Jaap Goedegebuure. Het onherstelbare

Veel poëzie, en wat mij betreft is dat de beste, komt voort uit iets wat dwars zit: verlies, frustratie, onvervuld verlangen en vooral het onbestemde onbehagen dat zeurt als een zweer die maar niet wil doorbreken. Het wordt er alleen maar mooier op wanneer er uit die ongenoegens muziek klinkt, liefst getoonzet in C-mineur. Mijn favoriete gedichten laten zich karakteriseren als verstilde klaagzangen en ingetogen lamento’s, opstijgend uit een zich herhalend patroon van woorden die zachtjes ten hemel schreien. Daarbij reikt het repertoire, met de nodige oh’s en ah’s, van J.H. Leopold (‘O, als ik dood zal, dood zal zijn/ kom dan en fluister, fluister iets liefs’) tot Kees Ouwens (‘het is er niet je was het zelf twee/ schreeuwen twee een februariavond het is er niet je was het zelf// O nee het is er niet je was het zelf’).

            De ontdekking van zulke poëzie en mijn ontvankelijkheid ervoor dateren uit de periode waarin de biologische klok van het menselijk bestaan gemeenlijk het uur tussen hond en wolf aanwijst, the gloomy hour van de puberale weltschmerz en de innig gekoesterde melancholie, het uur dat voor sommigen, volgens dichter Anton Korteweg de comfortabel ongelukkigen, een leven lang duurt. Bij mij duurde het in elk geval lang genoeg om mijn ziel bereid te houden voor de ontmoeting met Baudelaire en zijn bloemen van het kwaad. Toen het zover was verkeerde ik halverwege de twintig. Een laatbloeier, zal men zeggen. Maar voor Baudelaire is het nooit te laat.

            Wat me in Les fleurs du mal trof, was de articulering van gevoelens die ik herkende van mijn calvinistische achtergrond: spijt, wroeging, zondebesef zelfs, en bovenal de wetenschap dat alles ijdel en tevergeefs is. Van de heiden die ik aanvankelijk in Baudelaire vermoedde, verbaasde me dat nogal; toen ik wat dieper tot hem doordrong begreep ik dat hij, hoe tegendraads ook, met al zijn vezels vastzat aan de christelijke schematiek betreffende goed en kwaad. Je zou beter kunnen vragen wie daar in het tijdperk van secularisering echt van losgekomen is.

            Het gedicht uit Les fleurs du mal waarvan ik onmiddellijk wist dat het over mij ging, heet ‘L’irréparable’. Dat wat niet meer goed te maken valt houdt je in een wurgende greep, allereerst omdat je vanwege je geworpenheid in het aardse tranendal deelt in een erfzonde waaraan je rationeel gesproken part noch deel hebt, maar ook omdat je dingen hebt laten liggen of verpest.

            Voor mij schuilt de magie van ‘L’irréparable’, net als in de hiervoor genoemde gedichten van Leopold en Ouwens, in de woordelijke herhalingen. Elke strofe wordt gemarkeerd door een begin dat echoot in de slotregel. In die echo klinkt vertwijfeling door, een sentiment dat wordt versterkt door de vraagtekens. Kunnen we de knagende wroeging een halt toeroepen? Nee, natuurlijk niet. Is er heul te verwachten van een tijdelijke verdoving? Ga je gang, maar weet dan wel dat je een verslaving aan drank en drugs op de koop toe neemt.

            Baudelaire is niet alleen de dichter met de knapste techniek ooit, hij is ook, in al zijn waarnemingen en overdenkingen, een diep borend psycholoog. Zijn analyse van de spijt is zo indringend omdat hij dat gevoel niet verbindt met aanwijsbare fouten of missers, maar oningevuld laat. Het is, net als het frequent door hem bezongen spleen, iets existentieels, of om het minder deftig te zeggen, een geboorteafwijking waarmee iedereen die een beetje bewust leeft behept is. In de twintigste eeuw begon men te spreken van ‘het menselijk tekort’, maar dat is maar een flauw aftreksel van het complexe onbehagen waaraan behalve Baudelaire ook Kierkegaard en Kafka leden. Zelfs wanneer je totaal geëmancipeerd geraakt bent van God en gebod, zul je bij veel van wat je doet of nalaat aanlopen tegen de gewaarwording dat het niet goed voelt of zelfs helemaal verkeerd. Altijd weet je je gadegeslagen door een afkeurende blik, ook als de hemelse vader een sprookjesfiguur voor je is geworden en je echte vader al lang dood en begraven.

            Naast ontoereikende antidota als wijn en hasjiesj, zoekt Baudelaire ook zijn heil bij de ‘belle sorcière’, de mooie tovenares van wie de specialisten weten dat zij waarlijk bestond in de persoon van actrice Marie Daubrun met wie de dichter een liaison had. Speciaal voor haar zouden de twee slotstrofen zijn bedoeld. Baudelaires spijt vloeit hier samen met afgunst op de toneelspelers; die zijn immers in staat tot het pretend you’re happy when you’re blue. Tegelijk ziet hij op hen neer, getuige zijn schildering van hun biotoop: het banale theater waar de fee vleugeltjes van gaas heeft. Voor de dichter, die gekortwiekte en bespotte albatros, zijn die gazen vleugels veel te broos om uit dit helse moeras op te stijgen.

            Nu ik dit alles zo neerpen en van tijd tot tijd een blik werp op Baudelaires gedicht, zie ik wel degelijk hoe retorisch, om niet te zeggen gezwollen het gevoel van het onherstelbare hier wordt verwoord. En de Nederlandse vertalingen van Peter Verstegen en Petrus Hoosemans, hoe vaardig ook, maken het er niet beter op, integendeel. Het Frans klinkt stukken beter, ook omdat het zo ver van mijn bed is, maar dat Baudelaire toch ook een echte patheticus is, lijkt me onmiskenbaar. Je ziet dat zijn Nederlandse navolgers Nijhoff en Bloem het besef van het onherstelbare veel gedempter, sotto voce, wisten te verwoorden. Om maar te zwijgen van grootmeesters als Leopold en Ouwens. Maar Baudelaire en zijn pathos zijn me toch altijd nog zeer dierbaar.

 

L’Irréparable

 

Pouvons-nous étouffer le vieux, le long Remords,
Qui vit, s’agite et se tortille
Et se nourrit de nous comme le ver des morts,
Comme du chêne la chenille?
Pouvons-nous étouffer l’implacable Remords?

 

Dans quel philtre, dans quel vin, dans quelle tisane,
Noierons-nous ce vieil ennemi,
Destructeur et gourmand comme la courtisane,
Patient comme la fourmi?
Dans quel philtre? — dans quel vin? — dans quelle tisane?

 

Dis-le, belle sorcière, oh! dis, si tu le sais,
À cet esprit comblé d’angoisse
Et pareil au mourant qu’écrasent les blessés,
Que le sabot du cheval froisse,
Dis-le, belle sorcière, oh! dis, si tu le sais,

 

À cet agonisant que le loup déjà flaire
Et que surveille le corbeau,
À ce soldat brisé! s’il faut qu’il désespère
D’avoir sa croix et son tombeau;
Ce pauvre agonisant que déjà le loup flaire!

 

Peut-on illuminer un ciel bourbeux et noir?
Peut-on déchirer des ténèbres
Plus denses que la poix, sans matin et sans soir,
Sans astres, sans éclairs funèbres?
Peut-on illuminer un ciel bourbeux et noir?

 

L’Espérance qui brille aux carreaux de l’Auberge
Est soufflée, est morte à jamais!
Sans lune et sans rayons, trouver où l’on héberge
Les martyrs d’un chemin mauvais!
Le Diable a tout éteint aux carreaux de l’Auberge!

 

Adorable sorcière, aimes-tu les damnés?
Dis, connais-tu l’irrémissible?
Connais-tu le Remords, aux traits empoisonnés,
À qui notre coeur sert de cible?
Adorable sorcière, aimes-tu les damnés?

 

L’Irréparable ronge avec sa dent maudite
Notre âme, piteux monument,
Et souvent il attaque ainsi que le termite,
Par la base le bâtiment.
L’Irréparable ronge avec sa dent maudite!

 

— J’ai vu parfois, au fond d’un théâtre banal
Qu’enflammait l’orchestre sonore,
Une fée allumer dans un ciel infernal
Une miraculeuse aurore;
J’ai vu parfois au fond d’un théâtre banal

 

Un être, qui n’était que lumière, or et gaze,
Terrasser l’énorme Satan;
Mais mon coeur, que jamais ne visite l’extase,
Est un théâtre où l’on attend
Toujours, toujours en vain, l’Etre aux ailes de gaze!

 

––––––––

Het onherstelbare

 

Wordt ooit door ons het oud, het lang Berouw verstikt,

dat leeft, zoals de worm in lijken,

dat wendt en keert en draait en zich in ons verdikt,

zoals de rupsen in de eiken?

Wordt ooit het onverbiddelijk Berouw verstikt?

 

In welke wijn, welk brouwsel, welke tovermede,

verdrinken wij die oude Schuld,

vernielend, gulzig als de vrouw van felle zeden,

en als de mieren vol geduld?

In welke wijn? – Welk brouwsel? – Welke tovermede?

 

Vertel het, schone heks, vertel, als jou dat lukt,

de geest die enkel angst kan proeven

en sterft, als onder het kanonsvoer doodgedrukt,

of als vertrapt door paardehoeven,

vertel het, schone heks, vertel, als jou dat lukt,

 

aan deze stervende, geroken door de wolven,

bij wie de raaf geduldig waakt,

aan die soldaat, die viel: wordt ooit zijn graf gedolven,

wordt hem een grafkruis ooit gemaakt?

Die arme stervende, geroken door de wolven!

 

Kan men een hemel klaren, even zwart als drek?

Kan men de donkerten doorbreken

die ochtend-, avondloos zijn, dichter zijn dan pek,

waar ster en stervens weerlicht weken?

Kan men een hemel klaren, even zwart als drek?

 

De Hoop die nimmer dovend blinkt in ’s Herbergs ruiten

is uitgewaaid, voor altijd dood!

Waar vindt men herberg, zonder maan of lichten buiten,

voor hen, wier weg slechts kwelling bood?

De Duivel doofde al wat blonk in ’s Herbergs ruiten!

 

Zijn, lieve toverkol, verdoemden jou tot vriend?

Zeg, kan iets elk pardon verliezen?

Ken jij Berouw, voor wie ons hart als doelwit dient

van zijn in gif gedrenkte spiezen?

Zijn, lieve toverkol, verdoemden jou tot vriend?

 

Het Onherstelbare knaagt met vervloekte tanden

aan onze ziel, triest monument,

en, als termieten, tracht hij vaak het aan te randen,

beginnend aan het fundament.

Het Onherstelbare knaagt met vervloekte tanden!

 

– Ik zag eens, in een doodgewone schouwburgzaal,

waar strijkersvuur was uitgebroken,

in helse hemelen als in één feeënhaal

de ochtend wonderlijk ontstoken;

ik zag eens in een doodgewone schouwburgzaal

 

dat, slechts bestaand uit licht, uit goud en gaas, een wezen

het won van Satans overmacht;

mijn hart, waarin verrukking nooit is opgerezen,

is een theater waar men wacht

vergeefs, altijd vergeefs, het wiekend gazen Wezen!

 

[Vertaling Petrus Hoosemans, in Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad. Historische Uitgeverij, Groningen 1995]

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •