Posts Tagged ‘Yves T’Sjoen’

Onderhoud met Yves T’Sjoen

Monday, June 29th, 2020

 

 

 

Marlene Malan gesels met Yves T’Sjoen

 

Yves T’Sjoen is verbonden aan de Vakgroep Letterkunde van de Universiteit Gent,  het Departement Afrikaans/Nederlands van de Universiteit Stellenbosch en de Vakgroep Nederlands van de Karelsuniversiteit (Praag). Voor het kwartaalmagazine Taalgenoot van ATKV (vereniging voor Afrikaanse taal, kultuur, kennis en kreatiwiteit) legde journalist en redacteur Marlene Malan enkele vragen voor. Een fragment verschijnt later in het ATKV-periodiek.

 

Marlene Malan: Jou kennismaking met Afrikaans: Wanneer, waar en hoe het dit plaasgevind/gebeur… en wat het jou belangstelling geprikkel om Afrikaans en die Afrikaanse letterkunde ’n groot deel van jou studieveld te maak?

Yves T’Sjoen: Nieuwsgierig naar anderstalige literaturen kwam ik al gauw uit bij het Afrikaans. De belangstelling voor Nederlandstalige literatuur opende vanzelf de weg naar Zuid-Afrika. Schoolbloemlezingen (o.a. Noord en Zuid en Anton van Wilderodes De dubbelfluit) bevatten Afrikaanse gedichten; de literatuurgeschiedenis van het Nederlands laat een veelzijdige en meervoudige interactie zien tussen schrijvers en teksten, tijdschriften en uitgeverijen in het Nederlandse en Afrikaanse taalgebied.

Mijn oud-collega Dirk Coigneau, rederijkersspecialist en belangstellend voor het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur, introduceerde in de jaren 1990 in Gent een werkcollege Afrikaanse letterkunde. Hij nodigde gastdocenten uit, collega’s uit Zuid-Afrika (Stellenbosch, UWK, UCT). Dankzij wijlen prof Johan Taeldeman (Nederlandse taalkunde) en prof Anne Marie Musschoot (Nederlandse letterkunde) is toentertijd een institutioneel samenwerkingsakkoord tussen de universiteiten van Stellenbosch en Gent tot stand gekomen (1996). Docentenuitwisseling en studentenmobiliteit maken deel uit van het contract. Ik was al eens eerder in Zuid-Afrika geweest, maar professioneel gesproken was mijn zes weken durend onderwijs- en onderzoeksverblijf eind jaren negentig bepalend voor latere engagementen op het gebied van onderwijs en onderzoek. Ik ontdekte gaandeweg de vitaliteit en dynamiek van de literatuur in het Afrikaans. Later kreeg ik aan mijn Alma Mater de kans die aandacht verder te ontginnen en te delen met studenten.

MM: Jy is die groot voorloper in Gent (veral) vir die gereelde besoek hier van akademici van die vakgebied Afrikaans, asook van Afrikaanse skrywers en vertalers van Nederlandse/Vlaamse werk in Afrikaans. Jy is ook die stukrag agter die oprigting van die Gentse Leerstoel Zuid-Afrika: talen, literaturen, kultuur en samelewing. Waarom? Waarom is hierdie interaksie tussen Nederlands en Afrikaans vir jou belangrik?

YT: Na de verdediging van mijn proefschrift, aangesteld als docent aan de Universiteit Gent, mocht ik naast het onderwijs op het gebied van de Nederlandstalige literatuur meewerken aan een aanvankelijk beperkt opleidingsonderdeel Afrikaans. Eerst een bachelorvak (Afrikaans: taal- en letterkunde), sinds vorig academiejaar ook een mastervak (Talen en Literaturen van Zuid-Afrika) in de module Nederlands. Sinds eind jaren negentig kom ik geregeld op bezoek in Zuid-Afrika, onderbroken door een stilte toen ik volop aan mijn PhD werkte in Gent. Op voordracht van professor-emeritus Ronel Foster (Universiteit Stellenbosch), na goedkeuring door de faculteitsraad (Lettere en Sosiale Wetenskappe), ben ik in 2011 aangesteld door het departement Afrikaans en Nederlands. Jaarlijks doceer ik in september gastcolleges voor studenten Afrikaans-Nederlands over Nederlandse en Vlaamse literatuur, de afgelopen jaren in samenspraak met Alfred Schaffer. In die weken ben ik een geregeld bezoeker van de JS Gericke-bibliotheek en neem deel aan wetenschappelijke symposia en departementale middaguurlezingen.

De leerstoel in Gent is een institutionalisering van de samenwerking die al vele jaren bestaat met Zuid-Afrikaanse partnerinstellingen. Intussen zijn door de UGent acht bilaterale raamovereenkomsten gesloten in Zuid-Afrika. Eerst bestond een samenwerkingsverband (2013), sinds 2016 de onderzoeksgroep Gents Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika (www.afrikaans.ugent.be). Het initiatief van Luc Renders (Universiteit Hasselt) is na een decennium door de UGent overgenomen. Na drie opeenvolgende jaren met weekseminaries (2011-2013) zijn we overgeschakeld naar jaarlijkse (internationale) colloquia. Aanleiding voor de verschuiving van seminarie naar colloquium was de Gentse eredoctorstitel voor Breyten Breytenbach in 2014. Sindsdien organiseert het Gents Centrum ieder jaar een druk bijgewoond symposium over het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur. Vanaf 2020 werkt het onderzoekcentrum samen met de Universiteit van Amsterdam en de leerstoel Zuid-Afrika: letterkunde, cultuur en geschiedenis (wellicht een online symposium op 12 en 13 november 2020 in Amsterdam): https://voertaal.nu/oproep-voor-referaten-congres-over-transtaligheid-in-zuid-afrika-12-en-13-november-2020/.  Ik voeg nog toe dat Daniel Hugo, de meest productieve vertaler van Nederlandse literatuur in het Afrikaans, in oktober-november 2018 “vertaler op campus” was in Gent (https://voertaal.nu/daniel-hugo-vertaler-op-campus-in-gent-en-amsterdam/). Hij werkte er niet alleen aan de Afrikaanse vertaling van Benno Barnards Het trouwservies en Marc Tritsmans’ Het zingen van de wereld (intussen uitgegeven door Naledi). Hij begon toen met de vertaling van Claus’ Het verdriet van België. Het boek is intussen uitgegeven in Zuid-Afrika (Protea Boekhuis). De geplande seminaries (NWU en Unisa) en het colloquium (Gent) zijn uitgesteld tot volgend jaar.

De voorlopig enige leerstoel in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent is opgericht in 2017, met achtereenvolgens Hein Willemse (UP), Wannie Carstens (NWU) en Louise Viljoen (US) als leerstoelbekleders. Quentin Williams (UWK) is de volgende ambtsbekleder (september-december 2021). Vanwege de coronacrisis stellen we volgend academisch jaar geen leerstoelbekleder aan. Afwisselend komen letter- en taalkunde aan bod.

MM: Jy het ook die wens uitgespreek dat ’n leerstoel in Suid-Afrika opgerig word vir ’n rondreisende hoogleraar uit Vlaandere of Nederland: Dus, jy is passievol oor samewerking tussen die departement Afrikaans en Nederlands aan verskillende universiteite in Suid-Afrika met die departement Nederlands aan universiteite in Nederland en België?

YT: Samenwerking is gericht op goed vertrouwen, gedeelde belangstelling en wederzijdse verstandhouding, dus tweerichtingsverkeer, met aandacht voor verschillende academische culturen, specifieke onderzoekdomeinen, verwante studieperspectieven. Universiteiten in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam, Antwerpen, Gent, Groningen, Leiden en Utrecht) zijn naast de Taalunie betrokken bij het gesprek over een eventuele leerstoel in Zuid-Afrika. Wat we voorbereiden, waarvoor een interuniversitair draagvlak bestaat onder collega-neerlandici, is geen specifieke leerstoel Nederlands, veeleer: culturele diversiteit en Nederlands in een meertalige context. https://voertaal.nu/de-nieuwe-leerstoel-in-zuid-afrika-gaat-verder-dan-de-traditionele-neerlandistiek/ Het heeft geen zin om Huygens, Multatuli en Gezelle te doceren, vooral niet op een klassiek twintigste-eeuwse manier of zoals deze schrijvers in een breder cultuurhistorisch perspectief aan bod komen aan Nederlandse en Vlaamse universiteiten. We projecteren geen onderwijsbenaderingen in de Lage Landen klakkeloos op een Zuid-Afrikaanse universitaire context. Vanuit affiniteit met het academische, maatschappelijke en culturele leven in Zuid-Afrika, met belangstelling voor noden en vragen ter plaatse, zal de docent, afwisselend afkomstig uit Nederland en België, een specifieke invulling geven aan het ambt. Naast beide leerstoelen in de Lage Landen (Amsterdam en Gent) wordt dus nagedacht over een wisselleerstoel: gedurende een semester, zo is het plan, is een taal- of letterkundige, cultuur- of vertaalwetenschapper, een geschiedkundige gevestigd in Zuid-Afrika (wellicht de Universiteit van die Wes-Kaapland). Hij of zij zal elders in Zuid-Afrika lezingen aanbieden, uiteraard in overleg met en met aandacht voor het onderwijsaanbod van de respectievelijke departementen. Het onderwijsaanbod wordt nadrukkelijk afgestemd op specifieke invalshoeken die Zuid-Afrikaanse collega’s in het universitair onderwijs hanteren. De gesprekken zijn gaande en ik heb goede hoop dat het plan leidt tot een realisatie. Misschien overwegen we wel een interuniversitair initiatief met partners in de Lage Landen en in Zuid-Afrika. Ik kijk uit naar de officiële reactie van de Taalunie. Intussen wordt ook aan universiteiten gesproken over een gezamenlijk initiatief. Later méér dus.

MM: Jy is ook aan Unisa en die Universiteit Stellenbosch se departement Afrikaans en Nederlands verbonde: In watter hoedanigheid? Wat is jou “pligte” of bydrae/navorsingsveld in hierdie opsig?

YT: In 2019 (juli) en 2020 (januari) mocht ik een maand als gastonderzoeker en mentor verblijven in Pretoria. Dr. Alwyn Roux heeft met succes een postdoctoraal onderzoeksproject voorbereid dat door de onderzoeksraad van Unisa is goedgekeurd (VisionKeeper-program). Overigens het eerste veelomvattende project van Unisa op het gebied van de geesteswetenschappen. Het project is gericht op de studie van de verbeelding van Afrika in Breyten Breytenbachs lyriek sinds 1984 (verzameld in de auteurseditie Die singende hand). Dankzij de kennis en de ondernemingszin van mijn jonge collega ben ik sindsdien betrokken bij het departement Afrikaans en Algemene Literatuurwetenskap van Unisa (Universiteit van Suid-Afrika). De postdoc-onderzoeker is twee keer gedurende zes weken te gast in Gent. De samenwerking wordt aangewend om gesprekken te voeren over de onderzoekcasus, methodologische en theoretische uitgangspunten, de bespreking van onderzoeksresultaten. Uit de dialoog ontstaan weer nieuwe plannen, bijvoorbeeld voor een poëzieanthologie (in samenspraak met Breytenbach) met Afrika-gedichten. Eind dit kalenderjaar denken we aan een symposium in het Gorée-instituut. Intussen is een eerste wetenschappelijk artikel voorgelegd voor peer review en inmiddels aanvaard voor publicatie: over de geschiedenis van het Gorée-instituut (Senegal) en de rol van Breytenbach bij het tot stand komen van het pan-Afrikaans initiatief.

MM: Jy woon gereeld literatuurfeeste in Suid-Afrika by en tree daar op. Watter bydrae, na jou mening, lewer hierdie feeste tot die bevordering van Afrikaans?

YT: Ik houd ervan elk jaar in Wellington (Breytenbachsentrum) Tuin van Digters bij te wonen. Bij die gelegenheid ontmoet ik collega’s en schrijvers en blijf op de hoogte van nieuwe literaire uitgaven. Via Theo Kemp word ik geïnformeerd over het schrijversresidentieproject in Somerset-Oos (waar Rachida Lamrabet en Miriam Van hee te gast waren). Ik was wel eens te gast tijdens het Vrystaatse Kunstefees in Bloemfontein. Meestal in samenspraak met en op voorstel van Daniel Hugo voer ik bij mijn passages in Wellington publieke gesprekken, bijvoorbeeld over de leerstoel Zuid-Afrika in Gent of over de kritische ontvangst van Breytenbachs werk (en anderen) in de Lage Landen. Ik was nog niet te gast op het bekende Woordfees in Stellenbosch. Ik ben blij dat Daniel Hugo’s vertalingen (van onder anderen Benno Barnard, Tom Lanoye en Stefan Hertmans) daar worden gepresenteerd (in aanwezigheid van de schrijvers). Elders trad Hugo in gesprek met Adriaan van Dis (Ek kom terug) en Dimitri Verhulst (Die helaasheid van die dinge), respectievelijk op uitnodiging van SASNEV en het Vrystaatse Kunstefees. In Zuid-Afrika worden talrijke kunst- en literatuurfestivals georganiseerd, die bevorderlijk zijn voor het gesprek over literatuur en cultuur. Het is voor de promotie van de taal, de Afrikaanse literatuur in het bijzonder, van belang dat dergelijke initiatieven worden genomen. Geraldine Rymenants, als Vlaams Regeringsafgevaardigde in beheer van de portefeuille cultuur, speelt een cruciale rol inzake de promotie van Vlaamse cultuur in zuidelijk Afrika. We overleggen over Vlaamse schrijvers die voor de festivals kunnen worden uitgenodigd.

MM: Dit beteken mos dat jy ’n toekoms vir Afrikaans as vakgebied en as voer- en onderrig- en skryf/vertaal-taal sien? Dit terwyl baie Suid-Afrikaners Afrikaans as taal al afgeskryf het en dit ’n gedoemde en/of gestigmatiseerde taal noem? Jou kommentaar hierop, asb.

YT: Ik zie beslist een toekomst voor het Afrikaans als cultuurtaal. Zolang studenten de kans krijgen aan de universiteiten in ZA Afrikaanse taal- en letterkunde te studeren (er is en blijft belangstelling), zijn het onderzoek naar het Afrikaans en het academisch onderwijs over de Afrikaanse letteren gegarandeerd. Het is precies daarom dat universiteitsbesturen moeten blijven investeren in het Afrikaans als onderricht- en wetenschapstaal: Afrikaans is de derde taal in ZA en de moedertaal van overwegend bruin mense. De literatuur is zoals gezegd vitaal, met bijvoorbeeld op het gebied van de dichtkunst de afgelopen tien jaar een resem interessante stemmen. Internationaal worden (Afrikaans schrijvende) Zuid-Afrikaanse auteurs gewaardeerd. Niet alleen de generatie Breytenbach, Brink, Krog, Van Heerden en Van Niekerk. Jongere schrijvers, onder wie Willem Anker, Pieter Odendaal, Jolyn Phillips en Bibi Slippers, krijgen in de Lage Landen een podium. Over hun werk, en dat van vele anderen, wordt gedoceerd aan de universiteiten in Nederland en Vlaanderen. In 2020 (oktober-november) is Antjie Krog aangesteld als gastauteur (“Writer in Residence”) van de UGent. Ik geloof kortom vanuit mijn positie als “binnenwaartse buitenstaander” in de toekomst van het Afrikaans. De initiatieven in Europa, met het Gents Centrum als een van internationale en coördinerende samenwerkingsplatforms, zijn niet zozeer gericht op het museaal conserveren van het Afrikaans of het bevredigen van een ongepast exotisme, maar op het bevorderen van de studie van en kennis over de taal (in haar meertalige Zuid-Afrikaanse context).

MM: Wat is dit van Afrikaans wat jou die meeste fassineer/interesseer?

YT: Naast de literatuur vooral de mensen. Afgezien van de universitaire collega’s heb ik intussen vele vrienden en kennissen in Zuid-Afrika. De taalverwantschap tussen Afrikaans en Nederlands maakt het mogelijk dat we allen in de eigen moedertaal, dus met zin voor nuances en gevoeligheden, met elkaar kunnen praten. Het feit dat ik tienduizend kilometer van Gent in het Nederlands colleges en lezingen kan aanbieden voor belangstellende studenten en publiek, is wonderlijk. Ik spreek over de cultuurtransmissies van teksten tussen Afrikaans en Nederlands. Niet alleen in Gent, maar dus ook in Stellenbosch en Pretoria. Het omgekeerde geldt voor Afrikaans sprekenden in de Lage Landen: collega’s kunnen probleemloos in het Afrikaans hun onderzoeksresultaten rapporteren op colloquia en in workshops.

MM: Jou publikasie Rakelings (2017):  Hoe kan hierdie lywige werk kortliks opgesom word, asb?

YT: Rakelings is een gelegenheidsuitgave, verzorgd door de Antwerpse uitgeverij W∞lf en gefinancierd door het Gents Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika (UGent). Het boek is verschenen ter gelegenheid van de oprichting van de Gentse leerstoel Zuid-Afrika (2017, tweede druk: 2018). De bundel presenteert naast twee uitvoerige artikelen korte opstellen (veelal voorgepubliceerd op Versindaba en LitNet, blogs en internetsites waaraan ik geregeld meewerk), meestal aanzetten voor onderzoek, waarin de focus ligt op literaire en algemeen-culturele interacties tussen Afrikaans en Nederlands. Ik bepleit al langer een literatuurgeschiedschrijving waarin raakvlakken tussen schrijvers, teksten en literaire tendensen of discoursen in Zuid-Afrika en de Lage Landen centraal staan. In casu cultuur- en teksttransmissies in een laterale transnationale, of liever gezegd: een veeltalige, context. Voor een relatief jonge letterkunde, zoals de Afrikaanstalige, kan dat onderzoek idealiter door academici in ZA, Nederland en België worden ondernomen. Met aandacht voor tekstbewegingen, dialogen en interacties, wisselwerkingen en netwerken, maar ook voor misverstanden en verwijderingen.

