Jaap Goedegebuure. De macht van twintig koeien en meer

Een bekend gedicht van Lucebert begint zo: 

            er is alles in de wereld het is alles

            de dolle hondenglimlach van de honger

            de heksenangsten van de pijn en

            de grote gier en zucht de grote

            oude zwarte nachtegalen

            het is alles in de wereld er is alles 

Luceberts toon heeft iets bezwerends, alsof hij de door hem opgeroepen monsters liefst meteen weer hun hok wil insturen. Die toon is overigens niet iets waarop hij monopolie heeft. Je vindt hem bij diverse andere twintigste-eeuwse dichters, de Oostenrijker Georg Trakl bijvoorbeeld. Die schreef een ‘Psalm’ geheten gedicht dat, gedempt weliswaar, klaagt, jammert en bezweert. 

            Es ist ein Licht, das der Wind ausgelöscht hat.

            Es ist ein Heidekrug, den am Nachmittag ein Betrunkener verlässt.

            Es ist ein Weinberg, verbrannt und schwarz mit Löchern voll Spinnen. 

We kunnen nog verder terug in de tijd, tot aan Rimbaud, met wie de moderne lyriek begint. Vier regels uit zijn gedicht ‘Enfance’ luiden in de Nederlandse vertaling van Paul Claes aldus: 

            Er is een klok die niet slaat.

            Er is een kuil met een nest vol witte dieren.

            Er is een kathedraal die daalt en een meer dat stijgt.

            Er is een wagentje dat in het struikgewas is achtergelaten of met linten versierd de weg af snelt.

Karakteristiek voor de moderniteit is dat dichters, net als degenen onder ons die niet dichten maar wel klagen en jammeren, dolgraag het volledige leven tot uitdrukking willen brengen, maar er onvoldoende vat op kunnen krijgen. En dus doen ze maar een greep, tegen beter weten in hopend dat God die greep wil zegenen. ‘I can’t make it cohere’, verzuchtte Ezra Pound al. Het is precies hier dat de dichteres Tjitske Jansen zich voegt in de lijn Lucebert-Trakl-Rimbaud. Haar bundel Koerikoloem is een poging een curriculum vitae in kaart te brengen. Uiteindelijk komt de reconstructie niet veel verder dan fragmenten, scherven liever gezegd. Soms is er een zekere opbouw of samenhang in te ontwaren, maar even vaak ook niet. Het is juist op de momenten van kortsluiting dat deze poëzie – want poëzie is het vanwege de bezwerende toon wel degelijk, ondanks de prozaïsche vormgeving die het tegendeel suggereert – begint te knetteren en te vonken, bijvoorbeeld waar er op het verslag van een discussie over God deze twee zinnen volgen:

       Er was een helderziende vrouw die me aanraadde een anti-aanbakpan te kopen. Dat zou me veel tijd besparen.

 Of neem een sequentie als deze:

       Er was iemand die een spreekbeurt hield over het glazen oog van haar vader. Ze gaf zijn reserve glazen oog door in de  klas.  In een luciferferdoosje. 

        Er waren haar zusjes, vijf en zes jaar oud, die met zijn tweeën de koeien de wei uit kregen, de weg over, de stal in. Ze hadden    een macht zo groot als twintig koeien.  

 Eigen aan de moedwil waarmee Tjitske Jansen kortsluiting maakt en evenzeer eigen aan de misverstanden waarmee ze ons, tijdelijk of permanent, opzadelt, is de weerbarstige vitaliteit die daar uit spreekt. Het is een vitaliteit die de macht van twintig koeien verre te boven gaat.

Bookmark and Share

Een Kommentaar op “Jaap Goedegebuure. De macht van twintig koeien en meer”

  1. Theunise van Schoor :

    Ai Jaap ek geniet dit om jou woorde te lees. Sukkel soms met die taal maar aanhouer wen! Dankie

  •