Yves T’Sjoen. Met Alfred Schaffer op de brug

Met Alfred Schaffer op de brug

– Yves T’Sjoen

Alfred Schaffer

In het fonds van Protea Boekhuis (Pretoria) verscheen Kom in, dit vries daar buite (2013). Deze ‘zelfbloemlezing’ van Alfred Schaffer – de term is geïntroduceerd in de opstellenbundel De tweede gisting (Amsterdam University Press, Amsterdam 2001) door medesamensteller Ad Zuiderent ─ presenteert in totaal 48 gedichten waarvoor de auteur putte uit de vijf Nederlandstalige dichtbundels die hij vanaf het debuut Zijn opkomst in de voorstad (2000) tot de met de VSB-poëzieprijs bekroonde bundel Kooi (2008) heeft uitgegeven alsook uit het op dat moment nog onuitgegeven dichtwerk Mens Dier Ding (2014). De tweetalige auteurseditie bevat naast de brontaalteksten de door Daniel Hugo vervaardigde vertalingen (“regtig Afrikaanse weergawes van die Nederlandse tekste”, Alfred Schaffer in gesprek met Danie Marais, Versindaba, 8-3-2013). Kom in, dit vries daar buite fungeert als de door de auteur zelf georkestreerde introductie van diens literaire productie in het literaire systeem van het Afrikaans. De selectie wil niet representatief zijn, volgens de schrijver, maar tracht wel een Zuid-Afrikaans leespubliek aan te spreken. Het beeld dat de dichter van zijn literaire werk construeert, is bij nader toezien toch niet zo vrijblijvend of pragmatisch als uit deze uitspraak kan blijken.

1. Kom in, dit vries daar buite als bruggenhoofd

De Nederlandse commentatoren van Schaffers poëzie, met name van Mens Dier Ding, spreken een enkele keer over “de Zuid-Afrikaanse dichter” (Rein Swart, VPRO-Boeken, 8-6-14), andere keren over “de Nederlandse dichter” en verder “de in Zuid-Afrika wonende Alfred Schaffer” (Peter Swanborn, de Volkskrant, 22-2-14), “Schaffer doceert aan de universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika” (Willem Thies, Poëziekrant 2014/3) en “de grote bundel Mens Dier Ding waarmee Alfred Schaffer is teruggekeerd in de Nederlandse poëzie” (Erik Lindner, Poetry International Rotterdam, 19-2-14). Met die terugkeer doelt de criticus wellicht op de stilte van zes jaar tussen Kooi en de jongste dichtbundel. De verwarring bij critici omtrent de actuele identificatie van de dichter, inzake het literaire systeem waartoe diens schrijverschap moet worden gerekend, geldt ook de auteur zelf. In het eerder geciteerde interview met Danie Marais wordt Schaffer de vraag voorgelegd hoe hij “die tussengangerskap as digter en literêre kommentator – enersyds hier en andersyds in die Lae Lande” ervaart. De dichter is niet alleen ook een literatuurbeschouwer – een veel voorkomende combinatie van dichterspraktijk en poëziebeschouwing (onder anderen Maria Barnas, Piet Gerbrandy, Luuk Gruwez, Gerrit Komrij, Rob Schouten) ─ hij is daarenboven actief in het literaire bedrijf van Nederland en van Zuid-Afrika. De ambivalente positie tussen twee taalgebieden omschrijft hij met een verwijzing naar Elisabeth Eybers als “schizofreen”. Schaffer stelt het als volgt: “Het is soms best vermoeiend en frustrerend te leven tussen dat Nederlands en Afrikaans […]. Het is alsof mijn taal begint te verbrokkelen, mijn woordenschat te slinken. Het Nederlands dat niet dagelijks wakker wordt gehouden omdat ik het niet dagelijks met anderen spreek, en het Afrikaans dat ik, voorlopig toch, niet grondig genoeg machtig zal worden. Ik hoor nergens meer bij, niet hier en niet daar, zo voelt het tenminste”. Ook Phil van Schalkwijk stemt in een “resensie-essay” over Kom in, dit vries daar buite en meer in het bijzonder over Alfred Schaffer en de Amerikaanse abstracte schilder Mark Rothko (Lit Net Akademies, 17-7-2013) in met deze zienswijze en citeert daarvoor Thomas Vaessens. De vraag is natuurlijk of die zelfverklaarde ontheemdheid, of wat ik hier een tussenpositie noem, literair-institutioneel gesproken maar ook wat de ontwikkeling van het literaire oeuvre betreft een nadeel is. Zwemmen buiten het eigen taalgebied leidt vanzelf naar een plek in de wereldrepubliek der letteren. Zoals uit deze bijdrage mag blijken.

Alfred Schaffer heeft altijd een interessante positie tussen het Nederlands en het Afrikaans ingenomen. In een persoonlijk gesprek heeft hij het literaire grensverkeer tussen beide taalgebieden en dus literaturen van Nederland, het Nederlands sprekende deel van België en Zuid-Afrika als bijzonder prikkelend omschreven. Uit Schaffers literaire wapenfeiten kunnen we afleiden dat de schrijver altijd op zoek is gegaan naar een interculturele of transnationale dialoog. Nog vóór het debuut in het fonds van Thomas Rap stelde hij samen met Antjie Krog een editie van de contemporaine poëzieanthologie Nuwe stemme (aflevering 3, 1996) samen. Hij schreef toen al poëziebeschouwingen en datzelfde jaar startte hij met doctoraatsonderzoek aan de universiteit van Kaapstad. In het vraaggesprek met Marais spreekt hij zijn voorkeur uit voor Krog en Eybers, Naudé, Stockenström en Breytenbach naast veel Nederlandse en anderstalige dichters die allen deel uitmaken van Schaffers particuliere wall of fame. Van Schalkwyk wees in zijn revelerende bijdrage op LitNet Akademies op de aanwezigheid van motto’s (Stockenström, Coetzee), interteksten (Marais) maar bijvoorbeeld ook op de specifieke Zuid-Afrikaanse setting van vroege gedichten zoals in Zijn opkomst in de voorstad. De narratieve lijn of de behandeling van de verhaalstof in de alom gewaardeerde jongste bundel Mens Dier Ding mag dan epischer en associatiever zijn dan vroeger dichtwerk. Met de beeld-associatieve herschrijving van het levensverhaal van Sjaka Zoeloe en de verstrengeling van “geschiedenis en mythologie”, zoals door de auteur zelf en later in alle recensies in Nederland aangestipt, heeft Schaffer zijn poëzie voor het eerst nadrukkelijk – hoewel metaforisch (met als sleutelmotieven machtswellust en geweld) ─ tegen een Zuid-Afrikaanse achtergrond geplaatst. Behalve de drie naar het Afrikaans vertaalde “ongepubliceerde gedichten” in Kom in, dit vries daar buite, nu gebundeld in Mens Dier Ding, is het afwachten in hoeverre de Afrikaanse literatuurkritiek hier op reageert. Wordt Schaffer stilaan beschouwd als een in het Nederlands schrijvende Zuid-Afrikaanse dichter of als een Nederlandse schrijver, woonachtig en werkzaam in Zuid-Afrika, die zijn verhaalmaterie ontleent aan de geschiedenis van Zuid-Afrika? Wellicht doet het er niet eens toe. Ik beschouw deze typering in elk geval als weinig relevant. In vrijwel alle kritieken wordt gerefereerd aan deze extra-literaire factoren teneinde de dichter te kunnen positioneren ofschoon die dus helemaal niets zeggen over wat Van Schalkwyk met een term uit de taalkunde de “idiolektiese skrywersidentiteit” noemt.

In het gesprek met Danie Marais stelt Schaffer: “Tussen elke taal is daar klowe, al glo ek nie dat hulle onoorbrugbaar is nie. Die poëtikas wat van land tot land verskil, ’n tipe denken, is partykeer die grootste oorsaak van enige kloof”. Kloven zijn er om overbrugd te worden, met zustertalen zijn die kloven verraderlijker dan tussen andere talen. Naar aanleiding van diens Nederlandse vertaling van beide bundels van Ronelda S. Kamfer – Nu de slapende honden (Podium, Amsterdam 2010) en Santenkraam (Podium, Amsterdam 2012) ─ alsook van een bloemlezing uit de poëzie van Elisabeth Eybers, My radarhart laat niks ontglip (G.A. van Oorschot, Amsterdam 2013), weet hij welke de valkuilen en de “valse vrienden” zijn. Schaffers Zuid-Afrikaanse vertaler Daniel Hugo, ook bekend van de Afrikaanse vertalingen van Herman de Coninck, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Tom Lanoye, Bart Moeyaert en Miriam Van hee (Van Schalkwyk 2013), publiceerde over die vrienden enkele jaren geleden een bijzonder interessante bijdrage die ik vorig jaar in Stellenbosch kon gebruiken voor een lezing over Nederlandse taalvariëteiten.

Schaffers literaire activiteiten die het dichterschap omarmen, die er de voedingsbodem of de context van zijn (vertalingen, interviews, poëziebeschouwingen, academisch onderwijs), versterken diens ambivalente positie. Wat wel eens als een obstakel wordt gezien, is misschien net de steeds weer verschuivende karakteristiek van, met een term uit de Franstalige cultuursociologie, de zogenaamde posture van Alfred Schaffer. Hoewel de taal “begint te verbrokkelen” en de “woordenschat te slinken” – ik deel die indruk overigens niet – zijn de bemiddelaarsrol die de schrijver op zich neemt en de strategieën die hij daarvoor ontwikkelt bijzonder. Op Poetry International Rotterdam was hij in het voorjaar van 2014 te gast samen met onder andere de Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé, die eerder al enkele sonnetten van Schaffer naar het Afrikaans vertaalde (Van Schalkwyk, LitNet Akademies), bij DeBuren leidde hij de nieuwe dichtbundel Kaar van Marlene van Niekerk in en hij is betrokken bij literaire manifestaties in Zuid-Afrika en aan de universiteit van Stellenbosch waar Nederlandstalige schrijvers worden uitgenodigd. De schrijver functioneert in een transnationaal netwerk dat in Schaffers geval, maar bijlange niet uitsluitend, het Nederlandstalige en Afrikaanstalige literaire systeem betreft.

In dat opzicht kunnen we Alfred Schaffer tot de categorie van de poëziebemiddelaar rekenen. Deze culturele intermediair introduceert met behulp van onder meer vertalingen, commentaren, interviews en parateksten, zoals motto’s en opdrachten, anderstalige auteurs in een taalgebied. De bemiddelaar, zelf deel van een cultuurgemeenschap, construeert beelden van anderstalige literatuur in een taal- en cultuurgebied. Hij of zij creëert op die manier voor zichzelf een expliciet, al dan niet strategisch, referentiekader. Schaffer doet dat in de twee richtingen – onder anderen Elisabeth Eybers, Ronelda Kamfer en Marlene van Niekerk in het Nederlandse taalgebied en hedendaagse Nederlandstalige auteurs zoals Gerbrand Bakker, M. Februari, Tonnus Oosterhoff, Mustafa Stitou, Tommy Wieringa en vele anderen voor Afrikaanstalige studenten in Zuid-Afrika. Deze namenlijst is gebaseerd op de lectuurlijst voor het vak Moderne Nederlandse Letterkunde die dit semester in het Honneursprogramma wordt besproken.

2. Kom in, dit vries daar buite als (verzamel)bundel

De uitgave van de tweetalige editie Kom in, dit vries daar buite nodigt uit tot enkele onderzoeksvragen. De zogenaamde auteurseditie of dus de anthologie die de dichter zelf samenstelt uit de eigen poëzie kan worden gelezen als een poëticaal statement, een retrospectieve blik, een poging tot thematische clustering van een in de tijd verspreid uitgegeven literaire productie, het zichtbaar maken van een ontwikkelingsparcours et cetera. Naar eigen zeggen selecteerde Alfred Schaffer “met die oog op ’n Afrikaanse leserspubliek” (Versindaba, 8-3-2013). Vandaar dat uit de meer experimentele “moeilike bundel” Schuim (2006) maar zes gedichten zijn gekozen – dat is één meer dan uit Zijn opkomst in de voorstad – tegenover tien uit Dwaalgasten (2002) en Geen hand voor ogen (2004) en twaalf uit Kooi (2008).

De selectiecriteria die ten grondslag liggen aan deze nieuwe tekstcompositie kunnen misschien specifieker worden geformuleerd. De auteursuitspraak met betrekking tot een nieuw Afrikaanstalig leespubliek hoeft uiteraard niet alleenzaligmakend te zijn. In hoeverre verschilt de leeservaring afhankelijk van het continent, de cultuur of het taalgebied waar de lezer met deze poëzie wordt geconfronteerd? Culturele achtergronden, raamwerken en zienswijzen divergeren en leiden tot verschillende (tekst)interpretaties. In dit geval treedt de schrijver sturend op. Hij bepaalt met name welke gedichten geschikt zijn. Ook de compositorische variant wettigt een afzonderlijke studie. Gedichten zijn uit de oorspronkelijke bundelarchitectuur gelicht en in een andere constellatie – omgeven door andere gedichten – gepresenteerd. Dit levert een nieuwe tekst op, ook voor de Nederlandse lezer die vertrouwd is met de afzonderlijke publicaties van Schaffer.

Niet alleen marketingoverwegingen, of dus het Zuid-Afrikaanse (Afrikaanstalige) publiek, zijn van belang. Kom in, dit vries daar buite is zonder meer een nieuwe bundel in het werk van Alfred Schaffer. Vanuit die optiek kan de nieuwe tekststructuur ons iets vertellen over poëticale overwegingen, compositorische keuzes, nieuwe narratieve lijnen, betekenis verrijkende nieuwe tekstassociaties enzovoort.

Ik spreek dan nog niet over de vertalingen van Daniel Hugo. Deze zogenaamde doeltaalteksten – de term is discutabel ─ verdient vanuit vertaalwetenschappelijk oogpunt een indringende blik. Een vergelijkende studie met Naudé’s vertalingen kan revelerend zijn, maar ook de wijze waarop Hugo particuliere keuzes maakte al dan niet in overleg met de auteur en dus ten behoeve van “’n Afrikaanse leserspubliek”.

 

Bronnen

Alfred Schaffer, Kom in, dit vries daar buite. ’n Verskeuse deur die digter, uit Nederlands vertaal deur Daniel Hugo, Protea boekhuis, Pretoria 2013.

Danie Marais, ‘Alfred Schaffer oor sy nuwe vertalings. “Kom in, dit vries daar buite”, in gesprek met Danie Marais’, Versindaba, 8-3-2013.

Phil van Schalkwyk, ‘“Over de gehele oppervlakte een veld”. Alfred Schaffer en Mark Rothko’, Versindaba, 17-7-2013.

Bookmark and Share

Comments are closed.

  •