In Verbintenis en venster. Die Nederlandstalige letterkunde van aanvang tot hede – ’n literatuurgeskiedenis in Afrikaans  (H.P. van Coller (red.), Van Schaik Uitgewers, 2019) – de recent verschenen tweedelige literatuurgeschiedenis van het Nederlands in Afrikaanse vertaling (met vijfenveertig schrijverslemma’s) – ontbreekt bijvoorbeeld een lemma over Gerrit Komrij. Ten behoeve van Zuid-Afrikaanse studenten en docenten is het ontbreken van Komrij als brugfiguur tussen Nederland en de Afrikaanse taalgemeenschap zonder meer een lacune. Het mag voor studenten, docenten en andere belangstellenden van belang zijn dat een overzicht van de Nederlandse literatuur van de Middeleeuwen tot vandaag beschikbaar is in andere talen, zoals nu in het Afrikaans, toch is de lectuur onbevredigend (https://www.litnet.co.za/onstuimig-knetteren-nederlandse-letteren-onder-het-zuiderkruis/ en https://www.ingentaconnect.com/contentone/aup/in/2020/00000058/00000001/art00005).  Wat de aandacht voor Zuid-Afrika in Vlaanderen (jaren vijftig en zestig) betreft, bijvoorbeeld de betekenis van André Demedts als intermediërende actor, of de rol van vertalers, redacteurs en uitgeverijen die de Nederlandse literatuur (al dan niet in vertaling) hebben gepromoot in Zuid-Afrika, blijft de lezer volkomen in het ongewisse. Ik zit eerlijk gezegd te wachten op een geschiedenisboek over Nederlandse literatuur in contact met het Afrikaans en Zuid-Afrika. Vertalingen in het Afrikaans van Nederlandstalige literatuur kunnen een interessanter uitgangspunt zijn voor het doelpubliek. De Afrikaans-Nederlandstalige literatuurgeschiedenis die ik op het oog heb, is gericht op tweerichtingsverkeer en het historisch parcours van “cultuuroverdracht”. Het is kortom tijd voor een nieuw en meer ambitieus literatuur-historiografisch project, in samenspraak met collega’s in Zuid-Afrika en de Lage Landen.

Ik juich dan ook ten zeerste het initiatief toe van Alwyn Roux, die een online studiegroep Afrikaans en Nederlands heeft geïnitieerd. Ik publiceer binnenkort een uitvoeriger essay over de nieuwe onderzoeksperspectieven. Met de steun van Breyten Breytenbach op Versindaba is het platform alvast onder een gunstig gesternte gestart.

 

Yves T’Sjoen. Schenking van een Breytenbach-schilderij

Wednesday, June 10th, 2020

 

 

 

Na het heuglijke nieuws over boekenschenkingen aan de Gentse universiteitsbibliotheek door Fanie Olivier, de erven Cecile Cilliers en Daniel Hugo (zie vorig bericht), met een aanzienlijke collectie breytenbachiana, liet Breyten Breytenbach vorige week weten dat een geschilderd zelfportret is geschonken aan het Literatuurmuseum in Den Haag. Adriaan van Dis, voorzitter van de Vrienden van het museum, bezat het doek al vele jaren dat aanvankelijk deel uitmaakte van de collectie van Galerie Espace in Amsterdam. Aad Meinderts, museumdirecteur, heeft het voornemen geformuleerd het portret te exposeren in de kleurrijke galerij met geschilderde schrijversportretten. Daar zal het hangen in de Nationale Schrijversgalerij (https://literatuurmuseum.nl/schrijversgalerij/schrijvers) tussen een bonte stoet van Nederlandse schrijvers, met onder anderen Elisabeth Eybers (die de Nederlandse nationaliteit bezat). Een selectie is te bezichtigen op de website Literatuurmuseum.nl.

Het is opmerkelijk dat zovele jaren na de Reina Prinsen Geerligsprijs voor Die huis van die dowe (1968) en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Lotus (1972) Breytenbach nog steeds wordt beschouwd – en terecht – als deel van de Nederlandse literatuur. Elders is al uitvoerig beschreven in hoeverre Breytenbachs literaire en beeldende oeuvre circuleert en wordt gerecipieerd in Nederland en Vlaanderen (Goedegebuure 1993, Van den Bergh 2003, Recourt 2008). De schilder Breytenbach, toen nog Juan Breyten, debuteerde veel eerder in Nederland dan de schrijver. Na de publicaties in Raster (1969-1972) verscheen Breytens Nederlandse poëziedebuut Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf (1972) in het fonds van Meulenhoff (Amsterdam, Poetry International Series). In 1964 exposeerde hij in Arnhem, precies in het jaar van het Zuid-Afrikaans poëzie- en prozadebuut Die ysterkoei moet sweet en Katastrofes (1964). Nog hetzelfde jaar organiseerde Galerie Espace een eerste tentoonstelling. Over Breytenbachs jarenlange betrokkenheid bij en vriendschap met Eva Bendien en Rutger Noordhoek Hegt noteert Erik van den Bergh: “Galerie Espace, de oudste galerie voor moderne kunst in Nederland, werd voor Breytenbach een thuis van grote betekenis. De sfeer, door zijn collega-schilder en schrijver Henk van Woerden getypeerd als ‘zuidelijk – plattelands Frans’, was open en bood ruimte aan beeld en woord. Vele dubbeltalenten vonden in Espace dan ook hun plek; naast Breytenbach exposeerden Lucebert, Hugo Claus en Henk van Woerden veelvuldig in deze galerie. Nadat Espace veel werk had getoond van de Cobraschilders kwamen in de jaren zestig kunstenaars aan bod die later aangeduid zouden worden als de ‘nieuwe figuratieven’: Reinier Lucassen, Pieter Holstein en Roger Raveel. Aanvankelijk werd Breytenbach ook tot deze groep gerekend. Breytenbach herinnert zich de vele tochten vanuit Parijs – waar hij vlak bij Corneille woonde – naar Amsterdam als een ‘epic experience, having to make detours in the night to smuggle artworks across the border, having exhibition catalogues confiscated as “obscene material” by dim-witted customs officials, or having a breakdown with friends in an over-loaded 2CV’. Van den Bergh heeft het over drieëntwintig vermeldingen in de catalogus die in 1997 verscheen ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van Galerie Espace.

Het is bekend dat Adriaan van Dis zijn Breytenbacharchief schonk aan het Letterkundig Museum (thans Literatuurmuseum). Voor mijn onderzoek heb ik talloze malen, steeds met de vriendelijke instemming van Van Dis en Breytenbach, de documenten kunnen bestuderen. De verzameling is een goudmijn voor het wetenschappelijk onderzoek naar Breytens aanwezigheid in Nederland en Vlaanderen. Uit deelonderzoek, onder andere over schilderijtentoonstellingen (zie bijvoorbeeld https://www.litnet.co.za/vriendschap-voor-breyten-schilderijen-in-de-doelen-1977/), is gebleken dat nog heel wat op te tekenen valt over presentie en receptie in de Lage Landen. Vooral het literaire parcours van Breytenbach, met name in Nederland, is uitvoerig belicht. De aanwezigheid in Vlaanderen kreeg tot op heden beduidend minder aandacht, hoewel ook die artistieke contacten en vriendschapsbanden van bijzonder belang zijn. De bijdrage over Breytenbach en het Vlaamse periodiek Revolver (T’Sjoen & Seghers 2017) bespreekt een deelaspect van de vele Vlaamse connecties.

Buitenlandse schrijvers functioneren in andere taal- en cultuurgebieden. Dat is een open deur. Breytenbachs artistieke werk maakt al langer deel uit van het gesprek over literatuur in de Lage Landen. Door vertalingen en boekpublicaties maar ook prijzen, netwerken, lezingen, colloquia, interviews en academische belangstelling participeert Breyten in de Nederlandstalige literatuur. Vermeldenswaard in deze context is de bekroning van zijn oeuvre met de Jacobus van Looy-prijs (1995) voor dubbeltalenten. Daarmee staat Breytenbach in een exquise rij met Armando en Lucebert.

De opname van het geschilderd zelfportret in het Literatuurmuseum is een fysiek-artistieke bevestiging van Breytens aanwezigheid in het Nederlandse taalgebied en diens actieve deelname aan het culturele leven. Deze bewering heeft geen annexionistische implicatie maar duidt vooral op de prominente zichtbaarheid van Breyten in Nederland en Vlaanderen en de jarenlange verstrengeling met het artistieke bedrijf en intellectuele debat.

 

Geschilderd portret van H.C. ten Berge

 

Bronnen

Jaap Goedegebuure, ‘“De weerklank wordt door de situatie bepaald”. Breyten Breytenbach in de spiegel van de Nederlandse kritiek’, in: Literatuur 1993, 4, p. 217-222.

Annemiek Recourt, ‘“Niet te véél aksent op het ‘Zud-Afrikaanse’ als-je-blieft”. De materiële en symbolische productie van het oeuvre van Breyten Breytenbach in Nederland’. Onuitgegeven masterscriptie, Universiteit van Amsterdam, academiejaar 2007-2008.

Yves T’Sjoen en Elke Seghers, ‘Beeldvorming rond het werk van Breyten Breytenbach in het Vlaamse tijdschrift Revolver’, Tydskrif vir Nederlands en Afrikaans 24 (2017) 2, p. 84-102.

Erik van den Bergh, ‘17 juni 1972. De Zuid-Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach ontvangt de Van der Hoogtprijs’, in: Maaike Meijer en Rosemarie Buikema (red.), Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2003, p. 345-360.

Over de schenkingen aan de Universiteitsbibliotheek Gent:

‘Kostbare boekenschenking Afrikaanse letteren aan de Universiteit Gent’, LitNet NeerlandiNet, 11 april 2018. https://www.litnet.co.za/kostbare-boekenschenking-afrikaanse-letteren-aan-de-universiteit-gent/

‘Legaat van Cecile Cilliers naar de Universiteit Gent’, LitNet NeerlandiNet, 15 januari 2020. https://www.litnet.co.za/legaat-van-cecile-cilliers-naar-de-universiteit-gent/

‘Schenking van Breytenbach-boeken’, Versindaba, 28 mei 2020. https://versindaba.co.za/2020/05/28/yves-tsjoen-schenking-van-breytenbach-boeken/

Recente uitgave over Breytenbachs beeldend werk: Joost Bosland en Breyten Breytenbach, ‘“He who asks is mistaken he who answers is mistaken”, in The 81 ways of letting go a late self, Stevenson, Cape Town, 2018, p. 7-38 [catalogus tentoonstelling 18 oktober-24 november 2018].

De bijdragen van Jaap Goedegebuure en Erik van den Bergh zijn beschikbaar in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. Met dank aan Breyten Breytenbach en Adriaan van Dis.

 

 

N.P. van Wyk Louw 50. Yves T’Sjoen

Monday, May 4th, 2020

 

‘In de trein naar het diepe Kaapstad’ De maiden trip van Vlaams literair ambassadeur Karel Jonckheere in Zuid-Afrika

 

“Toen de ambtenaar Jonckheere op 31 maart 1948 vanuit Antwerpen naar het zuiden trok, met het schip de Mar del Plata van de Compagnie Maritime Belge eerst naar Kongo en later naar Zuid-Afrika, stond de dienstreis in het teken van de verspreiding en bekendmaking van de literatuur uit Vlaanderen. Hijzelf heeft daar uitvoerig over bericht, onder meer in een reisdagboek dat in feuilletons in Het Laatste Nieuws is verschenen, later gebundeld in Kongo zonder buks of boy (1957). Na zeventien dagen varen kwam Jonckheere aan in Matadi aan de Kongorivier. Enkele weken later reisde hij door naar Zuid-Afrika. Sinds 1946 bestond een officiële culturele samenwerking tussen België en Zuid-Afrika. Het was Jonckheere en andere ambtenaren er vooral om te doen ‘het overzeese belang van de Nederlandse moedertaal’ onder de aandacht te brengen.”

“Jonckheere reisde met de trein van Johannesburg naar Kaapstad, waar hij in het station werd opgewacht door J. Greshoff, J.C. Bloem en N.P. van Wyk Louw. Daar, op het perron in de Kaap, had dus de eerste ontmoeting plaats met de Zuid-Afrikaanse Dertiger N.P. van Wyk-Louw, ‘de onomstreden leidersfiguur in de nieuwe Afrikaanse literatuur’. Het zou achteraf beschouwd een betekenisvolle ontmoeting zijn, die nog jaren sporen zou trekken door beider levens.”

Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van N.P. van Wyk Louws overlijden diepte ik een artikel op dat in de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren is opgenomen. In jaargang 7 (2007-2008) van Zacht Lawijd. Literair-historisch tijdschrift is de bijdrage ‘“In de trein naar het diepe Kaapstad’. De maiden trip van Vlaams literair ambassadeur Karel Jonckheere in Zuid-Afrika’ gepubliceerd. De tekst handelt over de contacten van de Vlaamse schrijver-ambtenaar Karel Jonckheere (adviseur voor de letteren, ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur) in Zuid-Afrika, in het bijzonder de vriendschapsrelaties met N.P. van Wyk Louw, W.E.G. (Gladstone) Louw en Jan Greshoff. Jonckheere verbleef in de periode mei-augustus 1948 in de Kaap, een markant jaar in de naoorlogse geschiedenis van Zuid-Afrika.

In de uitgave zijn brieven van Louw en foto’s met Jonckheere, Greshoff en Louw opgenomen. Later is de gewijzigde tekst gebundeld in Over grenzen/Oor grense. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie (Ronel Foster, Yves T’Sjoen & Thomas Vaessens (red.), Acco, Leuven/Den Haag, 2009).

In het Letterenhuis (Antwerpen) wordt de literaire nalatenschap van Karel Jonckheere geconserveerd. Het archief bevat brieven van D.J. Opperman en N.P. van Wyk Louw, alsook waardevolle documenten betreffende het periodiek Standpunte. De tegencorrespondentie wordt bewaard in het J.S. Gerickearchief (Universiteit Stellenbosch). Het merendeel van de overgeleverde brieven in de Universiteitsbibliotheek Stellenbosch betreft de correspondentie tussen Greshoff en de Zuid-Afrikaanse Standpunte-redacteurs. Annemiek Recourt heeft de documenten bestudeerd en verwerkt in haar biografie over Jan Greshoff (Moralist van de ontrouw. Jan Greshoff (1888-1971), Van Oorschot, Amsterdam, 2018).

De tekst is een eerbetoon aan de dichter en academicus N.P. van Wyk Louw, leerstoelbekleder Zuid-Afrikaanse literatuur, geschiedenis en cultuur van de Universiteit van Amsterdam (1948-1958).

 

https://www.dbnl.org/tekst/_zl_001200701_01/_zl_001200701_01_0034.php

 

Yves T’Sjoen: Leesbrillen voor bijziende lezers?

Monday, March 30th, 2020

 

Met belangstelling, noodgedwongen op verre afstand, volg ik als “binnenwaartse buitenstaander” de discussie op Versindaba naar aanleiding van de bundel Nagblind van Francis Grobler. Mijn kijk op het poëticale dispuut wordt bepaald door een themanummer van Deus Ex Machina (170, november 2019) over “Instagram”. Op het gebied van sociale media ben ik eerlijk gezegd een leek. Facebook is hoogstens een digitale variant van mijn persoonlijk literair archief, in coronatijden een leesdagboek. Mijn hashtag, of hoe heet zoiets, is “Lezen in Q”. Twitterende tweets en Instagram zijn mij volkomen vreemd. Ik lees het tijdschriftnummer doelgericht. Sedert jaren maak ik deel uit van de jury van de Melopeeprijs. De poëzieprijs, genoemd naar het canonieke gedicht van Paul van Ostaijen, bekroont gedichten in Nederlandstalige periodieken en op websites (zoals Meander, een twee powezie en Het gezeefde gedicht). In 2019 was Marc Tritsmans de laureaat. Die singende wêreld is onlangs vertaald in het Afrikaans en mocht in Zuid-Afrika gunstige reacties ontvangen. Een klassiek uitgegeven boek van een klassiek dichter.

In een bijdrage van inleider en samensteller Obe Alkema van het Deus Ex Machina-nummer worden sociale media aangeduid als “de meest invloedrijke designers van het moment”. Dat geldt ook voor de literatuur. In hetzelfde nummer presenteert de Vlaamse auteur Sylvie Marie “gramgedichten”: na een experiment met #instapoem (instagrampoëzie) knipt en plakt zij “woorden uit een misdruk van de roman Max, Micha & het Tet-offensief van Johan Harstad (1229 pagina’s)”: twee #gramgedichten – met een klassieke term: collagepoëzie – staan in Deus Ex Machina 170 afgedrukt. Ik vind er eerlijk gezegd weinig aan. Dat ligt aan mij, digibeet met verwachtingen die zonder twijfel op klassieke poëzieleest zijn geschoeid. Verknocht aan een medium – gedrukte letters in een boek waarin ik kan bladeren, waaraan ik ruik en mijn ogen de kost geef – en afkerig tegenover de vluchtigheid van de digitale snelweg. Het ligt dus aan mij dat ik er niet echt wild van word.

In de kritische commentaren op Groblers poëziedebuut (in boekvorm) lees ik dat de auteur behoort tot een uitdijende groep FB-dichters in het Afrikaans. Zij publiceert gedichten op Facebook en muzikale adaptaties van haar teksten worden via hetzelfde medium de wereld ingestuurd. De discussie over de lezensvatbaarheid van dergelijke lyriek – naar verluidt een succesnummer op FB, met een schare van jubelende engelen – laat mij denken aan performance-poëzie, slam- en vroeger rap- of hiphoppoëzie. Zoals toegelicht door Gerrit Komrij in Double Talk (1997) Double Talk Two (1998). Andere termen: “zigzag-poëzie”, “neonromantiek” (Jules Deelder). In de jaren negentig is in Nederland en Vlaanderen een soortgelijke discussie gevoerd. Kunnen digitale gedichten of dus teksten geproduceerd in en met behulp van (tools van) een ander medium, überhaupt poëzie worden genoemd? The medium is the message. Moet mijn soort, klassieke lezers van poëzie (bij voorkeur met een boekje in een hoekje), leesverwachtingen bijstellen? Hoe dan ook bestaan sinds de digital turn van de jaren negentig lyrische tendensen die mediaal-conceptueel gesproken volstrekt anders zijn geconcipieerd dan wat ik “klassieke poëzie” noem (met een boek als drager). Er is daarnaast een poëzie die zich tot een (post)digitaal gevormd publiek richt. Daar is uiteraard niets mis mee. Thomas Vaessens schrijft erover in Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd (2006). Veertien jaar later leest het boek als een anachronisme: Instagram en Twitter bestonden toen nog niet eens. Sms-poëzie is in digitale tijden alweer voorbij, in mediumtermen een archaïsme. Tweetpoëzie? Wellicht is ook dit fenomeen al achterhaald.

In dit licht lees ik de polemiek over Groblers Nagblind. De afwijzende reacties brengen herinnering terug aan de bewering dat de meeste slam- en podiumpoëzie, succesnummers op het podium, in een gedrukt boek niet overeind blijven. Teksten zouden lijden aan effectbejag, gezochte (binnen)rijmen die een luisterend oor gewillig zijn maar een gesel voor het lezend oog. Alle middelen die een performend dichter ter beschikking staan – lichaamstaal, klederdracht, dictie, akoestiek, ruimtelijke omgeving et cetera – verdwijnen in het drukwerk. Bijgevolg kan op sonoriteit en vertolking gerichte lyriek een hedendaags (klassieke geschoold) lezerspubliek weinig boeien.

Hetzelfde euvel kan wellicht veel FB-poëzie worden geduid. Dichters profileren zich op sociale media, waar hun gedichten hits blijken afgemeten aan het aantal ‘likes’ en volgers. In een digitale omgeving functioneren dergelijke teksten anders dan in een bundeluitgave. Daniel Hugo wijst erop dat op FB schrijvers hun eigen autonome republieken oprichten, soevereine staten die niet worden gehinderd door sluiswachters of de “poëziepolitie”. Het staat eenieder vrij een leesdagboek bij te houden en met “vrienden” op sociale media te delen. Zo kan een schrijver een tuin aanleggen waarin het voor de volgzame goegemeente aangenaam kuieren is. Met bliksemsnelle ‘likes’ tot gevolg, die voor het persoonlijk gemoed van de dichtende medemens weldadig aanvoelen.

Francis Grobler heeft de stap gezet naar de boekpublicatie van eerder op FB gepubliceerde gedichten. Daarmee betreedt zij inderdaad een ander landschap: dat van het boek als drager. The medium is the message. In verschillende mediale omgevingen gelden andere afspraken. De discussie op Versindaba getuigt van die clash. Over “literaire kwaliteit” is het interessant maar lastig discussiëren. Objectieve kritiek bestaat nu eenmaal niet. Objectief is iets anders dan beargumenteerd. Feit is dat lezers uiteenlopende verwachtingen koesteren, of het nu lyriek op FB, Twitter en Instagram betreft of in een gedrukt boek. Meningen zijn vrij. De meest in het oog springende bestsellers in de poëzie – een contradictio in terminis – worden door “kenners” (journalistieke en academische critici) doorgaans argwanend bejegend. Behaagziek, kritiekloos, sentimenteel: termen die in perscommentaren te nadele van publieksuccessen worden gehanteerd. Ook in de Versindaba-discussie wordt een soortgelijke terminologie gebruikt. Was het noodzakelijk dat dergelijke FB-gedichten, goed scorend en salonfähig op de digitale weg, in een boek worden gebundeld? Schaadt de uitgave van FB-poëzie de Afrikaanse letterkunde? Brengt een dergelijke uitgave imagoschade aan het fonds van een literaire uitgeverij aan?

Bijzonder voor het fel bediscussieerd fenomeen van FB-poëzie is de wijze waarop een literair imago wordt geconstrueerd. Citaten van Antjie Krog en Hans du Plessis worden door de uitgeverij als literaire legitimering ingezet. Dat zijn behalve legitimeringsstrategieën mercantiele technieken. Op die manier wordt Nagblind een sérieux toegekend. Met als bedoeling ook in de literatuurkritiek (in de ruimte buiten FB) geloofwaardigheid te verwerven. Het is dit gezelschap dat protesteert en de artistieke legitimiteit ter discussie stelt. Vanuit literatuurwetenschappelijk oogpunt is het een interessant publiek gesprek over hedendaagse poëzie, ware het niet dat het al sinds mensenheugenis wordt gevoerd.

Zodra een schrijver de beslissing neemt om het publieke forum te treden, op FB of in de wereld van (professionele) uitgevers, redacteurs, tijdschriften en websites, critici en jury’s, dan geldt het principe dat het ieder lezer vrij staat te oorelen. Een schrijfproces wordt als afgerond beschouwd. Het is voortaan aan de lezer om te oordelen. Zowel de FB-vriend als de geschoolde poëzielezer, waarmee ik geen oppositie veronderstel. Lezers van bundels geven aandacht aan compositie, de spankracht die gedichten met elkaar laat spreken. Het lezerspubliek van het boek Nagblind beoordeelt niet langer afzonderlijke gedichten, snapshots on the screen. Literaire criteria, zoals vormen- en beeldentaal, ritme, stijl en compositie, worden in het beoordelingsproces betrokken. De bundel wordt als taalarchitectuur gewikt en gewogen, op basis van persoonlijke opvattingen over literatuur. Dat overkomt nu ook Nagblind, zoals het werk van iedere schrijver die het besluit neemt met een boek voor de dag te komen. Zodra het werk pdubliek wordt gepresenteerd, ongeacht of gedichten zijn voorgepubliceerd in tijdschriften, op internetsites of op Facebook, kan de letterkundige gemeenschap een oordeel uitspreken. Zij wordt ook verondersteld dat te doen: het gesprek over literatuur te voeren. De vraag is vervolgens of een verzameling van afzonderlijk verschenen teksten een bundelcompositie oplevert, een tekstweefsel waarin gedichten een spanningsboog tentoonspreiden. Bundels met gelegenheidsgedichten, zoals stads- of plattelandsgedichten, laten meestal dezelfde tekortkoming zien. Een verzameling gedichten is nog geen poëziebundel, een taalconstructie die op zichzelf bestaat. Uit de reacties die ik hier lees, is dat volgens recensenten onvoldoende het geval. Indien daarvoor goede argumenten, op basis van literaire criteria, worden aangevoerd, dan hebben dergelijke reacties hun rol te spelen in het (openbare) vertoog over literatuur. Ieder medium heeft eigen wetmatigheden. Door zich eraan over te leveren, mag het spel worden gespeeld.

 

 

Yves T’Sjoen. Hergeboorte van Hugo Claus in Zuid-Afrika

Sunday, January 5th, 2020

Hergeboorte van Hugo Claus in Zuid-Afrika

Het verdriet van België in Afrikaanse vertaling

.

Twee jaar geleden publiceerde ik op Versindaba een “korte notitie” over Hugo Claus en Zuid-Afrika (https://versindaba.co.za/2017/09/12/yves-tsjoen-hugo-claus-in-stellenbosch-korte-notitie/#comments). Met behulp van commentaren door Daniel Hugo, Francis Galloway, Jean Meiring en H.C. Ten Berge kon ik enkele literairhistorische puzzelstukken leggen. Claus was eenmalig te gast in Zuid-Afrika, meer bepaald tijdens de Vlaamse Week in Stellenbosch van 16 tot 22 maart 1997. Het evenement is georganiseerd door de Vlaams-Suid-Afrikaanse Kultuurstigting, in samenwerking met de Universiteit van Stellenbosch (https://www.dbnl.org/tekst/_nee003199701_01/_nee003199701_01_0037.php ). In het Zuid-Afrikaanse najaar is in aanwezigheid van de auteur nog eens ’n Bruid in die môre ten tonele gevoerd in het H.B. Thom theater (recent omgedoopt in het Adam Small theater). Initiatiefnemer van de toneelreprise was Temple Hauptfleisch, toenmalig docent van het Drama-departement in Stellenbosch.

De eerste opvoering van ’n Bruid in die môre dateert van de jaren vijftig, naar aanleiding van de vertaling door Jan Rabie van dit vroege toneelstuk van Claus. Rabies vertaling is evenwel ongepubliceerd gebleven. De Nederlandse tekst van Een bruid in de morgen (De Bezige Bij, Amsterdam 1955) circuleerde vermoedelijk vanaf de jaren zestig in Zuid-Afrika. In ieder geval is de tekst medio jaren zeventig voorgeschreven en opgenomen in universiteitscurricula voor Zuid-Afrikaanse studenten. De Nederlandstalige tekst is vervolgens in 1977 opgenomen in de reeks Literatuur van die Lae Lande in het fonds van Human & Rousseau (Pretoria-Kaapstad, Academica). André P. Brink schreef een inleiding bij die uitgave en maakte aantekeningen.

De jonge actrice Wilma Stockenström speelde mee in het toneelgezelschap dat de tekst eerst in Kaapstad en later in Bellville op de planken bracht. De opvoering had plaats in opdracht van The National Theatre Organisation en Nederlands Kamertoneel Antwerpen; ’n Bruid in die môre stond onder de regie van Athol Fugard. De bekende Vlaamse toneelschrijver en theaterregisseur Tone Brulin, directeur van NTO Kamertoneel en bevriend met Hugo Claus al sinds de jaren van de Tijd en Mens-redactie (1949-1955), is vorig jaar in maart overleden. Brulin werkte en woonde een tijdlang in Zuid-Afrika – hij voerde toneelstukken op in Afrikaans en Engels –  tot apartheid het werk onmogelijk maakte.

Vertaling door Daniel Hugo

De aanleiding voor mijn beschouwende tekst was het immense vertaalproject van Daniel Hugo. Al in 2014, in Maandblad Zuid-Afrika, is sprake van het vermetele plan om Claus’ romanesk magnum opus Het verdriet van België (1983) in het Afrikaans te vertalen. Wat aanvankelijk een getuigenis van hybris leek (“[m]y groot ideaal”), is inmiddels gerealiseerd. Eind februari of begin maart 2020 verschijnt bij Protea Boekhuis Die verdriet van België. In de Vertalingendatabase kan worden nagegaan in hoeveel talen Claus’ roman intussen is vertaald (https://letterenfonds.secure.force.com/vertalingendatabase/download?languageCode=en&type=auteurs&query=Hugo%20Claus&id=a08b00000003v1SAAQ). Het is nu voor het eerst dat op het Afrikaanse continent een vertaling is tot stand gekomen.

In mijn “korte notitie” (september 2017) spreek ik een vermoeden uit waarom Hugo het chef d’oeuvre van die andere Hugo al vele jaren heeft willen vertalen. Een maandenlang studieverblijf in Leuven in 1983 en een bewonderende briefje dat de Zuid-Afrikaanse beursstudent naar de Vlaamse meester stuurde, hebben er iets mee te maken. Méér anekdotiek, zoals het radio-interview in 1997 van Daniel Hugo met Hugo Claus, is opgenomen in mijn vorige blog over Claus en Zuid-Afrika.

Na een intens vertaalproces is de meesterproef thans voltooid. Daniel Hugo heeft wel al méér adelbrieven. Voor zijn vertalingen van Sprakeloos (Tom Lanoye) en Oorlog en terpentijn (Stefan Hertmans) ontving hij van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns tweemaal na elkaar de prestigieuze vertaalprijs (https://voertaal.nu/daniel-hugo-vertaler-op-campus-in-gent-en-amsterdam/). De waardering geldt natuurlijk ook Protea Boekhuis dat het aandurft deze canonieke tekst in de naoorlogse Vlaamse literatuur in Zuid-Afrika uit te geven, met productiesteun van Literatuur Vlaanderen (voorheen Vlaams Fonds voor de Letteren). Tegelijk vermeld ik dat de Universiteit Gent het voorrecht genoot Daniel Hugo gedurende twee maanden (oktober-november 2018) op campus te hebben (“vertaler op campus”), waar destijds de eerste stenen zijn gelegd van het vertaalproject. Naast vertaalwerk dat tussendoor kwam aangewaaid (Benno Barnard en Marc Tritsmans).

Onlangs sprak Breyten Breytenbach tijdens het Gents colloquium van het Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika over de vriendschapsrelatie met Remco Campert, Lucebert en Hugo Claus (https://voertaal.nu/breytenbach-colloquium-een-verslag/). Het zal ook voor Breytenbach heel bijzonder zijn de Afrikaanse vertaling van Het verdriet van België in handen te houden. De artistieke en vriendschapsrelatie tussen Breytenbach en Claus verdient beslist nadere beschouwing.

We kunnen nu al aankondigen dat met steun van de Vlaamse Regeringsvertegenwoordiging in Pretoria en Protea Boekhuis een colloquium over Hugo Claus en Zuid-Afrika wordt voorbereid. Aspecten die ik eerder al aanraakte, zullen het onderwerp zijn van een vertaalwetenschappelijke, literairhistorische en theaterwetenschappelijke benadering. Zuid-Afrikaanse letterkundigen worden uitgenodigd over de connectie tussen Claus en Zuid-Afrika te spreken. Momenteel wordt nagegaan of de boekpresentatie kan plaatsvinden bij Unisa (Pretoria) en in de Kaap. Terzelfdertijd bestaat het vaste voornemen in Gent een Claus-studiedag te plannen met aandacht voor prozavertalingen van werk van Claus, onder andere de binnenkort te verschijnen Zuid-Afrikaanse editie. Zowel voor de literatuur(studie) in Nederland en Vlaanderen als de Zuid-Afrikaanse kijk op een icoon van de naoorlogse Vlaamse letteren is deze hernieuwde aandacht voor Claus, ruim tien jaar na zijn overlijden, opmerkelijk. Binnenkort wordt een oproep verspreid voor de colloquia in Zuid-Afrika en in Gent.

Yves T’Sjoen: Lijnenspel in beeld en taal

Tuesday, December 24th, 2019

 

Het multimediale project la pose voilée van de fotograaf Malou Swinnen en Door de handen van Amor van een adem voorzien van de dichter Inge Braeckman doet mij bij een eerste aanblik en lezing denken aan een gedicht van Antjie Krog. In Kleur kom nooit alleen nie verwijst de titel ‘The Particularity of Nakedness’ naar het gelijknamige schilderij van Marlene Dumas. Op het doek is een achterover liggende man te zien, naakt en kwetsbaar. Krog schreef een tekst, een sonnet,  waarin met lichamelijke metaforen het visuele beeld adem wordt gegeven. Ik citeer de slotstrofe: “maar jy lê so sag en weerloos uitgestrek / dat ek vir die eerste keer in jare / kan asemhaal in die bloute van jou nek”. In de vertaling van Robert Dorsman: “maar je ligt zo zacht en weerloos uitgestrekt / dat ik voor het eerst sinds jaren / kan ademhalen in het blauwe van je nek”.

In elf titelloze en genummerde gedichten van Braeckman, gecomponeerd bij de fotoreeks la pose voilée, worden beelden van vrouwelijke naakten en bloemen beademd. De combinatie van diptieken en triptieken – twee naakten en een bloem, twee bloemen en een naakt of de afwisseling van bloem en gevoileerde vrouw – wordt telkens geflankeerd door een gedicht. De eerste gedichten zijn nog klassiek gecomponeerd– drie kwatrijnen respectievelijk vier disticha. Daarna wijkt de dichter af van die vaste versstructuur. De klassieke vorm – kwatrijnen, terzinen, disticha – wordt vanaf gedicht 3 verstoord door een slotregel die helemaal geïsoleerd staat, uit de mal schiet. De ademhaling is niet gelijkmatig; het ritme en de beweging die in de beelden te zien zijn, bepalen de deining van de ademhaling.

Over de fotografie van Malou Swinnen merkt kunsthistorica Ruth Hommelen aan het eind van haar inleidende beschouwing op: “de geportretteerde vrouwen en bloemen [horen samen], […] ze [vullen elkaar aan] en versterken [elkaar]”. En verder: “Malou Swinnen combineerde op basis van een gelijkaardige pose of vorm, textuur of motief, lijnenspel of compositie. Het spanningsveld dat hierdoor ontstaat roept vragen op rond vrouwelijkheid en sensualiteit”. In de coproductie met de hoofdtitel la pose voilée horen naast naakten en bloemen, in een dwingende relatie, ook de gedichten van Braeckman. Ze versterken de fotografische beelden, ze geven zoals gezegd adem. In geen geval zijn de teksten ekfrastische of dus beschrijvende teksten van het beeldmateriaal. Ik heb de reeks gelezen als ritmisch-pulserende monoloog van een ik-verteller die zelf buiten beeld blijft, niet wordt genoemd. Een jij-figuur wordt aangesproken: de geportretteerde vrouw, het beeld van de gesluierde vrouw, de taal zelf. In een sensitief idioom, muzikaal en ritmisch, soms een opeenstapeling van metaforen, worden de foto’s bewasemd, asem gegeven.

Het openingsgedicht is veelzeggend:

 

Naaktheid behoeft geen achtergrond, en geen verklaring.

Hoe anders spreekt het lichaam zonder de verleiding van

het gelaat. Door de handen van Amor van een adem

voorzien – zoals zijn pijlen altijd raak. De muze is om

 

te begeren, in wit- en grijstinten gespannen. De kreet

in het masker gesmoord creëert een pose doorheen

eeuwen. De lijnen van het lichaam als geheugen van

het geleden leven. De fotografische blik schept het

 

naar haar eigen ogen. Venushaar als mededogen

voor wat het innerlijk niet tonen wil. Vruchtpluis

om over de werkelijkheid uit te blazen – de wereld

te bedekken met een wollige laag, even teder als je huid.

 

Ruth Hommelen stelt dat “[d]e afgebeelde vrouwen [van Malou Swinnen] versmelten […] met het portret van een bloem, die de exploratie van vrouwelijkheid verderzetten. Er is in wezen geen verschil in de manier waarop bloemen en vrouwen weergegeven worden”. Vanuit cross-mediaal standpunt gezien, de relatie tussen woord en beeld, doen de gedichten iets soortgelijks: ze verkennen in taal vrouwelijkheid. De lichaamshouding – frontaal, zijaanzicht, voorover of achterover gebogen – krijgt in de vormgeving van de gedichten een pendant. De gedichten laten zich niet in een vormelijk keurslijf dwingen, maar deinen en buigen mee met de fotografische beelden. De geportretteerde vrouwen staan daarenboven afgebeeld tegen een “neutrale achtergrond”: daarbij moet ik denken aan dat ontbrekende ik in de gedichten, de zegging waarin het ik niet zozeer of expliciet particuliere gevoelens portretteert, maar de ander als focus heeft. Zoals Cupido, of dus Amor, in het Romeins mythologische verhaal met de pijlen gericht op de ander.

Zowel beeld als tekst verhaalt over de schoonheid van het vrouwenlichaam, met aandacht voor huid en textuur: “krachtig”, “zelfbewust” en “ongenaakbaar”, naakte vrouwen met de hoofden gesluierd, in bepaalde gevallen zelfs helemaal onherkenbaar. Het “universeel vrouwelijke” wordt uitgedrukt, “das Ewig-Weibliche”. Tegelijk spreekt natuurlijk en zelfs nadrukkelijk een ik in de gedichten (het geïmpliceerde ik), precies zoals de fotograaf met naakten en bloemen een hoogstpersoonlijk verhaal vertelt. Hommelen zegt hierover: “Bij elke foto wordt de toeschouwer deelgenoot van het moment waarop de persoonlijkheid van de kunstenares [mijn onderstreping], het universeel vrouwelijke en de eigenheid van het model samenvalt in één beeld”. Iets vergelijkbaars kan ik opmerken over de gedichten in deze uitgave.

Over vormgeving is wel nog wat méér te zeggen. De foto’s worden miniaturen genoemd, “9 op 9 cm, vergelijkbaar met de afmetingen van een polaroid”. Ik heb de gedichten van Inge Braeckman ook zo gelezen: symmetrische structuren (strofen van vier, drie en twee regels) – hoekig, afgemeten, strak. Zoals de foto’s in de omkadering groeien de teksten uit hun rigide gebonden structuur. De teksten zijn van wisselende lengte met een slotregel die de beperking systematisch doorbreekt. En dus voor adem zorgt.

De “epiloog” van la pose voilée – een titel die verwijst naar de reeks De Pose (2002) van Malou Swinnen en thematisch in verband staat met Personae (1995), de kiem waaruit haar fotografisch levenswerk is gegroeid – [de epiloog] heeft de titel Antichambre. Le mouvement figé. Uit de toelichting bij deze reeks van vijf foto’s – vier naakten en één bloem – leid ik af dat dit project er éérst was. la pose voilée is uit deze fotoreeks ontstaan. Le mouvement figé is een reeks met bewegingssequenties (“deelsequenties van een beweging”), een beeldenreeks van bevroren of statische beelden. Klaarblijkelijk refereren de verzamelde momentopnames aan een aquarel van Auguste Rodin: Femme nue aux longs cheveux, renversée en arrière. Het statische van ieder beeld benadrukt de kracht en de spanning van het lichaam dat geportretteerd is. Bij deze reeks Antichambre schreef Braeckman één gedicht: het elfde waarmee een numeriek afgeronde reeks van tien gedichten wordt doorbroken. Niet alleen micro-structureel, op het niveau van het afzonderlijke gedicht, maar ook bundel-compositorisch wordt de regelmaat verstoord en spanning opgewekt.

 

De tekst heeft een toegevoegde waarde voor het gepresenteerde beeldmateriaal, hij voegt een dimensie toe aan de krachtige beeldenconstellatie. In taal zijn sensuele miniaturen gecreëerd, taalmuzikale en ritmische adems. De gedichten hoor je hardop te lezen teneinde cadans en ritme lijfelijk te ervaren. Ze voegen zonder meer een dimensie toe aan la pose voilée en Le mouvement figé.

 

Tekst en beeld. Ik denk in de Nederlandstalige poëzie bijvoorbeeld aan Hugo Claus’ bundel Oktober ’43 (en foto’s van Rik Selleslags) of Eva Gerlachs bundel Wat zoekraakt, met zwart-wit foto’s van de Franse fotograaf Willy Ronis. Of aan de vele bundels waarin tekst en beeld gecombineerd voorkomen en voor een intensief spanningsveld zorgen. Beeldlyriek – je hebt ze in vele soorten en maten. De foto-expositie van Malou Swinnen presenteert kleine afdrukken die van de toeschouwer een intense blik veronderstellen, een scherpe focus. Bij elke lectuur van de beelden ontstaat een nieuw verhaal. De blik van de toeschouwer is fundamenteel. Zoals de lezer van de gedichten stem en dus telkens weer “asem” moet geven aan de beeldentaal door haar telkens opnieuw, in het leesproces, tot leven te brengen. Tekst en beeld gaan een bijzonder verbond aan in deze bijzondere uitgave.

 

Toespraak tijdens de boekvoorstelling in Casa Argentaurum (Gent) op zondag 22 december 2019.

 

Malou Swinnen & Inge Braeckman, la pose voilée. Uitgeverij P, Leuven, 2019, 95 p. ISBN 978-94-92339-79-9

Yves T’sjoen. op weg na gû (variant op kû)

Monday, September 16th, 2019

op weg na gû (variant op kû)

(een gelegenheidsfragment memorabilia)

Yves T’Sjoen

Ik herinner mij het voorval alsof het de dag van gisteren was. Aan de Universiteit Gent doceer ik intussen enkele jaren een introductiecursus, een soort panorama, van de Afrikaanse letteren. Naast de studenten Talen en Culturen (Afrikanistiek) krijgen de neerlandici in de bacheloropleiding de kans zich te verdiepen in de Afrikaanse taal- en letterkunde en ze worden verondersteld aan Afrikaanse taalverwerving te doen. Ieder academiejaar wordt aandacht besteed aan de politieke en maatschappelijke geschiedenis van Zuid-Afrika, historische ontwikkelingen van het Afrikaans, cultuur en literatuur. Met behulp van de taalverwerving moeten studenten in staat zijn een Afrikaanstalig boek te lezen. Zij schrijven daarover een persoonlijk leesverslag.

In mijn cursus is uitgebreid aandacht voor de Sestigers. Naast een profielschets van de groep die begin jaren zestig een nieuwe impuls gaf aan de Afrikaanse literatuur, belicht ik enkele canonieke figuren, onder wie Breyten Breytenbach, André Brink, Etienne Leroux, Jan Rabie en Adam Small. Op 3 december 2014 was ik in de collegereeks toegekomen aan het hoofdstuk over Sestig. Het was een uitzonderlijke dag. Niet omdat ik buitenzinnig geïnspireerd was of de studenten liet delen in een zeldzame epifanie. Het was omdat die avond in de Aula de plechtigheid plaatsvond waarnaar de universitaire gemeenschap al zo lang uitkeek: de uitreiking van de eredoctorstitel aan Breyten Breytenbach. Ik weet nog precies welk boek in de besprekingsfase in aanwezigheid van mijn decaan aan de toenmalige rector is overhandigd: End Paper (in Nederlandse vertaling: De andere kant van de vrijheid) van Breytenbach. Het hybride boek, aangeduid als “Essays en werkboek”, neem ik sindsdien geregeld mee om verder te grasduinen, mij te laten inspireren, gedachten van Breytenbach met anderen te delen. De rector heeft het verzoek ruimhartig gehonoreerd zodat de lange voorbereiding van het feestelijke moment van start kon gaan. De ceremonie had plaats aan de vooravond van het colloquium “die taal se stiltes”, naar een gedicht van Breytenbach, de start van een reeks met symposia, schrijversoptredens en workshops. Sindsdien heeft in Gent elk jaar in oktober een conferentie plaats van het Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika.

Met Breyten was vooraf een afspraak gemaakt. In de vooravond zou ik hem ophalen in het hotel en met de taxi naar de Aula brengen. Ik veronderstel dat wij elkaar nog niet eerder hadden ontmoet. Toen ik in het auditorium voor de studenten sprak over Sestig, de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika en eindelijk enkele gedichten van Breytenbach voorlas, gebeurde iets bijzonders. Ik had er niet bij stilgestaan dat de schrijver al in de vroege namiddag in de stad was – we hadden immers onze afspraak. Het ging boven mijn veronderstelling dat de schrijver op de campus aanwezig zou zijn, in dat labyrint van leszalen en auditoria. Je moet immers al goed wegwijs zijn om de leslokalen te vinden. Net toen ik over Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf uitweidde, de bundel die bij Meulenhoff (Amsterdam) verscheen en het Nederlandse debuut van Breytenbach is, ging de deur van het statige auditorium in de Rozier open. Het was een openbaring, in de meest fysieke zin van wat een openbaring kan zijn. De schrijver Breyten Breytenbach trad binnen en ging discreet tussen de studenten plaatsnemen. De aanwezigen waren zich niet bewust van dat bijzondere moment. Ik onderbrak mijn verhaal, perplex en nog helemaal verrast door de blijde intrede. Ik heette Breyten Breytenbach van harte welkom, en liet de studenten verstaan dat zij getuige waren van een even bizar als spectaculair ogenblik, iets onvergetelijks. De schrijver, over wie ik met gloed college stond te geven, was in levenden lijve aanwezig in het leslokaal. Het was mij niet eerder gebeurd en het zal ook nooit meer gebeuren. Het voorwerp van de uiteenzetting, de auteur van die prachtige gedichten, de man met een levensverhaal als een spannende roman, was deelgenoot van een universitair college waarin de intussen bedeesde docent over diens werk sprak. Natuurlijk had ik Breyten moeten vragen enkele gedichten te lezen, en om evidente redenen had ik hem het woord moeten verlenen. Het zijn gedachten achteraf. Voor een optreden was de schrijver niet langsgekomen. Na een poosje stond hij in alle discretie weer op en verliet met de zachte tred waarmee hij het auditorium had betreden de intussen gewijde ruimte. Het was in dat auditorium, zoals Paul Snoek dichtte, “een beetje bijna heilig zijn”.

Deze anekdote draag ik sindsdien mee als een levende warme herinnering. Het blijft ongelooflijk dat de eminente schrijver, niet vertrouwd met het grondplan van de universitaire gebouwen, mijn collegezaal überhaupt heeft gevonden. Dat hij op het tijdstip van dat college, op het moment dat Sestig aan bod kwam, is komen opdagen. Dat hij op zoek is gegaan. Ik spreek met studenten wel eens over het oeuvre van levende schrijvers, maar ze komen niet onaangekondigd langs – laat staan uit Parijs – wanneer het hoorcollege plaatsheeft waarin hun werk ter sprake komt.

Die avond in de Aula, wanneer Adriaan van Dis zo schitterend sprak en Laurens van Krevelen gedichten las, heeft voor mij een bijzondere betekenis. Niet uitsluitend omdat Breyten Breytenbach aan mijn alma mater de titel van doctor honoris causa ontving, of omdat hij na een indrukwekkend dankwoord intussen gekoesterde beschilderde “klippe”, met een ongelooflijke symboolwaarde, aan de rector en mij overhandigde. Wat niemand in de Aula wist, behalve de bevoorrechte studenten Afrikaans, was die vreemde ontmoeting enkele uren eerder.

Nog steeds kan de audiovisuele opname worden geraadpleegd van de plechtige avond. De foto’s dateren van die avond in december. De informele en niet geplande ontmoeting van Breytenbach met de Gentse studenten is evenwel niet vastgelegd. Voor mij blijft dit een herinnering waaraan ik mij verwarm, zoals die handdruk van Mandela in Kaapstad in 1996. Ik weet zeker dat de studenten, intussen gediplomeerd en vijf jaar met andere besognes in de weer, zich dat heuglijke moment herinneren. Tegelijk is het tekenend voor Breytenbach dat hij de moeite deed mijn dag te verblijden, op zoek is gegaan en in mijn les verdwaalde. Een dag van schoonheid. Het tekent de mens achter de bevlogen en productieve kunstenaar, de warmte en de vriendschappelijkheid. Ik voelde toen, verscholen achter het katheder, menselijke warmte. Er is daar en toen een vriendschap ontkiemd waarvoor ik alle goden en engelen, niet alleen de decaan en de rector, nog elke dag prijs. Woordvogel was neergestreken in Gent en sindsdien is hij nooit meer weggevlogen.

De opname van de ceremoniële plechtigheid in de Aula van de Universiteit Gent kan hier worden bekeken: https://www.youtube.com/watch?v=x70_9_OAkII&feature=youtu.be&list=PLQ3LcTBBJ4VNgNzHQgxcVcsuL3o7Scjey

Yves T’Sjoen. Montreal in Bloemfontein

Sunday, July 7th, 2019

Montreal in Bloemfontein

Charl-Pierre Naudé refereert in een reactie op Versindaba aan een heel bijzonder moment tijdens het Bloemfonteinse kunstenfeest van de afgelopen week. “What can Lit do? Canadian Writers talk”.

Gilbert Gibson

Op vrijdag 5 juli vond tijdens het Vrystaat Kunstefees een door de Canada Council for the Arts gefaciliteerd gesprek plaats met vier Canadese schrijfsters. De brochure kondigt aan dat “verskille in literatuur-strominge” aan bod komen. De Engelstalige jonge Canadezen reflecteerden in een orkestratie van moderator-dichter Gilbert Gibson over “hul uiteenlopende begrippe van ’n nasionale letterkundige tradisie, hoe hul eie skryfwerk en lewenservaringe oorvleuel of kapsies maak teen die dominante narratief van letterkundige verwagtinge”.

 De schrijversprotagonisten Paige Cooper, Kayla Czaga (dochter van een geëmigreerde Hongaarse vader), Klara du Plessis en Kim Fu wisselden van gedachten over tendensen in contemporaine Engelse literatuur van Canada en weidden uit over eigen werk (proza en poëzie). In het rustieke decor van de Kanselierskamer richtte het gesprek zich op het verdeelde taallandschap, de Franse en Engelse literaire scenes in het Noord-Amerikaanse land die nauwelijks of niet met elkaar interageren.

Klara du Plessis

De schrijvers erkenden volmondig dat tendensen in de francofone literatuur, in het anderstalige gebied, aan hun aandacht ontsnappen. Geen wisselwerking tussen de taalgebieden. Het is makkelijk pleiten voor meertaligheid, de praktijk in de realiteit duidt doorgaans op een ander fenomeen. De vaststelling tijdens het onderhoud strookt met de taal- en literatuurgebieden in België, wellicht het enige land ter wereld dat gescheiden is door een taalgrens en beschermd door taalwetten. Het culturele akkoord tussen Vlaanderen en Wallonië is van recente datum, lang nadat de Vlaamse gemeenschap soortgelijke samenwerkingsverbanden tot stand bracht met het dichter en verre buitenland. Talige diversiteit is in verschillende werelden een fata morgana en blijft dode letter. Dit is geen moraliserende veroordeling maar een observatie.

En toch. Ik ben gunstig gestemd. Het kunstenfestival is niet uitsluitend op Afrikaans gericht en moet veeleer als inclusief worden voorgesteld.  Het presenteert een internationaal gezelschap van dichters en prozaschrijvers. Het valt wellicht aan te bevelen in de toekomst ook de meertaligheid en de culturele diversiteit van Zuid-Afrika te laten zien: literaire auteurs die in andere inheemse talen hun pad banen in de literatuur. Met simultaanvertaling of in Engels als lingua franca moet een dergelijk gesprek mogelijk zijn. Deze optie zal een aanzienlijke dimensie toevoegen aan dit Zuid-Afrikaanse culturele en literaire feest.

Naast Nederlandstalige auteurs tekende zoals vorig jaar ook nu weer een delegatie uit Canada present in de Vrystaat. Deze organisatorische keuze getuigt van een open beleid met belangstelling voor dialogen tussen schrijvers en literaturen. Revelerend zijn Ekke van Klara du Plessis, een tweetalige bundel (Afrikaans en Engels), en Paige Coopers prozadebuut Zolitude, korte verhalen gedrenkt in sci-fi en fantasy. Ook de twee andere dichters Kim Fu en Kayla Czaga boeiden het publiek met hun soepele bespiegelingen over de stand van de Canadese (Engelse) literatuur. Er roert en broeit wat in de literaire scene.

Gescheiden door duizenden kilometers, op het verhoog van een Vrystaats kunstenfeest, kwam in verschillende gesprekken een dialoog tot stand tussen Canadese, Zuid-Afrikaanse en Nederlandstalige auteurs. Getalenteerde jonge schrijvers die het publiek inzicht verleenden in de wijze waarop zij met literatuur aan de slag gaan, de relevantie van literatuur in een maatschappelijke context, in het panorama van het literaire bedrijf op drie verschillende continenten. De transnationale en meertalige ontmoetingen geven blijk van een open vizier, van een doordacht programmatorisch beleid, van aandacht voor strekkingen die zich elders in de wereld manifesteren. Waar de schrijver zich ook bevindt, spelen vergelijkbare besognes, de worsteling met taal, de reflectie over mens en samenleving in literatuur.

Genreverschuiving, vooral de ontwikkeling van hybride genres, is een patroon dat in verschillende taal- en cultuurgebieden op de voorgrond treedt. Het internationale vertoog over jonge literaire producties, in Canada, Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika, kreeg een megafoon aangereikt op het Kunstefees. Het is dankzij de bemiddeling van de Zuid-Afrikaanse en Canadese debutant Klara du Plessis, auteur van de in Canada gepubliceerde dichtbundel Ekke, dat de Canadian Council betrokken is bij het culturele feest en schrijvers kon uitnodigen.

Dankzij de pertinente en bijwijlen ironische en speelse interventies van Gilbert Gibson loste het breed opgezette debat met de Canadese schrijfsters de verwachtingen in. Montreal kwam dichterbij in Bloemfontein. Corneli van den Berg, de ondernemende coördinator van het letterkundige programma, doet er goed aan de ingeslagen weg verder te bewandelen. Teksten en schrijvers zwemmen nu immers buiten het taalgebied waarin de literaire productie tot stand komt. Montreal, de titel van de Vlaamse schrijver Pol Hoste (een schitterend boek over diens residentieverblijf), is in Bloem nu ook een metafoor geworden voor de inspirerende productiviteit van transnationale schrijversontmoetingen. De volgende dagen lees ik in mijn schrijversresidentie in Pretoria de verzamelde boekuitgaven.

Yves T’Sjoen 2019

  •