Wisselkaarten

Alwyn Roux: Resensie “Afscheidswedstrijd” – Nachoem M. Wijnberg

Wednesday, December 4th, 2019

Nachoem M. Wijnberg. Afscheidswedstrijd (2019). Amsterdam: Uitgeverij Pluim, 110 pp. ISBN: 978-9492928511

 Nachoem M. Wijnberg (1961–) se negentiende bundel Afscheidswedstrijd (2019) het in September by Uitgeverij Pluim verskyn. Die voorblad dui die strekking van die bundel aan met ʼn doelhok, ʼn stophorlosie en groen gras van ʼn verligte sokkerveld wat uitstrek onder volmaan en sterreruim. Die titel Afscheidswedstrijd wys op die finale of laaste wedstryd van ʼn sokkerspeler. Met die titel en die stophorlosie word gesuggereer dat die einde op hande is, dat die tyd opgeraak het. C’est fini.

Wijnberg is een van Nederland se mees vooraanstaande digters. In 2009 ontvang hy die gesogte VSB-poësieprys vir sy bundel Het leven van (2008) en in 2018 die P.C. Hooftprys vir sy oeuvre. Wijnberg se werk is dan ook in verskeie tale vertaal, maar nog nie in Afrikaans nie.

Opvallend is dat 23 van die 106 gedigte “Afscheidswedstrijd” heet. Ook interessant is dat die gedigte oor dieselfde vorm beskik – vier strofes van vier versreëls elk. Dit kom voor asof die gedigte ruimtelik soos ʼn sokkerveld verdeel is, wat terselfdertyd met die tydsbestek van ʼn sokkerwedstryd skakel. Die gevolg is dat elkeen van die gedigte soos ’n kragmeting op ’n sportveld daar uitsien. Die vraag ontstaan wie die spanne is wat mekaar die stryd aansê – vergelyk die openingsgedig, getiteld “Afscheidswedstrijd” (bl. 5):

AFSCHEIDSWEDSTRIJD

 Je kwam enkel om dag te zeggen

aan wie je eerder gesproken hebt,

zie je die dan ergens? Of je wilde een afscheidswedstrijd spelen,

terwijl een dertienjarige in het publiek het beter zou doen dan jij. Je zou

erin komen

 

als jullie ver genoeg voor zouden staan,

maar dat gebeurde niet

en je begon te hopen dat jullie zo reddeloos achter zouden komen

dat je je tijd kon krijgen. Je kwam enkel om dag te zeggen aan wie je eerder

gesproken hebt,

 

waar is die dan? Toen je dertien was

hoefde je geen wedstrijd te zien,

maar omdat je ouder geworden bent

kijk je naar steeds meer wedstrijden en het is nog lang niet zo ver, maar als

je bang wordt

 

dat het de laatste wedstrijd is die je zal zien,

begin je dan later met kijken? Alsof je anderen moet vragen afscheid van je

te komen nemen

om achteraf zonder spijt te zijn

en zonder alles.

Die spreker vra na die doel om ’n afskeidswedstryd te speel wanneer “een dertienjarige in het publiek het beter zou doen dan jij”. Ook is ouderdom ʼn teenstander. Relativering is ʼn tegniek wat Wijnberg meermale inspan om die groter prentjie te laat sien – vergelyk ook die tweede gedig (met dieselfde titel) (bl. 6): “Omdat het je afscheidswedijstrijd is/ wil je dat het de beste is/ die een ander kan bedenken”. Die spreker relativeer dié glorieryke afskeid deur te wys dat dit nie net sý afskeidswedstryd is nie, maar ook dié van ander: “In de pauze wordt rondverteld/ dat het de laatste wedstrijd is van de een na de andere speler, van beide trainers,/ van de scheidsrechter”. Die kollig val dus nie net op hom soos hy voor die tyd gedink het nie, maar ook op ander, wat van die uittredende verwag om anders aan sy situasie te dink: hy is nie meer of minder besonders as enige van die ander spelers nie.

Wijnberg stel die leser dikwels aan absurde situasies voor, wat die klem plaas op die spel, alhoewel die reëls (anders as met sokker) meeste van die tyd oorskry word. In die derde gedig (met dieselfde titel) (bl. 7) wil die speler van die ander span reeds vóór die wedstryd ‘n aanvang neem sy trui met sy opponent omruil: “Je kwam het veld op en schudde de hand// van elke andere speler, ook die die tegen je speelden, en een van hen vroeg of je nu al/ shirts wilde ruilen”. Hierdie gebeurtenis laat wonder waarom sekere dinge in die eerste plek is soos wat dit is. Indien dit op een manier kan wees, waarom nie op ʼn ander manier nie? Tog, dink jy, sal dit chaos veroorsaak indien die spelers reeds voor die wedstryd truie omruil, want hoe sal die skeidsregter en die toeskouers die spanne van mekaar kan onderskei? Hierdie is maar ʼn enkele voorbeeld van ʼn absurde situasie, sonder doel.

Wijnberg is ʼn meester wanneer dit kom by die vlugvoetige taal van die verbeelding, wat met ʼn enkele woord ʼn heel nuwe koers kan inslaan as waarop die leser hom- of haarself voorberei het – vergelyk “Langzaam” (bl. 18): “omdat je zoveel kansen miste/ oefende je elke dag voor een blinde muur. Enkel in de donkerste nacht zag je makkelijk/ zo weinig als alle anderen samen”. In laasgenoemde reëls kan gesien word hoe betekenislae van die een sintaktiese eenheid na die volgende die betekenis van die versreëls verander – vergelyk: “Enkel in de donkerste nacht zag je makkelijk” versus “… makkelijk/ zo weinig” versus “… makkelijk/ zo weinig als alle anderen samen”.

Die spreker se aanvanklike uiting “omdat je zoveel kansen miste” kan met die derde “Afscheidswedstrijd” (bl. 7) (waarna ek vroeër reeds verwys het) in verband gebring word. Hierin dialogiseer die spreker die afrigter/toeskouers se woorde soos volg: “Met meer dan één blinde/ op het veld kunnen jullie nooit winnen.” Daarop antwoord die “jy”-figuur dat hy “niet blind” is nie, maar vra die afrigter/toeskouer (“ze”) waarom hy dan die bal soveel keer mis: “Je zei dat je niet blind was en ze vroegen/ waarom je de bal dan nog zo vaak miste”. Hierin kan gesien word hoe die speelbal van betekenis nie net aangegee word van een sintaktiese eenheid na die volgende nie, maar ook van gedig na gedig. Wijnberg se gedigte staan dus nie in isolasie nie, maar word ʼn uitgebreide semiotiese speelveld waar die leser self betekenisse aanmekaar moet ryg.

Wijnberg laat sien dikwels situasies wat nie onmoontlik is nie, maar onwaarskynlik.  In “De afspraak” (bl. 13) word ʼn “wat as”-situasie geskets waar al die spelers behalwe die “jy”-figuur van die veld gestuur word: “Wanneer die aan jouw kant/ één voor één van het veld gestuurd worden, stopt de scheidsrechter de wedstrijd/ wanneer jij als enige overgebleven bent/ of zelfs al wanneer er nog één ander is? Of vraagt de scheidsrechter of je wil dat hij dat doet// en zeg je dan dat je het nog vijf minuten wil proberen?” As jy die enigste speler oor is op die speelveld teen ʼn hele ander span, sal jy voortgaan met die wedstryd? Dit is seker moontlik dat so ʼn situasie hom kan afspeel, maar onwaarskynlik.

Wijnberg maak deurgaans in die bundel gebruik van sokkermetaforiek om metafisiese lewensvrae op die voorgrond te stel, maar ook te ondergrawe. In “Einde van het seizoen” (bl. 9) wys die spreker byvoorbeeld op die futiliteit of nietigheid van alle dinge vergelykbaar met die Prediker van ouds, maar met meer skop:

EINDE VAN HET SEIZOEN

 Het wordt steeds vroeger donker, maar dat moet toch ook ophouden en

omslaan,

in een andere richting verdergaan,

teruggekanteld naar de zon die alle uitslagen uitveegt. Bedroefd om wat

voorbijgaat

en je kan er niets aan doen (alsof je het zeker wil weten, al maakt dat het

dieper,

 

om er later geen spijt over te hebben). Zoals, je telt de dagen tot je terug

mag gaan

en als dat over twee dagen is

denk je, morgen is de laatste hele dag die ik hier heb. Zoals, morgen is de

laatste dag

dat ik deze zomer de zee zal zien. Zoals nog snel iets doen

 

ómdat het de laatste keer kan zijn. Je speelschema op de muur, de

wedstrijden

die je al verloren hebt doorgekruist,

zoals een gevangene zijn dagen. Misschien is een nieuw seizoen al lang

begonnen,

maar jou hebben ze niets verteld, bang als ze waren

 

dat je met dichtgeknepen ogen zou gaan rennen. Wie wil kan het seizoen

laten beginnen

met een wedstrijd die bijna nergens over gaat, de winnaar krijgt een beker

en wie die ziet staan

durft niet te vragen,

waar was die voor? Je kan net zo goed vragen waar de seizoenen over gaan.

Op soortgelyke wyse dribbel Wijnberg voort van gedig na gedig sonder om ʼn doel aan te teken. Wat op die buiteblad van die bundel as “voetbalgedichten” voorgehou word, neem ʼn totaal ander koers in as waarop die leser hom of haar kan voorberei. En daarom lees mens verder – om te weet wat volgende gaan gebeur –, maar óók terug, want dit is nie aldag moontlik om gelyktydig te prosesseer wat dié digter alles aan ons voorhou nie. Afscheidswedstrijd is ʼn bundel wat die leser se aandag van gedig na gedig by die spel van die gedig hou, sonder afskeid.

 

Delphine Lecompte. Entering Lecompte

Friday, November 8th, 2019

Entering Lecompte

 

Naast een waterzuiveringsinstallatie koop ik een papegaai van een Armeense landmeter

Precies een film of een stripverhaal

De transactie gebeurt zonder woorden, nochtans hou ik van de Armeense taal

De papegaai is verfomfaaid en zegt slechts twee dingen:

‘Ik zou wel elke dag een minderjarige fagottist kunnen vermoorden!’

En: ‘Entering Lecompte. Betreed op eigen risico.’

 

Ik neem de trein naar Brugge, aangezien ik daar woon

Vier joviale vrachtwagenchauffeurs spreken over sluizen om voetbalhooligans

Gescheiden te houden, ik hou van vrachtwagenchauffeurs en voetbalhooligans

Vandaag hou ik van iedereen, zelfs van mezelf

Ik knipoog naar mijn reflectie in de treinruit, dan kijk ik naar de tuintjes

Mooi, dapper, knullig, zielig, verbijsterend, deprimerend, surrealistisch, om hoorndol van te worden.

 

Als ik zeg dat niemand mij begrijpt, klink ik dan puberaal?

Het is nochtans zo; niemand begrijpt mij en niemand wenst mij dood

Iedereen negeert mij en iedereen is een gladde gelukkige appel etende makelaar

Ik zeg tegen mijn reflectie: ‘Vlug, zeg iets! Troost mij! Desnoods met een banale zegswijze!’

Maar mijn reflectie kent geen banale zegswijzen.

 

De verfomfaaide papegaai zegt: ‘Entering Lecompte. Betreed op eigen risico.’

Op het verkeerde moment, de conducteur kijkt me afkeurend aan

Overdag is hij proper, maar ’s nachts verkracht hij analfabetische jongenshoeren

En hypochondrische goudsmeden, hoe zou je zelf zijn?!

Zelf zou ik zo niet zijn; ik zou ’s nachts haiku’s schrijven naast een drankzuchtige zadelmaker.

 

Nu komen we aan in Brugge, de papegaai maakt zichzelf blind met een vlerk

Ik stap gezwind naar het huis van de oude kruisboogschutter

We zijn verweven en het is ziekelijk

De oude kruisboogschutter maakt een omelet voor mij

De lelijkste omelet van Europa, ik krijg ook wijn (op het etiket staat een arrogante bultrug).

 

De oude kruisboogschutter ontfermt zich over de papegaai

Hij schaft woorden af, en nu zegt de papegaai enkel: ‘Entering Lecompte.’

Dat is mooi, de oude kruisboogschutter tracht me te penetreren

Maar hij is te oud en zijn huisarts is te laf om hem degelijke erectiepillen voor te schrijven

Ik lik de penis van de oude kruisboogschutter en denk aan Jan van Eyck

Ik ken zijn sterfdatum, dan denk ik aan mijn vader en wens ik hem een zachte dood.

 

Een badkuip bijvoorbeeld, een banale hartaanval

Een kwartier voordien zat hij nog voor de televisie te lachen met Groucho Marx

Dat hebben we (hadden we) dan toch gemeen: we houden (we hielden) beiden

Van The Marx Brothers

De oude kruisboogschutter zegt: ‘Ik zie je graag, ik geloof dat het een mirakel is.’

 

 

© Delphine Lecompte 2019

 

Delphine Lecompte. Ik wil alle zoogdieren doorgronden, behalve de bedeesde zeepzieder  

Sunday, October 20th, 2019

Ik wil alle zoogdieren doorgronden, behalve de bedeesde zeepzieder

 

De bedeesde zeepzieder probeert in de zoo een neushoorn te doorgronden

Maar het blijkt onmogelijk, daarna probeert hij het met een wasbeer

Dat is simpel; de wasbeer bestaat voor veertig procent uit melancholie

En voor zestig procent uit baldadigheid, de bedeesde zeepzieder zegt tegen de wasbeer:

‘Ik heb je doorgrond, moeilijk was het niet, nu ga ik naar huis, ik moet voor mijn moeder koken.’

 

De moeder van de bedeesde zeepzieder woont naast de bedeesde zeepzieder

Ze heeft Parkinson, maar is nog steeds elegant

Ze was een koorddanseres van lage komaf, toen trouwde ze met een barse graaf

En moest ze het circusleven opgeven, de bedeesde zeepzieder werd geboren

En hij was een godsgeschenk, maar de barse graaf zag het anders;

Hij sloeg moeder en zoon met roeispanen en natte sandalen, elke dag van 23u tot middernacht.

 

De bedeesde zeepzieder schilt aardappelen en denkt aan mijn devotie voor hem

Half wrevelig, half geflatteerd

Hij zegt tegen de laatste nog ongeschilde aardappel: ‘Delphine, wat moet ik met haar aanvangen?!

Moet ik haar verkrachten? Zwartmaken? Strelen? Uit mijn leven bannen? Haar drugs geven?

Haar verkopen aan een Armeense landmeter? Op haar buik kakken? Haar kaalscheren?’

 

De kameleon van de bedeesde zeepzieder geeuwt atavistisch

En neemt de kleur aan van de roestbruine winterjas die ik hier een maand geleden achterliet

Opzettelijk, om terug te kunnen keren

Maar ik keerde nog niet terug; ik raakte plots overmand door verlegenheid

En het gaat maar niet voorbij, nu gooit de bedeesde zeepzieder de aardappelen in een kasserol

Gevuld met water, kasserol op het fornuis en wachten maar.

 

Nu even naar mij: ik eet een suikerwafel in een decadente hotelkamer

De voormalige vrachtwagenchauffeur zit verlegen op het bed

Hij is verlegen omdat ik met grote lust naar zijn penis kijk

Ik ben de eerste vrouw die van zijn penis een cultus heeft gemaakt

Ik kniel voor hem en pijp hem lacherig, orale seks heeft toch altijd iets weg van slapstick.

 

Dan wordt mijn vagina gelikt, zo fijn vind ik dat niet

Ik denk aan mijn gedichten die door kleine vieze mannetjes worden gelezen

De meesten zijn touwslagers, maar ik heb ook een lezer die scheepshersteller is

Ik doe alsof ik klaarkom en eet nog een suikerwafel

Sinds ik de voormalige vrachtwagenchauffeur ken zien mijn nagelriemen er zoveel mooier uit.

 

Terug naar de bedeesde zeepzieder: hij lepelt puree

In de mond van zijn moeder, hij is ontroerd

De kleine tanden van zijn verschrompelende moeder ontroeren hem

En mijn achtergelaten jas ontroert hem ook een beetje.

 

 

© Delphine Lecompte 2019

Delphine Lecompte. Loflied voor de tragische alpaca

Friday, October 18th, 2019

Loflied voor de tragische alpaca

 

Op de drempel van het zonnebankcentrum waar vorige week

Twee argeloze bobijnsters werden gewurgd denk ik aan de tragische alpaca

Ze heeft geen tong en kan haar jong bijgevolg niet schoonlikken

Bovendien doet ze alsof ze een herkauwer is, maar niemand trapt erin

Ik voel me verwant met de alpaca, zowel met de vrouwelijke als met de mannelijke alpaca.

 

Wacht, ik heb me vergist

De alpaca heeft wel een tong, maar ze kan haar tong niet uitsteken

Ik steek mijn tong uit naar twee passerende makelaars

De lange oogt Spaans en eet een appel, de korte praat driftig over teleurstellende pralines

Van de Aldi, ik ken die pralines en zo slecht zijn die niet

De makelaars negeren mij, ik word vaak genegeerd door makelaars en ander gespuis.

 

Ik drink een fles rode wijn en eet een zak paprikachips

Ik tracht altijd gelijkaardige kleuren te eten en te drinken

Je kan dit een neurose noemen, je kan zoveel

Een ordinaire touwslager vraagt of ik mijn ziel aan hem wil verkopen

Ik antwoord ietwat bitsig (en waarheidsgetrouw): ‘Ik wacht op een knappere duivel.’

 

Een doordeweekse baggeraar tilt me op en draagt me naar zijn huis

Hij verkracht me tussen posters van arenden en bierreclames

Zijn huisdier is een angstige parkiet, Béla Lugosi genaamd

Hoe pretentieus, en verschrikkelijk onnodig

De penis van de baggeraar lijkt op een uit de hand gelopen zeevruchtenpizza.

 

Nu neem ik een douche en denk ik opnieuw aan de tragische alpaca

Die haar jong koste wat kost wil schoonlikken, maar de tong werkt niet mee

Na de douchebeurt pijp ik de baggeraar zonder morren

Het is mijn initiatief en niemand heeft er zaken mee

Béla Lugosi kwettert incoherent, de baggeraar zegt: ‘Negeer hem, hij is dement.’

 

Ik verlaat het huis van de baggeraar en betreed de supermarkt

Ik koop tien kuipjes smeerkaas en twaalf voorverpakte broden

Ik deel het voedsel uit, maar niemand noemt me Jezus

Of zelfs maar iets in die richting

Ondank is ’s werelds loon, zoals ze in de Saffierstraat zeggen.

 

Zes jaar en vierentwintig dagen geleden was ik voor het laatst gelukkig

Ik zat in een reuzenrad in de buurt van Moskou, en een bloedmooie alchemistische trompettist

Knipoogde naar mij, een beetje later sprong hij naar beneden

Ik keek mijn ogen uit en riep: ‘Waarom heb je dat gedaan??

Ik wilde mijn ziel aan je verkopen! Mijn ziel!!’

Sindsdien is het bergaf gegaan met mij, and that’s God’s honest truth.

 

 

© Delphine Lecompte 2019

 

 

Delphine Lecompte. Tomatensap en sereniteit

Monday, October 14th, 2019

Tomatensap en sereniteit

 

Mijn dag begint met tomatensap en sereniteit, maar ik kan het niet lang volhouden

Nog voor de middag is er al wodka in mijn tomatensap gesukkeld

En lig ik te vechten met een walvisvaarder in een veel te klein bed

De bedden van walvisvaarders zijn altijd te klein, misschien bereiden ze zich voor

Als ze verzwolgen worden door een walvis dan weten ze hoe zich te manoeuvreren.

 

De walvisvaarder penetreert me met misplaatste trots

Ik vraag: ‘Bestaat er veel jaloezie tussen walvisvaarders?’

Hij lacht gemeen, wat ik interpreteer als ja, er bestaat veel jaloezie tussen walvisvaarders

Ik vraag: ‘Heb je veel slaag gekregen van je ouders?’

‘Vooral van mijn moeder. Ze was een bittere degenslikster. Ze had vijf zussen,

Die waren hartelijk en vrijgevig, ze werkten alle vijf in een frituurmandenfabriek.’

 

Ik pijp de walvisvaarder verlegen, mijn kaken produceren klakkende geluiden

Alsof iemand naast het bed aan het tapdansen is

Ik vind tapdansers soms bespottelijk, en op andere momenten vind ik ze briljant

De walvisvaarder komt klaar in mijn mond, hij zegt: ‘Ik hoor een sirene.’

We staan op en zien een ambulance in de Biddersstraat, een oude vrouw wordt

Op een brancard gelegd, ze is fier op haar hulpbehoevendheid.

 

Ik loop naar buiten en ontferm me over haar profetische teckel

Ik vraag aan de teckel: ‘Zal ik nog leven in 2023?’

Hij zegt: ‘Ja, maar je zal geen benen meer hebben. En je zal een moordenares zijn.’

‘Dat is oké, wat telt zijn mijn ogen en mijn longen.’

Ik neem de profetische teckel mee naar mijn huis en geef hem halfzachte kaas van de Pyreneeën.

 

Ik drink rode wijn en schrijf een gedicht over mijn belevenissen met de walvisvaarder

In feite was hij erg zwijgzaam en onvriendelijk

Dat zijn moeder een bittere degenslikster was is natuurlijk een verzachtende omstandigheid

De oude kruisboogschutter tikt op de ruit, ik laat hem binnen

Hij zegt: ‘Ik ben bezeten van jou. Laat me toch je borsten strelen.’

 

Ik laat de oude kruisboogschutter mijn borsten strelen

Ik vraag: ‘Ben je nu tevreden?’

Hij glimlacht achterlijk, de profetische teckel zegt: ‘In 2022 zal je de oude kruisboogschutter

Vermoorden. Het zal in een opwelling gebeuren, met een zeeflepel.’

We negeren de teckel en kussen elkaar.

 

Dan vertrekt de oude kruisboogschutter en werk ik mijn gedicht af

Het is een bijzonder slecht gedicht

Het begon sereen, maar toen schoot het alle kanten uit

En nu haat ik mezelf een beetje.

 

©Delphine Lecompte 2019

 

Annemarie Estor. Zelfontsnapper

Friday, October 11th, 2019

 

Zelfontsnapper                                                                       

 

 Nog nooit hadden we een lijk gekust.

 

We bewapenden hele bataljons strontvliegen

met liefde en tuberculose.

 

We vochten.

We verachtten de dood in de bergen

zozeer dat we naar bewijzen zochten

dat we leefden.

 

Onder het fluweel,

onder de stenen,

het gif opsnuivend,

baby’s bolle wangen.

 

De geur van geïmpregneerde tenten.

Het verscheurende nut van dansen.

Het ding dat onder onze polsen omhoog kroop.

Het stof rond de brandstofdop.

 

We explodeerden in elkaar.

 

Het leven was een eindeloos schadeformulier

en baby’s bolle wangen.

 

We gingen dieren binnen

om te kunnen voelen waar hun gehuil vandaan kwam.

 

We wiedden distels

om de eenzaamheid niet te hoeven voelen.

 

Vlinders wisten niet meer waar te gaan.

 

We waren blind geworden voor winkels.

Hebben en geld diende nergens meer toe.

 

Nu we geen wimperextensions meer wilden,

specialiseerden we ons in zelfontsnapping.

 

We lieten iemand komen, een man met een

zwart fluweel waaronder lichtgevoeligheid.

 

De man dook onder zijn doek

blind voor licht, ziend voor liefde.

 

Hij schoot op ons.

Op het eeuwige lied van de kuddedieren.

Op schokkende middenriffen en zorgwekkende harttonen.

 

De man onder het doek

zag hoe ze kwamen om de lucht te stelen.

 

Hoe de hommel sliep

in de paarse artisjokkenbloem.

 

De hommel wilde niet afspreken

in appartementen van vrijgezelle mannen.

 

De strijder

die het haar vlechtte van de strijder

zong loj loj loj

en vlechtte met distels een kroon.

 

De vallei was volgestroomd met auto’s.

 

We stalen de stank van de steen.

We bewaarden hem in onze diepste broekzakken.

De stank van de steen was onze enige schat.

 

We bouwden de torenvalkennestkast om

tot een nestkast voor de steenuil

want de torenvalken zaten in de torenvalkpastei

en de steenuil was gekomen om de lucht te stelen.

 

En iedereen bestal iedereen

en dat was prima zo.

 

Tijdens het stelen leek het even

dat we weer leefden.

 

Ooit hadden we tuberculose

en lief.

 

En verachtten we de dood in de bergen.

 

© Annemarie Estor

 Antwerpen, Oktober 2019

Yves T’sjoen. op weg na gû (variant op kû)

Monday, September 16th, 2019

op weg na gû (variant op kû)

(een gelegenheidsfragment memorabilia)

Yves T’Sjoen

Ik herinner mij het voorval alsof het de dag van gisteren was. Aan de Universiteit Gent doceer ik intussen enkele jaren een introductiecursus, een soort panorama, van de Afrikaanse letteren. Naast de studenten Talen en Culturen (Afrikanistiek) krijgen de neerlandici in de bacheloropleiding de kans zich te verdiepen in de Afrikaanse taal- en letterkunde en ze worden verondersteld aan Afrikaanse taalverwerving te doen. Ieder academiejaar wordt aandacht besteed aan de politieke en maatschappelijke geschiedenis van Zuid-Afrika, historische ontwikkelingen van het Afrikaans, cultuur en literatuur. Met behulp van de taalverwerving moeten studenten in staat zijn een Afrikaanstalig boek te lezen. Zij schrijven daarover een persoonlijk leesverslag.

In mijn cursus is uitgebreid aandacht voor de Sestigers. Naast een profielschets van de groep die begin jaren zestig een nieuwe impuls gaf aan de Afrikaanse literatuur, belicht ik enkele canonieke figuren, onder wie Breyten Breytenbach, André Brink, Etienne Leroux, Jan Rabie en Adam Small. Op 3 december 2014 was ik in de collegereeks toegekomen aan het hoofdstuk over Sestig. Het was een uitzonderlijke dag. Niet omdat ik buitenzinnig geïnspireerd was of de studenten liet delen in een zeldzame epifanie. Het was omdat die avond in de Aula de plechtigheid plaatsvond waarnaar de universitaire gemeenschap al zo lang uitkeek: de uitreiking van de eredoctorstitel aan Breyten Breytenbach. Ik weet nog precies welk boek in de besprekingsfase in aanwezigheid van mijn decaan aan de toenmalige rector is overhandigd: End Paper (in Nederlandse vertaling: De andere kant van de vrijheid) van Breytenbach. Het hybride boek, aangeduid als “Essays en werkboek”, neem ik sindsdien geregeld mee om verder te grasduinen, mij te laten inspireren, gedachten van Breytenbach met anderen te delen. De rector heeft het verzoek ruimhartig gehonoreerd zodat de lange voorbereiding van het feestelijke moment van start kon gaan. De ceremonie had plaats aan de vooravond van het colloquium “die taal se stiltes”, naar een gedicht van Breytenbach, de start van een reeks met symposia, schrijversoptredens en workshops. Sindsdien heeft in Gent elk jaar in oktober een conferentie plaats van het Centrum voor het Afrikaans en de Studie van Zuid-Afrika.

Met Breyten was vooraf een afspraak gemaakt. In de vooravond zou ik hem ophalen in het hotel en met de taxi naar de Aula brengen. Ik veronderstel dat wij elkaar nog niet eerder hadden ontmoet. Toen ik in het auditorium voor de studenten sprak over Sestig, de antiapartheidsstrijd in Zuid-Afrika en eindelijk enkele gedichten van Breytenbach voorlas, gebeurde iets bijzonders. Ik had er niet bij stilgestaan dat de schrijver al in de vroege namiddag in de stad was – we hadden immers onze afspraak. Het ging boven mijn veronderstelling dat de schrijver op de campus aanwezig zou zijn, in dat labyrint van leszalen en auditoria. Je moet immers al goed wegwijs zijn om de leslokalen te vinden. Net toen ik over Skryt. Om ’n sinkende skip blou te verf uitweidde, de bundel die bij Meulenhoff (Amsterdam) verscheen en het Nederlandse debuut van Breytenbach is, ging de deur van het statige auditorium in de Rozier open. Het was een openbaring, in de meest fysieke zin van wat een openbaring kan zijn. De schrijver Breyten Breytenbach trad binnen en ging discreet tussen de studenten plaatsnemen. De aanwezigen waren zich niet bewust van dat bijzondere moment. Ik onderbrak mijn verhaal, perplex en nog helemaal verrast door de blijde intrede. Ik heette Breyten Breytenbach van harte welkom, en liet de studenten verstaan dat zij getuige waren van een even bizar als spectaculair ogenblik, iets onvergetelijks. De schrijver, over wie ik met gloed college stond te geven, was in levenden lijve aanwezig in het leslokaal. Het was mij niet eerder gebeurd en het zal ook nooit meer gebeuren. Het voorwerp van de uiteenzetting, de auteur van die prachtige gedichten, de man met een levensverhaal als een spannende roman, was deelgenoot van een universitair college waarin de intussen bedeesde docent over diens werk sprak. Natuurlijk had ik Breyten moeten vragen enkele gedichten te lezen, en om evidente redenen had ik hem het woord moeten verlenen. Het zijn gedachten achteraf. Voor een optreden was de schrijver niet langsgekomen. Na een poosje stond hij in alle discretie weer op en verliet met de zachte tred waarmee hij het auditorium had betreden de intussen gewijde ruimte. Het was in dat auditorium, zoals Paul Snoek dichtte, “een beetje bijna heilig zijn”.

Deze anekdote draag ik sindsdien mee als een levende warme herinnering. Het blijft ongelooflijk dat de eminente schrijver, niet vertrouwd met het grondplan van de universitaire gebouwen, mijn collegezaal überhaupt heeft gevonden. Dat hij op het tijdstip van dat college, op het moment dat Sestig aan bod kwam, is komen opdagen. Dat hij op zoek is gegaan. Ik spreek met studenten wel eens over het oeuvre van levende schrijvers, maar ze komen niet onaangekondigd langs – laat staan uit Parijs – wanneer het hoorcollege plaatsheeft waarin hun werk ter sprake komt.

Die avond in de Aula, wanneer Adriaan van Dis zo schitterend sprak en Laurens van Krevelen gedichten las, heeft voor mij een bijzondere betekenis. Niet uitsluitend omdat Breyten Breytenbach aan mijn alma mater de titel van doctor honoris causa ontving, of omdat hij na een indrukwekkend dankwoord intussen gekoesterde beschilderde “klippe”, met een ongelooflijke symboolwaarde, aan de rector en mij overhandigde. Wat niemand in de Aula wist, behalve de bevoorrechte studenten Afrikaans, was die vreemde ontmoeting enkele uren eerder.

Nog steeds kan de audiovisuele opname worden geraadpleegd van de plechtige avond. De foto’s dateren van die avond in december. De informele en niet geplande ontmoeting van Breytenbach met de Gentse studenten is evenwel niet vastgelegd. Voor mij blijft dit een herinnering waaraan ik mij verwarm, zoals die handdruk van Mandela in Kaapstad in 1996. Ik weet zeker dat de studenten, intussen gediplomeerd en vijf jaar met andere besognes in de weer, zich dat heuglijke moment herinneren. Tegelijk is het tekenend voor Breytenbach dat hij de moeite deed mijn dag te verblijden, op zoek is gegaan en in mijn les verdwaalde. Een dag van schoonheid. Het tekent de mens achter de bevlogen en productieve kunstenaar, de warmte en de vriendschappelijkheid. Ik voelde toen, verscholen achter het katheder, menselijke warmte. Er is daar en toen een vriendschap ontkiemd waarvoor ik alle goden en engelen, niet alleen de decaan en de rector, nog elke dag prijs. Woordvogel was neergestreken in Gent en sindsdien is hij nooit meer weggevlogen.

De opname van de ceremoniële plechtigheid in de Aula van de Universiteit Gent kan hier worden bekeken: https://www.youtube.com/watch?v=x70_9_OAkII&feature=youtu.be&list=PLQ3LcTBBJ4VNgNzHQgxcVcsuL3o7Scjey

Yves T’Sjoen. Montreal in Bloemfontein

Sunday, July 7th, 2019

Montreal in Bloemfontein

Charl-Pierre Naudé refereert in een reactie op Versindaba aan een heel bijzonder moment tijdens het Bloemfonteinse kunstenfeest van de afgelopen week. “What can Lit do? Canadian Writers talk”.

Gilbert Gibson

Op vrijdag 5 juli vond tijdens het Vrystaat Kunstefees een door de Canada Council for the Arts gefaciliteerd gesprek plaats met vier Canadese schrijfsters. De brochure kondigt aan dat “verskille in literatuur-strominge” aan bod komen. De Engelstalige jonge Canadezen reflecteerden in een orkestratie van moderator-dichter Gilbert Gibson over “hul uiteenlopende begrippe van ’n nasionale letterkundige tradisie, hoe hul eie skryfwerk en lewenservaringe oorvleuel of kapsies maak teen die dominante narratief van letterkundige verwagtinge”.

 De schrijversprotagonisten Paige Cooper, Kayla Czaga (dochter van een geëmigreerde Hongaarse vader), Klara du Plessis en Kim Fu wisselden van gedachten over tendensen in contemporaine Engelse literatuur van Canada en weidden uit over eigen werk (proza en poëzie). In het rustieke decor van de Kanselierskamer richtte het gesprek zich op het verdeelde taallandschap, de Franse en Engelse literaire scenes in het Noord-Amerikaanse land die nauwelijks of niet met elkaar interageren.

Klara du Plessis

De schrijvers erkenden volmondig dat tendensen in de francofone literatuur, in het anderstalige gebied, aan hun aandacht ontsnappen. Geen wisselwerking tussen de taalgebieden. Het is makkelijk pleiten voor meertaligheid, de praktijk in de realiteit duidt doorgaans op een ander fenomeen. De vaststelling tijdens het onderhoud strookt met de taal- en literatuurgebieden in België, wellicht het enige land ter wereld dat gescheiden is door een taalgrens en beschermd door taalwetten. Het culturele akkoord tussen Vlaanderen en Wallonië is van recente datum, lang nadat de Vlaamse gemeenschap soortgelijke samenwerkingsverbanden tot stand bracht met het dichter en verre buitenland. Talige diversiteit is in verschillende werelden een fata morgana en blijft dode letter. Dit is geen moraliserende veroordeling maar een observatie.

En toch. Ik ben gunstig gestemd. Het kunstenfestival is niet uitsluitend op Afrikaans gericht en moet veeleer als inclusief worden voorgesteld.  Het presenteert een internationaal gezelschap van dichters en prozaschrijvers. Het valt wellicht aan te bevelen in de toekomst ook de meertaligheid en de culturele diversiteit van Zuid-Afrika te laten zien: literaire auteurs die in andere inheemse talen hun pad banen in de literatuur. Met simultaanvertaling of in Engels als lingua franca moet een dergelijk gesprek mogelijk zijn. Deze optie zal een aanzienlijke dimensie toevoegen aan dit Zuid-Afrikaanse culturele en literaire feest.

Naast Nederlandstalige auteurs tekende zoals vorig jaar ook nu weer een delegatie uit Canada present in de Vrystaat. Deze organisatorische keuze getuigt van een open beleid met belangstelling voor dialogen tussen schrijvers en literaturen. Revelerend zijn Ekke van Klara du Plessis, een tweetalige bundel (Afrikaans en Engels), en Paige Coopers prozadebuut Zolitude, korte verhalen gedrenkt in sci-fi en fantasy. Ook de twee andere dichters Kim Fu en Kayla Czaga boeiden het publiek met hun soepele bespiegelingen over de stand van de Canadese (Engelse) literatuur. Er roert en broeit wat in de literaire scene.

Gescheiden door duizenden kilometers, op het verhoog van een Vrystaats kunstenfeest, kwam in verschillende gesprekken een dialoog tot stand tussen Canadese, Zuid-Afrikaanse en Nederlandstalige auteurs. Getalenteerde jonge schrijvers die het publiek inzicht verleenden in de wijze waarop zij met literatuur aan de slag gaan, de relevantie van literatuur in een maatschappelijke context, in het panorama van het literaire bedrijf op drie verschillende continenten. De transnationale en meertalige ontmoetingen geven blijk van een open vizier, van een doordacht programmatorisch beleid, van aandacht voor strekkingen die zich elders in de wereld manifesteren. Waar de schrijver zich ook bevindt, spelen vergelijkbare besognes, de worsteling met taal, de reflectie over mens en samenleving in literatuur.

Genreverschuiving, vooral de ontwikkeling van hybride genres, is een patroon dat in verschillende taal- en cultuurgebieden op de voorgrond treedt. Het internationale vertoog over jonge literaire producties, in Canada, Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika, kreeg een megafoon aangereikt op het Kunstefees. Het is dankzij de bemiddeling van de Zuid-Afrikaanse en Canadese debutant Klara du Plessis, auteur van de in Canada gepubliceerde dichtbundel Ekke, dat de Canadian Council betrokken is bij het culturele feest en schrijvers kon uitnodigen.

Dankzij de pertinente en bijwijlen ironische en speelse interventies van Gilbert Gibson loste het breed opgezette debat met de Canadese schrijfsters de verwachtingen in. Montreal kwam dichterbij in Bloemfontein. Corneli van den Berg, de ondernemende coördinator van het letterkundige programma, doet er goed aan de ingeslagen weg verder te bewandelen. Teksten en schrijvers zwemmen nu immers buiten het taalgebied waarin de literaire productie tot stand komt. Montreal, de titel van de Vlaamse schrijver Pol Hoste (een schitterend boek over diens residentieverblijf), is in Bloem nu ook een metafoor geworden voor de inspirerende productiviteit van transnationale schrijversontmoetingen. De volgende dagen lees ik in mijn schrijversresidentie in Pretoria de verzamelde boekuitgaven.

Yves T’Sjoen 2019