Jaap Goedegebuure. Roland Holsts zwanenzang

Op een goede dag, ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw, begaf de vermaarde uitgever Geert van Oorschot zich naar Bergen aan Zee, om een bezoek af te leggen aan de minstens zo vermaarde dichter Adriaan (voor vrienden ‘Jany’) Roland Holst (*1888). De oude bard, die een opdringerige bewonderaar kort tevoren nog had laten weten dat hij het zat was om al vele decennia voor Prins der Dichters te spelen, had de harp nog altijd niet aan de wilgen gehangen en zag zijn verzen met grote regelmaat in de literaire tijdschriften opgenomen. Van Oorschot vond dat het tijd werd de nieuwe productie te bundelen en had zelfs al een titel bedacht. ‘Jany’, zo sprak hij nadat het eerste kelkje jenever geledigd was en een verse sigaar opgestoken, ‘je zult nu wel gauw doodgaan, dus ik stel voor dat we je boek Laatste bundel noemen.’ Roland Holst zweeg enige tijd en zei toen bedachtzaam: ‘Nee, Geert. Voorlópig laatste bundel.’ Aldus geschiedde. Een paar weken nadat Voorlopig de boekhandels had bereikt, overleed de dichter. Kort tevoren was er nog een radiomedewerker langs geweest om hem een gedicht te laten voorlezen. Holsts keuze viel niet op iets van eigen makelij, maar op het klassieke vers ‘De tuinman en de dood’ van vriend en leeftijdgenoot P.N. van Eyck. Roland Holst droeg het voor met een snik in zijn stem en ledigde vervolgens met de geluidsman een fles wijn.

            Roland Holst was wat men noemt een ‘bevlogen’ dichter. Hoewel hij ook man van de wereld was en de reputatie van een geduchte rokkenjager genoot, zag hij zijn poëzie als een hoge opdracht, hem verstrekt door een onaardse boodschapper. Dat hij domicilie had gekozen aan de Noordzeekust paste in de door hem gecultiveerde mythe dat zich daar de grens bevond tussen de verdorven wereld van materie en klatergoud en de Elyseese Velden aan de overzijde van de grote plas. Zelf beschouwde hij zich als een verdwaalde godenzoon die met het ene been vast zat in het hier en nu en zich met het andere been daaruit probeerde los te wrikken. Die spagaat geeft zijn gedichten niet zelden iets krampachtigs, iets wat in weerwil van het door hem beleden heidendom sterk doet denken aan het christelijke beeld van de zondige aarde versus het hemelse heil.

            Behalve zanger van het Elysisch verlangen was Roland Holst ook de auteur van het gedragen gedicht ‘Zwerversliefde’, dat het ooit goed deed bij romantisch aangelegde pubers. Ik en diverse van mijn vrouwelijke klasgenoten hadden het overgeschreven op een los schriftblaadje en bewaarden het in onze agenda’s. Vooral de vergeefsheid van het menselijk samenzijn sprak ons, die zo graag comfortabel ongelukkig wilden zijn, sterk aan.

 

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –

 want, o de maatloze verlatenheden,

 die over onze moegezworven leden

 onder de sterren waaie’ in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

 het trotse hoge woord van liefde spreken,

 want hoeveel harten moesten daarom breken

 onder de wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in de wind

 ritselend langs de zoom van oude wouden,

 en alles is onzeker, en hoe zouden

 wij weten wat alleen de wind weet, kind –

 

En laten wij omdat wij eenzaam zijn

 nu onze hoofden bij elkander neigen,

 en wijl wij same’ in ‘t oude waaien zwijgen

 binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in de wind,

 en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

 en daarom – voor we elkander weer vergeten –

 laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

 

In Voorlopig is de poëzie van een totaal ander kaliber. Roland Holst had er alle romantiek en priesterlijke pose afgelegd, en verstond zich onverschrokken met de onvermijdelijke aftakeling en de al even onvermijdelijke dood. Hoewel deze ouderdomsgedichten in literair opzicht niet tot de absolute top behoren, zijn ze me om de combinatie van weerbarstigheid en kwetsbaarheid toch zeer sympathiek. Hier volgt tot slot een enkel voorbeeld.

 

WAT WAS

 

Toen er niets meer dan afbraak overbleef

deed hij de glazen deuren langzaam open

en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef

niet meer en zie van hopen en wanhopen

af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,

gedronken en gegeten wat ik wilde

en alles wat ik in de avond schreef

blijft naast mij.

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •