Janita Monna. Van een bedrieglijke eenvoud

 

Jannah Loontjens – Dat ben jij toch.

Prometheus, 48 pagina’s, 17,95 euro, ISBN 9789026326516

 Ik denk dus ik ben. Descartes’ oude woorden zouden ook op kunnen gaan voor Jannah Loontjens, die niet alleen schrijvend, maar ook denkend haar brood verdient. Maar zo de uitspraak al simpel is, voor Loontjens ligt de zaak hoe dan ook complexer. Dat laat ze zien in haar nieuwste dichtbundel, Dat ben jij toch, die, wat je zou kunnen noemen, verkenningen van het ik bevat. De dichter/filosoof onderzoekt niet alleen de rollen die ze speelt (‘ben ik de bezorgde moeder, de minzaam lachende intellectueel’), maar ook hoe het ik zich verhoud tot de ander: bijvoorbeeld, waar houd je op te bestaan als je met andere mensen in een lift staat; hoe blijf je iemand in een volle bus:

 

(…) Hoe kan ik een mens zijn

in deze bus die ons door een dagdeel rijdt.

Zoals we dat doen, met en zonder elkaar. Hoe

dicht kunnen we opeen staan en iemand blijven.

 

Loontjens stelt vragen die nauwelijks als zodanig herkenbaar zijn. Ze registreert, tast af en noteert onderkoeld om gevoelens van vervreemding en paniek die onder het oppervlakte schuilen, in toom te houden. Nu en dan (en vaak ook ’s nachts) komt ontreddering als een vulkaan door de kalme regels, waarin nogal eens kinderliedjes verweven zijn, gebarsten. Maar hoe hol klinkt ‘hihihi, hahaha’ kort na een bevalling; hoe vreemd leeg is dan het lichaam waaruit een nieuw persoon met een eigen naam is geboren? En wanneer verruil je de kinderrol voor die van moeder: ‘Moeders zijn/ moeders van vrienden. Vrouwen in treinen/ met een peer voor een kind. Moeders zijn de anderen.’

Wie anno 2013 de eigen identiteit bevraagt, zoekt ook naar de verhouding van de ik tot sociale media als Facebook. Hoeveel laat van jezelf zien, wat deel je met een ander en ken je die eigenlijk, wat zegt een bericht over lekkere koffie over jou: ‘De nepkraai/ en de torenvalk op mijn balkon konden zestien vrienden/ bekoren.’

Misschien door de bedrieglijke eenvoud en de licht over de pagina stappende regels – met dit soort scherpe beelden ‘mijn ogen nerveuze speurhonden’ – dringt hetgeen Loontjens wil zeggen soms pas na een paar keer lezen echt goed door.

Vrijwel gelijktijdig met deze bundel verscheen het essayistische Mijn leven is mooier dan de literatuur. Onder meer over de vreemde, onzeker makende drang om te willen schrijven. En iets van de onzekerheid die schrijven met zich meebrengt, laat ze ook in Dat ben jij toch zien:

 

Ik schrijf, probeer ik. Heus. Het is passie.

Nee, preekt zij, jij gaat van heen en terug

van twijfel naar wederom en althans is geweest,

 

Toch is twijfel over het dichterschap niet nodig.

Ik sta erbij

 

Mijn borsten zijn weer klein, maar zacht. Mijn buik

niet zomaar meer van mij. Een verlaten huis. Hol.

Zwembassin. Het was een wonder. Hihihi, hahaha,

ik lag erbij en keek ernaar.

 

Hoe hij kruipt, hoe zij loopt, hoe ze ieder hun eigen

naam zijn. Hoe ze op me afrennen op het schoolplein.

 

Hoe ik bij het geluid van de bel naar buiten stormde,

mijn ogen nerveuze speurhonden. Moeders zijn

moeders van vrienden. Vrouwen in treinen

met een peer voor een kind. Moeders zijn de anderen.

Bij het eten zit ik aan de lage tafel

achter het ijsje met het parasolletje.

 

Jannah Loontjens – Dat ben jij toch. Prometheus, 48 pagina’s, 17,95 euro, ISBN 9789026326516

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •