Jaap Goedegebuure. Egidius

Een van de mooiste gedichten uit de Nederlandstalige literatuur is de evergreen die begint met de frase ‘Egidius, waer bestu bleven’. Het ontstond in een kring van dichters, zangers en muzikanten die gevestigd was in de Vlaamse haven- en handelsstad Brugge, omstreeks 1400 een ongeëvenaarde brandhaard van economische en culturele activiteit. In deze kring moet Egidius een prominente plek hebben gehad, zo prominent dat hij na zijn dood geëerd werd met twee rouwverzen. Het bekende Egidiuslied is er een van. Met tientallen andere op muziek gezette gedichten is het overgeleverd in het zogenaamde Gruuthusehandschrift. Dat ging in 2007 voor grof geld van particulier Vlaams bezit over naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, tot verdriet van onze letterlievende zuiderburen. Om het een beetje goed te maken is het nu even in Brugge terug, tentoongesteld in het paleis van de adellijke familie Gruuthuse.

Ter gelegenheid van deze expositie verscheen onder de titel Liefde, leven en devotie een bloemlezing uit het Gruuthusehandschrift. Op de linkerpagina’s vindt men de originele tekst, op de rechter een vertaling in eigentijds Nederlands van de hand van dichteres Maria van Daalen. Als specialist op het gebied van de middelnederlandse poëzie en dichteres in her own right was zij geknipt voor deze opdracht. Om een indruk te geven van haar bewonderenswaardige prestatie volgt hier haar versie van het Egidiuslied, voorafgegaan door het origineel. 

 

         Egidius, waer bestu bleven?

          Mi lanct na di, gheselle mijn.

          Du coors die doot, du liets mi tleven.

          Dat was gheselscap goet ende fijn,

           het sceen teen moeste ghestorven sijn.

 

Nu bestu in den troon verheven,

claerre dan der zonnen scijn.

Alle vruecht es di ghegheven.

 

            Egidius, waer bestu bleven?

            Mi lanct na di, gheselle mijn.

            Du coors de doot, du liets mi tleven.

 

Nu bidt vor mi: ic moet noch sneven

ende in de weerelt liden pijn.

Verware mijn stede di beneven:

ic moet noch zinghen een liedekijn,

Nochtan moet emmer ghestorven sijn.

 

            Egidius, waer bestu bleven?

            Mi lanct na di, gheselle mijn.

            Du coors die doot, du liets mi tleven.

            Dat was gheselscap goet ende fijn,

             het sceen teen moeste ghestorven sijn.

 

           Egidius, waar mag je wezen?

            Ik wil je zo graag aan m’n zij.

            Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

            Zo goed toen, tussen jou en mij,

             als kwam de dood nooit meer voorbij.

 

Tot Gods troon ben je opgeheven,

straalt boven zon en sterrenrij.

Het puurst geluk is je gegeven.

 

            Egidius, waar mag je wezen?

            Ik wil je zo graag aan m’n zij.

            Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

 

Bid toch voor mij, ik word gedreven

door deze wereld, hard, onvrij.

Weer naast jou zitten, dat duurt even.

Ik zing eerst nog dit lied van mij,

het sterven komt vanzelf voorbij.

                        Egidius, waar mag je wezen?

                        Ik wil je zo graag aan m’n zij.

                        Jij ging maar dood, jij liet mij leven.

                        Zo goed toen, tussen jou en mij,

                        als kwam de dood nooit meer voorbij.

 

 

 

 

 

Bookmark and Share

2 Kommentare op “Jaap Goedegebuure. Egidius”

  1. Emma Huismans :

    Gelees en waardeer. Laat my terugdink aan Afrikaans/Nederlands I op Tuks.. eind jare 60 waar dit stilletjies die hofgedig van alle gays geword het.. en dikwels aangehaal is om “identiteit” mee vas te stel. Die vertaling was toe nie beskikbaar nie en almal moes dit woord vir woord uitpluis .. so het ons Middel-Nederlands geleer.

  2. Jaap Goedegebuure :

    Dank je, Emma. Wat die identiteit betreft: aan wie of wat moeten we denken bij dat andere prachtgedicht uit de Gruuthuseverzameling: Alouette, vogel klein???!!!

  •