Posts Tagged ‘Namens de ander’

Luuk Gruwez. Kan iedereen Richard zijn?

Monday, February 1st, 2010

DE SIRENE

 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken.

 

KAN IEDEREEN RICHARD ZIJN?

 

Omslag

Omslag

Welke anderen heeft Ester Naomi Perquin nodig om zichzelf te zijn? En vooral: welke anderen wil zij daarbij vermijden? Al in het openingsgedicht van haar bundel blijkt de medemens een risico. Hoe kun je voorkomen dat je jezelf verliest met zoveel dominante anderen? Hoe sterk en stoutmoedig moet je zijn om in eigen schoenen te staan en je niet lijdzaam achter de route of het menu van een ander te verschansen? Het spookt in het leven van Ester Naomi Perquin en dat is het wat haar dagelijksheid bovendagelijks maakt. Precies dit verleent haar een heel eigen toon die niet onopgemerkt gebleven is na haar debuut uit 2007, het nog enigszins onevenwichtige Servetten halfstok, dat onder meer met de debuutprijs van Het Liegend Konijn werd bekroond.

 

Helpt het te weten dat dichteres dezes beroepshalve enkele jaren in de gevangenis is tewerkgesteld? Ja en nee. Natuurlijk ben je geneigd een link tussen dichter en cipier te leggen: beiden staan te rinkelen met hun sleutels en houden daarmee in zekere zin demonen in bedwang, of het nu om die van henzelf of om die van hun naaste gaat. In Namens de ander is het niet altijd duidelijk – en dit is allicht de bedoeling – wanneer het om de eigen emotionele turbulenties of om die van de ander gaat. Er is tussen de ik en de medemens maar een vliesdunne grens. Het lijkt er in de poëzie van Ester Naomi Perquin wel op of iedereen de ander naar het leven staat. Voor ons ligt een bundel over identiteit en over de moeilijke definitie daarvan. Het grote probleem waarvoor de ander verantwoordelijk is, is dat hij zozeer op onszelf lijkt. En dat ieder ik altijd en overal de gevangene van de ander is.

Een van de vragen die de dichteres zich stelt is die met betrekking tot aanwezigheid. Vanaf wanneer is iemand aanwezig? Dat lijkt hij pas te zijn wanneer hij waarneembaar wordt. In het gedicht “De laatste onbekende” wordt iemand ten tonele gevoerd die nooit in beeld is geweest en een ondergronds bestaan heeft geleid. Zijn bestaan grenst aan het onbestaan. Hoe is het mogelijk dat hij er was zonder een relatie met een andere? Als hij er dan plotseling toch is, bovengronds komt en gezien wordt, kan zijn bestaan niet meer ongedaan gemaakt worden. In tegendeel: hij komt centraal in beeld te staan. Men zoomt op hem in. Hij leert dank zij de ogen die hem omringen aanwezig te zijn. Hij houdt op een onbekende te zijn, maar wordt in zekere zin een prooi. In The importance of being chicken” is het maar al te duidelijk. De blik van de ander zet ons in ons blootje en onze naaktheid kwetst ons. Daarom dragen wij kleren. Die zijn voor ons noodzakelijker dan de veren van een kip. Immers: ‘ook onder hun veren zijn ze nog kip.’ En verder in dit gedicht staat er: ‘(…) jij en ik zijn wat we dragen/ veel beter dan zij en wij zijn het al jaren zo goed/ dat het ons zeer doet, dat naakte.’ Wij zijn van onze natuurlijkheid vervreemd, slagen er niet meer in te bestaan zonder de beschermlaag van de cultuur, zonder onze kleren.

Ester Naomi Perquin schrijft wel namens de ander, maar heeft geen vertrouwen in hem. Zij is opgetrokken uit angst. Elke ander is een potentiële en – zoals zij het noemt: ‘voltallige’ –  vijand. Eén gedicht heet Smet”. Het lijkt daar inderdaad wel of de dichteres aan smetvrees lijdt. (Bepaald intrigerend voor een gewezen cipier.) Nergens wil zij zichzelf verliezen en overal dreigt juist verlies. Zij wil te allen prijze voorkomen met iemand te moeten samenvallen. Heel significant voor deze angst is het gedicht Vreemden dat eindigt met de regel ‘Val met niemand samen.’ Vreemden zijn een regelrechte aanslag op de eigen identiteit. Perquin streeft naar onveranderbaarheid en is een fan van het alombekende water dat tussen geliefden gelukkig veel te diep is. Geregeld moest ik bij het lezen van deze gedichten aan het existentialisme denken, aan de vergane glorie van Jean-Paul Sartre in L’être et le néant, aan de hel die de anderen zijn, aan het feit dat elke van hun blikken je reduceert tot een manipuleerbaar object en tot een niemendal van formaat. 

Onzekerheid is bij Perquin dan ook troef als het om het aanknopen van een relatie gaat. Dit komt treffend tot uiting in het gedicht Verbinding waarvan de titel zowel op een telefoongesprek betrekking heeft als op de wankelmoedige liefdesverhouding tussen beller en opgebelde. De dichteres is een kampioene in de evocatie van wat net niet gerealiseerd wordt. Al haar verzen zijn doortrokken van aarzeling: zal ik wel of zal ik niet? Dit is ook het geval in het enige titelloze gedicht, waarin eveneens een telefoongesprek aan de orde is. Het is niet alleen het langste, maar misschien ook het mooiste van de bundel en verdient het klassiek te worden. Een mevrouw, moeder van een zekere Richard, belt de ikpersoon op en vraagt of zij Richard is. Vervolgens overweegt de ikpersoon twee bladzijden lang in een soort eindeloos vertraagde seconde welke antwoorden hierop het meest geschikt zijn, onder meer in het licht van deze bedenking: ‘Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,/ vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:/ Richard? Ja hoor. Die is boven.’

Dit is een van de vele gedichten over een wordingsproces. Vanaf wanneer ben je voldoende geworden om voor een ander iemand te zijn? En vooral: slaag je er dan in hem te troosten? Aan het slot staan deze regels: ‘Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee/ dat het iemand zal lukken./ (…) Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.’ Middels haar ikpersoon wimpelt Perquin het engagement af dat op de leugen om bestwil is gebaseerd. Toch schrijft zij hier een zeer existentieel gedicht: het legt het fundament van het missen bloot en de twijfelachtige remedie van de troost. Alleen wil de ikpersoon zich er blijkbaar niet echt op toeleggen Richard te worden. Liefdadigheid impliceert zelfverlies. En zonder onszelf zouden wij pas echt een ramp zijn voor de ander. Perquin treedt in haar poëzie op als een personage dat onder onophoudelijke twijfel probeert uit te vissen hoe je dat doet: worden. Ik denk dat zij met haar poëzie een vorm nastreeft waarin zij eindelijk eens kan zijn. Voor haarzelf en voor de anderen.

 

______________________

ESTER NAOMI PERQUIN

Namens de ander

Uitgeverij G.A. van Oorschot, 46 blz., 14,50 euro.

 

 

 

Onderhoud: Ester Naomi Perquin

Sunday, September 20th, 2009

“Ek is nie ’n intellektueel nie, maar ’n chaotikus”

 

Ester Naomi Perquin gesels met Andries Visagie oor haar digkuns

 

Ester Naomi Perquin. Foto:

Ester Naomi Perquin. Foto: Maatje van Eck

Ester Naomi Perquin werd in 1980 in Utrecht geboren, verhuisde op haar achtste naar het provinciale Zierikzee, en is sinds enkele jaren woonachtig te Rotterdam. In 2006 afgestudeerd in de richting poëzie na het volgen van de vierjarige deeltijdopleiding aan Schrijversvakschool Amsterdam. Werkte in de gevangenis om haar studie te kunnen betalen. Ze publiceerde gedichten in De Tweede Ronde en Tirade en debuteerde in het voorjaar van 2007 met de bundel Servetten halfstok. Voor deze bundel ontving ze in oktober 2007 te Brussel de debuutprijs Het Liegend Konijn en in 2008 de Eline van Haarenprijs. In 2008 verscheen haar tweede bundel Namens de ander. Voor de bundels samen ontving ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2009.

____________________________________________________________

 

Op 26 September om 15H00 tree die jong Nederlandse digter, Ester Naomi Perquin saam met die Vlaamse romanskrywer Johanna Spaey by die Universiteit van Pretoria op tydens die Woordpoortfees (http://www.woordpoort.co.za/tuis.html).  Haar besoek aan Suid-Afrika word moontlik gemaak deur die Noordelike Kennisnetwerk vir Neerlandistiek en die Nederlandse Taalunie. Vir haar eerste twee bundels Servetten halfstok (2007) en Namens de ander (2009), albei uitgegee deur Uitgeverij Van Oorschot, het Ester Naomi Perquin reeds ’n gerf literêre pryse verower.  Vroeër vanjaar het sy byvoorbeeld die Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prys vir haar twee bundels ontvang.  Andries Visagie het per e-pos met hierdie opwindende jong digter kontak gemaak om meer oor haar digkuns te wete te kom. Die vert. van hierdie onderhoud is ook deur Andries Visagie gedoen.

 

 

 

Ester, wanneer het jy begin om gedigte te skryf?  En kon jy op deeglike ondersteuning vanuit die Nederlandse literêre wêreld reken om jou digterskap te ontwikkel?  Jong digters in Suid-Afrika moet dikwels baie lank wag voordat hulle werk gepubliseer word.

 

Soos dikwels die geval is by jong skrywers het ek aanvanklik die plan gehad om ’n groot, meesleurende roman te skryf.  ’n Verhaal oor die dood, oor pyn en oor liefde, iets ewigs en onwankelbaars.  Daarvoor het ek beslis geen aanleg gehad nie, dank die hemele.  Ek het ure lank sit en peuter aan ’n enkele sin en het my blind gestaar teen ’n enkele woord en die resultaat was stywe en doodsbenoude prosa.

 

Slegs die essay het my aangestaan – die ontwikkeling van ’n gedagte, die weg van die persoonlike na iets wat algemene geldigheid besit – en die poësie waarin ek in ’n sekere sin dieselfde weg inslaan, al is dit dan instinktiewer as ’n soort skets.

 

In Nederland, dink ek, is dit net so moeilik om by ’n gevestigde uitgewery te debuteer as in Suid-Afrika.  Die leserspubliek vir poësie is beperk en die uitgewer neem ’n risiko.  Tog verskyn daar eintlik ongelooflik baie, gemeet aan die grootte van ons taalgebied.  En publikasie in literêre tydskrifte, op die internet of voordragte by digterlike bekgevegte (poetry-slams) en feeste bied ook almal moontlikhede.  Daar bestaan tog ’n taamlik lewendige belangstelling vir die poësie, al is dit binne ’n uitgesoekte geselskappie.  In my geval het alles vinnig verloop, my bundel het vir die buitewêreld so min of meer uit die niet verskyn toe ek sewe-en-twintig was.  Ek het toe nog nooit ’n voet op ’n podium gesit nie en het hoogstens twee of drie digters persoonlik geken; ek het geen bande in die digterlike wêreld gehad nie.  Maar die begeleiding van my uitgewery was wel baie warm en baie intensief.

 

Dit is aan my bekend dat jy met die werk van Elisabeth Eybers vertroud is.  Vind jy dat haar werk tot jou spreek, en is daar ander Suid-Afrikaanse skrywers of digters wie se werk aan jou bekend is?  Daar bestaan wel ’n aangename band tussen Afrikaans en Nederlands, maar tog is die twee lande geografies ver van mekaar verwyder en groei die twee talen in verskillende rigtings.

 

Ek ken natuurlik die “usual suspects” soos Antjie Krog, Gert Vlok Nel, iets van Marlene van Niekerk en Louis Esterhuizen en enkele gedigte van Charl-Pierre Naudé, maar van Eybers dra ek uitvoeriger kennis, maar dit is nog nie te sê dat ek “deeglike kennis” van haar werk het nie.  Groot poësie neem ruimte en tyd in beslag.  Met elke herlees wil dit lyk asof sommige bundels hulleself voortdurend volledig vernuwe.  Jy kry geen greep op hulle nie, en dit moet ook so wees.  Daarby lees ek dié werk in ’n ander taal as my eie en soiets bring ’n verskil teweeg, ’n gelaagdheid wat kan verteken, in ’n goeie of slegte sin.  Ek kan Eybers lees, maar nie as ’n “native-reader” nie.  Ek weet nie presies wat daardeur in my kop plaasvind nie.  Maar ek hou ook van daardie aspek, van die buitestanderskap.  Dit gee ’n byna kinderlik-magiese lading aan die lees van ’n gedig, asof dit nie heeltemal vir jou oë bestem was nie.

 

In Suid-Afrika is daar tans ’n diskussie tussen digters oor verhalende / anekdotiese poësie in ’n spreektaalstyl (veral die voorkeur van jonger digters soos Danie Marais, Ronelda S. Kamfer, Loftus Marais en Charl-Pierre Naudé) teenoor die liriese poësie met ’n meer gekonsentreerde woordgebruik (die voorkeur van byvoorbeeld Marlene van Niekerk en Louis Esterhuizen). Hoe sou jy jou eie gedigte tipeer?  En vind jy dat jy as ’n Nederlandse digter sonder belemmering en aandag vir literêre modes en voorskrifte kan skryf?

 

Diskussies oor vorm kon ek nog nooit so goed verstaan nie – al wil ek nie daarmee sê dat hulle nie wel van groot nut is nie.  In die uiterste geval sou ’n enkele party gelyk hê – met konsekwensies wat myns insiens gevaarlik kan wees.  Een van die mees wesenlike waardes van die poësie – as daar so iets is – is dat dit vals is, talle gesigte ken, dat die poësie homself ewe maklik verraai as waar maak.

 

Self glo ek, kompleet nes ’n egte romantikus, in die opregtheid van ’n gedig en daarmee saam in die opregtheid van ’n digter.  Dit is nou maar een van my liewe klein patetiese eienaardighede.  En verder:  “onbegryplik”, “lelik”, “ontroerend”, “verwarrend”, “melancholies” – dit kan my nie veel skeel nie.  ’n Gedig werk vir my wanneer dit waaragtig is, en om so iets te sê is natuurlik dieselfde as om niks te sê nie, dus swyg ek liewer.  My werk is ’n konstante poging om van iets te ontkom.  As daar in Nederland van my verwag word om oor iets stelling in te neem, dan doen ek dit op die volgende manier:  alles wat nie daar staan nie, het ek verwerp.  Wat oorbly is klaarblyklik dan my mening.

 

Die titel van jou tweede bundel Namens de anders vind ek baie tergend, veral na die lees van die gedig “Vreemden” waarin jy skryf:

 

Leg tussen jezelf / de ander een diepe zee en verf je haren,

hou je onhoorbaar voor elke poging tot elkaar, verzet je

tegen nadering met rotsvast uitgeproken namen.

 

Hier gaan dit blykbaar veral oor die bevestiging van ’n eie outonomie.  Maar wanneer vind jy dat dit wel geoorloof is om oor of namens die ander te praat?

 

Outonomie, in die betekenis van “selfsturend, onafhanklik” is ’n besonder vreemde, merkwaardige ding wanneer dit oor die mens gaan.  Dit is haas ondenkbaar.  Ons is sulke ingewikkelde apparate en ons vermoë om onsself te bestudeer is maar beperk, ons is so oorgelewer aan chemiese stowwe en instinkte – ek weet nie of ek dit sou waag om myself “outonoom” te verklaar nie.  Miskien is dit gewoon te ambisieus, vir my in elk geval.  In hierdie gedig is dit dan ook eerder ’n vergeefse opdrag tot daardie soort vastigheid, die oproep om veral die een ding te wees en dit desnoods te doen ten koste van ’n ander.  Dit gaan sterk oor die huidige situasie in Nederland – maar dit gaan verder as ’n enkele groep, ’n enkele tyd.  Die angs wat daaruit spreek, is nie net die angs vir die onbekende nie, maar gaan verder as dit:  dit is die angs vir alles wat vreemd is.  Dus ook jou eie buurvrou, jou eie minnaar, jou eie kind.  Self glo ek dat ek eintlik altyd namens die ander praat, dat ek – wat hierdie “ek” ook al mag wees – die toevallige verteenwoordiger is van dit wat binne my skuilhou.  Binne my verberg ek miskien ’n koor van teenstellende stemme, wie sal weet?  En intussen maak ek maar net asof ek my eie self so ’n bietjie in orde het, wat nooit werklik so is nie.  Ag, ons vertel tog sulke mooi leuentjies aan mekaar.

