Louis Esterhuizen. Wanneer digters begin kuier …

Indien daar nou één Nederlandse digter is wat ek graag sou wou ontmoet, is dit Piet Gerbrandy; daardie man met die meer-as-voldoende weglêsnor. Want alles wat ek van en oor hom te lese kry, oortuig my daarvan dat hierdie ‘n persoon is met wie ek graag ‘n fles of twee van die beste rooikoeldrank sou wou wegwerk …

Nietemin, via ‘n skakel by ooteoote beland ek op Vrij Nederland se webtuiste De Republiek der Letteren & Skonekunsten waar daar pas ‘n onderhoud geplaas is wat Sander Pleij en Jeroen Vullings met sowel Gerbrandy as Ilja Leonard Pfeiffer gevoer het oor hul mees onlangse publikasies. (Pfeiffer is natuurlik ‘n ietwat meer kontroversiële, dog eweneens enigmatiese digter.) Hoe dit ook al sy: hierdie is beslis van die meer vermaaklike (en insiggewende) stukke wat ek die afgelope tyd op die internet te lese gekry het.

By wyse van illustrasie die volgende uittreksels:

Uw zelfhulpboek leest ook als uw literaire autobiografie.

Pfeijffer: ‘Klopt. Ik vertel álles wat ik de afgelopen veertien jaar heb meegemaakt in het wereldje. Zo werd het een professionele biografie: mijn jeugd en minnaressen blijven buiten schot.’ Gerbrandy merkt gnuivend op: ‘Dat zou bij mij heel saai worden.’

Uw professionele werkzaamheden of uw activiteiten met minnaressen?

Gerbrandy: ‘Beide! Mijn curriculum vitae is uitermate saai. Geen sappige verhalen, geen literaire ruzies, of althans te weinig.’ Pfeijffer reageert meewarig: ‘Jij bent altijd maar gewoon aan het werk, toch?’ Hij voegt daaraan toe, met een priemende vinger op het onaangeraakte vaasje voor Gerbrandy’s snor: ‘Drinkt ook niet sportief mee.’ De inhoud van zijn eigen glas verdwijnt soepeltjes achter de huig. Gerbrandy, tevreden: ‘Ja. Ik ben een schrijver die zich houdt aan het Benedictijnse stabilitas loci. Ik zit gewoon op mijn plek en vind het normaal om vijftig jaar lang hetzelfde te doen.’ Dan, op zachte toon: ‘Ik heb het literaire milieu nooit opgezocht. Ik heb het altijd een beetje op afstand gehouden. Dat bevalt me het best.’

Nee, schudt Pfeijffer, néé. ‘Ik ben even gestopt met recensies. Als je voor de derde keer een bundel van Astrid Lampe moet bespreken – ik noem expres iemand die ik erg bewonder – dan denk je: ik heb alles al gezegd. Dat wordt natuurlijk nog erger als je voor de derde keer een bundel voor je krijgt van iemand waar je niks mee hebt.’

En oor die kwessie van negatiewe resensies:

Gerbrandy: ‘Ik vind het juist leerzaam als mensen nare of boze stukken over mij schrijven. Als dichter heb je tenslotte een tunnelvisie op je eigen werk en dan is het verhelderend als lezers reageren die het naar jouw idee helemaal verkeerd begrepen hebben of er iets uithalen dat je zelf niet gezien had. Zeggen ze dat het níét goed is, prima. Op het moment dat ik mijn werk de deur uit gedaan heb en het naar de drukker is, verlies ik mijn belangstelling ervoor. Ik weet nog dat mijn eerste bundel thuisbezorgd werd in een doosje van de drukker: ik heb het niet eens opengemaakt.’
Pfeijffer: ‘Ik heb me minstens zo vaak geërgerd aan positieve recensies als aan negatieve. Ik word woedend als mijn boek niet serieus genomen wordt. En als er dan om totaal verkeerde redenen vijf sterretjes gegeven worden. Heel beledigend.’

Maar, dit is ‘n lang relaas van dié besonderse ontmoeting wat by die café de Zwart plaasgevind het. Gaan lees gerus die volledige verslag op VN se webtuiste. (Terloops, die publikasies wat ter sprake is, is: Piet Gerbrandy, ‘De gong & de rookberg. 
Intrigerende materie van H.H. ter Balkt en Jacques Hamelink‘, Historische Uitgeverij, en Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Hoe word ik een beroemd schrijver? Een literair zelfhulpboek‘, 
De Arbeiderspers.)

Vir jou verdere leesplesier kon ek gedigte van Piet Gerbrandy by De Rottend Staal opspoor en van Ilja Leonard Pfeiffer by DBNL. Ek plaas een van elk hieronder.

***

Piet Gerbrandy

Piet Gerbrandy

Hun boren valse bellen in hun oren.
Hun likken met nikkelen tong.
Hun verlakken hun brauwen en lokken.
Hun lijmen glanzende klauwtjes.
Hun lijven wie verstijven in tot zog.

In klei wroet gewei naar verblinding.

Hun raggen hitten af in gitten bedding.
Hun blazen hun tepelhof op.
Hun baarden baren haters van de vaak.

In veen hapt lijk naar ontbinding.
In turf smeedt vlam zich een ring.

Beregend zij de tucht van hun steppen
hun hoeven brandschattende schoot.

© Piet Gerbrandy, 2003
eerder gepubliceerd in Raster #101, voorjaar 2003, 186-189

***

Wat

 

Ilja Leonard Pfeifferwat als waarom van de wie ook maar wankelt

en bleek wordt berust dat rivieren niet klimmen?

wil het niet weten en stoot als een ezel

zweef als een steen door de spiegel van kan niet

met een hand voor je ogen en was in je oren

zoek draken op vleugels en dood ze met vuur

en twee machtige woorden die je nu nog niet kent

zing zachtjes en moedig op donkere paden

de ballade van helden mijn hart is mijn hart en we gaan

niet naar huis en schaaf aan je naam tot hij machtig en mooi

wordt gefluisterd zeg vrouw tegen vrouwen

probeer van mij nimmer te houden wat wacht wacht urgenter

vaag is u mijn vuur dat ik daal in de krochten

onder het dwingende vaandel van droom onder mensen

 

wat als het waar van de weet niet wat wegwuift

en rood wordt beschaamd dat mislukt wat gepoogd wordt?

weet het met trots en val fraai als een ruisende woudreus

drink bruisende drank tot diep in de nacht en lach

van verdriet tot je engelen hoort zie dauw

onder ogen en bloei als een zwijgende stokroos

tot in lengte van dagen jouw lied dat van jou is

en dat je van leven voor geen fles ooit zult zingen

verberg je in schepen naar steden die groot zijn en ver en

verander je naam want van jou zijn je fouten van jou

hun beloning dus tracht je getekend van vrouwen

te houden waardig als ober of nachtportier

en schrijf je bij vuren over dichters die dood zijn

het rijmende raadsel van baarlijke mens onder mensen

 

wat als de wie van de welke waait

en zwart wordt besloten dat mens elkaar hond is?

probeer niet te weten maar nip als een merel

ruik naar een vrouw die raadselen ruist

stil door de ogen en luistert naar bloemen

bedel met gratie spreek moordenaars aan

met twee edele woorden en zing niet op straat

van hi ha de hond fluit en hola de bola

we gaan niet naar huis hoe hard huilt mijn hart

maar fluister de namen als zou je begrijpen

dat je voet met iedere stap in de ogen van minnaars kan trappen

leeg de asbak van lompen laat voordringers voorgaan

omdat je voor dante de deur openhoudt

het wonder ter wereld heet mens onder mensen

 

© Ilja Leonard Pfeijffer

 

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •