Bernard Odendaal.Willem van Toorn se digterlike blik op 2 Suid-Afrikaanse skilderye

Willem van Toorn, doyen van die Nederlandse digkuns, sluit hom na wat verneem word binnekort as blogger aan in die Wisselkaarten-portaal van die Versindaba-webtuiste.

Verlede jaar het Van Toorn, wat oor dekades heen bekendheid verwerf het as onder meer boeiende landskapsdigter, saam met die Vlaming Luuk Gruwez (eweneens ‘n blogger in Wisselkaarten) ‘n besondere bydrae gelewer tot die visuele en woordkunsuitstalling ALLOOI. Ek het in vorige blogbydraes een en ander oor dié uitstalling geskryf wat, behalwe by verlede jaar se eeufeessimposium van die SA Akademie vir Wetenskap en Kuns en die Volksbladkunstefees van 2009, by vanjaar se Woordfees op Stellenbosch te siene was.

Van Toorn, wat Suid-Afrika al meer as een keer besoek het, is genooi om gedigte te skryf na aanleiding van die twee skilderye uit die kunsversameling van die SA Akademie wat hierna vermeld en afgebeeld word. Ek het hom ook voorsien van beskikbare sekondêre materiaal oor die twee skilders, hul oeuvres en die betrokke twee werke.

Die resultaat was “De andere blik”, ‘n reeks van drie gedigte wat nie net met die betrokke skilderye en/of skilders in gesprek tree nie, maar ook met Johann Lodewyk Marais, voorste “groen” digter in Afrikaans.

Van Toorn se landskapgedigte verklap telkens ‘n besef van die meervoudige gelaagdheid van die (deur sowel kultuur- as natuurkragte gevormde) omgewing – asook van die veelvoud van moontlike perspektiewe daarop. So ook hier.

  • Deel I vertolk die blik, déúr die visioenêr-simboliserende raam van Skotnes se werk, van ‘n nog haas onbegrypende, maar verwonderde uit die “geordende” noordelike halfrond (wat Van Wyk Louw die “helder Weste” sou noem) op die “donkere landschap” van “magiese Afrika” (om weer Van Wyk Louw aan te haal). Die stokstertmeerkat-beeld suggereer die versigtigheid én vereenselwiging wat sy verkenning van dié suiderland vol skreiende teenstrydighede kenmerk.
  • In deel II word die perspektief verbeeld van ‘n inheemse blanke wat bewapen én belas is met historiese en wetenskaplike, maar ook digterlike (ge-)wete. Hy is ‘n gekwelde, “verlegen geleerde” wat dus óók ‘n klap weghet van die “helder Weste”, maar ontredderd leer staan het voor die Afrika-geweste wat sig as ‘t ware teen sy blik verset. Hy streef in alle erns om ‘n nuwe, liefde stigtende houding daarteenoor te verwerf, terwyl hy byna naïef bly glo dat “denken / en de zachte kracht van de poëzie” tog nog ‘n deurslaggewende rol hierin te speel het.
  • Dan, in deel III, volg iets teenoorgestelds: ‘n kolonialistiese perspektief. Die gemaksugtige, selfversekerd dominerende, eintlik ewe naïewe houding van die “meester” (kolonialis én kunstenaarsubjek), wat skaars bewus is daarvan dat hy daardeur ‘n buitestander bly. Dit verteenwoordig ‘n blik uit die verlede: “Hoe het toen was.” En dié soort kyk behoort tot daardie verlede. ‘n Nuwe tydvak het onherroeplik aangebreek.

 

De andere blik

  • I. Bij Mountain fastness van Cecil Skotnes
Mountain fastness. Cecil Skotnes
Mountain fastness. Cecil Skotnes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik met mijn noordelijk landschap

meegevoerd in mijn hoofd: het uit aarde

en water geordende, de strenge

sloten door polders, de sappige moestuin

zo klein en bedijkt dat hij bijna

onvindbaar is op mijn halfrond.

 

Ik dus – ik staar als een kind

mij dit donkere landschap in,

ik volg de verhalen, de paden

door een ordening die ik niet ken

 

en lees met mijn blik van stokstaartje

de wuivende velden, struisvogels,

de krantenkoppen van doodslag,

stinkwood, de lieve dorpsnamen

(Broodsnyersplaas, Sterkstroom, Volksrust),

heuvels en zachte drinkplaatsen

waar de dood in de schaduw wacht.

 

  • II.

                        Voor Johann Lodewyk Marais

 

Hoe dit voorvaderland terug te geven

aan ooit van hun grond verdrevenen –

niet in termen van boekhoudersdenken:

zoveel randen florijnen per roe.

 

Wie werkelijk weten wil hoe

moet op zoek gaan naar oude tekens

verhalen van donkere vaders

van dode dochters en moeders

om de zoons met een kleine buiging

hun erfdeel voor te leggen:

kijk, compleet met woestijnen en tuinen

het land dat je kind leert spellen,

het land waar je vee zal grazen.

 

Zo werd het mij verteld

door een verlegen geleerde,

goedwillend geograaf en dichter

wiens eigen voorvaders versteld

van zoveel vermeende leegte

meetstokken en buksen uitlaadden

aan de rand van een blauw veld

en alsof er zelfs geen hond leefde

zichzelf het land toebedeelden.

 

Hij wees het mij ernstig aan:

de berg met de gouden wijngaard,

daarachter het pad door het bos

(olifanten steken daar over)

waar de koude bergnevel plots

de stenen ijsglad kan maken,

maar eerst nog de blikken daken

van de hutten, waar toen hij kind was

het zwarte werkvolk gehoorzaam

in de vallende schemering heen liep

als de avondklok werd geluid.

 

Ik met mijn ordelijk landschap

waarin iedereen overal heen mag

als hij maar heeft betaald  –

ik wilde wel met zijn ogen

op zijn nieuw gevonden kaart

de tekens mee kunnen lezen

die zijn wetenschap aanbracht, om even

te kunnen geloven dat denken

en de zachte kracht van de poëzie

het zeker zullen winnen van de haat.

 

  • III. Bij de landschappen van Adolph Jentsch (1888-1977)

 

Adolph Jentsch: Suidwes-Afrika
Adolph Jentsch: Suidwes-Afrika

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  • Adolph Jentsch: Suidwes-Afrika

 

Hoe het toen was.Men plaatste de ezel

neuriënd vroeg in het veld en wachtte

tot de zon de juiste stand bereikt had

en dan begon het werk. De aquarel

 

zette het landschap om in een licht handschrift

dat om een kijker vroeg die lezen kon

en in het wit de immense ruimte ervaren

waarin de meester had gezeten – wit

dat geen leegte betekende maar bevend licht

boven een aarzelende horizon.

 

Wellicht een knecht die de ezel droeg,

 beesten wegjoeg en koel water haalde?

Zeker een vrouw met brede heupen in de keuken.

O, het leven had beslist zijn zorgen

(een wereldoorlog heel ver in Europa)

maar nog geen mens die morrelde aan de grondslag:

 

het landschap dat wachtte op de blik

van de man achter zijn ezel, altijd weer

aan de rand van de natuur, maar met

zijn veilig huis achter zijn rug. Alles kende

 

zijn eigen aparte plaats, zeker in Brack,

‘n verlate melkery, veertig myl

ten suide van Windhoek.

                                          Men zit

aan tafel, spreekt met vrienden, eet

‘n heerlijke maaltijd, drinkt nog een glas

goede wijn op de stoep.  Binnen

in de klok staat de tijd stil. In het album

verbleekt van alle foto’s traag de kleur.

Morgen gaat de geschiedenis beginnen.

 

 

Bernard Odendaal

Departement Afrikaans en Nederlands, Duits en Frans

Universiteit van die Vrystaat

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Bernard Odendaal.Willem van Toorn se digterlike blik op 2 Suid-Afrikaanse skilderye”

  1. Met aandacht de blog doorgenomen. Heel, heel mooi. Viel er op toen ik zocht naar Adolf Jensch en zijn landschappen. Fan van Willem van Toorn. Kreeg zijn laatste bundel “bezweringen” cadeau en ben onder de indruk van deze dichter.
    Ik nam de vrijheid om twee van zijn gedichten op te nemen in mijn blog met poëzie en enkele merkwaardige fragmenten uit mijn geprefereerde literatuur. Te bekijken op http://www.ingewijde.blogspot.com

  •