 

In antwoord op my vraag oor die titel van Namens de ander noem jy dat die titel ook oor die huidige situasie in Nederland gaan.  Kan jy hierop uitbrei?  In Suid-Afrika word die vraag nogal dikwels gestel of dit eties verantwoord is om namens die (kulturele) ander te praat.  Wit skrywers wat oor swart karakters skryf, moet soms kritiek verduur dat hulle hulself hoegenaamd as bevoeg sien om hulle in die ervarings van swart mense in te leef.  Self glo ek dat hierdie inlewingsvermoë in ’n multikulturele land nie alleenlik onvermydelik is nie, maar selfs baie nodig en wenslik is.

 

Wat ek bedoel met my antwoord op jou vorige vraag is dat die oproep “om die een ding te wees en dit desnoods te doen ten koste van ’n ander” te make het met wat tans in Nederland gebeur, omdat die ekonomie agteruitgaan en die regse politiek besig is om veld te wen.  Ons word dan uitgedaag om die soort Nederlanders te word wat ons na my mening nie is nie, en nog nooit was nie.  Ons moet kwansuis ’n spesifieke soort Nederlander word om ’n kloof met diegene wat nie Nederlanders is nie, aan te toon.  Blykbaar is dit dan nodig om ’n punt te maak.  Dus word daar gepraat oor aanpas en Standaardnederlands praat en om geen misbruik van die sisteem te maak nie – en so word ons dan daardeur daardie soort Nederlanders, baie keurig en vol integriteit.  Ons wil dit ook graag glo, dit is wat so merkwaardig daaromtrent is.  Dit is eintlik ook ’n aandoenlike klein eienskap.

 

Om “namens” die ander te praat, neem jy altyd ’n groot riskiko, met name as ’n verhouding al lelik beskadig is.  Maar doen ’n skrywer dit werklik, dit wil sê praat namens ’n ander?  Dit vra ek myself af.  Die skepping van karakters sou jy hoogstens kon sien as die begin van verplasing, inlewing – en uiteindelik kan nie een van die twee partye daarsonder klaarkom nie.  Wie is wel bevoeg om namens die ander te praat?  Mag mans skryf oor verkragte vroue?  Mag vroue skryf oor gay mans?  Mag gesonde mense skryf oor siekes?  Daar het eenkeer ’n gedig van my verskyn oor die verhoudings tussen ’n vader en sy seuns.  Daar was ’n man wat toe daarop reageer het.  Hy was kwaad.  Hoe kon ek as vrou dit waag om die verhouding tussen ’n vader en sy seuns op so ’n manier weer te gee?  So negatief?  Wat het ek tog daarvan geweet?  Ek was verbaas daaroor omdat ek nooit gedink het dat ’n gedig op so ’n manier gelees kon word nie.  Maar dit was ook interessant dat dit wel so gebeur het.

 

In ’n resensie van Namens de ander skryf Arie van den Berg in die NRC Handelsblad dat jou tweede bundel dikwels oor die beswering van alledaagse demone gaan.  In jou gedig “Op wacht” is daar ’n vrou wat snags na aanleiding van haar man se asemhaling dink aan die “gevangen mannen” wat in sy kop rondloop, en is daar selfs die gevaar dat een van hierdie mans (of hul gesprekke) oor “de muur” sal klim om “tussen de lakens door zijn schedel uit” te gly.  Is dit korrek om te beweer dat jy deur die verbeelding van ’n soort demonie of besetenheid wat in die gewone skuilgaan ’n kreatiewe aansporing vind vir die skryf van poësie?  Of is hier meer op die spel?

 

Ek vind Arie van den Berg se opmerking oor die “demonie van alledag” baie sterk verwoord.  Ja, ek dink dat my poësie dikwels daaroor gaan.  Dit vind asof vanself plaas as ek ’n gedagte of waarneming uitwerk.  Dit is die wens om iets sigbaar te maak van wat gemaksonthalwe verborge bly, iets wat wesenliker is as sy eie verskyningsvorm.  Maar as ek dit sê, dink ek ook: nee, nee dit is ook nie heeltemal so nie.  Ek glo nie dat ek dit bewustelik doen nie.  Ek besweer alleenlik iets, soms, waardeur dit juis gestalte kry.  Dit is moeilik om sulke dinge uit te spreek, ek skiet daarin tekort.  Dis nie werklik heeltemal so interessant nie, dink ek.

 

Die titel van die gedig “Risico’s”, ook uit Namens de ander, bied ’n verrassende blik op die gewoontes en die roetine wat vorm gee aan die daaglikse bestaan.  Ook die laaste twee reëls van die gedig versterk met die goed gekose woord “wagen” hierdie gedagte:  “We wagen ons gewoontes in, / hebben ons lief. We herhalen.”  Wil jy met hierdie gedig oor die twyfelagtige aard van gewoontes en herhaling moontlik ook iets te kenne gee oor jou siening van jou eie digterskap?  Is jy voortdurend op soek na vernuwing in jou eie werk of is daar wel plek vir herhaling en reëlmaat in jou poësie?

 

Ja, die angs vir herhaling, sleur, tradisie – dit is wel deeglik ’n kwessie die afgelope jare.  Ons verander van beroep, van lewensmaat, van woonplek, van stokperdjie.  Ons wil, so lyk dit, soveel moontlik lewens in een enkele lewe inforseer.  “Vernuwing” is een van die belangrikste woorde van hierdie periode, meen ek, net soos “eietyds”.  Dit lyk na ’n doel eerder as na ’n uitgangspunt.  Dit is natuurlik nie so dat ek herhaling nastreef nie – maar ek ervaar die geskiedenis oor die algemeen en dié van die poësie in die besonder as ’n groot see van beweging en teenbeweging.  Alles sal altyd weer omvergewerp word, daar sal altyd weer mense staan wat uitroep dat dit klaarpraat is, dat ons moet breek met die tradisie.  Dit was by die Grieke al so; dit sal altyd so wees.  Natuurlik wil ek ook nie gebruik maak van dit wat ek al klaar onder die knie het nie.  Want dan begin jy om truuks uit te haal, volg jy vaste danspatrone.  Dit is onaangenaam omdat dit jou belemmer met jou werk.  Maar die wens vir vernuwing is uiters klassiek – dit is wat gaaf is daaraan.  Bowendien:  ook as jy steeds nuwe vorme vind, nuwe ritmes, nuwe woorde – dan nog bly daar ’n reëlmaat wat jy nie presies aan kan toon nie, maar wat nietemin bepalend is.  Die groot konstante in ’n oeuvre.  Uiteindelik is dit miskien die enigste wat jy “digterskap” sou kon noem.  Dit wat ondanks alles aanwesig bly in ’n gedig, hoeseer jy ook daaraan sou wou ontkom.

 

By die lees van jou gedigte uit Servetten halfstok en Namens de ander het ek dit opvallend gevind dat liggaamlikheid gereeld ’n vertrekpunt vorm in jou poësie.  In “Zeven” (Servetten halfstok) skryf jy: “plots aarzelt mijn lichaam in zichzelf / en beschadigt zich aan nieuwe hoeken”. En in “Vertegenwoordiger”, uit dieselfde bundel, staan daar:

 

Het lichaam dat jou lijkt uit te drukken,

jou verpakt en dan in porties aan

mijn blik verkoopt, maakt de winst,

 

loopt wel binnen, doet maar alsof

het jou mag zijn, alsof het bestaat:

onverdraaglijk traag ademend ding

dat zich om je vormen wringt.

