinnering waaraan ik mij verwarm, zoals die handdruk van Mandela in Kaapstad in 1996. Ik weet zeker dat de studenten, intussen gediplomeerd en vijf jaar met andere besognes in de weer, zich dat heuglijke moment herinneren. Tegelijk is het tekenend voor Breytenbach dat hij de moeite deed mijn dag te verblijden, op zoek is gegaan en in mijn les verdwaalde. Een dag van schoonheid. Het tekent de mens achter de bevlogen en productieve kunstenaar, de warmte en de vriendschappelijkheid. Ik voelde toen, verscholen achter het katheder, menselijke warmte. Er is daar en toen een vriendschap ontkiemd waarvoor ik alle goden en engelen, niet alleen de decaan en de rector, nog elke dag prijs. Woordvogel was neergestreken in Gent en sindsdien is hij nooit meer weggevlogen.

De opname van de ceremoniële plechtigheid in de Aula van de Universiteit Gent kan hier worden bekeken: https://www.youtube.com/watch?v=x70_9_OAkII&feature=youtu.be&list=PLQ3LcTBBJ4VNgNzHQgxcVcsuL3o7Scjey

Yves T’Sjoen. Montreal in Bloemfontein

Sunday, July 7th, 2019

Montreal in Bloemfontein

Charl-Pierre Naudé refereert in een reactie op Versindaba aan een heel bijzonder moment tijdens het Bloemfonteinse kunstenfeest van de afgelopen week. “What can Lit do? Canadian Writers talk”.

Gilbert Gibson

Op vrijdag 5 juli vond tijdens het Vrystaat Kunstefees een door de Canada Council for the Arts gefaciliteerd gesprek plaats met vier Canadese schrijfsters. De brochure kondigt aan dat “verskille in literatuur-strominge” aan bod komen. De Engelstalige jonge Canadezen reflecteerden in een orkestratie van moderator-dichter Gilbert Gibson over “hul uiteenlopende begrippe van ’n nasionale letterkundige tradisie, hoe hul eie skryfwerk en lewenservaringe oorvleuel of kapsies maak teen die dominante narratief van letterkundige verwagtinge”.

 De schrijversprotagonisten Paige Cooper, Kayla Czaga (dochter van een geëmigreerde Hongaarse vader), Klara du Plessis en Kim Fu wisselden van gedachten over tendensen in contemporaine Engelse literatuur van Canada en weidden uit over eigen werk (proza en poëzie). In het rustieke decor van de Kanselierskamer richtte het gesprek zich op het verdeelde taallandschap, de Franse en Engelse literaire scenes in het Noord-Amerikaanse land die nauwelijks of niet met elkaar interageren.

Klara du Plessis

De schrijvers erkenden volmondig dat tendensen in de francofone literatuur, in het anderstalige gebied, aan hun aandacht ontsnappen. Geen wisselwerking tussen de taalgebieden. Het is makkelijk pleiten voor meertaligheid, de praktijk in de realiteit duidt doorgaans op een ander fenomeen. De vaststelling tijdens het onderhoud strookt met de taal- en literatuurgebieden in België, wellicht het enige land ter wereld dat gescheiden is door een taalgrens en beschermd door taalwetten. Het culturele akkoord tussen Vlaanderen en Wallonië is van recente datum, lang nadat de Vlaamse gemeenschap soortgelijke samenwerkingsverbanden tot stand bracht met het dichter en verre buitenland. Talige diversiteit is in verschillende werelden een fata morgana en blijft dode letter. Dit is geen moraliserende veroordeling maar een observatie.

En toch. Ik ben gunstig gestemd. Het kunstenfestival is niet uitsluitend op Afrikaans gericht en moet veeleer als inclusief worden voorgesteld.  Het presenteert een internationaal gezelschap van dichters en prozaschrijvers. Het valt wellicht aan te bevelen in de toekomst ook de meertaligheid en de culturele diversiteit van Zuid-Afrika te laten zien: literaire auteurs die in andere inheemse talen hun pad banen in de literatuur. Met simultaanvertaling of in Engels als lingua franca moet een dergelijk gesprek mogelijk zijn. Deze optie zal een aanzienlijke dimensie toevoegen aan dit Zuid-Afrikaanse culturele en literaire feest.

Naast Nederlandstalige auteurs tekende zoals vorig jaar ook nu weer een delegatie uit Canada present in de Vrystaat. Deze organisatorische keuze getuigt van een open beleid met belangstelling voor dialogen tussen schrijvers en literaturen. Revelerend zijn Ekke van Klara du Plessis, een tweetalige bundel (Afrikaans en Engels), en Paige Coopers prozadebuut Zolitude, korte verhalen gedrenkt in sci-fi en fantasy. Ook de twee andere dichters Kim Fu en Kayla Czaga boeiden het publiek met hun soepele bespiegelingen over de stand van de Canadese (Engelse) literatuur. Er roert en broeit wat in de literaire scene.

Gescheiden door duizenden kilometers, op het verhoog van een Vrystaats kunstenfeest, kwam in verschillende gesprekken een dialoog tot stand tussen Canadese, Zuid-Afrikaanse en Nederlandstalige auteurs. Getalenteerde jonge schrijvers die het publiek inzicht verleenden in de wijze waarop zij met literatuur aan de slag gaan, de relevantie van literatuur in een maatschappelijke context, in het panorama van het literaire bedrijf op drie verschillende continenten. De transnationale en meertalige ontmoetingen geven blijk van een open vizier, van een doordacht programmatorisch beleid, van aandacht voor strekkingen die zich elders in de wereld manifesteren. Waar de schrijver zich ook bevindt, spelen vergelijkbare besognes, de worsteling met taal, de reflectie over mens en samenleving in literatuur.

Genreverschuiving, vooral de ontwikkeling van hybride genres, is een patroon dat in verschillende taal- en cultuurgebieden op de voorgrond treedt. Het internationale vertoog over jonge literaire producties, in Canada, Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika, kreeg een megafoon aangereikt op het Kunstefees. Het is dankzij de bemiddeling van de Zuid-Afrikaanse en Canadese debutant Klara du Plessis, auteur van de in Canada gepubliceerde dichtbundel Ekke, dat de Canadian Council betrokken is bij het culturele feest en schrijvers kon uitnodigen.

Dankzij de pertinente en bijwijlen ironische en speelse interventies van Gilbert Gibson loste het breed opgezette debat met de Canadese schrijfsters de verwachtingen in. Montreal kwam dichterbij in Bloemfontein. Corneli van den Berg, de ondernemende coördinator van het letterkundige programma, doet er goed aan de ingeslagen weg verder te bewandelen. Teksten en schrijvers zwemmen nu immers buiten het taalgebied waarin de literaire productie tot stand komt. Montreal, de titel van de Vlaamse schrijver Pol Hoste (een schitterend boek over diens residentieverblijf), is in Bloem nu ook een metafoor geworden voor de inspirerende productiviteit van transnationale schrijversontmoetingen. De volgende dagen lees ik in mijn schrijversresidentie in Pretoria de verzamelde boekuitgaven.

Yves T’Sjoen 2019

Breyten Breytenbach en Yves T’Sjoen. De moord op een dichter

Monday, July 30th, 2018

Tom Gouws

De moord op een dichter

Breyten Breytenbach en Yves T’Sjoen

Gepubliceerd in De Standaard, 30 juli 2018

Hoop vervliegt. De kleuren van de Zuid-Afrikaanse regenboognatie worden vaal. Anderhalf jaar geleden schreef Ignaas Devisch (http://idevisch.blogspot.com/2017/01/mijn-kerststukje-in-de-standaard-over.html, De Standaard, 3/1/2017) een indringend stuk over de gruwelijke moord op de schrijfster Winnie Rust. Zij is thuis door een zwarte tiener en een dertigjarige oom om het leven gebracht. Een van hen was geen onbekende. Voor sport en school ontving de jongeman van de familie Rust in Wellington geregeld geld en de nodige steun.

Enkele dagen geleden, op woensdag 25 juli, is in de buurt van Pretoria Tom Gouws (1961-2018) doodgeschoten. Vader van zes kinderen en landelijk een bekend dichter. Enkele jaren geleden ontving hij nog een gerenommeerde poëzieprijs. In Zuid-Afrika staat Gouws geboekstaafd als belangrijk literair auteur. Na thuiskomst verschansten zich volgens persberichten zeven jonge mannen in het huis. Nadat Tom Gouws’ echtgenote en ook de enige aanwezige zoon zijn gekneveld, is de schrijver in de borst geschoten. De indringers, van wie drie of vier gewapend waren, stalen een mobile telefoon en een laptop. De Afrikaanse literaire wereld is ontsteld. Het is de zoveelste moordpartij op blanke Afrikaners.

Ignaas Devisch sprak begin 2017 ondanks de moord nog hoop uit. Zwarte jongeren zullen opstaan op hun land te leiden. Niet alles wat in Zuid-Afrika geschiedt stemt tot zwartgalligheid. Er is rechtspraak, niet iedere moordenaar verdwijnt in de anonieme massa. Nu ik op nieuwssites elke dag lees over moordpartijen, rooftochten, gijzelnemingen en verkrachtingen op de plaas (veraf gelegen boerderij), ook in dorpjes niet zo ver van de stad, vrees ik de hoop stilaan te moeten opbergen. Het is bekend dat Zuid-Afrika het gewelddadigste land ter wereld is waar geen oorlog woedt. Zuid-Afrikaanse vrienden spreken al langer, nu sinds de moord op Tom Gouws met nadruk, over een onomkeerbare situatie. Oorlog tegen witte mensen. Ook vele zwarten en bruinmensen zijn slachtoffer voeg ik toe. Het land gaat naar de verdoemenis, zeggen zij. Zuid-Afrikanen die ik spreek, wit en ook bruin en zwart, zijn bang. Ze leven dagelijks in een beklemmende sfeer van angst. Iedereen is op zijn hoede, verschanst zich achter tralies. Indien kapitaalkrachtig genoeg worden alarminstallaties aangebracht. Het aantal privébewakingsdiensten neemt hand over hand toe. Mensen trachten zich zo goed mogelijk te beschermen tegen het gevaar dat achter elke hoek gluurt, zware criminaliteit die het land in een wurggreep heeft. De overheid is onmachtig. Het is niet meer beheersbaar.

Tom Gouws, auteur van vijf dichtbundels en toneelteksten, is ook in de Lage Landen bekend. Toen Gerrit Komrij in 1999 zijn bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten samenstelde, zijn drie gedichten van Gouws opgenomen. Hij was een graag geziene gast op poëzie- en kunstenfestivals. De doctor in de letterkunde schreef over Afrikaanse poëzie beklijvende bijdragen. Op 56-jarige leeftijd heeft een moordbende een bruusk einde gemaakt aan Gouws leven. Nochtans woonde hij met zijn gezin in een van die vele beveiligde compounds. Onderzoek moet uitwijzen hoe de moordenaars het pand konden betreden. De Afrikaanse letterkunde is na Winnie Rust in een nog diepere rouw verzonken. In een van de door Komrij gebloemleesde gedichten is sprake van “indringers [die] veilig buite” worden gehouden. Neen dus.

Met Ignaas Devisch hoop ik dat veel kinderen op Zuid-Afrikaanse scholen de poëzie van Tom Gouws mogen lezen. Laten we hopen dat zij niet alleen het tragische nieuws te weten komen, maar ook het dichterschap ontdekken. Dan is er nog hoop voor een complex land dat maar niet herstelt van die gruwelijke apartheidsperiode. Al vrees ik dat poëzie de wereld van Zuid-Afrika niet zal redden. Eens te meer geldt wat in een roman van de beminnelijke Winnie Rust staat: Dis ’n storie wat vertel moet word. Vandaag zijn er echter zoveel verhalen die moeten worden verteld dat niemand ze in Zuid-Afrika nog kan lezen. Laat staan er geloof aan hechten.

Yves T’Sjoen.

 

Ademen is langer leven

 

Zolang er lucht is in dit leven

wil ik vrolijk lachen in mijn longen

en krachtig langs mijn goede spieren

mijn keel met zoete zuurstof strelen.

 

Met volle teugen van de vreugde drinken

aan de bronnen van de adem openhartig.

Wat zacht is in de borst, is lavend

voor de dorst en lekker als gestilde honger.

 

Mijn longen zijn mijn beste vrienden,

ik heb ze lief, ik draag ze in mijn handen,

breekbaar als een koppel witte duiven.

 

Ik houd ze teder als de sneeuw en zuiver

in de weelde der genezing van dit leven,

ik bescherm ze als een moeder en een vader.

 

Paul Snoek, Welkom in mijn onderwereld (1978).

———————————————————

Versindaba voeg graag die volgende huldigingsgedigte aan Tom Gouws hierby. Indien jy ‘n gedig het om by te voeg, (of reeds in ‘n kommentaar ook wil wys,  stuur dit ook asseblief aan Versindaba:

 

Spiegel im spiegel

Nou kyk ons nog in ‘n dowwe spieël en sien ‘n raaiselagtige beeld,
maar eendag sal ons alles sien soos dit werklik is.
– 1 Kor. 13: 12

.

Hoe futiel is dit nie – ʼn spieël
wat in ʼn ander reflekteer en selfsaam
die een aan die ander
wys –

ʼn man en sy gesin kom tuis
sewe rowers wag hulle in: drie met wapens
vier daarsonder
goedsmoeds en trompop
is nie woorde
van verdriet nie, want hulle
reflekteer
mekaar nie, maar verklaar tog

die man op die kombuisvloer in eie bloed
sy vrou op haar knieë langs hom, rewolwer teen die kop
vir ʼn selfoon
en ʼn skootrekenaar
terwyl buite die tralies
ʼn amperse volmaan hierdie raaisel
buig tot eendag van aangesig
tot aangesig

soos musiekstukke wat mekaar terugkaats
as treursang vir ʼn digter.
Maar in godsnaam, hoe futiel
is dit nie.

.

– In memoriam: Tom Gouws, 25.07.18

(c) Louis Esterhuizen / Julie 2018

 

.

 

Huldigingshaikoe aan Tom Gouws

Somer het gebreek,
blare hang leeg en stil –
hy verken verder.

 

© De Waal Venter / Julie 2018

 

. 

Verwond
(Vir Tom Gouws)

 

In die begin was die woord
en in Stigmata, die skrywes juis óók oor die dood.

In hierdie land moet jy leer om lig te loop
katvoet, rats,
die rot,
die roes,
die roof
te (probeer) ontduik,
grotbewoner word,
ten einde te oorleef.

Hier op God se kleinhoewe
bestaanboer jy met vers, brand jy jou kers,
in Afrika, vir Afrika.

Maar, lewensgevaarlik word die besit van:
Handsak.
Selfoon.
Skootrekenaar.

En Iewers in hierdie droewe land is die geheue
van jou skootrekenaar nou reeds skoongevee
gestroop van gedig, van vers, van woord.

En al wat bly, die koeêlwond en jou stil mond.

.

© Clinton V du Plessis. Julie 2018

.

 

gedig vir woorde

 

dis nie dat ek na julle wat woorde is soek

(sê wié van wanneer ?)

want ek weet julle lê eweneens

agter my bloed kom klop

aan die sinnelose hart wat al lank

‘n eggokamer van vlerkslae is

en jaag soms sillabes op in die donker

soos die ettering van ou swere

weer bloei

 

luister

moenie blindemol speel

moenie ophou voel-voel na omlyning

van die herinnerde gesig

in die donker bloed nie

 

ek sal hier wees soos altyd

(effens vervloek van ‘n té lang reis)

in die leë gedig

om verby genade die holtes oop te hou

en die fees van vlervoëls weer verbeel

vir julle huis toe kom

 

en indien dit dan moet wees

dat ons ons afwesighede aanneem

is dit ook goed

sweer ek hier met my hand op papier

 

kyk

in die skryflaai van raaisels

is die goëlaar se handkaart gebore

en weggebêre

(myne ? van wanneer af ?)

 

neem dit

sodat julle die beweging

na mag maak

om aan die skyn

van volbringing te raak

 

© Breyten Breytenbach. 2018

.

Bloedmaan

By die dood van  Tom Gouws

 

 

Miskien het die digter sy potloodsak

reeds oopgerits, op dié eenmalige sfeer

gewag om tot Teken te verwoord –

sterflinge, soos ons almal,

sal vir jare nog hierdie skouspel

in stories oorvertel –

Miskien sou hy juis daardie aand

vredig wou boeke vat

om aan dié godswonder, soos die gras

van die veld, nederig dank te bring

toe die duisternis hom (voortydig) oorval.

 

© Eunice Basson, 2018.

 

 

 

Yves T’sjoen. Wanneer muren verbrokkelen

Tuesday, January 23rd, 2018

 

Wanneer muren verbrokkelen en dansende ruimten worden. Een gelegenheidstoespraak

 

Maître Breyten, geachte toehoorders,

Laat ik vanuit het verre Gent, alwaar de centrale gast van vanmiddag sinds 2014 de academische titel van doctor honoris causa draagt, hier in cultuurcentrum De Nieuwe Liefde met de spreekwoordelijke deur in huis vallen. Zowel de schilderijen van Breyten Breytenbach met het prominente vogelmotief als het literaire werk met alle beeldassociaties thematiseren het zwerversbestaan, de outsider en de vagebond, beklemming, dood, verval. Maar evenzeer, in de bewoording die de kunstenaar hanteert, “het ochtendlicht, beweging, sociale kritiek, memorie, verbeelding, bewustzijn en geweten”. En natuurlijk de liefde, getuige de verzamelbundel Lady One met “99 liefdesgedigte” (2000). Boven alles construeert Breyten “de Middenwereld-identiteit”. De schrijver en schilder verzetten zich met pen en penseel tegen de conventies en de verstikkende burgerlijke middelmaat. Als reiziger in de imaginaire maar o zo levensnoodzakelijke Middenwereld leiden zijn personages een nomadisch bestaan en zij streven naar individuele ongebondenheid, een vrijheid van denken, spreken en handelen. Belangrijk in het omvangrijke oeuvre is de publicatie van The Middle World Quartet, vier hybride samengestelde bundels met sprankelende en prikkelende essays én poëzie, waarin de schrijver politiek en filosofisch, in teksten bezaaid met persoonlijke notities, gedichten en essayistische beschouwingen, zijn eigen Middenwereld creëert. In essays, zoals verzameld in Parool / Parole. Versamelde Toesprake / Collected Speeches (2015), heeft hij overigens meermaals uitgeweid over de Middenwereld.

Sta mij toe een gedicht te lezen, in een vertaling van Krijn Peter Hesselink, die als sleuteltekst kan worden beschouwd.

Dansen

Het wordt zwaar

deze aarde op te geven

(maar wie of wat gaat weg?)

de verschrikkelijke ruimten van onteigening

altijd voor jou alleen

die donkere heuvel daar

als een kom schemerlicht

met bomen die nog sporen van wind dragen

in knoop en wond en ademwonder

en hier een modderstroom

hellingen en vlakten

en zware begroeiing

elk lijden is afstand –

hoe kun je weten van mensen in de modder?

wat wordt doorleefd? wat wordt gezien, gehoord

of enkel gefantaseerd

en wat doet ertoe?

als muren verbrokkelen

en de ongebreidelde kreet

zich in je ontvouwt

een weergalmende, schemerige bezwering

van dansende ruimten –

een stilte van wind

Het gedicht is de openingstekst van de opstellenbundel Notes from the Middle-World, vertaald door Krijn Peter Hesselink als Berichten uit de Middenwereld, het derde deel van het tetralogie The Middle World Quartet. In de slotregels zit een artistiek-existentieel programma vervat: “muren verbrokkelen” en worden uiteindelijk “dansende ruimten”. Alleen met een eigenzinnige taal kunnen muren van onverschilligheid en starheid worden geslecht. Het woord dat niet zozeer beredeneerd maar vooral zintuiglijk doorleefd is – “de ongebreidelde kreet” in het gedicht – heeft de inspirerende kracht van “een weergalmende […] bezwering”. De dichter Breytenbach is niet alleen een reiziger in woord en gedachten. Hij is bovenal een danser en een “windvanger” – dat is ook de titel van een bloemlezing die hij puttend uit zijn imposante poëzieproductie samenstelde: Die windvanger / The Windcatcher (2007). Intussen is er dat andere boek De zingende hand (2017), met prachtige vertalingen door Laurens van Krevelen. Het zintuiglijke, zingende woord vermag veel op voorwaarde dat de spreker er geloof aan hecht, dat hij erin gelooft, indien de taal “doorleefd” is. Alleen dan kunnen muren verbrokkelen. “[A]ls muren verbrokkelen” gaan volgens het lyrisch subject de ruimten vanzelf aan het dansen. We hoeven dat streven niet uitsluitend esthetisch in te vullen. Het heeft in het geval van Breyten Breytenbach ook een politiek-ideologische, zelfs een ethische en morele implicatie.

De tragische biografisch-anekdotische achtergrond is bekend. Breytenbach is een van de meest notoire blanke antiapartheidsactivisten in de geschiedenis van Zuid-Afrika. De strijd van de politieke activist tegen het perverse Zuid-Afrikaanse apartheidsregime leidde onder meer tot de oprichting van de Franse verzetsgroep Okhela. Breytenbachs inzet voor “mensen in de modder” in zijn vaderland leidde begin jaren zestig tot een jarenlange vrijwillige ballingschap in Europa. Na een terugkeer in Zuid-Afrika zonder visum is hij gearresteerd en veroordeeld tot negen jaar gevangenschap. Van 1975 tot 1982, dus zeven jaar effectief, is Breytenbach door Pretoria opgesloten op beschuldiging van terroristische activiteiten en de schending van een van de vroegste apartheidsdecreten, met name de Wet op het Verbod van Gemengde Huwelike (1949). Hij is immers gehuwd met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst. In 1982 kwam hij onder internationale druk vrij. De autobiografische neerslag van de periode vóór, tijdens en na de gevangenisperiode kunnen we lezen in de naar het Nederlands vertaalde prozatrilogie Een seizoen in het paradijs, De ware bekentenissen van een witte terrorist en Terug naar het paradijs. Breytenbach is een opusschrijven: de titels haken in elkaar, ze versterken elkaar door de talrijke intratekstuele verwijzingen, de vele sleutelmotieven.

Breytenbach is niet alleen wereldvermaard als verzetsstrijder tegen de op racisme en segregatie gefundeerde apartheidsideologie. Daarenboven geniet hij internationale bekendheid als dichter, romancier, essayist, taalactivist en ook als beeldend kunstenaar. Zowel het literaire als het schilder- en tekenwerk krijgen in Zuid-Afrika en ver daarbuiten weerklank. De poëzie en het proza zijn inmiddels in vele talen vertaald.

Wat is zo bijzonder aan het literaire oeuvre dat veelomvattend is, een productie die de afgelopen jaren in omvang en kracht toeneemt. Het artistieke project van Breytenbach houdt geen rekening met voorgeschreven regels. Geïnspireerd door de surrealistische écriture automatique ontwerpt Breytenbach in tekst en beeld een eigenzinnig beeldend en een grotesk-symbolisch geladen universum. De symbolentaal verwijst trouwens niet uitsluitend naar de geschiedenis en de orale tradities van Afrika, rituelen en magie van het Afrikaanse continent, het Zen-Boeddhisme, maar ook naar het werk van vele geestverwanten (naast vele anderen Celan, Cioran, Goya, Lucebert, Tu Fu), in de woorden van Breytenbach “tijdgenoten” in kunst en filosofie.

Breytenbach heeft artistieke disciplines waarin hij bedreven is, poëzie, essayistisch en lyrisch proza, en schilderkunst, ooit omschreven als expressievormen die tot mislukken zijn gedoemd. Gedichten en schilderijen staan met een term ontleend aan Paul Rodenko voor de kunst van het echec. Precies in de mislukking schuilt het onvoorwaardelijk engagement, de krachtige esthetiek en het vastberaden geloof van de dichter en beeldend kunstenaar. In een brief aan de schrijver André Brink, opgenomen in de bundel Met ander woorde / Vrugte van die droom van stilte, en door mij al eerder geciteerd vat Breytenbach dat streven als volgt samen: “[D]ink aan ’n wind; dit wat ons wil vaslê, die essensiële, is die wind, maar al wat ons kan sien en beskryf is die boom – hóé die boom lyk as gevolg van die wind. En so gryp ons die wind. En so probeer ek die stilte te sê”. Zowel het brieffragment als ‘Dansen’ kunnen mijns inziens als programmatisch-metaforische uitdrukkingen van Breytenbachs artistieke streven worden beschouwd. De kunstenaar probeert de afgelopen jaren in almaar méér woorden en gedichten de stilte te zeggen en dus de wind te vangen. De wind is zoals de stilte wendbaar en ongrijpbaar, onzegbaar. Maar dat hij er is, spreekt uit alles wat ons omgeeft, waar wij om geven, waarvan wij leven. De stilte wordt zichtbaar dankzij de taal, de wind is er omdat we de bomen zien.

Een slotbeschouwing. U begrijpt dat ik hier maar vluchtig enkele facetten van de publieke figuur, denker en dichter, aanraak. Als inspirator van het Gorée-instituut in Dakar en in zijn functie van oprichter van het pan-Afrikaanse magazine Imagine Africa brengt Breytenbach vandaag kunstenaars van het Afrikaanse continent en elders in de wereld samen. Hij is vanuit die optiek een bruggenbouwer die culturen met elkaar in contact brengt en kunstenaars en intellectuelen uitnodigt tot aanhoudende reflectie, discussie en uitwisseling van ideeën. Voor mij is Breyten in alle betekenissen van het woord de naam van een dichter, het heteroniem voor hybriditeit, metamorfose, voor wat hijzelf “betekening” noemt. Onlangs nog schreef ik in Ons Erfdeel naar aanleiding van de uitgave van De zingende hand dat Breytenbach al jaren kandidaat is voor de Nobelprijs Literatuur.

Deze tekst is de voordracht die ik op uitnodiging van Mirjam van Hengel uitsprak in De Nieuwe Liefde (Amsterdam) op zondag 21 januari 2018 (16u-17.30u.). Breytenbach las alle gedichten in het Afrikaans, de Nederlandse vertalingen van Krijn Peter Hesselink en Laurens van Krevelen zijn simultaan geprojecteerd op scherm.

© Yves T’sjoen. 2018

Yves T’Sjoen. Hugo Claus in Stellenbosch. Korte notitie

Tuesday, September 12th, 2017

Hugo Claus

 

Over het publieke optreden van Hugo Claus (1929-2008) in Zuid-Afrika is in vergelijking met passages van andere Vlaamse schrijvers niet zo veel bekend. De meest informatieve tekst is door Daniel Hugo gepubliceerd in South African Theatre Journal (mei-september 1997). Recent stelde Hugo enkele persoonlijke herinneringen op schrift.

Claus nam in 1997 deel aan een schrijverstournee. Naast Hugo Claus en echtgenote Veerle de Wit maakten Remco Campert, Herman de Coninck, enkele maanden voor zijn overlijden in Lissabon, H.C. ten Berge, Eddy van Vliet en Simon Vinkenoog deel uit van het hoog aangeschreven Nederlandse en Vlaamse gezelschap. Breyten Breytenbach herinnert aan die heuglijke gebeurtenis ter gelegenheid van mijn bijdrage over de hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach (http://versindaba.co.za/2017/07/15/yves-tsjoen-literair-tijdsdocument-hommage-van-eddy-van-vliet-aan-breytenbach/).

Claus verbleef toen onder meer in Stellenbosch, ter gelegenheid van de Vlaamse Week die door de universiteit is georganiseerd. Het Departement Drama onder de leiding van professor Temple Hauptfleisch zorgde voor de gelegenheid voor een reprise van een theatertekst van Claus. Wat de schrijversperformance in Zuid-Afrika precies behelsde, moet ongetwijfeld te achterhalen zijn. Ook de plekken waar de schrijverskaravaan heen trok, valt te reconstrueren. Feit is, zoals door Hugo in retrospectie genoteerd, dat de Zuid-Afrikaanse dichter-journalist in 1997 tijdens het schrijversverblijf in Stellenbosch een radio-interview had met de meester. De tekst in het theaterjournaal is er de neerslag van. Het gesprek is twee decennia geleden gevoerd maar verliest niets van zijn informatieve waarde.

In de meest recente beschouwing van Hugo over Claus (pun intended!), in april 2017 gepubliceerd, wordt het briefje geciteerd dat door de ijverige beursstudent aan de Katholieke Universiteit Leuven en verwoede lezer van Het verdriet van België in 1983 naar de Vlaamse schrijver is gestuurd (http://www.netwerk24.com/Vermaak/Boeke/rubriek-hugo-claus-die-briefie-en-die-boere-van-sa-20170430). Daarin haalt hij een frase aan ontleend aan het magnum opus Het verdriet van België (eerste druk: 1983) waarin een verwijzing staat naar de Afrikaner Boer. Het is allemaal in de tekst van Hugo na te lezen.

De aandacht van Daniel Hugo voor het oeuvre van Claus, zo getuigt hij, is wellicht aangewakkerd door de collegereeks die J.C. Kannemeyer in Stellenbosch wijdde aan het toneeloeuvre. Die referentie roept een ander literatuurhistorisch feit op. In de uitgavenreeks van Human & Rousseau, Literatuur van die lae lande, is naast werk van Willem Elsschot, Marnix Gijsen, Hella Haasse, W.F. Hermans en bijvoorbeeld Harry Mulisch ook ’n Bruid in die môre van Claus opgenomen (http://www.dbnl.org/tekst/_han001198501_01/_han001198501_01_0024.php). De uitgaven waren bestemd voor schoolgebruik en academisch onderwijs. Jan Rabie verzorgde de vertaling van de toneeltekst die door Claus in 1953 is gepubliceerd en waarvoor hij de Belgische staatsprijs voor toneel ontving. Uit de overlevering, zoals de Wikipediapagina over Een bruid in de morgen, weet ik dat Wilma Stockenström in de opvoering een rol vertolkte. De Afrikaanse versie is opgevoerd in Kaapstad door The National Theatre Organisation en NTO Kamertoneel (directeur: Tone Brulin) in een regie van Athol Fugard. Claus en Fugard hebben elkaar wel vaker ontmoet en waardeerden elkaars (toneel)werk. In oktober 1959 stond de productie in Bellville geprogrammeerd. Ook later is de tekst gespeeld in Zuid-Afrikaanse schouwburgen. Toen Claus in 1997 een bezoek bracht aan Zuid-Afrika, hebben studenten van het departement Drama het stuk weer op de planken gebracht.

Wat de band tussen Claus en Zuid-Afrika verder documenteert, zijn naast de frase in Het verdriet van België passages in de kunstenaarsroman Een zachte vernieling (1988). Ook die reminiscenties verdienen zonder meer een nadere beschouwing.

Precies zoals vorig academiejaar kan ik deze week tijdens een gastlezing aan de Universiteit Stellenbosch de tweedejaarsstudenten Afrikaans en Nederlands onderhouden over de poëzie van Hugo Claus. Uit ervaring weet ik dat het jonge publiek met meer dan gewone belangstelling een uiteenzetting volgt over de hobbelige weg waarlangs Claus de modernistische literatuur is binnengetreden en zijn eigen signaturen heeft ontwikkeld. Op een manier sluit de lezing weer aan bij de colleges van Kannemeyer. Ik ben alvast nieuwsgierig naar het hoofdstuk in Mark Schaevers’ biografie over Claus, en mogelijk in de aflevering die het tijdschrift Zacht Lawijd volgend jaar besteedt aan Claus. Intussen is het uitkijken naar de Afrikaanse vertaling die Hugo thans voorbereidt van Het verdriet van België. In het Maandblad Zuid-Afrika liet hij in september 2014 door zijn ega Marlene Malan optekenen: “My groot ideaal was nog altyd om Hugo Claus se grootse Het verdriet van Belgiё te vertaal”. Een kwarteeuw na de eerste lectuur van de roman en het inmiddels gepubliceerde briefje waarin de sikkeneurige recensent van De Standaard Freddy de Schutter door Hugo is gesommeerd, wordt dat ambitieuze voornemen effectief gerealiseerd. Claus heeft, zo liet Schaevers onlangs aan Hugo weten, het velletje papier niet weggegooid. Daniel Hugo bewaarde geen kopie. Het zit opgeborgen in het imposante archief dat door het Letterenhuis in Antwerpen zorgvuldig wordt geconserveerd. Schaevers, auteur van het prachtige boek Orgelman (2014), stuurde Hugo een scan zodat de formulering van de begeesterde student in Leuven nu in de krant staat.

Vraag is hoe het Afrikaans lezende publiek zal reageren op een roman over collaboratie en de repressie na de Tweede Wereldoorlog, over fascistoïde en gewelddadige uitwassen van een fractie van de Vlaamse Beweging. Misschien moet Daniel Hugo of een van de academici voor een belangstellend publiek toelichting geven over politiek-historische achtergronden waartegen de handelingen van de protagonist Louis Seynaeve worden gesitueerd.

(c) Yves T’Sjoen / September 2017

Yves T’Sjoen. Reflecties op Gerrit Komrij en Zuid-Afrika

Tuesday, July 25th, 2017

 

De aandacht van Gerrit Komrij (1944-2012) voor het Afrikaans en de Afrikaanstalige poëzie is bekend. De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (1999), Ik herhaal je (2000), bloemlezing uit en Nederlandse vertaling van gedichten van Ingrid Jonker, en De schitterende wond (2006) in de befaamde Sandwich-reeks met gedichten van Sheila Cussons zijn getuigenissen van meer dan gewone belangstelling. Komrij heeft als meester-bloemlezer jarenlang eigen voorkeuren in de Afrikaanse dichtkunst een publiek forum gegeven in het Nederlandse taalgebied. Dat is hem vooral in Zuid-Afrika, door oppermaans ingestelde conservatieve witte kongsies, niet evenzeer in dank afgenomen.

Het literair-historische periodiek De Parelduiker, een fraai verzorgde uitgave van de Stichting Het Oog in ’t Zeil en Bas Lubberhuizen, wijdt een dubbelnummer (aflevering 2-3, 2017) aan aspecten van Komrij’s openbare optreden. Samensteller en Komrij-biograaf Arie Pos benadrukt in het woord vooraf dat de redactie maar “wat piketpalen” heeft geslagen, “wat paden worden verkend en wat vergezichten worden geboden”. De “vergezichten” leiden de lezer naar Zuid-Afrika. Drie artikelen richten de focus op Komrij’s fascinatie voor en laten relaties zien met actoren in de Afrikaanse letteren.

De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten

Voor het themanummer heeft Ingrid Glorie een uitvoeriger tekst op LitNet aanzienlijk ingekort. Daarin beschouwt zij vanuit een vergelijkend perspectief de receptie van De Afrikaanse poëzie in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek. Niet alleen worden markante uitspraken van gezaghebbende schrijvers, critici en academici aangehaald, daarenboven citeert zij metateksten  van de bloemlezer waarin selectiecriteria en uitgangspunten worden geëxpliciteerd. Haar bevinding is dat de zogenaamde “Oppermannianen”, volgelingen van D.J. Opperman en diens volgens Komrij al te dominante “Afrikaner-nationalistische” poëtica, Komrij’s anthologie toch vooral “verkeerd” hebben gelezen. Dat wil zeggen vanuit bepaalde vooronderstellingen die aan de oppervlakte komen in het canoniserende Groot Verseboek van de Afrikaanse literatuur en spreken uit tal van andere culturele en literaire ondernemingen van Opperman. Komrij heeft met de ogen van de Nederlandse buitenstaander een selectie tot stand gebracht die haast per definitie niet overeenstemt met de kijk van ‘cultuurpaus’ Opperman. Wie het uitvoeriger vertoog van Glorie wil nalezen, kan naar de intussen vijftien jaar geleden gepubliceerde tekst op LitNet (2002) worden verwezen.

Die elektries gelaaide hand

Nieuwe observaties bieden de andere bijdragen, respectievelijk van Petrovna Metelerkamp (“Gerrit Komrij en de nalatenschap van Ingrid Jonker”) en van Daniel Hugo (“‘Die elektries gelaaide hand’. Gerrit Komrij in het Afrikaans”). Metelerkamp, samensteller van Ingrid Jonker. Beeld van ’n digterslewe (2003) en momenteel schrijfster van een “diepgravende biografie” over Jonker, doet het relaas over het gecompliceerde en tegelijk treurige parcours dat Jonkers nagelaten documenten sinds 1994 hebben afgelegd. Nadat Gerrit Komrij en Charles Hofman de door Daniel Hugo gerangschikte koffers met archiefmateriaal hebben aangekocht, duidelijk onwetend over dat parcours, is de Nederlandse schrijver jarenlang en ten onrechte in Zuid-Afrika en Nederland beschuldigd van heling. Revelerend zijn Metelerkamps bespiegelingen over gesprekken met Komrij en de brieven waaruit wordt geciteerd. De oproep waarmee de bijdrage afsluit, met name Ingrid Jonkers literaire erfenis gewoon in Portugal te laten, in het huis dat Charles nog steeds na de dood van Komrij bewoont, is een opvallende uitspraak van de Zuid-Afrikaanse biograaf. Haar pleidooi om de archivalia, niet eens zo spectaculair als lange tijd is aangenomen, niét terug te zenden naar Zuid-Afrika heeft te maken met haar lage dunk van het literaire conserveringsbeleid (“de conservering van de Afrikaanse letteren en hetgeen daarmee verband houdt [wordt] steeds onzekerder”).

Gerrit Komrij (30.03.1944 – 05.07.2012)

Daniel Hugo spreekt in De Parelduiker als zelfverklaarde adept van cerebrale en ambachtelijke poëzie, als vormbewuste vertaler van Komrij’s vormvaste poëzie. De titel Die elektries gelaaide hand, ontleend aan de slotregel van het gedicht ‘Voltage’, refereert aan de bloemlezing die Protea Boekhuis in 2005 op de Zuid-Afrikaanse markt bracht. Hugo koos 36 gedichten, niet conform de esthetische smaak maar veeleer in functie van wat hijzelf omschrijft als vertaalbaarheid. Nederlandstalige poëzie die het moet hebben van regelmatige metrische patronen, rijm- en klankstructuren, zoals het werk van Gerrit Komrij, laat zich lastig vertalen naar het Afrikaans. Tekstvoorbeelden maken dat afdoende duidelijk. Daarenboven benadrukt Hugo dat niet alleen taal-, klank- en vormkwesties een rol spelen in het vertaalproces. Ook de “culturele en historische achtergrond van de vertalen” leidt soms tot bijzonder idiosyncratische vertalingen, ook wel Hineininterpretierung genoemd (zoals het geval is met de Afrikaanse versie van Komrij’s gedicht ‘Zwart-wit’). Vooral het sluitstuk van Daniel Hugo’s persoonlijke getuigenis laat zien hoe bepalend een vertalerspoëtica is voor de beeldvorming van teksten in een ander taalgebied. Hij vergelijkt zijn Afrikaanse vertaling van het gedicht ‘Hieronymus’ met die van de Brit John Irons in Forgotten city & other poems (2001). Hier en daar laat de vertaalarbeid opmerkelijke parallellen zien. In sommige gevallen hebben beiden aantoonbaar geworsteld met het meticuleus door Komrij ontworpen metrum (meestal jambische versvoeten) en de geserreerde compositie (een vooraf bepaald aantal syllaben, vaste regellengtes, regelmatige strofebouw). Daniel Hugo rondt de vergelijkende lectuur van Komrij’s “zelfportret” in Afrikaans en Engels af met een poëticale en tegelijkertijd amicale slotzin: “Dit is mijn vertaling van het gedicht, dat tegelijkertijd een huldeblijk is aan Gerrit Komrij – een mentor en vriend die ik dagelijks meer mis”.

De Parelduiker heeft met deze beschouwelijke teksten enkele korte aanzetten geformuleerd voor een studie naar literaire, institutionele en vriendschappelijke betrekkingen tussen Gerrit Komrij en Zuid-Afrika. Jente Rhebergen vertaalde de artikelen van Metelerkamp en Hugo. Alleen jammer dat de redactie er nog steeds vanuit gaat dat in Zuid-Afrika “Zuid-Afrikaans” wordt gesproken (p. 133 en 143).

De Parelduiker 22 (2017) 2-3, 2017, resp. p. 112-123, 124-133 en 134-143.

Amsterdam, 21 juli 2017.

 

  •