 

Is dit akkuraat om te beweer dat jy ’n gewaarwording van ’n soort onwaaragtigheid in die liggaamlike bestaan wil opteken, of is hier veel meer aan die gang?

 

Die liggaamlike duik dikwels in my werk op, dikwels in die vorm van iets hinderliks.  Ek is nie ’n intellektueel nie, ek is nie ’n denker nie.  Ek is ’n chaotikus.  Ek prutsel maar voort.  Maar my sintuie doen dit.  En hoe!  Dit verwonder my hoe ’n geur ’n belangrike beslissing kan beïnvloed, of hoe iemand se liggaam sy of haar lewe kan bepaal.  Dikwels so onbewustelik, so verskuil en magies.  Dit is ’n sterk tweeslagtige relasie wat tussen die Westerse mens en die liggaam bestaan.  ’n Ongelukkige huwelik.  Ons is ’n paar liter vog, ’n skelet, hompe vleis, vel, hare – en ons wil dit liewer nie weet nie.  Ons skeer en grimeer en skrop en verf.  “Ons sny die wolf uit ons gesig.”  Maar al daardie fantastiese, subtiele moontlikhede, al daardie onbewustelikhede dring hulle uiteindelik wel aan jou op.  En dan die beperkings waarmee jy opgeskeep is, dit is sake waaroor ek opgewonde raak.  Nee, so lyk ek tog nie, dink ek dan, in werklikheid lyk ek heeltemal anders.  ’n Bietjie minder tasbaar, of miskien skerper, as een groot oog wat kyk en kyk en kyk.  Daar bestaan wel mense wat die buitekant probeer skik aan wat hulle as hul “werklike voorkoms” beskou – dit het soms ’n baie jammerlike afloop met allerlei verminkings of grieselrige operasies.  Miskien is dit die verlange om uiteindelik saam te val met iets, om êrens tuis te voel.  Ek sou graag wou hê dat dit inderdaad so is; dan sou ek dit kon begryp.

 

Jy het opleiding in kreatiewe skryfwerk in Amsterdam voltooi met poësie as spesialisasierigting.  Vind jy dat hierdie opleiding ’n belangrike aandeel aan jou vorming as digter gehad het?  En was Servetten halfstok die eindresultaat van jou opleiding in Amsterdam? Watter ander digters het ’n belangrike rol gespeel in die vorming van jou talent as digter?

 

Dit is eintlik nogal moeilik om te omskryf wat daar by die skool vir kreatiewe skryfwerk plaasvind, al het ek tog ’n paar jaar daar rondgeloop.  Dit is miskien veral ’n versamelplek waar skrywers en aspirant-skrywers mekaar ontmoet, waar groot literatuur naas prille eie werk bespreek word, waar sake afgeleer word.  Of dit is in elk geval wat dit behoort te wees: ’n klubhuis, ’n boomhuis, iets dergliks.  Baie – byna alles – hang natuurlik af van wat die student saambring.  Ek het groot talente geken wat pragtige werk voltooi het, maar daar was ook studente wat nouliks ’n boek wou oopmaak of uitsluitlik oor hulle vreeslike moeder wou skryf.  In ’n sekere sin is dit ook die sjarme van die skool.  Dit is ’n bonte versameling, onvoorspelbaar, soms eienaardig.  Half met my tong in die kies wil ek veral die middae dat ons na die lesse die kroeg binnegevaar het, uitsonder.  Dáár het dit interessant begin word, daar is die Groot Gesprekke gevoer.  Skryfopleiding word in Nederland verder nog steeds met wantroue bejeën.  Byna alles mag jy gaan leer, daar is immers oorgenoeg kunsakademies en ambagskole; ’n fotograaf of skilder met ’n diploma is niks ongewoons nie – maar skryf val blykbaar in ’n ander kategorie.  Eintlik is dit vreemd.  ’n Bepaalde tegniese beheersing, insig in valstrikke en bedoelings, die vermoë om te formuleer waarom iets werk of haper … dit is tog voor die hand liggende sake wat jy met begeleiding kan ontwikkel.  Servetten halfstok het eers in die laaste jaar min of meer begin ontwikkel.  Teen daardie tyd was daar nie meer onderrig nie.  Ek het selfstandig aan ’n reeks gedigte gewerk, met so af en toe ’n besoek aan ’n digter vir wie ek waardering gehad het en wat saam met my gelees het en kommentaar gelewer het.  Eers ’n jaar nadat ek my studie voltooi het, het die bundel werklik vorm aangeneem, in die aanloop tot die uitgawe daarvan by Van Oorschot. 

Jy is tans een van die redakteurs van die literêre tydskrif Tirade.  Vind jy dat jou werksaamheid by Tirade ’n positiewe uitwerking op jou kreatiwiteit as digter het?

 

Tirade is ’n pragtige tydskrif om by betrokke te wees – dit het in daardie opsig op feitlik alles ’n positiewe uitwerking, behalwe natuurlik op my drankgebruik tydens redaksievergaderings.  Toevallig het ek sedert ek op die redaksie beland het nooit weer ’n gedig vir publikasie klaargemaak nie.  Om een of ander rede vind ek dit nie aangenaam nie.  Ek skryf wel so nou en dan ander tekste, flardes prosa of essayistiese werk.  Die redaksie, drie kundige here en ek, bestaan uit “wye lesers” en dit sorg daarvoor dat die hele onderneming skerpsinnig bly.  Daar is maar min dinge wat ons spesifiek onderskryf of waarteen ons pertinent gekant is – soms lewer dit idiotiese idees op vir uitgawes waarvan, dank die hemele, ook baie goeie dinge van oorbly.  Wat die poësie betref, is ek afgesien van Tirade, iets van ’n omnivoor, ’n allesleser.  Dit sal miskien ’n gebrek aan stellingname wees, maar dit bekommer my nie juis nie.  Maar ek hou daarvan om te sien hoe iets opnuut uitgevind word en weer vorm gegee word.  En ek is boonop bra wisselvallig.  Die afgelope week het ek ’n bundel van Brodsky teruggevind wat ek verlê het en laat toe die kos aanbrand toe ek daarin begin lees.  Miskien sê dit niks nie.  Maar tog.  Dat jy na jou dood nog iemand anders se middagete kan bederf, dit is vir my ’n bewys van groot meesterskap.

 

 

Die volgende nuwe gedigte (sonder titels) van Perquin het in Poëziekrant in België verskyn.

 

 

Ik kan dit verhaal maar één keer vertellen. De tweede keer dat ik het vertel

klinkt het ingestudeerd en ze houden hier niet zo van verhalen

die klinken alsof je er lang over hebt nagedacht, ze willen

plompverloren en rauw van de tong, als iets

dat ter plekke onder hun ogen gebeurt.

 

Ik kan dit verhaal maar één keer vertellen en dat valt me ongemakkelijker

dan ik van te voren zou hebben ingeschat. Het blijkt dat schuldgevoel

wel degelijk bestaat – wie had dat nu gedacht – maar ook

zou ik kunnen zeggen: het is bescheidenheid.

 

Ik kan dit verhaal maar één keer vertellen en ik vertel het daarom precies

zoals het verliep in de werkelijkheid, dat wil zeggen inclusief

hoe bepaalde personen er helemaal geen weet van hadden.

 

Ik kan dit verhaal maar één keer vertellen, ik vertel het daarom

liever in één keer goed. Ik vertel het daarom aan u.

 

Dit is het verhaal. Het verhaal begint nu.

 

 

                         ………….

 

 

Je kunt ook vinden dat alles aan de ander ligt, want

er is altijd een keuze, iedereen is altijd maker

van keuzes, iedereen is altijd maker.

 

Je kunt ook een fiets meenemen als je fiets is gejat,

niet uit wraak maar uit rechtvaardigheid.

 

Je kunt ook met biechten wachten tot een moord

is begraven, zeggen: buut vrij, zaak verjaard. 

 

Je kunt ook onthouden wie je aardig vond, als je

iemand aardig vond. Er is altijd een keuze,

iedereen is altijd maker van keuzes.

 

Je kunt een jongetje op laten groeien tot het

niet meer op een jongetje lijkt

en zeggen: man.

 

 

  •